Er schijnt een raadsel te zijn geweest rondom Bach’s Hohe Messe. Tenminste dat moet wel want het ANP meldt dat het is opgelost. Hoe kon het toch dat een verstokt protestant als Bach geweest moet zijn (bij het ANP lijken ze het van Bach zelf te hebben…) een zo’n katholiek stuk als een mis te hebben geschreven?
Michael Mann, die schrijft in het Bach jaarboek, heeft het raadsel opgelost. Muziekliefhebbers van adellijke komaf kwamen jaarlijks in Wenen bijeen en voor die bijeenkomst zou Bach het stuk geschreven hebben. De Hohe Messe is langer dan een gemiddelde katholieke mis. Ik ben blij dat ze ‘m vroeger toen ik als kind in de (katholieke) kerk zat niet iedere week uitvoerden, want ik ben bang dat ik dan niet zo’n verstokt klassieke muziekliefhebber was geworden, maar een notoire hater…
Echt in de kerk heb ik trouwens weinig gezeten. Ik mocht al snel mee naar het koor en dan was de mis niet half zo erg en niet half zo lang. Wij hadden tussendoor nogal es wat te zingen en onder de preek zaten we te kletsen in het trapportaal, of leerde ik Franse woordjes (altijd meer dan een 8 bij de schriftelijk overhoring op de maandagochtend). Wellicht ben ik uit zeer dubieuze, farizeïsche gronden ooit gaan zingen…
Maar goed die Hohe Messe van Bach dus, want ik dwaal af. Het is inderdaad een omvangrijk en prachtig werk. Ik heb hem één keer meegezongen in het Eindhovens Kamerkoor en hij duurde lang en vergde veel van stembanden en lees-vermogen. Ik ben geen Bach-zangeres. Ik ben er ook geen echte liefhebber van, want ik heb al eens eerder gemeld dat zijn meerstemmigheid mij als luisteraar dol maakt en als zanger aan het studeren zet, iets waar veel (luie) zangers een hekel aan hebben: noten studeren.
Ik ben meer iemand van één melodie en daaronder begeleiding van de andere zangers/instrumenten. En dan nog liefst dat ik degene ben die die melodie zingt… Meer melodieën door elkaar maken mij ibbel en dan gaat of de cd af, de radio uit, ik gooi er een schoen naar of verlaat de kamer. Maar Bach en meer bepaald zijn Hohe Messe horen tot het standaard-repertoire. Luisteren dus.
Er is een leuk filmpje op You tube dat ‘the making of’ weergeeft. Het ‘steenkolen-Engels’ moet u maar voor lief nemen.
Overigens voert het Amsterdam Baroque Orchestra (dat moet tot mijn ergernis schijnbaar altijd op zijn Engels worden uitgesproken; ik hoor echt liever ‘het Amsterdams Barokorkest’, maar dat terzijde) de Hohe Messe uit op 18 oktober in Wenen. Het wordt ook weer een hele zit, want ze gaan de mis ook nog afwisselen met Gregoriaans uit een achttiende–eeuws Weens zangboek, jawel. Het zal mooi worden, want Ton Koopman leidt het geheel en dat kan-ie: Bach leiden… Hopelijk zetten ze het op cd.
Carreras en Safina
Soms krijg je je itempies op een presenteerblaadje aangeboden: een vriendin attendeerde mij op een concert in Ahoy, 11 september. Daar staan mijn lievelingstenor, José Carreras en Alessandro Safina samen op het toneel.
Ik ben weg van Carreras. Als enige van alle goeie tenoren (en ze zijn er, neem dat van me aan…) zingt hij altijd alleen voor mij. Ken u dat? Dat gevoel dat iemand het ineens tegen jou heeft en tegen niemand anders in dat grote publiek. Dat de aria over jou gaat en niet over de andere persoon in de opera. Dat er voor jou een boodschap in de muziek zit, alleen voor jou. Als je dat gevoel op weet te wekken (en ik weet uit ervaring dat Carreras dat bij meer vrouwen kan) dan ben je echt goed en dan dondert het niet of je hier en daar een noot mist, of dat de stem vanwege ouderdom wat rafelig wordt. De kracht van de boodschap blijft.
Of Safina dat ook voor mij heeft zal ik de komende tijd eens gaan onderzoeken. Zelfs Villazon, voor wie ik toch een boon heb (zie eerdere stukkies) had niet de boodschap die Carreras had.
