Het laatste van 2011

Dit is onmiskenbaar het laatste stukkie op Vocalies van het jaar 2011. Aan mij de twijfelachtige eer als laatste dit jaar iets te publiceren op de/onze website(s) en daarmee ontkom ik eigenlijk (ook) niet aan terugblikken. Nou vooruit dan maar; let’s get it over with…
2011 was een apart jaar, maar ik geloof niet dat ik ooit een ‘gewoon’ jaar heb meegemaakt, sinds ik bijna 53 jaar geleden werd geboren. Tenminste, van de jaren dat ik me bewust ben van mijn ik (je bent geloof ik gemiddeld een jaar of vijf als je jezelf kunt zien als onderdeel van een groter geheel ). Laat ik daarom maar eens een overzicht maken van mijzelf in de klassieke wereld.

- Ik kon eerder noten lezen dan schrijven, en ik kon een beetje schrijven (tenminste de grote hoofdletters lezen die mijn vader me leerde) net vóórdat ik naar de lagere school ging. Ik geloof niet dat de onderwijzers blij waren met zijn bemoeienissen; ik was een eigenwijze en lastige lagere school-leerling; een jaar of zes dus: 1965.

- Ik scoorde op de lagere school al aardig met zingen: de liedjes die we leerden waren een beetje heel erg standaard en de liedjes die mijn vader kende (en bereid was dóór te leren) waren leuker. ‘De drie gansjes’ zorgden voor hoge cijfers voor ‘zingen’ op mijn rapport en spelen en speelden in deze annalen nog steeds een rol. Op mijn tiende mocht ik bij het (kinder)kerkkoor; eerder dan de meeste kinderen: 1969.

- Ik leerde blokfluit spelen; het instrument waar zo’n beetje ieder kind met enige muzikale aspiraties op leert spelen. Meestal ontwikkelt het zich in een bepaalde richting; bij mij ontwikkelde het zich in een spuughekel aan fluitmuziek en me altijd ergerend aan het enigszins onzuivere wat er voor mijn oren aan muziek uit (vooral houten) fluiten klinkt: 1965-1969.

- Op de middelbare school veranderde ik van het wat bangige kind in een weerbare tiener; ik begon een beetje piano te spelen en een heel klein beetje gitaar. Mijn hersenhelften bleken niet zo onafhankelijk van elkaar te kunnen functioneren dat er een aanvaardbare soort muziek uit gitaar of piano kwam. Zingen ging wel steeds beter, vanaf mijn veertiende had ik zangles: 1973.

- Ik was een lastige puber: tussen mijn zestiende en achttiende schopte ik erg tegen het (ouderlijk) gezag en daar ben ik eigenlijk tot de dag van vandaag niet mee opgehouden… Vreemd genoeg had ik een magnifieke middelbare schooltijd: niemand daar kende mijn ouders of het bange kind van de lagere school en ik begon opnieuw: nu niet met wat benepen dorpskinderen om me heen, maar met (klein)stadse Limburgers. Tot de dag van vandaag weten ze op die middelbare school wie ik was. Ik haalde alle duvelsstreken uit die je uit hoort te halen en leefde op school een andere leven dan thuis. Bij de leraar muziek in die jaren scoorde mijn muzikaliteit hoog en bij de talenleraren ontwikkelde ik (en daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor) een levenslange belangstelling voor alles wat met taal te maken heeft en scherpe oren voor tongvallen en de psychische toestanden van sprekers: 1971-1976.

- Ik kon niet wachten tot ik achttien was en mijn vleugels uit kon slaan: 1977.

- En toen ging het muzikaal echt los: zingen, zingen, zingen, wat de klok slaat: het kerkkoor, het popkoor, allerlei projecten, huwelijksmissen, uitvaarten, zelfgeschreven muziek, net zoveel Beatles als Mozart, als ballads, als lied. In de tussentijd trouwde ik ook nog even: een huwelijk dat gedoemd was te mislukken: 1977-1985.

- Toch nog een conservatoriumopleiding; de eerste poging tot toelating mislukte, maar een tweede ronde een paar jaar later klikte het wel: 1985-1990.

- De klassieke(zang)wereld zat niet op mij te wachten, hoe kon dat nou toch? Terwijl ik er zo hard voor gewerkt had! Ik scheidde, zorgde voor mijn eigen brood op de plank en ging weer werken. En bleef zingen, zingen en nog eens zingen. Kwam tussen twee maten door ook nog mijn huidige echtgenoot tegen: 1991.

