Ik had vroeger een paard. Een bruin paard op een plankje met wieltjes. Mijn paard had een huid
van vilt, lange vlassige manen en een rood hoofdstel. Aan het plankje was een touwtje bevestigd
zodat ik het paard achter me aan kon trekken. Het ging altijd daar waar ik wilde dat het ging.

Waar de dikke kokosmat over ging in zeil moest je goed opletten. Als je te hard ging sloeg het
paard om. Buiten kon je eigenlijk niet met je wankele paard spelen, want mijn wereld bestond
uit een grindpad en een grasveldje. Een echt paard heeft daar geen moeite mee, voor een klein
vilten paard op wieltjes met maar één peuterkracht is dat een onneembare hobbel.

Dezer dagen zaten wij in een restaurant. Achter in de zaal klonk kindergekrijs. Er zijn een paar
dingen waar ik een hekel aan heb, één daarvan zijn kinderen die mijn maaltijd verstoren
met gekrijs.

Na enige tijd was het kind stil. In plaats daarvan klonk er een licht geratel over de plavuizen
van het ietwat klassiek ingerichte etablissement. Achter een tafel dook een jongetje van drie
turven hoog op dat iets voorttrok. Hij had blijkbaar plezier. Net zoveel plezier als ik op die
leeftijd had als ik mijn paardje achter me aan sleepte, inmiddels zestig jaar geleden.

Het jongetje kwam onze kant op. Hij had een wit snoertje in zijn hand. Aan het uiteinde
daarvan sleepte een oplaadstekker van een smartphone over de grond. Ik moest er een beetje
om lachen en benijdde mijzelf dat ik een vilten paardje had met vlassige manen in plaats
van zo’n kale stekker.

Maar het jongetje glunderde van oor tot oor. Hij was blij met zijn speeltje. Eigenlijk begreep
ik dat wel. Elk klein mens voelt intuïtief al aan hoe machtig het is als het een touwtje in
handen heeft waarmee het iets in z’n eigen voetspoor kan laten volgen.

  1. maria (reply)

    24 oktober 2019 at 12:25

    mooi
    (al zou ik het gekrijs er hebben uitgelaten, al geeft het wel een mooi contrast)

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.