Piep in huis 14 augustus 2020

Voor wie als journalist is begonnen in een tijdperk dat de Remmington en de Bic de
belangrijkste werktuigen waren is het zaak steeds bij te scholen op technisch gebied.

Vooral toen internet op kwam en social media de dorpskroeg dreigde te overvleugelen
als bron waaraan de nieuwsgierige journalist zich kon laven, was het zaak een
andere levensstijl aan te nemen.

De dorpskroeg als informatiebron verdween in mijn perceptie om twee redenen.
De voornamelijk mannelijke journalisten werden naar huis geroepen door hun
geliefden die – zeer terecht – vonden dat de taken van opvoeding gedeeld moesten
worden. Het argument dat je wel naar de kroeg moest om je pagina’s vol te krijgen
hield geen stand. Iedereen zag dat je de informatie net zo makkelijk van internet kon halen.

Daar kwam nog bij dat bleek dat mensen in hun eentje achter de computer hun hart veel
gemakkelijker uitstortten dan in de kroeg. Daar duurde het toch vaak wel een paar uur en
een meter bier voordat iemand echt loslippig werd. Iemand die aan het eind van de avond
ook nog eens vond dat jij in ruil voor het verhaal de rekening maar moest betalen. Als je
geluk had kon je het bonnetje bij de administratie inleveren, maar vaak kon dat niet.
Journalistiek kostte in die tijd geld, daarom zagen de meeste journalisten er altijd shabby uit.

Voor mensen met een brandend geheim op de lippen was internet ook veel fijner. Ze
bereikten veel meer mensen dan alleen zo’n naar sigarettenrook stinkende journalist.
Belangrijker was nog dat ze zeker wisten dat hun verhaal de volgende ochtend niet werd
verhaspeld door zo’n stukkieschrijver met een kater.

Eén van de leukste cursussen die ik volgde was een cursus zoeken op internet, gegeven
door de vermaarde internetgoeroe Henk van Ess. Hij had een boek geschreven met als
titel “Stop met zoeken, begin met vinden”.  Zo’n titel waarvan je zou willen dat je die
zelf had bedacht.

Toendertijd vond ik het al heel wat dat ik met een uitgekiende zoekterm  in acht van de
tien gevallen vond wat ik zocht. Af en toe hielp ik iemand in mijn vriendenkring die op
de meest gekke websites terecht kwam als hij iets eenvoudigs zocht. Ik was de gevierde
Koning Eenoog in het land der blinden.

Inmiddels is er wel wat veranderd. Google is zo diep in ons leven doorgedrongen dat de
techgigant aan een half woord genoeg heeft om te weten wat we zoeken. Sterker nog
Google laat ons vaak al zien wat we nodig hebben voordat we dat zelf weten.

Deze week sprak ik met een bekende over van alles en nog wat. Hij vertelde dat hij was
wakker gehouden door een onregelmatige pieptoon. Telkens als hij de slaap probeerde
te vatten drong het geluid in zijn oor.

Na een onrustige nacht besloot hij de volgende dag op onderzoek uit te gaan. Dat deed
hij via internet.

“Maar welke zoekterm vulde je dan in?”  vroeg ik beroepshalve.

“Piep in huis,” zei hij.  Ik kwam niet meer bij van het lachen.

Nieuwsgierig als ik was heb ik later – toen hij weg was – toch even gekeken.

En verdomd: de eerste vermelding ging over een rookmelder. Laat dat nou het
probleem van mijn kennis geweest zijn.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Facebook is de bijrijder met de kaart 13 augustus 2020

Dit is de lead van een artikel in het Eindhovens Dagblad:

Sinterklaascomités in den lande voelen zich overvallen door het besluit van Facebook
en Instagram om foto’s van Zwarte Pieten ongewenst te verklaren. ,,Dan maar
niet op Facebook.’’

De kop boven het artikel was nog dwingender:

 ‘Facebook bepaalt niet wat wij met Piet doen’.