- Leren leven met het feit dat je geen auditie kunt zingen, maar wel het vermogen hebt een zaal te binden en te ontroeren; dat er geen carrière zal zijn in de ere-divisie, maar wel eentje in de eerste divisie, of de topklasse van clubs die net het betaald voetbal niet halen. Ik druk me maar even uit in de termen van mijn echtgenoot, die haarfijn het leven weet te vertalen naar voetbal. Mooie projecten gezongen. Moeten constateren dat er niet vàn te leven is, wel méé te leven: 1992-2000.

- AVRO Klassiek. Eerst de secretaresse die zich overal mee bemoeit, later internet-redacteur en heel even Radio 4-presentator. Aan mijn lurven achter de microfoon uitgehaald. Hardste en meest onterechte dreun uit de bescheiden stem-carrière. Hij dreunt nog na, maar doet niet meer zo’n pijn: 2001-2008.

- Geleerd om te gaan met zijn-wie-je-bent; de laatste solo-projecten. Een ombuiging naar beschouwen in plaats van er midden in staan. Van (mede)delen (Vocalies!) en laten horen in plaats van zelf uitvoeren: 2008-2011.

En vanaf 2012? Hopelijk lang gezond, lekker zingen in koorverband, podcasts maken, misschien wat concerten presenteren, cd’s recenseren, columns schrijven en af en toe zorgen voor wat polemiek… lekker overal een mening over hebben, alleen die niet altijd (meer) van de daken schreeuwen. Geloof me: u hoort nog van me in en na 2012!

In het filmpje een opname van het Amsterdam Loeki Stardust Quartet. Juist, u ziet het goed: blokfluitjes. Als een soort eerbetoon aan het instrument waar het allemaal mee begon: de Adler blokfluit ligt nog steeds hier op zolder; een beetje vals gefloten door het vaak veel te hard blazen dat ik er in het begin op deed. Komt niet meer goed met mij en blokfluitjes, maar o wat kunnen deze heren spelen!








Een vermoorde vlinder???



Allereerst: ik zet er de speciale kerstvocalies vandaag maar alvast op; zie de grote icoon hiernaast. Morgen daalt immers de grote kerst-stilte over de wereld en ik heb nogal moeite gedaan voor die speciale aflevering, dus ik wil graag gehoord worden.

Een vermoorde vlinder???

Verbaasd kijkt mijn lief mij over zijn klappende handen aan. Omdat er applaus klinkt durft hij zijn stem te verheffen: ‘dit is niet wat jij daarstraks verteld hebt…???!!!!’ roept hij…
Ik klap verder en roep terug: ‘andere beslissing van de regisseur!’

Later, onder het genot van een vurrukkelijk Italiaans maal, hebben we het er nog eens over: het slot van Madama Butterfly van Puccini in de Volksoper in Wenen.

Bij de première van de eerste versie, toen ‘Madama’ nog een twee-akter was, schijnt het publiek nogal venijnig te hebben gereageerd. Puccini zou daarvan geschrokken zijn (ik verzin dit niet zelf, het staat in nogal wat annalen over de opera) en het werk hebben teruggenomen en er een drie-akter van gemaakt te hebben.

Hij heeft er een aardige (maar ook niet meer dan dat) aria voor de tenor bijgeschreven en het geheel wat beter verdeeld. Toen-ie dat eenmaal gedaan had was het succes van de opera niet meer te stoppen. Tot de dag van vandaag heeft de kleine geisha Cío Cío San, oftewel Madama Butterfly de wereld aan haar voeten.

In beide versies van Puccini pleegt Butterfly aan het einde zelfmoord. De scènes verschillen in beide versies niet veel van elkaar: vlak voordat het mes daalt ziet ze haar zoontje en ze blinddoekt hem en ik heb ook wel eens een versie gezien waarin ze het kind wegschuift in de richting van zijn nieuwe vader en moeder: luitenant Pinkerton (een zak van een vent trouwens, ik grijp de gelegenheid maar even aan om hem een schop te geven; wie laat nou zo’n wereldvrouw achter???) en zijn kersverse Amerikaanse vrouw Kate.

Snap ik ook wel: de rol wordt gespeeld door een jong kind en je wil toch niet dat zo’n menneke moet toezien hoe zijn moeder zelfmoord pleegt, al is het dan ook gespeeld; het kind zou er acuut van gaan bedplassen; ik zou er mijn kind niet aan wagen; sorry, ik word weer wijdlopig…).

In Wenen kozen ze voor de zogenaamde ‘oerversie’: de twee-akter die Puccini teruggenomen heeft. De toch al matige aria van de tenor is eruit (dat was die avond maar goed ook, want de tenor was niet bij stem) en het geheel bestaat uit twee lange aktes, de een iets minder dan een uur, de ander bijna anderhalf.

Tot vlak vóór het einde ging het allemaal goed: Butterfly ontpopt zich van een frèle, vlinderachtige vrouw tot een dame van gewapend beton: ze neemt haar leven in eigen hand, neemt de verantwoording voor haar beslissingen en staat als een huis voor haar minnaar. Die combinatie van gazig vlindervrouwtje en iron lady zou ik nooit in mijn stem kunnen verenigen: het maakt de rol vreselijk lastig om te zingen.

In Tosca en Carmen kan ik me verplaatsen, in deze tweeledigheid niet. Hulde voor de sopraan Melba Ramos, die het wel kon. Haar licht negroïde uiterlijk was knap weggeschminkt en ze wist de vlinderachtigheid prachtig te combineren met onverzettelijke kracht. Mijn lief had prachtige plaatsen gereserveerd, maar akoestisch zaten we niet helemaal handig: af en toe overheerste het orkest en met name het koper.

In de orkestbak kunnen kijken en dat proces eens gadeslaan was echter ook wel eens leuk. Tijdens het wat saaie stuk halverwege de tweede akte kon ik me daarmee onledig houden.

Mijn bezwaar geldt (dus) het einde. Butterfly heft het mes om zichzelf neer te steken, kijkt vervolgens de zaal in en gooit het mes weg. Ze wordt vastgepakt door zogenaamde omstanders (voyeurs) en drie keer door drie verschillende mannen gestoken (overigens prachtig geacteerd en nogal heftig om te zien).

De laatste drie kreten (Butterfly!) worden niet door de tenor gezongen, maar door Yamadori, die er ook ingefietst is als het alter–ego van Puccini en in de opera een aantal keren ‘belaagd’ wordt door drie van de sterke Puccini-vrouwen: Tosca, Manon Lescaut en Mimi (uit La Boheme).

Mocht u goed Engels kunnen lezen en een echte knager zijn, klik dan hier voor de recensie, waaruit min of meer duidelijk wordt waarom de regisseur deze beslissing nam.

Ik heb er mijn commentaar ondertypt: ik ben het niet met hem eens en een flink deel van het publiek ook niet; getuige het korte applaus en boe-geroep, gecombineerd met ijzige stiltes tussendoor. Jammer voor de sopraan, die fabuleus zong en op deze manier niet de credits kreeg die ze verdiende.

Dat je een opvatting hebt: prima, tenslotte veranderen tijden en inzichten, maar dat je zoiets essentieels als zelfmoord verandert in moord dat wil er bij mij niet in en volgens mij bij Puccini ook niet. De arme man zou zich in zijn graf omdraaien.

In het filmpje de prachtig gezongen aria ‘Un bel di vedremo’. Ik besloot niet voor de slotscene te kiezen, ik wens u met kerst andere beelden toe. Renee Fleming zingt prachtig (al is het voor het filmpje geplaybackt) en de begeleidende beelden zijn heel mooi.








Metropole gered?

Er zijn weer wat belangwekkende activiteiten te melden, dan kan nog mooi effe vóórdat ik dit weblog een paar dagen aan zijn lot moet overlaten.

Minister Marja van Bijsterveldt (Media) gaat het Metropole Orkest helpen in zijn wens om als zelfstandig gezelschap verder te gaan. Jippie. Het Metropole moet namelijk blijven! Dat had ik al eens eerder geschreeuwd hier en zelfs ook al eens beschaafd medegedeeld. Ik heb er geen enkele illusie over dat de minister zich iets van mijn (of iemand anders z’n) geschreeuw, danwel beschaafd statement iets aantrekt hoor, dat niet… maar toch, als het maar gebeurt! Ik hoop dat het goed komt.

En ook over de bezuinigingen op de conservatoria had ik een mening (als ik geen meningen had hoefde ik geen weblog bij te houden, wat u?). Als u dat stukkie nog eens wil lezen klik dan hier.

Het lijkt er potverdrie op dat ze bij de conservatoria aan het wakker worden zijn. In ieder geval bij die conservatoria waar ze een popopleiding hebben, want die hebben met zijn zessen (Tilburg, Rotterdam, Leeuwarden, Amsterdam, Enschede en Haarlem) besloten intensiever te gaan samenwerken en zelfs een gezamenlijke masteropleiding te gaan ontwikkelen.