José Carreras werd geboren in Barcelona. Hij studeerde daar aan het conservatorium en bij de docent met de illustere naam Puig. Op het grote toneel debuteerde hij in 1971 in Londen, met Gaetano Donizetti´s Maria Stuarda. In 1972 maakte hij zijn Amerikaanse debuut als Pinkerton in Madama Butterfly van Giacomo Puccini.
In 1987 werd er bij hem leukemie geconstateerd. Zijn einde leek nabij, maar hij herstelde. Hij was zo´n beetje de eerste beroemdheid van wie in een soort reality-soap de weg naar herstel vastgelegd werd. Bijna iedereen weet dat je bij leukemie zowat doodgestraald moet worden vóórdat er enige kans op genezing.is. Carreras werd ‘schoon’ verklaard en hij hield zijn nieuwe debuut van het leven in Wenen, meen ik.
Ik heb het concert gezien, tussen mijn tranen door. Het podium lag bezaaid met bloemen en na de zoveelste toegift verscheen Carreras in regenjas op het podium, ten teken dat hij nu toch echt naar huis wilde… Hij genoot en het was verdiend. De stem kreeg echter een flinke opdonder en voor mij is het geluid van vóór de leukemie nooit meer teruggekomen.
Maar ik houd van die kleine driftkop. Zijn temperament werd ook nog eens extra duidelijk tijdens een prachtige uitzending over het maken van een nieuwe West-Side Story, onder leiding van Bernstein zelf. Carreras pikte het lastige ritme maar niet op en moest een oude, harde zangersles nog een keer leren: kijk naar de dirigent, duik niet in je boek als er iets misgaat. Vooropgesteld dat er iets te zien is bij die dirigent, maar daar hoef je je bij Bernstein geen zorgen over te maken en dat had Pépé (zoals Bernstein hem liefdevol noemde) moeten weten… Onvergetelijke televisie, dat wel
Es kijken wat we over Safina weten. Hij is geboren in Siena in 1963, een stuk jonger dus dan Carreras, en hij zou nu in zijn goede (zangers)jaren moeten zijn. Hij kreeg de liefde voor opera van thuis uit mee en op zijn zeventiende studeerde hij aan het conservatorium in Florence. In no time stond hij in grote producties, met grote sterren. op grote podia.
Behalve in klassiek, zo vermeldt zijn website, is hij ook geïnteresseerd in popmuziek en de laatste jaren probeert hij pop en klassiek te combineren. Toen hij in de negentiger jaren de componist Romano Musumarra tegenkwam leek dat de uitgelezen gelegenheid een nieuw soort ‘soulful new pop opera music’ te maken (ik vis de info van Safina website hoor, ik verzin zulke termen niet zelf…) en toen ging het snel. Zijn single ‘Luna’ stond in allerlei top-tiens gedurende 14 weken, jawel! Kom daar maar es om met een aria uit willekeurig welke opera! Hij veroverde ook Nederland in recordtempo (’t is ook wel een lekker ding om te zien ook….) én hij acteert en zingt in film.
Ik heb es geluisterd en het is een vol, rijk geluid met een makkelijke hoogte. Ik kon zo geen klassiek op zijn website vinden: minpunten. En dat rock-sausje is niet mijn smaak, maar hij heeft potentie.
Dezer weken kunt u kaarten kopen voor het concert. Hier is de website.
En hier zijn 2 linkjes: van Carreras; dan maar eentje van vóór zijn ziekte en natuurlijk de mooiste tenoraria ooit: ‘E lucevan le stelle’ (uit Tosca van Giacomo Puccini) dat komt hem toe.
En van Safina, van wie ik helaas geen klassiek vond, zijn hit ‘Luna’ omdat we het daar net over hadden…
Veel plezier in Ahoy!
Anna Russell
Retorische vraag: ooit van Anna Russell gehoord? Een van mijn stijl-iconen en dat meen ik, ook nadat u onderstaand stukkie gelezen hebt.
Ze stierf op 18 oktober 2006, en ik hoorde pas in januari in 2007 dat ze dood was. Toen schreef ik al een eerbetoon voor haar en dat wil ik hier graag verkort herhalen.
Anna Claudia Russell-Brown werd geboren op 27 December 1911 in London, hoewel sommige bronnen zeggen dat ze in London Ontario geboren zou zijn. Haar moeder was van Canadese komaf.
Ze kreeg haar opleiding aan de St. Felix School in Southwold, aan Harrogate College en in Brussel en Parijs. Later studeerde ze aan de Royal Academy of Music. Ze stond kort op de (opera)planken; onder andere in een hilarisch/desastreus verlopen optreden in Cavalleria Rusticana, waar ze een decorstuk omver trok. Deze gebeurtenis zou ze later in haar one-woman-shows gebruiken.