Facebook is begonnen als een fotoboek voor een school. Daarna ging het wereldwijd.
Door overnames van concurrenten is het uitgegroeid tot het belangrijkste social
mediabedrijf ter wereld. Twee miljard mensen sturen met enige regelmaat hun zielenroerselen
via één van de kanalen van Zuckerberg c.s. de wereld in.

Facebook hoort bij het leven. Facebook is net zo vanzelfsprekend als – ik hou het actueel –
water uit de kraan. Tenminste als je in het welvarende deel van onze aardkloot woont.
Er zijn ook landen waar het niet vanzelfsprekend is dat er water uit de kraan komt.
Op die plekken is er vaak wel ‘internet’ en dus Facebook.

Hoewel Facebook een verzamelbak is van privé-meningen (die van mij bijvoorbeeld),
poezenfilmpjes, nuttige informatie en fakenews, zijn er mensen die denken dat alles
wat op Facebook staat waar is.

Facebook is voor sommige mensen zelfs zo’n onderdeel van hun leven geworden dat ze
denken dat het van hen is. Mensen denken dat ze op Facebook volledige vrijheid hebben,
dat ze daar kunnen doen en laten wat ze willen.

Dat is volgens mij het grootste misverstand ter wereld. Nou ja, behalve dan misschien
voor goddelozen die het geloof in een god tot het grootste misverstand ter wereld rekenen.

Facebook is een commercieel bedrijf. Dat bakt de koek en wie de koek bakt bepaalt.
De Italiaanse econoom Mariana Mazzucato heeft daar een prachtig boek over geschreven:
De waarde van alles.  Facebook is gratis. Zij schrijft daar over: “Als er iets op internet
gratis is, ben je niet de klant maar het product. Het bussinessmodel van Facebook en
Google stoelt op commercialisering van persoonlijke gegevens, waarbij door de alchemie
van de tweezijdige markt onze vriendschappen, interesses, meningen en voorkeuren
worden omgezet tot verhandelbare artikelen”.

Met andere woorden: iedereen met een Facebookaccount is een product dat FB informatie
levert die verkocht kan worden aan andere commerciële bedrijven die daar ook geld aan
kunnen verdienen. Win-win voor het grootkapitaal met dank aan u en mij.

Facebook is dus van Facebook. Niet van Mien in de Asterstraat die elke dag een fotootje plaatst
van haar huisdier, of de mediabedrijven die via Facebook aandacht vragen voor hun berichten.

Desalniettemin is Facebook niet almachtig. Het bedrijf bepaalt wat niet mag, maar niet
altijd wat wel mag. Soms krijgt Facebook een boete als het berichten verspreidt die
volgens een regering inmenging in verkiezingen zijn.

Facebook kan dus wel degelijk bepalen dat foto’s van Zwarte Piet niet meer mogen.
Wie roept dat Facebook dat niet bepaalt heeft het niet helemaal begrepen.

De term “dan maar niet op Facebook”, klinkt heel stoer, maar Facebook heeft ons
afhankelijk gemaakt. Heel erg afhankelijk. “Dan maar niet op Facebook”,   is net
zoiets als roepen: “nog maar honderd op de snelweg? dan ga ik uit protest toch binnendoor
van Maastricht naar Groningen”.   Dat kan, maar dan ben je in plaats van drie-en-een
half uur zes uur onderweg.  Mits je een navigatiesysteem of een goeie kaart en dito
bijrijder hebt. Zo niet dan wordt het een helletocht. Facebook is namelijk de bijrijder
met de kaart die je naar de eindbestemming leidt.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Onze generatie 11 augustus 2020

Ik geniet van VPRO’s Zomergasten. Dit jaar meer dan ooit. Dat komt omdat ik de gasten
interessante mensen vind en ik hou van de manier waarop Janine Abbring ons
door de avond loodst.

Meer dan anders geven de gasten mij stof tot nadenken mee. Nog
gaan de woorden van viroloog Jaap Goudsmit door mijn hoofd toen hij sprak over
het herkennen van de geschiedenis.

