Verplaatsingen 27 april 2017

(Door Ab Klaassens)

Een paar weken geleden kreeg ik een verzoek van het Centraal Bureau voor de
Statistiek (CBS) om mee te doen aan een onderzoek naar mijn verplaatsingen.
Omdat mijn verplaatsingen in de statistieken hoogstens van nano-betekenis
kunnen zijn legde ik het (schriftelijk) verzoek terzijde.

Maar het CBS hield vol: eerst met een herinneringsbrief en vervolgens met
een telefoontje; blijkbaar konden de verplaatsingen van een 84-jarige inwoner
van Eindhoven niet worden gemist in een landelijk mobiliteitsonderzoek.

In het telefoontje kreeg ik het verzoek om op vrijdag 21 april vragen te
beantwoorden over mijn verplaatsingen op donderdag 20 april.

Nog nooit eerder heb ik mij die donderdag zo bewust verplaatst; ik voelde de
ogen van het CBS op mij gericht. Bij thuiskomst, toen ik vrijwel zeker wist dat
ik mij niet meer buitenshuis zou gaan verplaatsen heb ik met behulp van de
ANWB-routeplanner uitgerekend op hoeveel afgelegde meters ik het CBS zou
kunnen trakteren. Dat was drieduizend meter voor een buurtmarkt en 1600
meter voor een bezoek aan Albert Heijn. Alles op een rode fiets met lage
instap, 26 inch wielen en dikke banden, trommelremmen en drie
versnellingen.

Maar dat hoefde niet allemaal in de statistieken zei, de volgende dag, de
mevrouw van het CBS.

Toch vind ik ’t wel mooi dat ik, op m’n ouwe dag, nog een beetje mee tel
straks, in een dik rapport voor regering,  parlement en pers.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Feyenoord 26 april 2017

Het moet toch wel heel raar gaan als Feyenoord geen landskampioen wordt.
Zelfs als rechtgeaard PSV-supporter gun ik het de ploeg uit de Rotterdamse
volkswijk.

Natuurlijk had ik liever feest gevierd op het Stadhuisplein in Eindhoven maar
onze club was dit seizoen slappe hap dus wordt het uithuilen en opnieuw
beginnen. Dat is de cyclus waarin een voetbalsupporter leeft.

Ik merk om me heen dat veel mensen Feyenoord een kampioenschap
toewensen. De club heeft een grote gunfactor.

Waar die van mij vandaan komt weet ik wel. Dat heb ik te danken aan
mijn Rotterdamse familie. Daar logeerde ik als kind wel eens en daar hoorde
ik over Feyenoord dat toen nog Feijenoord heette. Ik associeerde de club
met fijne logeerpartijtjes, ritjes met de vrachtauto van het bedrijf van mijn
oom door Rotterdam een stad waar ik meteen van hield en nog van
hou.

Ik groeide op met Coen Moulijn en Eddy Pieters Graafland, later Wimpie
Jansen en de Kromme. Dat waren mijn helden. Wonend boven de rivier
hoorden wij eigenlijk nooit iets over PSV, dat kwam pas toen ik in  1988
naar het zuiden vertrok en ik dankzij mijn zoon naar de Frederiklaan werd
meegezogen.

Zo gaan die dingen soms. Nu ben ik een PSV-fan, maar Feyenoord betekent
voor mij vooral mooie jeugdherinneringen. Daarom gun ik ze het
kampioenschap, maar volgend jaar wil ik weer gewoon op het
Stadhuisplein in Eindhoven staan.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Straat 24 april 2017

(Door Ab Klaassens)

Toen de stadskinderen nog niet van hun speelruimte waren verdreven door de
auto’s van hun ouders kon je voetballen op straat. De aanvoerders vormden
hun teams door te ‘poten’ . Zij gingen op een willekeurig gekozen afstand
tegenover elkaar staan en zetten om de beurt een voet voor de andere, soms in
de lengte, soms in de breedte.

De winnaar werd degene die bij de laatste stap de voet van de tegenstander
overlapte.

De winnaar had vervolgens de eerste keus bij de vorming van zijn team. De
twee die bij deze wrede selectie als laatsten overbleven mochten ‘op de jassen
passen’. De jassen waren de plaatsvervangende doelpalen.

De spelers eisten bij de aftrap voor zichzelf de namen op van toen beroemde
voetballers.

“Ik was Faas Wilkes!”

“Ik was Kees Rijvers!”

“Ik was Abe Lenstra!”

De auto heeft het voetbal van de straat gejaagd. In de auto zitten nu de
kinderen van die  voetballertjes van toen of nageslacht van meer recente
datum. Fanatiek klemmen zij zich aan het stuur, furieus ranselen  ze de
pedalen en daar waar ze 70 bereiken waar 30 mag schreeuwen ze het uit:

“IK WAS MAX VERSTAPPEN!!!

  1. Laurent (reply)

    24 april 2017 at 18:17

    Hela, ik ben opgegroeid met dat degene met de laatst passende voet won.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Vocalies (441) Nicolai Gedda 23 april 2017

(Door Marlies)

Eerst even: er staat ook weer een nieuwe podcast op mijn eigen website.

Het was stillekes hier de laatste paar weken, ik geef het toe. Niet zo’n
inspiratie, (voor het eerst in ruim acht jaar is dat misschien niet eens zo heel
erg….) een heleboel andere dingen te doen… Wel degelijk ook bezig met
klassieke muziek hoor, maakt u zich niet ongerust! Maar tsja, het kwam er
niet van.

Tot ik een dikke week geleden met een oud-collega en met echtgenoot  zeer
genoeglijk zat te tafelen en de naam Nicolai Gedda viel…  Nicolai Gedda, zei
de oud-collega, is die niet onlangs overleden?
Mijn hap carpaccio viel met een bons op de bodem van mijn maag….
Overleden? Mijn favoriete tenor? Zonder dat ik het wist? Die man had toch
het eeuwig leven?

IPhone’s kwamen op tafel (het lukt ons nog vrij aardig – als we uít-eten – om ze
weg te houden van de tafel…) en al gauw kwam de bevestiging: op 8 januari
2017 op 91-jarige leeftijd overleden in Zwitserland. Ik moest mezelf even bij
mijn lurven pakken om de prachtige avond niet te laten bederven door een
bericht dat al drie maanden oud was. Terugrekenend bedachten echtgenoot en
ik dat we op 8 januari op een van de Kaapverdische eilanden op het strand
gelegen hadden en er even geen media-van-welk-soort-dan-ook bij ons binnen
was gekomen.

Tsjonge, Nicolai Gedda, een van de beste, zo niet dé beste tenor van de vorige
eeuw, een carrière van meer dan vijftig jaar. En de pest is: iedereen heeft er
natuurlijk al over geschreven, daar kan ik met mijn bescheiden oplage van
Vocalies niet heel veel meer aan toevoegen. En dat gaat dood, met niet meer
dan een berichtje in de marges van het grote wereldnieuws. Hetgeen niet heel
verwonderlijk is: hij heeft dan wel meer dan 50 jaar gezongen, maar tussen
het einde van zijn carrière en zijn dood heeft veel tijd gezeten (zangers worden
meestal oud, dat u dat maar even weet) en dan zing je geen hoge D’s meer en
leeft in stilte ergens in Zwitserland en gaat daar ook in stilte dood…

Dus ik ga u geen necrologie meer geven, ik ga volstaan met een al ooit eerder
beschreven anekdote van mijn ontmoeting met Nicolai Gedda, want ja, ik heb
hem ontmoet, met hem gelachen en les van hem gehad.  En hij zong ook toen
nog moeiteloos een hoge D.  Het was in 1991 (da’s al zo lang geleden dat ikzelf
niet eens meer zeker weet of het juiste jaartal is). Ik had mijn conservatorium-
opleiding achter de rug en probeerde een bescheiden carrière op te starten. Ik
deed daartoe mee aan een Masterclass operette zingen in Bad Ems, Duitsland.

Gedda was een van de docenten. Vooral de tenoren waren op zijn naam
afgekomen en tenoren is, hoe zal ik het netjes formuleren… vooral als ze in
opleiding zijn… een apart slag volk. Niks menselijks is hen vreemd za’k maar
zeggen: eentje verscheen iedere ochtend met een tas vol drankjes en spraytjes
en een handdoek om zijn nek aan de start van de lessen en hij kon alleen
zingen als hij uitvoerig had ‘warmgedraaid’ en hij ervan overtuigd was dat het
nergens tochtte (moet je eens op een gemiddeld opera-toneel gaan staan, dan
weet je wat tochten is!).

Gedda zag de charade aan en gooide een counter-fit in de strijd: hij gaf de
tenor in kwestie alleen les als hij zijn tas met rommel buiten liet staan en de
handdoek op de stoel liet liggen en liefst als eerste op de dag. Ik heb nooit
meer iets van de tenor in kwestie gehoord trouwens…

Toen ik aan de beurt was, zette ik Gedda een Verdi-lied voor, ik wilde daar
meer van weten (want graag meer Verdi gaan zingen) en hoewel het eigenlijk
een masterclass operette was, leek de maestro aangenaam verrast. Hij kende
het lied niet en verontschuldigde zich (ja echt!). Hij bladerde door de muziek
en herkende het als een voorstudie voor een opera-aria. Hij maakte een paar
aantekeningen, hummelde wat in zichzelf en knikte: ja, hier konden we wel
wat mee, leuk! Hij vroeg me vervolgens in welke taal ik les wilde hebben: een
en ander speelde zich in Duitsland af, maar ik kwam uit Nederland en als ik
Engels bevorzügte, of Frans, dan kon dat ook…

Ik slikte… en werd heel, héél nederig…

Lass uns Deutsch reden, zei ik een beetje beverig, en gaf de pianist een teken
dat we konden beginnen.

De les was een van de hoogtepunten uit mijn – overigens bescheiden gebleven
– carrière als sopraan en ik ben er Nicolai Gedda tot de dag van vandaag
dankbaar voor. Soms heb je van die momenten waarvan je beseft, áls je ze
beleeft, dát je ze beleeft en dat het een toppertje is en je hele leven bij je zal
blijven.  Volgens mij kwamen we er beiden gelouterd uit…

Oh ja, het ging overigens om ‘Deh, pietoso, oh Addolorata’ van Giuseppe
Verdi.

In het filmpje de mooiste tenor-aria aller tijden ‘E lucevan le stelle’ uit
Puccini’s ‘Tosca’. Toegegeven het is een beetje slecht beeld, maar wat zingt de
man geweldig! Eat your heart out, Kaufmannen, Villazons en Grigolo’s…
Surf vooral op YouTube, er is heel veel, waaronder ook de hoge D’s waar ik
over had.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Treitervlogger 22 april 2017

De treitervlogger heeft officieel zijn intrede gedaan in de Nederlandse
journalistiek. Een jaar geleden werd Ismail Ilgun uit Zaandam door
minister-president Mark Rutte nog tuig van de richel genoemd, sinds
vorige week behoort Ismael tot de stal van AD-verslaggevers. Hij
trekt met zijn cameraatje de ‘achterbuurten’ in om het leven daar
vast te leggen. Ik vind het een briljante zet van de AD-collega’s om Ilgun
in te lijven.

Een jaar of vijftien geleden klaagde toen nog overwegend
wit journalistiek Nederland steen en been dat er geen allochtone
journalisten waren. Omdat de witten niet konden doordringen in de
gemeenschappen van de allochtonen hadden zij het gevoel dat zij daardoor
een belangrijk deel van het nieuws misten. Dat kunnen we nu wel als
een understatement beschouwen.

Met behulp van vakbonden en hoofdredacties werden journalisten
vrijgemaakt om allochtoon talent te werven. We gingen de paden op en
de lanen in op zoek naar nieuwe collega’s met een licht getinte dan wel
donkere huidskleur.

Meestal kwamen we terug met de mededeling dat we ze niet konden
vinden. Dan werden er weer vergaderingen belegd waar wij van geslaagde
allochtone journalisten die hun plek hadden gevonden in het Hilversumse
op ons donder kregen omdat we niet goed genoeg gezocht hadden.

En nu was daar opeens Ismael, een ruwe diamant die dankzij de nieuwe
media in de schoot werd geworpen. Het AD ziet zijn potentie en
gaat hem slijpen. Een slimme zet, want nu komt deze krant eindelijk
op plekken waar de witte journalisten nooit komen. Ik zou willen dat
wij twintig jaar geleden tegen een Ismael waren aangelopen, dan zou
de kloof tussen de gevestigde journalistiek en een heel groot deel van
onze landgenoten waarschijnlijk niet zo diep zijn geweest.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Makreel 21 april 2017

(Door Ab Klaassens)

Bij mij in de buurt is het kantoor van makelaar Vollebroek. Ik moest aan hem
denken toen ik even stil stond bij het vis-vak van Albert Heijn. Daar lag, in
volle glorie, een gestoomde makreel.

