(Door Ab Klaassens)

Binnenkort openbaren de Nederlandse gemeenten hun begrotingen voor
2018. Dat is elk jaar weer aanleiding voor de regionale journalistiek om op een
rijtje te zetten in hoeverre de  gemeenten in hun verschijningsgebied de
burger het vel over de neus trekken.

Ze maken een optelsom van de gemeentelijke belastingen en heffingen en
delen het resultaat vervolgens met het aantal inwoners. Uitkomst:
gemiddelden.

Dat soort rekensommetjes doet mij altijd denken aan een  burgemeester die ik
in een gemeenteraadsdebat over de woningnood hoorde zeggen dat er
eigenlijk geen woningnood was. Hij had laten uitrekenen hoe veel kubieke
meters woonruimte er in heel Nederland bestond. Dat aantal, gedeeld door
het aantal inwoners leidde volgens hem tot de uitkomst dat er voor iedereen
voldoende woonruimte beschikbaar was.

Onzin van gelijke aard zijn de gemiddelden waarmee de regionale media een
rangorde samenstellen van duurste naar goedkope gemeente. Niemand
ervaart een gemiddelde.  Als er in gemeenten als Waalre en Vught – met veel
dure villa’s – een hoge opbrengst is aan onroerend zaakbelasting betekent  dat
nog niet dat voor de huurder van een sociale woning Vught en Waalre dure
gemeenten zijn.

Het gaat trouwens niet om grote bedragen. De opbrengst van plaatselijke
belastingen – van alle gemeenten samen – Is nog geen vier procent van wat de
burgers samen betalen aan belastingen aan de rijksoverheid.

Gemiddeld, dus.

, , , ,

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.