Goudsmit is een paar jaar ouder dan ik, maar wij zijn van dezelfde generatie. Daarmee
houdt meteen alle vergelijking op.

Hij sprak over de opgaande lijn die onze generatie meemaakte. We zijn gezonder, we
worden gemiddeld ouder dan ooit. Daar is nu wel een kentering in gekomen. De
levensverwachting in sommige delen van Amerika gaat omlaag. Goudsmit zei dat onze
generatie niet gewoon is dat dingen ook achteruit kunnen gaan.

Vooral die laatste woorden spelen door mijn hoofd. Onze generatie (ook wel
boomers genoemd) kent als groep inderdaad alleen maar een opgaande de lijn. Wij zijn
de eerste generatie (althans in Nederland) van wie de meesten niet in armoede
opgroeien. Wij hebben hier te lande geen oorlogen meegemaakt. Wat mij betreft is
het trefwoord voor deze generatie: vanzelfsprekendheid. Groei van de welvaart is
vanzelfsprekend. Ziekenhuizen waar mensen voor ons klaar staan zijn vanzelfsprekend.
Water uit de kraan is vanzelfsprekend.

Maar hoe kijken mensen over honderd jaar terug op dit deel van de geschiedenis
waar wij deel van uitmaken. De situatie kan dan totaal anders zijn. Ik denk dat die
anders is. Er waren tijdens mijn leven een paar dingen die ik als bepalend heb ervaren.
De oliecrisis, die mij deed beseffen hoe afhankelijk wij zijn. De val van de Berlijnse
Muur die een einde maakte aan de gedachte waarmee ik ben opgevoed, namelijk dat
er elk moment een Rus in onze achtertuin kon staan. En de aanslag op de Twin Towers
die mij deed beseffen hoe kwetsbaar we zijn en die een nieuwe angst veroorzaakte
en een tweedeling in de wereld bloot legde.

Ondertussen ging mijn leven gewoon door. Nu is er het coronavirus dat de wereld
op z’n kop zet en die voor onzekerheid zorgt, maar nog steeds komt er water uit de
kraan en stort de baas elke maand geld op mijn rekening.

Maar ondertussen wordt het wel steeds warmer en droger. Ondertussen stromen er
– meer dan eigenlijk al vijfhonderd jaar gebeurt – mensen uit andere landen ons land
binnen in de hoop hier een beter bestaan op te bouwen. We moeten proberen onze welvaart
te delen, terwijl een grote groep mensen vindt dat wij er bij dat delen als verliezers uitspringen.

We hebben een stikstofprobleem dat moet worden opgelost. En hoe lang stroomt
dat water voor bijna niks nog uit de kraan?

We zitten midden in een ingewikkelde periode die over honderd jaar geschiedenis
is die met de kennis van dan beschouwd kan worden. Je zou willen dat je dan kon zien waar
dat stukje wereldgeschiedenis waar je een ademtocht deel van uitmaakt toe heeft geleid.

Na het zien van Zomergasten met Jaap Goudsmit zei ik tegen mijn vrouw: “Misschien
zijn wij wel de enige generatie die op ons sterfbed kan zeggen dat we er als groep
zonder al te grote kleerscheuren doorheen zijn gerold”.

 

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De laatste druppel water 9 augustus 2020

In het begin van de coronatijd kwam ik in het bos een man tegen die ik een dikke maand
eerder had ontmoet tijdens een bevercursus. We hadden samen door de modder geploegd
op zoek naar beversporen. Dat schept een band.

We spraken tijdens onze toevallige ontmoeting over de natuur en corona. Het was het moment
dat we allebei net hadden gelezen dat mensen massaal toiletpapier aan het hamsteren
waren. Logisch dat we daar over spraken, dit gedrag had alles te maken met de menselijke
natuur. En zeg nou zelf, van de bever naar de hamster is een kleine stap.