Een makreel is een makelaar.

Hé, Vollebroek, dacht ik.

In Frans-Nederlandse  woordenboeken vind je twee betekenissen van het
woord  maquereau : makreel en makelaar.

In het Franse etymologische woordenboek van Larousse staat als oorsprong
van ‘maquereau’ het Nederlandse woord makreel.

In het Nederlandse etymologisch woordenboek van Van Dale is ‘makreel’ ook
bargoens voor pooier. In datzelfde boek staat ook dat makrelen, jagend op
jonge haring, de haringscholen verstoren, met als bijkomend effect dat
mannetjes en vrouwtjesharingen elkaar vinden, wat dan weer nuttig is voor de
vorming van nageslacht.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

BN’ers 19 april 2017

Misschien was het toeval dat het kabinet op één dag twee beslissingen
nam die verband houden met acties van bekende Nederlanders. Gisteren
werd bekend dat de aardgasproductie in Groningen met tien procent
omlaag gaat en dat er 200 miljoen euro extra naar verpleeghuiszorg gaat.

Cabaretier Freek de Jonge heeft zich de laatste maanden opgeworpen
als het boegbeeld van de Groningers die gedupeerd zijn door de
aardgaswinning. Schrijver, columnist en TV-commentator Hugo Borst is
de BN’er die zich hard maakt voor een betere verpleeghuiszorg.

Ze zijn beiden nauw bij hun onderwerp betrokken. De Jonge woonde
lange tijd in Groningen en Borst zag hoe zijn moeder tekort werd gedaan
in een verpleeghuis. Vanuit die betrokkenheid gingen ze de barricaden op.

Het is de vraag of de kabinetsbeslissingen van gisteren op het conto van
beide BN’ers geschreven kan worden, maar het zal vast een beetje
geholpen hebben dat zij dankzij hun status zoveel aandacht hebben
weten te genereren voor grote problemen.

Cabaretier Herman Finkers probeert nu de injectie van afvalwater in
de Twentse bodem te stoppen. Dat is een wat minder aansprekend
onderwerp dan verpleeghuizen en Groningse aardbevingen, maar Finkers
heeft in ieder geval al één keer De Wereld Draait Door gehaald en dat is
een flink podium.

De vraag is of de intellectuele voorhoede van ons land zich op deze manier
moet opwerpen. In schrijverskringen worden die discussies regelmatig
gevoerd. De ene schrijver ziet voor zichzelf wel een taak, de andere schrijver
wil gewoon schrijven.

Hoe dan ook zijn de acties van De Jonge, Borst en Finkers te prijzen. BN’ers
kunnen enorm veel aandacht genereren en bewegingen op gang brengen, mits
zij zelf onbaatzuchtig zijn. Grote problemen in ons land moet je niet overlaten
aan mensen die via social media volksbewegingen creëren maar geen
oplossingen hebben.

BN’ers  kunnen soms ook veel beter dan politieke partijen bewegingen in gang
zetten omdat zij niet steeds  naar de volgende verkiezingen hoeven kijken.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Gronings 19 april 2017

(Door Ab Klaassens)

Mijn vader was een Groninger, een man van de stad, een stadjer. Hij werd
Amsterdammer, zijn zuster bleef Groningse en haar dochters eveneens. Eén
van de dochters wilde, toen zij in Amsterdam logeerde haar Gronings dialect
maskeren. Tijdens het avondmaal bij mijn ouders vroeg zij om ‘nog een
schepje appelmuis’.

In het Gronings is een muis een moes. In het Gronings is  een broek soms een
boks en een spijker een spieker. Als je een Groninger vraagt waar je een
spijkerbroek kunt kopen moet je maar afwachten waar je terecht komt: C&A
of de Mediamarkt.

  1. Harry Perton (reply)

    19 april 2017 at 18:31

    Nee Ab, een broek is in het Gronings geen boks, maar een boksem.
    Met excuses dat ik je relaas nu onderuithaal.

    Overigens heeft de figuur van de Groninger die ABN probeert te spreken in het verleden geleid tot het literaire karakter van mevrouw Slapsma Tiessens. Deze boerendochter voelt zich mijlenver verheven boven al dat platte, maar in haar taalgebruik schemert het aan alle kanten door. Zie voor een staaltje:
    https://groninganus.wordpress.com/2008/03/19/slapsma-tiessens-op-fiedelsepee-bij-fongers/

    Een vriendelijke groet vanuit het Groningse!

  2. Laurent (reply)

    20 april 2017 at 18:56

    Merkwaardig, ook in het Limburgs is een broek zoiets als een boks. Moet toch een woord zijn dat zich over een groot deel der Lage Landen verspreid heeft.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Bloesem 18 april 2017

De plaats: een overvol eetcafeetje in het Betuwse Enspijk. De inrichting
dateert  van de jaren zeventig.

De hoodrolspeelster: de barvrouw, rond de vijftig, klein en gekleed
in een breedmakend gestreept truitje.

“Het is de hele tijd lopen, slapen, lopen, slapen, lopen. Ik heb al
in geen week eten meer gekookt. Nou komen ze allemaal naar de
Betuwe hé, nou de bomen in bloei staan. Het hele jaar zie je ze niet,
maar nou komen ze allemaal tegelijk. Maar in de herfst is het hier ook
mooi, als de appels aan de bomen hangen. Maar ja, dan komen ze niet.
Ze komen nu allemaal tegelijk. Vijf maanden is het slapen, lopen, slapen,
lopen en dan weer zeven maanden winterslaap”.

“En die bloesemtochten staan overal in. In de Libelle en in de Margriet.
Nou stond er zo’n tocht in een krant, want nou kwamen ze allemaal
met zo’n papiertje binnen. Allemaal om naar de bloesem te kijken.
Anders zie je ze nooit. Die krantenroute komt hier niet eens langs,
maar toch komen ze allemaal hier naar toe. Tja, er is aan deze kant van
de Linge niks anders meer. Alles is verdwenen, alleen wij zijn er nog”.

“Het is maar goed dat we zo’n koffie-apparaat hebben. Vroeger
Moest je potten koffie zetten. Dan had je zo’n pot gezet en dan kwam
er niemand. Dan kregen de mensen verse koffie van gisteren. Dan ging
er een scheut melk bij, dat vonden de mensen ook lekker”.

“U weet het nog niet? Een broodje gezond of een broodje kroket? Ik
zou gewoon een broodje kroket nemen want het is allang bewezen dat
broodjes gezond helemaal niet gezond zijn”.

Een man rekende een paar koppen koffie af met vijftig euro. De
barvrouw: “Ik heb wel terug, maar als je er iets bij geeft mag je de hele
tent hebben. Ik sta hier al 23 jaar en daarvoor stonden mijn ouders er
25 jaar. En het is alleen slapen, lopen, slapen, meneer. En ze komen
alleen voor de bloesem anders zie je ze niet”.

De man lachte en  zei: “Nee, dat wil ik niet. Het is mij hier veel te druk
met de Pasen”.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Uit de kast 17 april 2017

(Door Ab Klaassens)

Tot zolang de uitdrukking ‘uit de kast komen’ blijft bestaan moeten mannen
en vrouwen die liefde koesteren voor mensen van het eigen geslacht de
minachting  vrezen en de woede weerstaan van een raaskallende menigte die
zich beroept op oude boeken of badhuishygiëne.

Het is ook mij van jongs af aan ingepeperd: “Hij is van dattum” zei mijn
moeder als op straat een man passeerde die zich wat vrouwelijk-artiestiekerig
gedroeg.”

Waarbij ze dan met de palm van haar rechterhand op de rug van haar
linkerhand klopte, een gebaar dat ik lang niet heb begrepen.

Wat een ellende de homo’s hebben doorstaan begreep ik pas echt toen ik, lang
geleden,  op een zondagmorgen de trap wilde beklimmen naar het
redactielokaal waar ik nog iets te doen had.

Daar hing, in het trapgat, aan zijn broekriem de altijd vriendelijke meneer
van de boekwinkel waarboven ik mijn werkplek had.

Hij was nooit uit de kast gekomen.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *