(Door Ab Klaassens)

In juni 1956, zestig jaar geleden,  betaalde ik van mijn toen schrale
inkomen als aankomend journalist voor het eerst mee aan de
volksverzekering met de titel AOW (Algemene Ouderdomswet).

Ik heb er 42 jaar aan meebetaald en profiteer er nu al 18 jaar van. Heb
ik in die achttien jaar meer of minder gebeurd dan ik in die 42 jaar heb
bijgedragen? Ik kan het niet berekenen. Wel kan ik vaststellen dat ik nu
maandelijks veel meer ontvang dan ik in die 42 jaar ooit maandelijks
heb betaald.

Dat is alleen maar mogelijk doordat anderen een hogere premie hebben
betaald dan ik en doordat niet iedere premiebetaler van de AOW gebruik
heeft kunnen maken; dit vanwege droevige omstandigheden; de één z’n
dood is de ander z’n brood.

Toen Willem Drees als minister van sociale zaken  in de jaren vijftig z’n
Algemene Ouderdomswet indiende zei hij al dat een uitkering op grond van
die wet vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd op den duur
niet te handhaven zou zijn doordat de gemiddelde leeftijd van de ouderen
zou gaan oplopen.

Daar is bijgekomen dat steeds meer mensen door langere studietijd later zijn
gaan werken en dus minder jaren AOW-premie hebben betaald.

Nu al wordt mijn AOW-uitkering betaald uit de premies die de werkenden
van nu moeten opbrengen, Dat is op den duur niet te doen. Enkele regeringen
hebben de oplossing gezocht in een verhoging van de pensioengerechtigde
leeftijd, maar de werkgevers, de overheid voorop, ziet de oudere werknemers
liever gaan dan komen.

Verhoog dan maar de belasting voor de hogere inkomens zeggen sommige
politieke groeperingen. Maar dan moeten we ons wel realiseren dat nu al
vijftig procent van het totaal aan inkomstenbelasting wordt opgebracht door
tien procent van de belastingplichtigen.

Zorgeloos oud worden is er  niet meer bij.

,

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.