We moesten lachen om dat hamstergedrag. Opeens werd de man ernstig. Hij maakte zich
oprecht zorgen over de droogte. Die was in dat vroege voorjaar goed te zien in een bijna
leeg ven waarover wij uitkeken. “Wat gebeurt er als er een watertekort dreigt?” vroeg hij zich af.
Wij durfden ons nauwelijks voor te stellen welke taferelen ons te wachten stonden in de strijd
om de laatste druppel water. Het beest in ons zou ontwaken, zoveel meenden wij welzeker
te weten.

Dit weekend verschenen in de media meerdere verhalen over water. Mensen compenseren
hun verlies aan vakantie met de aanschaf van kleine en grote zwembaden. Dat begrijp ik wel,
het is een manier om alsnog het vrolijke zomerse gespetter en geplons te beleven dat zo
onlosmakelijk is verbonden met onze traditie.

Die baden staan in tuinen. Dat is logisch omdat we nu niet handdoek-aan-handdoek kunnen neerploffen
op stranden en ligweides. Stukjes grond om te recreëren zijn door de coronacrisis schaars
geworden. ( Zijn er nog Duitsers die een kuil durven claimen?)

In een ander bericht stond dat er in bepaalde delen van ons land misschien dit weekend al minder
druk op de waterleiding komt omdat er tekort aan water dreigt. Ik betrapte mezelf er op dat
ik dacht: kom, kom, kom . . . . zo’n vaart zal dat niet lopen. Daar schrok ik van, want
ik leek wel op iemand van viruswaanzin die de coronamaatregelen overdreven vindt terwijl
het aantal besmettingen weer oploopt. Daar wil ik niet op lijken.

Waar ik steil van achterover sloeg was dat in sommige baden, de zogenoemde superpools,
zoveel water moet dat de kraan daarvoor onafgebroken 55 uur open moet staan. Er gaat
vijftigduizend liter water in. Dat is meer dan het gemiddelde jaargebruik van een Nederlander.
De eigenaren ‘verontschuldigden’ zich met het verweer dat zij daar de hele zomer plezier van
hebben en je het water na gebruik over de plantjes kunt gieten. Ik probeer me voor te
stellen hoe lang je daarmee de tuin kunt sproeien. Waarschijnlijk tot ver in de winter.

Ik moest denken aan het gesprek dat ik in maart voerde in het bos: “wat gebeurt er als er
een watertekort dreigt?”

Dat was de verkeerde vraag. De vraag moet zijn: wat doen we om dat te voorkomen? Zouden
we om te beginnen niet iedereen een bepaalde hoeveelheid water per jaar kunnen toewijzen. Wie
besluit om in mei het hele jaarrantsoen in een superpool te mikken, heeft de rest
van het jaar pech.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Op Facebook protesteren tegen terrasregistratie?? 7 augustus 2020

Moord en brand schreeuwen ze op Facebook, de mensen die er niet aan denken om
aan de café- of restauranthouder hun naam en telefoonnummer te geven zodat ze
gebeld kunnen worden als ze in de buurt zijn geweest van iemand die met het coronavirus
is besmet. Liever worden ze ziek, sterven ze of lopen ze het risico anderen te besmetten.
Alles is voor deze mensen beter dan hun privacy op te geven.

Ik probeer me voor te stellen hoe deze mensen zich anno 2020 door het dagelijks leven
worstelen. Wie het wereldwijde web op gaat wordt vanaf de eerste seconde getraceerd.
Als je een Facebookaccount aanmaakt lever je je sowieso uit aan een bedrijf dat jou niet
als een vriend ziet maar als een product van wie de gegevens verkocht kunnen worden
aan bedrijven die daar grof voor betalen.

Nadat in juni de lockdown werd opgeheven reserveerden wij een tafeltje bij ons favoriete
restaurant. Nou wil ik niet de snob uithangen, maar dat is het beste Chinese restaurant
van Nederland, dus reserveren was altijd al noodzakelijk. Bij die eetgelegenheid en veel
andere, geef je bij de reservering je naam en telefoonnummer op. Dat zijn we gewend.

