In het begin van de coronatijd kwam ik in het bos een man tegen die ik een dikke maand
eerder had ontmoet tijdens een bevercursus. We hadden samen door de modder geploegd
op zoek naar beversporen. Dat schept een band.

We spraken tijdens onze toevallige ontmoeting over de natuur en corona. Het was het moment
dat we allebei net hadden gelezen dat mensen massaal toiletpapier aan het hamsteren
waren. Logisch dat we daar over spraken, dit gedrag had alles te maken met de menselijke
natuur. En zeg nou zelf, van de bever naar de hamster is een kleine stap.

We moesten lachen om dat hamstergedrag. Opeens werd de man ernstig. Hij maakte zich
oprecht zorgen over de droogte. Die was in dat vroege voorjaar goed te zien in een bijna
leeg ven waarover wij uitkeken. “Wat gebeurt er als er een watertekort dreigt?” vroeg hij zich af.
Wij durfden ons nauwelijks voor te stellen welke taferelen ons te wachten stonden in de strijd
om de laatste druppel water. Het beest in ons zou ontwaken, zoveel meenden wij welzeker
te weten.

Dit weekend verschenen in de media meerdere verhalen over water. Mensen compenseren
hun verlies aan vakantie met de aanschaf van kleine en grote zwembaden. Dat begrijp ik wel,
het is een manier om alsnog het vrolijke zomerse gespetter en geplons te beleven dat zo
onlosmakelijk is verbonden met onze traditie.

Die baden staan in tuinen. Dat is logisch omdat we nu niet handdoek-aan-handdoek kunnen neerploffen
op stranden en ligweides. Stukjes grond om te recreëren zijn door de coronacrisis schaars
geworden. ( Zijn er nog Duitsers die een kuil durven claimen?)

In een ander bericht stond dat er in bepaalde delen van ons land misschien dit weekend al minder
druk op de waterleiding komt omdat er tekort aan water dreigt. Ik betrapte mezelf er op dat
ik dacht: kom, kom, kom . . . . zo’n vaart zal dat niet lopen. Daar schrok ik van, want
ik leek wel op iemand van viruswaanzin die de coronamaatregelen overdreven vindt terwijl
het aantal besmettingen weer oploopt. Daar wil ik niet op lijken.

Waar ik steil van achterover sloeg was dat in sommige baden, de zogenoemde superpools,
zoveel water moet dat de kraan daarvoor onafgebroken 55 uur open moet staan. Er gaat
vijftigduizend liter water in. Dat is meer dan het gemiddelde jaargebruik van een Nederlander.
De eigenaren ‘verontschuldigden’ zich met het verweer dat zij daar de hele zomer plezier van
hebben en je het water na gebruik over de plantjes kunt gieten. Ik probeer me voor te
stellen hoe lang je daarmee de tuin kunt sproeien. Waarschijnlijk tot ver in de winter.

Ik moest denken aan het gesprek dat ik in maart voerde in het bos: “wat gebeurt er als er
een watertekort dreigt?”

Dat was de verkeerde vraag. De vraag moet zijn: wat doen we om dat te voorkomen? Zouden
we om te beginnen niet iedereen een bepaalde hoeveelheid water per jaar kunnen toewijzen. Wie
besluit om in mei het hele jaarrantsoen in een superpool te mikken, heeft de rest
van het jaar pech.

, ,

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.