We gaan zingen! He he, eindelijk. Nou ja zingen, we gaan inzingen! Da’s nog niet zomaar hetzelfde, want vooral inzingen moet met beleid gebeuren. Uw stembanden zijn gemiddeld een halve centimeter breed en zo’n anderhalve centimeter lang en het zijn, spieren (!). Spiertjes, dus en die dien je met omzichtigheid tegemoet te treden. Je stuurt tenslotte een club godenzonen ook niet het voetbalveld op voor een wedstrijd zonder warming up. Zelfs (of juist) al hebben ze zoveel gekost dat er een halve economie op draait. Nou dan. Wees er dus voorzichtig mee.
Als u stijgende tonen zingt rekken uw stembanden op, zingt u dalend dan laten ze steeds losser. Een diepe bas die een uiterst lage toon zingt (zoals bijvoorbeeld in ‘In diesen heil’gen Hallen’ uit Mozart’s Zauberflöte) moet de kunst verstaan zijn stembanden helemaal los te laten bengelen met behoud van de ademsteun waar we het in eerdere lesjes al eens over hadden. Dat valt nog niet mee. En een sopraan die een aria met een hoge luide (let op hè: zangers zingen nooit ‘hard’ ze zingen ‘luid’) b of c eindigt heeft haar stembanden tot het uiterste aangespannen. (Om de f-III te zingen die in de aria van de Königin der Nacht voorkomt is weer een andere vaardigheid nodig, maar daarover misschien ooit op een ander moment meer.)
Uw stembanden hangen als een soort hangmatje voor en achter aangehecht in uw strottenhoofd, naast elkaar en voor en achter bij elkaar komend. Zingt u stijgend dan gaat dat strottenhoofd uit elkaar en krijgen uw stembanden de gelegenheid aan te spannen. Zingt u dalend dan gaan voor- en achterkant van het strottenhoofd iets naar elkaar toe om zo het ‘hangmatje’ dieper te laten doorbuigen.
Keel- en oorartsen zouden griezelen als ze deze uiterst gesimplificeerde uitleg lazen, maar ik wil het zo plastisch mogelijk uitleggen. Ik ben soms liever eerlijk dan tactisch…
Het enige dat u moet doen is zorgen dat (mits er niks anatomisch mis is en uw ademhaling goed functioneert) uw hangmatje laten doen wat het moet doen: aanspannen en weer loslaten.
Begin dus uw inzingoefeningen in het midden van uw stembereik en nooit, nooit, nooit luid: ergens rond de midden-g op de piano. Zing eerst dalende oefeningen, tot uw de maximale laagte bereikt hebt. Een eenmaal warm gezongen stem ‘haalt’ de laagte die ze in het begin haalt later niet meer. En nog zo’n waarheid als een koe: als je je hoogte wil uitbreiden, moet je meer in de laagte oefenen. Na een dalende reeks (kan me niet schelen op welke klank, zoek die klank die u lekker vindt: begin trouwens liever neuriënd en dan met bijvoorbeeld de vocaal a (niet de kale a maar een beetje de Brabantse, met een bietje o erin; ik vind de ie lekker, maar ach, ik ben maar een mening), gaat u voorzichtig diezelfde dalende reeks steeds een halve toon hoger beginnen.
Deel twee van uw zingoefening begint op diezelfde g en maakt nu een loopje naar boven: bijvoorbeeld g,a,b,c,d (do re mi fa sol in relatieve benamingen). Rustig omhoog ,niet tot het allerhoogste, maar tot daar waar u zich moet gaan inspannen.
Deel drie: we maken even de ademspieren los en alert: leg uw hand in uw zij en zing (weer rond het midden) een stijgende majeur-drieklank (do mi sol mi so), staccato, dat wil zeggen met schuddend middenrif. Rustig an en langzaam een beetje luider.
Deel vier: we maken even de tong en de lippen los: zing datzelfde dalende loopje van in het begin maar nu op bra, bra, bra, bro, bru, sta, sto, stu, kla, klo, klu en wees maar inventief met de rest van het alfabet. Met een rollende r natuurlijk. Die zit er overigens niet bij iedereen op, is soms aan te leren, maar niet altijd. Als het velletje onder je tong te ver vast zit en je tong in de breedte beter functioneert dan in de lengte lukt een tong-r niet. Heel vaak is-ie te trainen door korte d-d-d-d-d-tjes te zingen met je tong tegen je voortanden. Soms is een duidelijke huig-r (in het Frans, luister naar Aznavour!) te preferen. Brouw-r-en alleen in het Engels. Nooit op zijn Goois, woest word ik als ik ‘m hoor……!!!
Zing nooit te lang in. Vijf minuten is lang zat. Ik ken een beroemde zang-professor in Salzburg die in zijn dagen zijn leerlingen uit kamertjes sleurde als-ie ze in hoorde zingen en vooral als-ie ze te lang en te hoog en te luid hoorde inzingen.
Ik geloof evenmin in te lang inzingen. Als je een hele dag gewoon gepraat hebt is inzingen veel minder lang nodig, dan wanneer je ’s morgens voor dag en dauw een mis moet zingen. Ik stond jaren achtereen op tweede kerstdag om half zeven op, om in te zingen en vervolgens om negen uur de eerste mis te zingen. De enige betaling was overigens het feit dat het eerste jaar er geen hond in de kerk zat en vanaf het derde jaar de kerk meer dan voor de helft gevuld was (ik lijk wel gek ook, trouwens… achteraf bezien).
Ik ken collega’s die met een ariaatje inzingen, zo’n Mozart-dingske, dat niet te hoog en niet te laag gaat en lekker veel dictie vereist (bijvoorbeeld Susanna uit Le Nozze di Figaro, zie het filmpje). Of een liedje uit een zangmethode (daar kun je trouwens ook vellen over vol schrijven, over de zin en onzin van zangmethodes).
Natuurlijk ook hier weer geen volledigheid, dat kan niet, zonder bijvoorbeeld beeld of tekeningen van wat je strottenhoofd doet als je stijgend of dalend zingt.
Blijf erop letten: zingen moet een lichamelijk welbehagen zijn en blijven.
Er zijn talloze leuke boekjes met leuke inzingertjes. Bijvoorbeeld ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ en dergelijke juweeltjes. Volksliedjes lenen zich goed als inzingertje en overdag-hummertjes en de kinderliedjes die uw kroost mee naar huis nemen (als ze op school tenminste nog aandacht besteden aan zoiets ouwerwets als zingen…) en reclame-deuntjes en en en….
Tot in les 4: dan ga ik u doorzagen over resonantie. Zoek maar alvast op!