Nu er een coronaepidemie is heeft de restauranthouder een tafeltje buiten staan
waarachter je moet wachten voordat je naar binnen wordt geleid. En je moet eerst een
paar vragen beantwoorden. Die worden ingevuld op een formulier dat vervolgens
ergens binnen wordt opgeborgen.

Afgelopen weekend wandelden we een paar dagen op de grens van Limburg en België.
Daar moesten we mondkapjes op om over een terras te mogen lopen. En we moesten ook
een formuliertje invullen dat net als bij het Chinese restaurant binnen werd opgeborgen.

Op één terras deden ze het anders. Daar lag een groot schrijfblok op een statafel en
werden we geacht zelf naam en telefoonnummer op te schrijven. Dat schrijfblok stond
dus vol met namen en telefoonnummers en dat lag daar maar. Iedereen kon het
meenemen of je kon een foto maken van zo’n vel waardoor je de namen en
telefoonnummers had van iedereen die daar op het terras zet.

Dan is het een kwestie van veel bellen voordat je dat ene leuke meisje of die ene leuke
man aan de lijn hebt.

Kijk, zo moet het natuurlijk niet. Dan begrijp ik wel dat mensen wier gegevens op
duizenden plaatsen genoteerd staan en die per dag door tientallen camera’s in beeld
worden gebracht op Facebook protesteren.

Overigens ben ik nog nooit lastig gevallen door een restauranthouder bij wie ik had
gereserveerd.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Venkel 6 augustus 2020

Op het leitje bij de ingang van de supermarkt stond gekrijt dat Roy vandaag
de verschef was. Baas groenten, zeg maar.

Ik ken Roy, hij is er altijd en rent zich de benen onder zijn lijf vandaan.
Nu was hij samen met een collega bezig meloenen uit kistjes op een kar
over te laden in kistjes op een stellage.

“Morgen komen de nieuwe kant-en-klaarmaaltijden, allemaal pasta”,
zei het meisje. “Daar verheug ik me op. Lekker.”

“Ikke nie,” zei Roy. “Ik hou niet van Italiaans eten.”

“Ikke wel,” zei het meisje.

“Ik eet alleen maar Italiaans,” zei een meneer die met zijn karretje als een stop
op een fles in het gangpad stond. Van passeren was geen sprake nu er in
de supermarktgangen een inhaalverbod geldt.

Omdat Roy en het meisje niet direct reageerden herhaalde hij iets
nadrukkelijker dat hij alleen maar Italiaans eet. Nooit iets anders. Zijn hoofd
ging van links naar rechts om aandacht te vangen.

“Ik eet alleen groenten, aardappelen en vlees,” zei de verschef. “En een toetje.”

“Oh nee,” zei de man, op een toon die verried dat hij een man van de wereld was
en hij veronderstelde dat de meest exotische ervaring van Roy het uitpakken
van de bananen was.  “Ik eet alleen Italiaans. Altijd.”

Roy hevelde met de liefde van een vakman een meloen over van het ene kistje
naar het andere. Hij nam de mededeling voor kennisgeving aan.

“Dan lust je dus ook geen venkel,” zei de klant. Het was geen vraag, het was
een mededeling die niet ontkend kon worden.

“Jawel hoor,” ontkende Roy.

“Dat begrijp ik niet. Venkel is namelijk typisch Italiaans. Italianen eten altijd venkel.
Je lust dus wel Italiaans,” zei de man hoorbaar tevreden dat hij de verschef op zijn
eigen terrein een lesje had geleerd. Roy werkte onverstoorbaar door om zijn
waar zo mooi mogelijk uit te stallen.

Omdat de verschef er voor koos definitief te zwijgen zette de klant zichzelf en zijn
karretje in beweging en loste de file van winkelwagentjes achter hem zich op.

 

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Een onheilsbericht 4 augustus 2020

We streken na een wandeling neer op het terras van een hotel in het dorp waar
het start- en eindpunt van die tocht was.

Na een aantal minuten kwam een hotelmedewerkster naar buiten met boven
haar hoofd geheven een draagbare telefoon – niet te verwarren met een mobiele
telefoon –. Ze vroeg of wij hotelgasten waren. Wij waren slechts
passanten.