Na de dood van haar vader keerde ze in 1939 met haar familie terug naar Toronto. Daar was ze af en toe op een lokaal radiostation te horen als entertainer. Al in 1940 kreeg ze meer en meer succes en trad ze op als concertzangeres, maar dan met een klassiek-komisch getint programma.
Dirigent Sir Ernest MacMillan gaf haar in 1944 het laatste duwtje naar een internationale carrière als 'musical cartoonist’. Toen ging het snel: New York debuut in 1948 en toeren met haar one womanshow in seizoen 1952 en 1953 door Noord Amerika, Groot Brittanië, Australië en de rest van de Engels sprekende wereld. Broadway met diezelfde show in 1953, New York, San Fransisco, een rol in een fim . . .
Haar carrière stoomde door met steeds nieuwe hoogtepunten op klassiek-komisch gebied tot ze in de laat zestiger jaren zich terugtrok uit het actieve muziekleven. Ze woonde in een rusthuis in Unionville, Ontario, in een straat die naar haar vernoemd was. In haar laatste jaren verhuisde ze naar Australië, waar ze bij haar geadopteerde dochter woonde. Ze stierf daar op 18 oktober 2006.
Ik hoorde Anna Russell voor het eerst ergens tussen 1985 en 1990, toen ik solozang studeerde. Ze trad toen al lang niet meer op. Na een groepsles draaide mijn hoofdvakdocent een LP van haar. Hoewel hij de opname ontelbare keren moet hebben gehoord viel hij andermaal bijna van zijn leskruk van het lachen.
Ik was daar in eerste instantie wat verbaasd over: mijn hoofdvakdocent stond niet bekend om een extravert gevoel voor humor. Later snapte ik het: hij had Russell nodig. Nodig om na uitputtende lessen met de meest uiteenlopende grote en minder grote ego’s het ’vak’ te kunnen relativeren om nieuwe energie op te doen voor de volgende ronde.
In mijn muzikale leven spelen twee fenomenen een grote rol: het lied ‘An die Musik’ van Franz Schubert en Anna Russell: beiden broodnodig om inderdaad nieuwe energie op te doen en om te kunnen relativeren.
Op 12 juli 1895 werd hij geboren, voor mij is hij de koning der musicalschrijvers. Hij schreef de musical der musicals, de musical die bijna klassieke muziek werd, de musical die mij jaarlijks rond kerst de tranen naar de ogen drijft; de musical waarvan ik de hoofdrol zonder mankeren onmiddellijk uit het hoofd kan meezingen, als u mij er ’s nachts wakker voor zou maken (gesteld dat u dat zou durven), de musical waarbij ik bij de kerkhof-scène (ondanks het feit dat ik ‘m meer dan dertig keer gezien heb) me toch steeds afvraag of het wel echt goed af zal lopen.
Ik heb het over The Sound of Music en zijn schrijver: Oscar Hammerstein de Tweede. Die titel ‘de tweede’ gaf hij zichzelf mee, om verwarring met zijn grootvader, de impressario, te voorkomen,
Oscar Greeley Clendenning Hammerstein werd geboren in New York City. Laurence Hart werkte samen met Richard Rodgers, maar Hart keek te lang en te diep in het glaasje en Rodgers zocht partnerschap met Hammerstein.
Samen waren ze een tijdlang zeer succesvol. In de veertiger- en vijftiger jaren van de vorige eeuw schreven ze een aantal tophits voor Broadway, waaronder Oklahoma, South Pacific en The king and I.
Hammerstein zat ook samen met Jerome Kern achter wat zo’n beetje beschouwd kan worden als de eerste echte musical ooit, ‘Showboat’ uit 1927, waar het wondermooie en emotionele ‘Ol’man river’ in zit. Hij kon goed samenwerken met anderen!
Hammerstein II stierf op 23 augustus 1960, op zijn 65ste, aan kanker. Het verhaal gaat dat het laatste nummer dat hij schreef ‘Edelweiss’ was uit The Sound of Music. Ik ben natuurlijk ongeneeslijk sentimenteel te noemen, maar als ik Christopher Plummer dat hoor zingen (was-ie het trouwens wel echt, want zo’n zanger was het volgens mij niet), dan hou ik het niet droog . . .
.
Ol man river
Edelweiss
.
Net het leven zelf
Dinsdag zijn we naar Rossini’s opera ‘De barbier van Sevilla’ op de Parade in Den Bosch geweest. Het was leuk, maar volgende keer pakken we het anders aan. Dan gaan we ’s middags al om een uur of vier met klapstoeltjes en een flesje witte wijn en broodjes zalm op de Parade klaar zitten, want dat had half Den Bosch dinsdag ook gedaan, jeminee, wat een macht volk.
Omdat we dus ver weg stonden, hielden we het alleen het eerste bedrijf vol (dat was nog anderhalf uur!) en ontging ons een aantal grappen op het podium, maar dat nam niet weg dat de grappen om ons heen extra duidelijk doorkwamen. De luidste grap was wel een brandweerauto die er met gillende sirenes langs moest omdat er brand uitbrak in een Grieks restaurant in ’s wereld bekendste eetstraat in Den Bosch, de Korte Putstraat. Ze denken groot in Den Bosch, dat merkt u wel. Nou hou ik toch al niet van Grieks, dus behalve de herrie van de brandweerauto deerde de fik mij niet.
Er was een meneer (nou ja, meneer) de aanminnig tegen mijn echtgenoot aan ging hangen en in onvervalst plat Brabants zei ‘zo kunde toch niks zien, mee al die minse die dur veur stoan…’. Mijn echtgenoot had niet veel commentaar, hij wilde minstens de opera hóren. De man (volgens mij niet meer helemaal nuchter) besloot daarop zijn scootertje, dat tussen de toeschouwers geparkeerd stond, maar te pakken en weg te gaan, maar het had nog heel wat voeten in aarde vóórdat een en ander tussen de zittende toeschouwers uitgeparkeerd was….. zijn vuile spijkerbroek zakte aan de achterkant zo laag dat wij via de bilnaad vrij uitzicht hadden op de binnenlandse gebiedsdelen, za’k maar zeggen. Mijn mij vreemde buurman en ik zagen het tegelijkertijd, hetgeen tussen ons toch weer een band schiep…
Een mevrouw met een teckel achter ons had grote moeite haar kleine vriend stil te krijgen; die vond het namelijk niet goed dat er zomaar een scooter onder zijn snuit gestart werd en kefte de hele eerste acte bij mekaar.
De zangers leek het allemaal niet te deren en dirigent Bollon ook niet, hij dirigeerde onder het gillende sirenegeluid tenminste onverstoorbaar verder, hoogstens iets hoekiger dan voorheen.
Om te weten wat u allemaal gemist hebt hieronder iets over Rossini en iets over de opera zelf. Mijn echtgenoot stelt genereus een foto ter beschikking, dan kunt u zich iets beter in de avond verplaatsen. Ik kon het aan het einde alleen maar eens zijn met mijn echtgenoot die verzuchtte: ‘hè, heerlijk, opera is net het leven zelf…’
Gioacchino Rossini leefde van 1792 tot 1868. Zijn componistenleven was eigenlijk aanmerkelijk korter want hij presteerde het de laatste 37 jaar van leven nauwelijks een noot op papier te zetten.
Vóórdat hij stopte met componeren was hij echter buitengemeen productief: hij schreef in 20 jaar maar liefst 40 opera’s, da’s toch gemiddeld twee per jaar. De analen vermelden dat hij vanaf 1850 problemen kreeg met zijn gezondheid, maar die problemen moeten eigenlijk al veel eerder zijn ontstaan: Rossini stond om zijn schranspartijen minstens even bekend als om zijn componeren: hij was enorm zwaarlijvig en een anekdote vermeldt dat hij liever een stuk bladmuziek opnieuw schreef, dan dat hij bukte om het van de grond te rapen, als het gevallen was…
De Barbier van Sevilla is misschien wel de beste opera die Rossini schreef. Een beetje jammer is het dat alle top-aria’s in de eerste acte zitten: Una voce poco fa (van Rosina) en het Largo al factotum della citta (van Figaro: wereldberoemd) en de roddelaria (van Don Basilio): allemaal in het eerste uur. Hoewel de opera vaart houdt moet je jezelf in het tweede bedrijf af en toe bij de kladden pakken om erbij te blijven: misschien ook wel door de voortdurende aaneenschakeling van hoogtepunten.
De graaf van Almaviva brengt een serenade aan Rosina. Zij woont in bij de veel oudere dokter Bartolo, die met haar wil trouwen. Ze wil graag met de graaf vluchten, maar Bartolo houdt haar voortdurend in de gaten. Figaro, de kapper, wordt ingeschakeld. Hij verzint wat streken en uiteindelijk lukt het de vuile plannen van Bartolo te omzeilen en het ideale koppel te formeren: de mooie Rosina en de knappe en rijke graaf Almaviva.
PS: er is een nieuwe aflevering van Vocalies podcast!