Toen ik ruim dertig jaar geleden in Brabant begon als journalist waren mijn toenmalige collega’s
mijn eerste referentiekader. Er vielen mij twee dingen op. Er werd veel kwaadgesproken over
elkaar en er werd met afgunst gekeken naar de Randstad. Zoveel dat ik in die eerste weken mijzelf
regelmatig afvroeg of ik er verstandig aan had gedaan af te zakken naar beneden de grote rivieren.

Naarmate ik buiten die studio meer Brabanders leerde kennen kantelde mijn beeld. Ik
ontmoette zelfbewuste, grappige, creatieve, bevlogen en ondernemende mensen. Eén van de
mooie kanten van journalistiek is dat je heel veel verschillende mensen spreekt en dat de
burgemeester terugbelt als je daar om vraagt, maar dat terzijde. De boven de rivieren veelgeroemde
gastvrijheid bleek voor een deel eigenbelang. Ik doe iets voor jou, jij doet is voor mij. Brabantse
gastvrijheid heeft een prijs. Ik vond het prima.

De verontwaardigde berichten over weer een subsidie voor een Randstedelijke instelling die wij
verspreidden, bleken buiten de studio met schouderophalen te worden ontvangen. Het cultiveren
van het calimerogevoel bleek een journalistendingetje. Wij geen steun uit Den Haag? Dan lossen we
het toch zelf op.  We doen het zelf, we doen het samen. We doen het als Brabanders onder mekaar.
Dat was wat ik op straat en in mijn nieuwe vriendenkring tegenkwam.

Die mentaliteit heeft twee kanten. Enerzijds is zuidoost Brabant de economische motor van ons land
(lange neus tegen de Randstad) en zijn wij de sportprovincie van het land, anderzijds zijn wij het
drugslab van Europa en is Oost-Brabant is epicentrum van de stikstofvervuiling en de
coronaepidemie. Er wordt nu onderzocht of er tussen die laatste twee dingen een verband is.

Ook in de Brabantse politiek zijn al die Brabanders van verschillend pluimage altijd samen
opgetrokken. Ze namen, ze gaven, ze overvroegen, ze proefden elkaars nieren, prikten, maar
altijd samen. Links en rechts.

Toen ik als politiek duider donderdag in de uitzending van Omroep Brabant TV de vraag kreeg
voorgelegd of ik vond dat met het college van de drie grootste partijen VVD, CDA en Forum voor
Democratie, aangevuld met Lokaal Brabant, recht was gedaan aan de verkiezingsuitslag, heb ik ja
gezegd. Getalsmatig is dat zo. Hoewel de helft plus één wel de meest basale uitleg van het begrip
democratie is.

Want wie vertegenwoordigt nu de gematigde liberalen, de progressieven, de milieuridders, de
bibelbelt van Heusden en Altena, Rupchen (het laatste PVV-bolwerk), de dierenknuffelaars?
De helft min één dus?

Doet dit rechtse college recht aan de verkiezingsuitslag? Formeel wel. Doet dit college recht aan het Brabant
met z’n vele gezichten waar ik van ben gaan houden? Nee.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.