“Wie heeft kamer tien,” schalde het meisje over het terras. Een echtpaar twee
tafeltjes verder stak de hand op. “Er is telefoon voor u,” zei het meisje.

Je zag de man en de vrouw schrikken. De kleur trok uit hun gelaat. Mensen
bellen doorgaans alleen naar je hotel als er iets dringends is. Vroeger betekende
het inpakken en met haastige spoed naar huis. In het meest gunstige geval
betrof de rampspoed een weggelopen kat.

De vrouw nam de telefoon aan en luisterde.

“Nee,” hoorde ik haar zeggen, “die hebben wij niet meegenomen.”

Je merkte dat ze twijfelde tussen opluchting en irritatie.

“Natuurlijk is die niet per ongeluk in de koffer gevallen, Nee ik ga niet kijken,”
zei ze tegen de onheilsboodschapper aan de andere kant van de lijn.
De irritatie had het gewonnen.

“Dat zou ik ook doen. Succes,” zei ze.

“Wat was dat nou?” vroeg de man die inmiddels ook weer wat kleur op de wangen had.

“Ze zijn de afstandsbediening van de TV kwijt,” antwoordde de vrouw.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Viruswaanzin, ik kan me er iets bij voorstellen 2 augustus 2020

Je zult mij niet temidden van duizenden mensen zien
protesteren tegen de coronamaatregelen. Ik handhaaf de
maatregelen zoveel ik kan. Is het niet voor mezelf dan voor
anderen. Het heeft ook te maken met solidariteit.

Dat neemt niet weg dat ik denk dat er hier en daar sprake
is van viruswaanzin. Wij logeerden met een bevriend stel in
een vakantiebungalow. Dat gaat prima, je kunt simpel
anderhalve meter afstand bewaren. Laat ik het zo zeggen,
in de supermarkt is het gevaarlijker.

Voor de avond hadden we gereserveerd bij
een restaurant in het dorp waarmee wij tijdens een vorig
samenzijn goede ervaringen hadden opgedaan.

Bij de telefonische reservering werd gevraagd of we familie
waren. Naar eer en geweten antwoordden we nee. Waar we
in andere restaurants al met vieren aan  dezelfde tafel konden
zitten was dit restaurant heel strikt. We kregen twee tafels die
anderhalve meter van elkaar waren gescheiden. 

We probeerden de eigenaresse te vermurwen ons aan een
vierpersoontafel te zetten, maar ze hield voet bij stuk.
We respecteerden haar besluit. Ondertussen schoven achter
ons vijf mannen aan aan dezelfde tafel. We vroegen ons af of die
vijf  samen een huishouden vormden.

Dat was nog niet alles, het tafeltje waaraan onze vrienden
zaten werd door een plantenbakje van nog geen dertig
centimeter gescheiden van een ander tafeltje. Daar werd
een ander stel neergeplant. De afstand tussen hen en onze
vrienden was nog geen 75 centimeter. Daar maakten we een opmerking
over tegen een serveerster. Helaas, de eigenaresse had dit
systeem bedacht en daar werd niet van afgeweken. Ondertussen
bogen de serveersters zich over iedereen heen om de gerechten
op tafel te krijgen.

De volgende dag wandelden we enige tijd door België.  We
wilden neerstrijken op een terras, iemand riep ons al van verre
toe dat we een mondkapje op moesten. Die hadden we
gelukkig bij ons. Nadat mijn vrouw op een formuliertje naam en
telefoonnummer had genoteerd, wees een jongeman – met mondkapje –
ons een tafeltje waar we naar een paar stappen aankwamen.
Eenmaal gezeten mochten de mondkapjes af. Niemand op het
terras droeg een mondkapje.

Het zal allemaal een functie hebben, maar ik kan me
voorstellen dat mensen die ook maar een fractie minder
gezagsgetrouw zijn dan wij optrekken naar het Malieveld.
Desalniettemin blijf ik dat heel dom en vooral heel
egocentrisch vinden. En al helemaal niet solidair.

  1. Ximaar (reply)

    3 augustus 2020 at 08:48

    Als je langer bij elkaar verblijft in een vakantiewoning, dan gaan mondkapjes en anderhalve meter afstand niet werken. De meeste besmetting vindt plaats in de eigen woning (60%). Je moet die woning al scheiden qua santitair, keuken en kamers wil je het niet van iemand anders krijgen. In ziekenhuizen raakte veel zorgpersoneel besmet ondanks alle voorzieningen als mondkapjes. Tijd is een belangrijkere factor dan afstand. Anderhalve meter in een supermarkt heeft vrijwel geen nut. Daar zijn de mensen te kort bij elkaar om voldoende virusdeeltjes voor een virus overdracht te verzamelen. De universiteit van Bonn vond dit al maanden geleden uit in kreis Heinsberg.

    Zelf vind ik het ook raar dat mensen wel bij elkaar in een auto mogen en in een bus of trein een mondkapjesplicht heeft.

    België laat zien dat mondkapjes niet werken. Die mensen zijn te lang opgehokt, waardoor er weinig weerstand wordt opgebouwd en mensen erg vatbaar worden.

    De RIVM en Nederlandse regering willen niet te vaak van mening veranderen om verwarring te voorkomen. Ze zijn daar niet de enigen in, maar een beetje meegaan met voortschreidend inzicht zou wat mij betreft wel mogen. Toch zullen er ook dan weer wat mensen zeuren dat het niet goed is.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Krimp, groei? Gooi maar in mijn pet 31 juli 2020

Economie is niet zo mijn ding. Ooit verbaasde ik me erover dat ik voor twee euro
per liter verdicchio dei castelli di jesi classico  mee kon nemen van en wijnboerderij
in Italië en ik die wijn een paar maanden later voor 18,50 euro per fles van
0,75 liter in een Nederlands restaurant tegen kwam.

Dat is nou economie, zei een collega tegen wie ik dat vertelde.

Iemand anders vertelde mij jaren geleden dat als je iets van economie wilt begrijpen,
je de geldstromen in de wereld moet volgen. Maar ja, hoe doe je dat?

Ik begon de website Follow the Money te volgen, die deden dat tenslotte al. Na een
paar jaar kwam ik voorzichtig tot de conclusie dat de wereld bestaat uit producenten
en consumenten met daartussen heel veel schakels die allemaal proberen zoveel
mogelijk geld te verdienen.

Tweede voorzichtige conclusie: op het moment dat de overheid iets aan de markt
overlaat staan er mensen op die al dan niet met de juiste kwalificaties proberen
zoveel mogelijk geld aan de zorg te verdienen. Ik leerde ook dat aandeelhouders
de belangrijkste soort onder de wereldbevolking is.

Ondanks al dat lezen begrijp ik nog steeds weinig van economie. Ik lees nu dat in
alle landen de economie krimpt. Dat vind ik op zich al een ingewikkeld begrip.
Bij krimpen denk ik toch vooral aan te heet gewassen kleding of een duik in ijskoud
water. Een economie die krimpt is voor mij te abstract zolang de schrijver van een
artikel over dat onderwerp niet vertelt wat dat voor mij betekent. Dat doen
ze meestal niet.

Ik denk in mijn economisch onbenul dat ik bij economische krimp armer word.
En niet alleen ik, maar met mij alle andere mensen behalve de aandeelhouders. Dat
gewone mensen als ik armer worden kan ik dan weer niet rijmen met een artikel
dat ik las en waarboven de kop stond: Detailhandel beleeft grootste groei in 14 jaar.
Ik kan het overigens ook niet rijmen met mijn bankrekening.

De verkoop van voedings- en genotsmiddelen steeg het meest. Vorige week maakte ik
zelf nog een berichtje over het feit dat Sligro – tot verbazing van de CEO – de verkoop
van rookwaren explosief had zien stijgen. Voedings- en genotsmiddelen snap ik wel.

Wat we eerder in de kroeg en in restaurants uitgaven geven we nu uit bij de slijter en
de supermarkt. Rookwaren snap ik dan weer minder. Die zijn tegenwoordig zo goed
verstopt in de supermarkt dat ik het al een wonder vind dat iemand ze kan vinden.
Schijnbaar helpt dat wegstoppen niet.

Ook lees ik dat het in de koopgoten van Rotterdam en Amsterdam zo druk is dat daar
misschien wel mondkapjes verplicht worden.

We klitten ondanks de coronadreiging dus weer meer bij elkaar, we geven nog steeds
het meeste geld uit aan voedings- en genotsmiddelen. We roken meer. We worden niet
armer, we worden dommer.

Maar goed, ik kan er helemaal naast zitten. Ik zeg al: economie is niet zo mijn ding.

  1. Jan Jaap (reply)

    2 augustus 2020 at 14:59

    Als de economie krimpt worden er mensen werkloos, stijgen daardoor de kosten aan uitkeringen, huurtoeslag e.d.
    Als de economie krimpt is er minder forensenverkeer doordat er minder werk is, krijgt het milieu een beetje lucht en is de aanslag op grondstoffen en andere schaarse goederen minder.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Mannen, willen jullie rekening houden met ons poessie 29 juli 2020

 

Opeens lees je het overal. Het geklaag over geluidsoverlast door motoren. Lang voordat de
eerste actiegroepen tegen die overlast aandacht in de media kregen horen wij al mannen die
op het kruispunt tegenover onze woonstee alvast de motor laten gieren voordat ze weg kunnen
spuiten. Of mannen die hun motoren niet goedmoedig laten pruttelen maar laten knetteren.

Op het moment dat de verkeerlichten op groen gaan spint de eerste groep weg met een snelheid
waarvan ik altijd denk: je moet toch wel heel moedig zijn om zo hard op een drukke weg te
durven rijden. Het duurt seconden voordat het hoge gieren is weggestorven.

De tweede groep gaat iets minder hard, maar met meer geluid. Vroeger deed het gepruttel
van een Harley zelfs mijn hart sneller kloppen, nu lijkt het alsof zich op het kruispunt een oorlog
afspeelt.  Ramen rinkelen en horen en zien vergaan. De kat vliegt meermaals per dag in de gordijnen.

Het valt meer mensen op, want de laatste tijd lees ik in de media steeds vaker verhalen
over actiegroepen die dit geweld helemaal zat zijn.

Nog niet zo lang geleden stond er een noodkreet van een meneer in de lokale krant over
die herrieschoppers die verzamelen bij een natuurgebied in de stad om vandaar een de
helletocht te beginnen.

Mijn vrouw zat laatst op een plein in het centrum dat omzoomd wordt door terrassen. Plotseling
verschenen daar twee motorduivels die op dat voor motoren verboden terrein heen en weer reden.
Het geluid van hun motoren overstemde elk gesprek. Mijn vrouw noemde dat intimiderend en
ze vertelde dat je de angst onder de terrasbezoekers door de trillingen van de motoren heen kon voelen.

De Partij voor de Dieren in Brabant heeft er nu vragen over gesteld. Want de partij heeft
geconstateerd dat de motorjongens een weg nabij een stiltegebied in de Biesbosch hebben ontdekt
alwaar zij voor extreme geluidsoverlast zorgen.

De signalen zijn alles bij elkaar te talrijk om van een incident te spreken. Het is een trend. Maar
waar komt die vandaan?

Het wordt tijd voor elektrische motoren hoorde ik laatst iemand zeggen. Iemand anders wuifde dat
weg met het argument dat voor deze categorie motorrijders de herrie belangrijker is dan het
genot van motorrijden.

Ik heb wel eens gelezen dat die bebaarde motorrijders met hun rijk gedecoreerde leren jacks
van zichzelf vinden dat ze van binnen heel lief en sensitief zijn. Welaan mannen, hou dan
rekening met ons poessie.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *