De donkere man voor de toonbank van de kleine winkel stond
wat in het luchtledige te praten. De eigenaresse van de winkel was
achterin de zaak met een andere klant bezig. Behalve wij
vieren was er niemand.

De donkere man vertelde tegen de toonbank dat hij
Johnson heette. Dat vond hij zelf een bijzondere naam en dat
wilde hij niemand in het bijzonder laten weten.

Ik hoorde hem zeggen dat hij zeker wist dat er niemand anders in
zaak was die ook Johnson heette.

Waarom niemand dat moest weten was me een raadsel. Waarschijnlijk
hoorde en zag de man dingen die voor mensen met een gewone
achternaam verborgen bleven.

Toen de eigenaresse terug was en meneer Johnson aan de beurt was
vertelde hij dat hij Johnson heette en dat hij – zeker weten – de
enige in de winkel was met zo’n mooie naam.

De eigenaresse en meneer Johnson keken mij aan. “Qua naam ben
ik de minst originele Nederlander”, zei ik. Meneer Johnson keek mij
glazig aan. De eigenaresse schakelde sneller. “Dan heet u zeker
Jan Jansen”, zei ze.

“Nee”, zei ik, “ik heet Jan de Vries”.

Meneer Johnson haakte weer aan. “Zo heet iedereen”, zei hij.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.