Schriftje
Ik heb me er tot nu toe niet over opgewonden: de bonnetjesaffaire. Dat ga ik ook niet doen. Veel te warm voor welke opwinding dan ook. Een vice-premier die een dure zonnebril declareert. Het kan natuurlijk niet, maar ik vind het peanuts. Bovendien, wat is duur? 139 euro. Ik heb een zonnebril van 400 euro. Een TAGHeuer, deze week voor een prikkie gekregen van mijn buurman die accountmanager is bij dat bedrijf. Wat nou 139 euro?
RTL, dat het nieuws onthulde, veegde ook de vloer aan met het bestuur van mijn stadsie. Dat bleek achteraf allemaal nogal mee te vallen.
Vooral mijn eigen burgervader Rombouts lag onder vuur. Nou zal ik nooit zijn vriend worden, maar je maakt mij niet wijs dat de man zichzelf verrijkt met mijn rioolbelasting.
Toch is er iets dat mij intrigeert. De plaatselijke krant schreef vandaag dat d’n burger een schriftje bij houdt waarin hij keurig opschrijft hoeveel hij uitgeeft namens de gemeente en waaraan. Waar haalt de man de tijd vandaan om dat allemaal op te schrijven?
In dat schriffie staat bijvoorbeeld dat hij onlangs twee euro heeft uitgegeven om in de Sint Jan (u weet wel de kathedraal waar onze stad zo trots op is) een kaarsje te kopen. Niet voor zichzelf natuurlijk, want dan zou het prive zijn en niet in het schriftje staan. Nee, die kaars was voor minister Plasterk die beroepshalve in Den Bosch op bezoek was. Hij stak hem aan in de kerk.
Je kunt dan je schouders ophalen, je hoofd schudden of jezelf opwinden over het feit dat een burgemeester, die bovenop zijn salaris 700 euro in de maand onkostenvergoeding krijgt, die luttele twee euro in z’n declaratieschriftje schrijft. Maar dat is de kwestie niet.
De grote vraag is: waarom brandt een minister die een gekend atheïst is, een kaarsje in een Bossche kathedraal? Ik hoop dat het Haagse journaille in de komkommertijd ergens een gaatje vindt om dat even uit te zoeken.
Leeftijd
Het is in Nederland veel erger dan u denkt. Echt geloof me, we zijn ontaard. Hoezo? U moest eens weten hoeveel berichten over mishandeling er dagelijks door de politie op het journaille worden afgevuurd. Vele tientallen. En dan gaan wij er nog van uit dat we het topje van de ijsberg horen.
Vervolgens pakken wij er een of twee opvallende berichten uit om aan u te vertellen. Geloof me, er moet echt wel iets bijzonders aan de hand zijn willen we u nog lastig vallen met mannen die hun exen om de oren kletsen, kinderen die hun ouders achterna zitten, meiden die elkaar de haren uittrekken omdat die ene naar het vriendje van de andere lonkte. En als twee hitsige mannen elkaar aanvliegen moet er toch echt bloed vloeien voordat het de ether haalt.
Met andere woorden: wat u hoort is slechts het bovenste puntje van het topje van de ijsberg. We zijn een moorddadig volkje. Neem dat van mij maar aan.
Berichtjes over regionale mishandelingen halen al helemaal de landelijke krant niet. Totdat vanmorgen mijn oog viel op een stukje in de Volkskrant. In Hilversum zijn twee vrouwen slaags geraakt (ze maken daar niet veel van zulke berichtjes dus ze gebruiken nog ouderwetse termen) omdat ze ruzie hadden op het fietspad.
Een akkefietje van niks. Waarom staat zoiets dan in een landelijke krant? Ik denk omdat de journalist zich heeft laten leiden door verontwaardiging. Heus, dat gebeurt . . Eén van die vrouwen was namelijk 80 jaar en de andere 41. Die journalist heeft natuurlijk gedacht: laat zo’n oud wijf iemand van d’r eigen leeftijd pakken . . .
Nerveus
Mijn vrouw stapte op weg van haar werk naar het station een kledingwinkel binnen. Haar oog was gevallen een broek in de etalage. Die wilde ze wel.
Het meisje in de winkel deed haar best om mijn vrouw op correcte manier te bedienen. Ze maakte wel een buitengewoon nerveuze indruk. Het meisje natuurlijk, niet mijn vrouw.
Ze was zo nerveus dat mijn vrouw meende haar geruststellend te moeten toespreken. Ze heeft de leeftijd waarop ze het jongvolk aan de hand moet nemen.
Het meisje verontschuldigde zich. Het was haar eerste dag. Mijn vrouw toonde zich van haar beste kant en complimenteerde het meisje met haar behulpzaamheid. En ze besloot twee broeken te kopen.
De verkoopster, blijkbaar opgewonden van zo’n buitenkans op omzet, pakte de broeken met trillende handen in.
Nadat mijn vrouw haar nogmaals een hart onder de riem had gestoken en haar had gecomplimenteerd namen de twee vrouwen afscheid. Het meisje glom. Alles was goed gegaan.
Thuisgekomen pakte mijn vrouw haar nieuwe kledingstukken uit. Tussen de twee broeken vond ze het opschrijfboekje van de verkoopster.
Geluid
Geluid, zeggen sommige radioverslaggevers, spreekt zoveel meer tot de verbeelding dan beeld. Ze knokken een achterhoedegevecht tegen de beeldcultuur.
Geluid is de basis van een goede radioreportage, maar in een tijd van hapklare brokjes informatie is dat een uitstervend fenomeen. Het is onvoorstelbaar moeilijk geluid een eigen verhaal te laten vertellen zoals sommige foto’s een verhaal kunnen vertellen zonder tussenkomst van een schrijver. Ik ben er nooit echt in geslaagd.
Voor mij zijn geluiden wel belangrijke verhalenvertellers. In de jaren negentig was ik in Nicaragua voor een radiodocumentaire. Het verhaal dat ik er over schreef voor de organisatie waarover ik die documentaire heb gemaakt begon als volgt:
De geluiden. De geluiden herinner ik me het meest. Het monotone gezoem van de DC10, de airconditioning die mij in een regelmatig ritme wakker brult, de zinloze claxons, de venters op de markt die hun kelen schor schreeuwen in de hoop dat ze een graantje meepikken van mijn uitpuilende broekzak met cordobas, het gekletter van de hoeven van magere paardjes en de krekels die ‘s avonds al het andere geluid verdringen als een rustgevend medicijn.
Deze gedachten en herinneringen kwamen in mijn hoofd toen ik afgelopen weekend tot diep in de nacht alleen op de bank op het dakterras lag.
Het gelach van vrolijke mensen even verderop vertelde me dat buren een genoeglijke avond hadden met vrienden. Het geschreeuw van jongeren op plein verderop vertelde me dat de jeugdcultuur zich op straat afspeelt. Zonder dat ik het zag, wist ik dat enkele pleinbewoners zich mateloos ergerden. Het zou niet lang meer duren voordat ze de politie zouden bellen.
Het snerpende geluid van de laatste trein vertelde me dat stadsgenoten laat terug kwamen van verre oorden.
Uit het holle geluid van op elkaar kletsende dakpannen concludeerde ik dat de buurtkatten kermis vierden op het dak. In mijn verbeelding zag ik ze rennen.
Ik hoorde het water van de douche klateren bij de buren. Bijna bedtijd. Verderop klonk het geluid van flessen die in kratten werden gezet. Het dinertje was ten einde, de gasten waren vertrokken. Zouden ze vanavond nog de afwas doen of morgenvroeg?
Het werd langzaam stiller. In de verte hoorde ik nog een auto. Wat bleef was het gezoem dat al jaren de klok rond te horen is voor wie het nog horen wil. Meestal wordt het naar de achtergrond gedrongen. Het is het auditieve behang van onze wijk. Maar nu hoorde ik het goed. Het is een soort ver-weg-airco. Misschien van de veevoederfabriek of van het spoor aan de rand van de wijk. Zal ik het eens opzoeken? Ach, waarom?
Je hebt niet altijd vertellers nodig voor een verhaal.
Worteltjes
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Op het bankkantoor waar ik , zestien jaar oud, ging werken ontmoette ik Hans de Haas. Hij was van hetzelfde geboortejaar als ik , had ongeveer dezelfde belangstelling als ik, maar kwam uit een ander Amsterdams milieu – Vondelparkbuurt - dan het eenvoudige – de Pijp – waarin ik ben opgegroeid.
Dat kon je zien aan zijn kleding, dat merkte ik aan de manier waarop hij reageerde op laag geschoolde medewerkers: de vrouwen in de kantine, de mannen van de postkamer. Ik ging met ze om; hij hield ze op afstand. Hij leerde me kanoën, netjes theedrinken in zijn ouderlijk huis en tijdig naar de kapper gaan.
Samen vulden wij het personeelstijdschrift, samen zaten wij in het bestuur van de personeelsvereniging en samen speelden wij tafeltennis en basketball in de sportverenigingen van de bank.
Hans schreef gedichten die hij met een stencilmachine vermenigvuldigde en listig vouwend bundelde tot kleine boekjes die hij voor een halve gulden verkocht.
“Als ik ze zie die mekkerende worteltjes
die blatende koolrapen
dan hinnik ik altijd
een bloemkool om.”
of
De tijd,
een geraamte in het zuur
schuift schurend langs de urenmuur
en vreet minuten en seconden
te laat, te laat.
We gingen ongeveer tegelijk in militaire dienst. Hij bij de landmacht, ik bij de luchtmacht. We werden beiden uitverkoren voor een opleiding tot onderofficier. Hij werd ‘t, ik bleef – door ondisciplinair gedrag – soldaat.
Ongeveer een jaar na afloop van de militaire dienst werden we beiden leerling-journalist. Hans bij De Telegraaf, ik bij Het Vrije Volk. We zagen elkaar niet meer. Eén keer ontmoetten we elkaar in de trein van Zwolle naar Groningen op weg naar de één of andere manifestatie in Noord-Nederland. Ik als verslaggever van – inmiddels -de Zwolsche Courant, hij als financieel-economisch redacteur van De Telegraaf.
Ik werd in 1967 chef stadsredactie van de Nieuwe Apeldoornse Courant en in 1968 chef stadsredactie van het Deventer Dagblad. Hans werd Telegraaf-redacteur in Washington. Ik werd in 1977 redacteur-verslaggever van Omroep Brabant, Hans werd in 1985 hoofdredacteur van De Telegraaf. Hij bleef dat tot 1993 en overleed in 2005.
Ik had hem nog wel even willen spreken over die mekkerende worteltjes.
Vocalies (67)
Belofte maakt schuld: hier is het volgende stukkie over zingen in de praktijk. En ook dit keer zullen we (nog) niet aan zingen toekomen. Ik kom niet controleren hoor, dus ga toch gerust u gang als u de neiging niet kunt onderdrukken. De neiging tegenhouden is al helemaal niet goed voor u en ik wil niks ernstigs op mijn geweten hebben.
Dit keer gaat het over ademhaling. Ik heb er al eens eerder in stukkies losse opmerkingen over gemaakt, hier volgt een beknopte beschrijving van een paar ademoefeningen. Ik beoog andermaal geen volledigheid.
Er waren wel eens leerlingen die opmerkten: het lijkt wel Yoga, of in geval van vrouwen die ooit kinderen hadden gehad: het lijkt wel zwangerschapsgym. Nou dar lijkt het soms ook sterk op. En let op: het is mijn interpretatie van een goede ademhaling, er zijn er talloze meer die het ook goed doen. Allemaal met voor en nadelen; een nadeel is in dit geval dat uw buikspieren wat lui worden als u niet naast mijn oefeningen ook versterkende oefeningen doet die speciaal op uw buikspieren toegesneden zijn. Beste bewijs daarvan is dat ik een beetje een ballon-buikje heb: ik heb namelijk niet genoeg discipline om die spieren separaat onder handen te nemen.
Weer geldt als basisregel: u hebt uw eigen lichaam als instrument: ga er goed mee om. Rook bij voorkeur niet, drink met mate (niet ‘met maten…’), eet gezond en niet te veel, zorg voor 8 uur slaap per nacht en beweeg veel. Met uw geest bemoei ik me niet… veel te complex…
Grofweg zou je je lijf in tweeën kunnen verdelen: de grens ligt in dit geval bij uw middenrif. Alle buikorganen liggen daaronder, uw hart, longen en hersens erboven. Uw middenrifspier is een buitengemeen sterke en grote spier (vandaar dat het zo’n pijn kan doen als je als getrainde zanger de hik krijgt: die spier keert zich dan even tegen je. Na enige training heb je zo’n hikaanval er trouwens gauw onder hoor).
Dat middenrif is cruciaal in mijn theorie: door goed te ademen trekt het de longen mee open, zodat u tot onderaan door kunt ademen (als daar geen teer of andere luie rommel zit tenminste). En het helpt, door het wijd te houden, de tonen rustig te laten klinken, zonder ruis en rare trillingen (ook wel tremolo’s genaamd). Bovendien loopt er door uw middenrif een ader, die later slagader rond uw hart wordt. Als die in een rustig tempo al wat massage krijgt door het kalm afplatten en weer terugveren van het middenrif, krijgt-ie wat training om hoger, rond uw hart, zijn werk beter te kunnen doen. Zangers en blazers worden in de regel oud, omdat hun hart het lang volhoudt.
Nou is het zaak een beetje contact met dat middenrif te krijgen. Moeders weten hoe dat is, dat contact: bij het persen moeten ze namelijk hun middenrif ook afplatten en rustig houden. Maar als u net als ik nooit gebaard hebt, dient u op een andere manier dat contact te zoeken. Als je de hik hebt doet je middenrif raar, een orgasme schijnt via je middenrif te lopen en hevig schokkend verdriet en schrik ook. Nogal een centrale rol dus, voor dat middenrif.
Daar gaat-ie:
1.
Ga op een harde ondergrond liggen en probeer zoveel mogelijk uw rug contact met de grond te laten hebben. Leg een stevig boek op het onderste gedeelte van uw buik (vanaf uw navel naar beneden). Verleg uw aandacht naar het boek. Adem het boek omhoog (u kunt ook met spierkracht het boek omhoog duwen, maar dat is niet de bedoeling). Doe dat in 3 seconden inademend en 3 seconden uitademend, vervolgens 4 seconden in en 4 seconden uit en zo verder tot 8 seconden in en 8 uit. Het vereist wat training om de uitademing rustig over de seconden te verspreiden, zonder schokjes. Hou vol!
2.
Ga staan (of rechtop op een stoel zitten, met uw zitbeenderen stevig tegen de zitting). Leg één hand met gespreide vingers op uw onderbuik (juist, daar waar in oefening 1 dat boek lag) en de andere stevig in uw zij. Adem naar uw handen toe, voel hoe uw onderbuik zich als het ware vult met lucht (da’s natuurlijk niet waar, want in feite is het zo dat uw middenrif afplat en de organen in uw onderbuik samendrukt, al weer zo’n prettig ritme…). Hou contact met uw handen, hou uw buik zo lang mogelijk wijd. Sis op een scherpe ‘s’ de zojuist ingeademde lucht uit. Hou de ‘s’ scherp, als u lucht langs de zijkanten meeblaast, gaat de ‘s’ slissen (zoals tegenwoordig mode is bij sommige radio- en tv-presentatoren: laat u niks wijsmaken, dat is niet goed!) dan ‘verspeelt’u onnodig lucht. Als u de ‘s’ scherp houdt en uw buik zo lang mogelijk wijd, moet het u algauw lukken een ‘s’ van 30 seconden te sissen. Truuc: trek op het allerlaatst uw buik in, dat levert u nog wat extra lucht op. Uw eerste reactie na de oefening moet zijn: inademen, als u nog lucht uitblaast had u die allemaal mooi in ‘s’s om kunnen zetten, alleen hield uw middenrif de spanning niet vol. Dat vereist dus een beetje training, maar er is snel resultaat. Ik heb leerlingen gehad die al na een paar dagen oefenen een ‘s’ konden sissen van zo’n 60 seconden.
3.
Als oefening 2, maar nu gaat u ineens uw buik ‘los’ laten vallen (hij valt er niet af hoor). Dan zou de ‘s’ moeten stoppen. Het is maar dat u de controle houdt…
4.
Als oefening 2, maar nu gaat u steeds kort uw buikspieren ‘laten vallen’ en weer aantrekken, zodat je een korte stotende ‘s’ krijgt. Misschien ontdekt u dat er dan steeds een beetje nieuwe lucht binnenvalt, waardoor u deze oefening eindeloos zou kunnen volhouden. Feitelijk doet u het hijgen van een hond na.
Hou uw omgeving eens een tijdje in de gaten. Wellicht merkt u dat:
- de meeste dieren mooi laag ademen, zodat hun buik op en neer gaat bij het in- en uitademen.
- baby’tjes die nog niet aangeraakt zijn door onze stressvolle maatschappij (en hun stressvolle ouders…) mooi laag ademen. Als ze verschoond worden en plat op hun rug liggen, zie je hun buikje op en neer gaan en niet hun schouders optrekken.
- als mensen hoog gesticuleren, hun adem ook (te) hoog zit.
- tijdens momenten van grote stress of groot verdriet het moeilijk is de adem laag te houden.
- vlak voor het inslapen je ademtempo steeds lager wordt en je niet in slaap kunt vallen als de adem (nog) te hoog zit. Je valt meestal in slaap tussen twee ademhalingen in. Die pauzes kunnen wel oplopen tot 8 à 9 seconden.
- de toonhoogte van de spreekstem daalt als je laag adem haalt. Er wordt namelijk druk vlak onder de stembanden weggenomen. De kunst is die adem laag te houden als je luider gaat spreken en tenslotte…. gaat zingen….
Volgende week over Falstaff en de week erna gaan we lekker verder. Adem ze!
Vijf uur
Het is vrijdagmorgen tien voor vijf. Ik loop het redactielokaal binnen. Meestal ben ik de eerste op dat tijdstip. Nu zit er een collega.
"Ben je er nog of alweer?" vraag ik.
"Nog," zegt hij. "Ik was laat klaar met m'n item en ben blijven zitten om CNN te kijken."
"Want?" vraag ik die sinds gisteravond half elf geen nieuws meer heeft gehoord.
"Michael Jackson is dood," zegt hij.
Dan moet de dag nog beginnen . . .
Ya Boetie!
Madeleine van Toorenburg. Soms heeft een man genoeg aan een naam om warme gevoelens te krijgen. Madeleine is lid van de Tweede Kamer. Dus intelligent. Ze zit in de CDA-fractie. Dus christelijk geëngageerd. Ik ga haar niet googelen. Ik wil de illusie in stand houden.
Madeleine heeft vandaag een wereldidee gelanceerd namens haar fractie. Groepen allochtone jongeren die zich in woonwijken ernstig misdragen, moeten in groepstherapie. De bendeleden worden onder toezicht gezet en gaan met elkaar naar een jeugdinrichting waar ze een half jaar gedragstherapie krijgen. Tegelijkertijd krijgen de gezinnen waaruit ze komen, begeleiding.
Madeleine wil die bendeleden in een rondje opstellen. In het midden zit de therapeut. Dat is een man, want voor Madeleines hebben die bendeleden geen respect.
Zo’n gesprek begint met een ordevoorstel. Nee, een mededeling, het is een ernstige zaak: de petjes moeten af. De mobieltjes waren al bij de ingang van de instelling ingeleverd, dus die hoeven niet uit. De kauwgom moet in de prullenbak en iedereen moet rechtop zitten.
Dan begint de therapeut met het kringgesprek. Hij stelt geen open vragen, maar richt het woord specifiek tot één van de deelnemers. Die voelt zich gebokt, want waarom wordt hij er uitgepikt? Waarom moet hij ten overstaan van zijn matties met de spreekwoordelijke billen bloot? De deelnemer mompelt wat. De matties lachen, de therapeut kijkt hulpeloos rond. Hij verstaat de taal niet en voelt zich een aarsbanaan. De groep ruikt bloed. Het zijn wolven. Ook in gevangenschap. Ze seinen elkaar aan met snelle handbewegingen en skotten de therapeut. De sessie wordt puta madre.
Na een half uur stapt de therapeut op. Zijn tijd is om. Morgen probeert hij het opnieuw.