Na Hugo de Jonge mag nu John de Mol een poosje de nationale
doornenkroon op. De bedenker van The Voice wist niet wat er
misging op de werkvloer en dat gelooft niemand. Je zou denken
dat een baas niet alles kan weten, zeker niet als het middenkader
voorkomt dat hem het slechte nieuws bereikt.

De andere kant van het verhaal is dat De Mol bekend staat als
iemand die zich met elke komma bemoeit. Ik weet niet of dat ooit
door iemand is bedacht en dat het daarna door de knipselmappia
voortdurend wordt rondgepompt of dat het echt zo is.

Het goede nieuws is dat ik zie dat mensen zich nu beginnen af te
vragen: kan het in mijn bedrijf gebeuren zonder dat ik het merk?
Ik maak me geen illusie. Volgens mij zijn er heel veel topmannen
die de wijnvoorkeur van elke aandeelhouder kennen, maar die geen
idee hebben wat er achter de fietsenstalling van hun bedrijf gebeurt.

In mijn werkend leven ben ik twee keer geconfronteerd geweest
met zaken die nu onder het hoofdstuk metoo vallen. De eerste keer
was voordat het internet en de mobiele telefoon er waren. Een
vrouwelijke collega werd regelmatig ’s avonds en ook ’s nachts
gebeld door een mannelijke collega die schunnige opmerkingen
maakte. Hij deed dat anoniem maar ze herkende zijn stem.
Ze schreef een brief aan de bedrijfsleiding, waar ik toen deel van
uitmaakte, en de directeur riep de mannelijke collega op het matje.
Die ontkende. Na dat gesprek is de vrouwelijke collega nooit meer
lastiggevallen.

Jaren later nam een vrouwelijke eindredacteur mij eens apart
omdat ze een kwestie wilde bespreken. Vrouwelijke collega’s hadden
geklaagd over een mannelijke collega wiens tweede natuur het was
om voortdurend seksueel getinte grappen te maken. Hij deed dat
nooit tegen individuele vrouwen, maar altijd in het algemeen. Hij
raakte ook nooit een vrouw aan. De eindredactrice hoorde dat
natuurlijk ook, maar ook zij negeerde ze. Nu enkele vrouwen
hadden geklaagd over de voortdurende dubbelzinnigheid waren
haar de schellen van de ogen gevallen en wilde ze van mij
weten hoe mannen dat zagen.

Ik vertelde haar dat het hier een aimabele collega betrof, die
afgezien van de schunnige opmerkingen alom werd gewaardeerd
en zelfs geliefd was. De ene helft van de mannen moest altijd lachen
om zijn opmerkingen, de andere helft negeerde die. Ze hoorden bij
de man. Ik moest bekennen dat in die lacherige sfeer het mij nooit
was opgevallen dat vrouwen zich er zo aan stoorden dat ze nu aan
de bel hadden getrokken.

Ik vertelde haar ook dat ik de mannelijke collega wel eens had
gevraagd waarom hij dat altijd deed. “Kijk,” zei hij toen, “jij, ik, alle
mannen denken de hele dag aan seks. Wij hebben allemaal in ons
hoofd een klepje dat voorkomt dat onze gedachten er via onze mond
uit gaan. Bij mij zit dat klepje los. Om mij nou te verwijten dat ik
schunnige praat verkoop, is hypocriet”.

Kortom: wat we nodig hebben is een monteur die de defecte klepjes
in mannenhoofden repareert.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.