Ik was te vroeg op een afspraak op het terras van een boscafé. Alleen aan
een tafeltje, wachtend op twee andere mensen, werd mijn aandacht getrokken
door twee dames, twee tafeltjes verder.

Ze spraken nauwelijks met elkaar. In plaats daarvan richtte één van
de twee voortdurend het woord tegen een hondje dat rond haar stoel
scharrelde. Schijnbaar was het een hardleers hondje want de vrouw sprak
elke zin tegen het beest twee keer uit.

“Nee, jij mag geen menseneten,” zei ze tegen Pukkie. “Nee jij mag geen
menseneten.”

Blijkbaar had Pukkie zich tijdens een wandeling door het bos bevuild.
“Jij moet straks onder de douche,” zei de vrouw. “Jij moet straks onder de
douche.”

Er viel iets eetbaars op de grond. Pukkie dook erop. “Dat is niet voor Pukkie,”
zei de vrouw. “Dat is niet voor Pukkie.”

Pukkie begon aan zijn riem te trekken. “We gaan zo naar huis dan krijg je je
eigen eten. We gaan zo naar huis dan krijg je je eigen eten.”

“Nee, niet zeuren. Nee, niet zeuren.”

Pukkie bleef zeuren. “Je weet heel goed hoe het moet zei de vrouw. Je hebt
in de vakantie zo goed geoefend.”

Hé, dacht ik, die zin wordt niet herhaald. Te lang zeker.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.