Dat zijn toch twee goeie berichten, vindt u niet? Ik wilde ze u niet onthouden.

In het filmpje nog even de hit van het Metropole-orkest, voor het laatste duwtje….








Gekoppelde herinneringen

Allereerst: aflevering 89 is er! Gauw luisteren, zie de grote icoon hiernaast.

Het interview met Gerard Ekdom in De Volkskrant bracht me op een idee. Who the f… is Gerard Ekdom? zult u zeggen (of een beschaafder versie van deze vorige zin, ik ben soms hard getaald…) .

Als doorgewinterde klassieke muziekliefhebber kent u natuurlijk Gerard Ekdom niet. Toch is hij een BN-er en een muziekliefhebber en ik denk ook een klassieke. Je kunt niet zo lang als hij ronddolen in de krochten van de pop-muziek en er zoveel van weten zonder ook iets klassieks tegen te gaan komen en ervan te houden. Of je moet een rare, onsociale hooibaal zijn en zo ken ik Ekdom niet.

Hij gaat trouwens binnenkort Het Glazen Huis in voor de jaarlijkse tour de force voor Serious Request, dan kunt u hem zien, want Nederland zal weten dat het weer kersttijd is… dáár kent u Gerard Ekdom van…!

Goed Ekdom dus… en wat hij zei dat mij op een idee bracht…. ‘ik koppel al mijn herinneringen aan muziek’. Kijk, dat doe ik ook, maar dan aan (meestal) klassieke muziek. Een geestverwant, jippie!

Doet u dat ook? Herinneringen koppelen aan klassieke muziek? Vast wel, als u een echte liefhebber bent… en al wat langer liefhebber, want voor herinneringen heb je leeftijd nodig (ik verzin de tegeltjes-wijsheden waar je bij staat als ik in de juiste stemming ben, merk ik).

En welke herinneringen dan? Hieronder volgt een lijstje. Wie mij langer leest weet dat ik dol ben op lijstjes en dat ik met een natte vinger te lijmen ben als het om het maken ervan gaat, vooral waar het de klassieke muziek betreft.

Es kijken:

- Een van mijn vroegste herinneringen is het volksliedje ‘De drie gansjes’, mij voorgezongen door mijn vader. Bijna niemand kent het en ik maakte er tot ver in mijn volwassen leven goeie sier mee. Ik zing het nog wel eens, mits in de juiste stemming.

- Even een uitstapje naar de popmuziek: de sentimentele draak ‘Du’ van Peer Maffay begeleidde mijn eerste grote liefde. Nog als ik het hoor schieten de beelden van die heftige tijd door me heen.

- Het Viljalied uit Franz Lehar’s Lustige Witwe zal me altijd bijblijven: ik zong het bij vele gelegenheden a-capella en met mijn oude baas bij de AVRO Kees Hillen begeleid. Het was het enige lied dat ik uit het hoofd kon zingen en hij uit het hoofd kon begeleiden, zelfs (en meestal) met een slok op. Hij is alweer jaren dood en ik denk bijna dagelijks aan hem.

- Het Avé Maria van Bach/Gounod is een draak vind ik, maar ik ben ermee verbonden of ik het wil of niet. Het heeft bovendien veel anderen ook een koppeling tussen herinnering en muziek gegeven: ik zong het bij veel uitvaarten en bij veel huwelijken. Proberen mensen een ander Avé Maria aan te smeren lukte niet; die ene moesten ze hebben, met die hoge uithaal aan het einde en als die lukt, tsja, dan is er eigenlijk ineens geen beter Avé Maria dan dat van Bach/Gounod.

- Vissi d’Arte uit Giacomo Pucinni’s Tosca schreef voor mij geschiedenis in Venetië. Ik zal die dagen nooit meer vergeten. Dat verhaal lezen? Klik hier.

- De Deutsche Messe van Franz Schubert hoorde ik ooit blazen op een berg in Oostenrijk toen mijn lief en ik op een zondag naar boven waren gegaan om een lange wandeling te maken. Ik heb staan huilen van geluk.

- Emmenez moi van Charles Aznavour (he, alweer geen klassieke muziek!) herinnert mij aan de onvergetelijke week in New York, waar Aznavour voor een prachtige avond zorgde die mij nog de tranen naar de ogen drijft als ik eraan terug denk.

- Le Nozze di Figaro: één noot en ik ben terug in Frankrijk op het kasteel waar we de opera 4 keer uitvoerden.

- Suor Angelica: ooit meegezongen in het koor. Prachtige muziek.


Ik hou op, want de lijst wordt te lang. Hebt u ook zulke ervaringen? Laat het me weten. Wie weet kan ik er een volgend stukkie over schrijven.

In het linkje ‘Du’ van eerder genoemde Peter Maffay; live gezongen en begeleid. Het is tegelijkertijd vreselijk en aandoenlijk, kitsch en waarachtig, gedateerd en van alle tijden. Kijk maar es goed! Mooi tijdsbeeld!











Van Johannes Heesters tot circular breathing



De actualiteiten tuimelen weer over je heen deze week. Ik geef u een bloemlezinkje…

Om te beginnen: ik ben overstag en heb tegenwoordig onder mijn eigen naam een facebook-account.. Op het werk mochten we een middag een soort training volgen over social media en ik was verbaasd over hoe groot de wereld is geworden in de tijd dat ik mijn trouwe weblogjes schreef. Webloggen is zóóó tweeduizend ehhh… vier (gemakshalve noem ik maar het jaartal waarin mijn echtgenoot begon met Stroomopwaarts).

Tegenwoordig moet je sms-en what’s-appen, twitteren, linked-innen en facebooken. Niet alles van die nieuwigheden vind ik ook een echte verworvenheid, maar ik kan met face-book wel wat en dus ga ik me daar eens instorten en als ik dat eenmaal besluit dan doe ik het ook meteen goed: ik had in een dag of vier al honderd vrienden (proest) dat u dat maar even weet….

Johannes Heesters is weer aan de beterende hand (voor wat het waard is, de man is godbetert 107, bijna 108, dus hij kan maar zo tussen het tikken van dit logje en het publiceren ervan overleden zijn, daar kan de snelheid van social media niet tegenop….). Who the f… is Johannes Heesters? zult u zeggen. Klik hier als u daar meer over wil weten.

Het Metropole-orkest scoorde een nummer één hit. Daar protesteren ze mee tegen de op handen zijnde bezuinigingen. Ik vrees dat er tegen dit kabinet geen kruid gewassen is en dat het scoren van een nummer één hit al helemaal niemand in Den Haag zich achter de oren doet krabben, maar ik gun het het orkest zo dat ze kunnen blijven bestaan (evenals Het Orkest van de 18de eeuw, dat moet ook blijven).

Beide orkesten betekenen iets speciaals in de Nederlandse klassieke wereld, dus het zou oprecht zonde zijn als die expertise verloren ging. Bovendien: wie vertelt het Frans Brüggen (de kundige maar o zo broze dirigent van Het Orkest van de 18de eeuw)?; het wordt zijn dood als het orkest opgeheven wordt.

In De Volkskrant van woensdag 30 november stond een vreselijk leuk stukkie over circulair breathing. Ik heb het met belangstelling gelezen. Ik zie het nog niet zo voor me, maar het moet kunnen.

Ik vergelijk het maar een beetje met een soort ingebakken doedelzak. De ‘normale’ ademhaling van blazers en zangers komt enigszins overeen. Ik ken een zangersoefening die een beetje het equivalent is van dat circulair breathing dat in De Volkskrant beschreven werd. Met deze oefening moet het mogelijk zijn het record van die saxofonist Colin Stetson zingend te breken.

Zet u handen in de zij, hoog, net onder uw ribbenkast, zodanig dat u de onderste ribben nog voelt. Blaas alle lucht uit uw longen (op een harde ffff), tot u het gevoel hebt dat er helemaal niks meer in zit (natuurlijk blijft er altijd een beetje capillaire lucht achter, dus maak u geen zorgen…). Adem door uw neus in en wel zodanig laag (nee, geen schouders optrekken!) dat de lucht naar uw handen gaat, die u stevig, maar niet krampachtig in uw zij houdt. Het middenrif zet dan uit.

Nu begint u lichte staccato-noten (op de vocaal à of ò) te zingen en na iedere staccato-noot laat u wat lucht binnen zodat de hoeveelheid lucht in uw longen ongeveer gelijk blijft. Heus, het voelt een beetje onwennig aan en het vereist wat training, maar het kan en als u het kunstje kent kunt u mooi meedoen aan een record-poging voor het Guinness book of records. En het is nog goed voor uw zangtechniek en longen en middenrif ook! Dat die saxofonisten niet denken dat ze de enige zijn die nutteloze kunstjes kennen (en die laatste opmerking is slechts plagerig bedoeld…).





Powered by Pivot - 1.40.5: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed