Berichten uit de klassieke samenleving

Het is een hard vak, de klassieke muziek. Da’s net zo’n dooddoener als de uitspraak ‘het leven is hard’ (ik denk daar dan altijd achteraan, ja, de stoeprand ook… ook zo’n volstrekt niet ter zake doend statement). Maar het is wel waar, toch…..?

Net als: ‘je bent zo goed als je laatste concert’ en ‘voor jou tien anderen’. Dat laatste ondervond sopraan Deborah Voigt die ‘effe’ 51 kilo af moest vallen vóórdat ze weer in genade werd aangenomen bij the London Symphonic om een rol te zingen in Ariadne auf Naxos.

Er is een hilarisch filmpje op You Tube, waarin ze een gesprek heeft met het jurkje, waar ze nu, 51 kilo minder en 4 jaar later wél in past. Hopelijk heeft de stem niet geleden van de afvalrace en kan ze weer lekker verder zingen. Ze is in haar prime voor haar stemvak: 47.

Dat het een hard vak heb ik ook een paar keer ondervonden: kerstavond 1991 ging de telefoon. Een dierbare vriend overleden aan een hersenbloeding. Ik moest anderhalf uur later de nachtmis zingen. Ik weet nog dat ik blij was met mijn eerste relatief grote klus en dat ik het een prachtige mis vond (een van de Mozartmissen, ik zou niet meer weten welke).

Een andere goede vriend, koordirigent, ving en praatte me moed in en om half twaalf ging hij zijn nachtmis dirigeren in de ene parochie en ik mijn nachtmis zingen in de andere parochie. En het ging… het moest.

Zoals ik ook een generale repetitie van een operette zong, nadat die middag mijn herdershond in mijn armen stierf en mijn laatste hondje, een buitengemeen eigenwijze terrier ‘presteerde’ het te sterven in de week dat ik acht uitvoeringen van een komische opera had. Het ging, het moest.

Voor dirigent van het Koninklijk Concertgebouw, Mariss Janssons ‘ging en moest’ het even niet meer Hij moest vorige week vrijdag zo ongeveer van het podium gedragen worden. In het ziekenhuis werden hartritmestoornissen geconstateerd. Hij is voor onbepaalde tijd op non-actief. Ik vond het bij zijn aanstelling vier jaar geleden al zo’n broze man. Een lieverd, leek me en na Chailly een verademing voor het orkest, maar broos, zo broos…. En het is al zo hard werken.

Tot zover de berichten van uw speciale verslaggeefster uit de harde wereld van de klassieke muziek

PS
Niet vergeten: als u in de buurt van Den Bosch woont: aanstaande dinsdag 1 juli, op de Parade, om 20.30 uur: De barbier van Sevilla van Gioacchino Rossini. Genieten, en: gratis!








Klassieke muziek en voetbal

‘Je moet proberen met je stukkies aan te sluiten bij de actualiteit’, zei de hoofdredacteur laatst tegen me, toen ik klaagde omdat ik niet meteen een onderwerp wist voor mijn volgende Vocalies, ‘dan kun je langer mee…’. Begrijp me niet verkeerd hoor, ik heb nog waslijsten met onderwerpen liggen evenals waslijsten met anekdotes uit mijn bescheiden carrière als zangeres (in de eerste divisie gebeuren veel leukere dingen dan in de ere-divisie, geloof me). Maar ik ben van plan nog lang van mij te laten horen op deze website en waak dus soms te fel over mijn plank-items.

Maar ja, vind maar eens iets actueels over klassieke muziek als Europa zo’n beetje collectief mesjogge aan het worden is over het voetbal. Toch zijn er verbanden tussen klassieke muziek en voetbal:

- de scheidsrechter van de wedstrijd Nederland – Frankrijk was een Duitser, genaamd Herbert Fandel…. En wat doet die man in het dagelijks leven: hij is pianoleraar (Evert ten Napel vertelde nog tijdens de wedstrijd dat hij concertpianist was, maar dat is geloof ik een beetje overdreven). Veel meer informatie kan ik u niet geven: hij is uitgesproken muzikaal, volgens een Duitse website. Vader van 2 kinderen, zijn hoofdberoep is pianist; hij is directeur van een (zijn eigen?) muziekschool (ik dacht dat scheidsrechter zijn al roeping genoeg was…). Zijn grootste hobby, zo geeft hij aan, is zijn familie. Uitgesproken muzikaal, ik meende al iets in zijn manier van fluiten te horen dat Beethoven in zich had, of Mozart…, maar misschien was het wishful thinking.

- de wedstrijd Frankrijk-Nederland was de enige van wie ik beide volksliederen mee kon zingen. Alweer een linkje naar klassieke muziek. Waar het Wilhelmus vandaan komt hoort u te weten. De Marseillaise? Is gecomponeerd door Claude Joseph Rouget de Lisle in 1792. De originele naam is ‘Chant de guerre de l'Armee du Rhin’ (oorlogslied van het Rijnleger). En omdat de troepen uit Marseille tijdens de Franse Revolutie het lied zongen bij hun intocht in Parijs is het de Marseillaise gaan heten. In 1830 is de Marseillaise door Hector Berlioz opnieuw gearrangeerd.

Roberto Alagna (ik ben overigens niet zo weg van hem, maar hier zingt-ie gelukkig niet zo ‘week’ als anders) zingt onderstaande versie van de Marseillaise.





- wat te denken van de triomfmars uit Aïda van Giuseppe Verdi? Geen mens kent de tekst maar je moet ze horen brullen! Zelfs de plotselinge modulatie die Verdi erin componeerde lukt redelijk. Een dezer dagen is er trouwens in een van de grotere Nederlandse stadions een meebrul-concert van voetballiederen. Daar zal de triomfmars ongetwijfeld ook meegebruld worden.

Hier is een werkelijk prachtig ge-ensceneerde triomfmars, in zijn geheel. Dan weet u weer eens waar al dat moois dat in het stadion verstuikeld wordt tot meebrullen vandaan komt (wordt daar niet op het einde Pavarotti binnengereden?).




Eindelijk kan ik nog eens roepen dat klassieke muziek eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld is. Hè, heerlijk, het EK kan niet meer stuk en niet alleen omdat ‘onze jongens’ zo voortvarend te werk gaan.

En volgende week, als het eind van al die gekte in zicht komt, kunnen we gewoon weer terug naar onze dooie componisten.








Kiri te Kanawa

Dit weekend is het Festival Classique in Den Haag. Voor de tweede keer. Vorige keer was het geen onverdeeld succes, maar gelukkig hebben de organisatoren besloten het nog een jaar te proberen.

Ze snappen daar ook wel dat een klassiek festival even tijd heeft om te groeien en al helemaal als het in Den Haag gehouden wordt. Prachtige stad hoor, Den Haag. Ik kom er graag. Na Amsterdam is Den Haag een fijne, wat oudere dame die mooi ’opgedroogd’ is. Amsterdam heeft ook mijn hart, maar is ordinairder, bijna hoerig. Nee, doet u mij maar ‘de weduwe van Indië’.

Maar ik dwaal af. Het Festival Klassiek dus. Het is afgelopen donderdag begonnen met het Edison Gala Klassiek. Weliswaar besloten, maar wel op tv. Stijve en elitaire bedoening altijd, maar wel met mooie muziek.

Of Kiri te Kanawa daarbij geweest is weet ik niet, maar ze zingt wel het slotconcert, op zondag de 15de. Het concert is haar afscheid aan Nederland, want ze gaat ermee ophouden, Kiri. Jammer hoor: prachtige vrouw en prachtige stem. Ik was wel eens een beetje jaloers: sommigen hebben het allemaal.

Als u kunt: ga vooral naar Den Haag. Het lijkt me geweldig en vooral als het weer een beetje meewerkt: pilsje, pardon, glaasje witte wijn (een pilsje bestel je in Amsterdam, waarop de ober je prompt vraagt: ‘kom je uit België?’, je kan dus beter om een biertje vragen en dan liefst met de Gooise brouw-‘r’), broodje gerookte zalm en dan strijkorkestjes, of blokfluitende kindertjes op iedere straathoek (brrrrrr…) en overal concerten voor niet al te veel geld (in ieder geval voor minder dan de enorme sommen die je tegenwoordig neer moet tellen om een klassiek concert of een opera te zien).

Hieronder een korte biografie van Dame Kiri te Kanawa en een linkje naar een van mijn lievelingsaria’s: Vissi d’Arte uit Tosca.



Weet u wat trouwens zo leuk (en verslavend) is aan You Tube: je kunt die lievelingsaria laten zingen door allerlei sopranen en dan thuis een beetje leuk jury’tje gaan zitten spelen: wie zingt hem nou het mooist en het lelijkst en waarom kwam Callas weg met gewoon valse noten en een wapperende stem, en moeten anderen ‘m juist spatzuiver zingen om ook maar een beetje waardering te scoren. Leuke discussie-stof!

Kiri Janette Te Kanawa werd geboren in Gisborne, Nieuw-Zeeland op 6 maart 1944. Ze heeft zowel Maori als Europees bloed. Als baby werd ze geadopteerd. Ze leerde opera zingen van Dame Sister Mary Leo, een bekende Nieuw-Zeelandse opera-coach.

Met het Nonnenkoor uit de opera Casanova van Johan Strauss behaalde ze haar eerste (en Nieuw-Zeelands eerste) gouden plaat. Ze begon haar carrière als mezzo-sopraan (ze zeggen wel eens dat mezzo-sopranen, sopranen zijn die te lui zijn om hoog te zingen), maar werd al snel een echte, prachtige lyrische eerste sopraan.

Ze studeerde verder aan het London Opera Centre bij James Robertson en werd al gauw een bekende verschijning op de opera-podia in de wereld.

Wereldberoemd werd ze toen ze zong op de bruiloft van Charles en Diana; jammer dat het niet heeft mogen baten…

Ze zong en zong en zong, tot 2004, toen besloot ze geen zware operarollen meer te zingen. Ze gaf nog wel concerten. Dat is ze nu ook aan het afbouwen en ze neemt van ons land afscheid op 15 juni dus.

Veel plezier bij het Festival Classique, of ‘erbij zijnd’ in Den Haag, of via radio en televisie








Vakantieverhalen

‘Wij van de redaktie’ hebben de stilzwijgende afspraak dat we u, de lezer, niet lastig vallen met onze vakantieverhalen. We willen niet kleinburgerlijk doen en in ons beider verleden liggen de herinneringen aan (dia-) avondjes bij lieve, edoch slecht fotograferende en onsamenhangend vertellende familieleden en vrienden nog griezelig vers in het geheugen. Dat doe je iemand die je waardeert niet aan.

Maar ja, in de afgelopen week sierden al twee prachtige vakantieverhalen van de hoofdredacteur deze kolommen en ik betrapte mij gedurende de hele week in Italië op de meest wonderlijke associaties richting muziek.

Gek genoeg: als je geest zich ontspant en weer de ruimte krijgt gaat-ie links en rechts zijsprongetjes maken, tenminste, die van mij.

Ik ga u er een paar vertellen, er zit namelijk een hoop prachtige muziek achter.


- we zaten op een terras in een overigens doodstil Italiaans dorp. Zo tegen het einde van de middag, als de ergste warmte wat geluwd is, komen de mensen naar het enige barretje en kopen er een espressootje, een ijsje, een zakkie chips, of pistachenootjes, een pilsje. Je denkt toch niet dat die Italianen van de andere kant van het dorp komen lopen? Welnee, die springen in een heet rugzakje (het oude Fiatje 500, nog zonder airco), of in een ander model auto dat de tand des tijds heeft doorstaan.

Zo stopte er recht voor mijn neus een opvolger van de lelijke eend, die niet half zoveel succes had als zijn twee-paardenkrachten voorganger: een Diana noemden ze dat ding destijds. In Nederland zijn ze al bijna uit het straatbeeld verdwenen, in Zuid-Italië rijden artistiekelingen er nog in rond.

De associatie? De Ouverture Donna Diana van Eduard Reznicek, ooit geschreven om aan een opera vooraf te gaan, maar nu nog slechts uitgevoerd als ‘stand-alone piece’. Mooie muziek. Ik kon slechts een krakende historische opname voor u vinden op YouTube.






- in een boom naast het terras van ons hotel zat een ekster brutaal in mijn richting te schetteren. Er was nergens een ober te bekennen (het seizoen in de Abruzzen komt laat op gang en
is kort . . .), dus riep ik in de richting van de schetterende in zwart-wit geklede vogel: ‘Ober, twee pilsjes!’. Hij vloog weg . . .

De associatie: La Gazza Ladra (die diefachtige ekster) van Gioacchino Rossini. Een slap verhaal, maar mooie muziek, vooral de ouverture.





- we hadden een prachtige middag met Luca, wetenschapper die de wolven-excursie in Pretoro doet. En dat doet-ie grondig: alle aspecten kwamen aan de orde, ook de negatieve.

Ik had al fantasieën gehad over tussen een roedel wolven lopen en met ze te spelen. Dat moest toch kunnen, pianiste Hélène Grimaud was ooit in de gelegenheid tussen de wolven te lopen en met ze te knuffelen (niet proberen, levensgevaarlijk!) Ze schreef er een boek over (Wildernis Sonate. 'Mijn leven tussen wolven en muziek').


Behalve uitstekend pianiste is ze overigens knettergek, volgens mij. Luca zuchtte nauwelijks merkbaar bij mijn in houterig Italiaans uitgesproken verhaal over mijn gekke wens en legde uit dat er bij de observatie van dieren grofweg twee stromingen zijn: die van je onder de dieren begeven en ze ‘van binnenuit’ te beschrijven en die van op afstand blijven, ze in hun habitat te laten en ze zo bestuderen.

Daar in Pretoro deden ze het laatste, dat had u al begrepen. Ik was het met Luca eens. Voor knuffelen hou ik het maar bij onze gedomesticeerde honden, waarvan overigens de meeste rassen afstammen van een onderdanige tak wolven, waardoor de aaibaarheidsfactor aanmerkelijk groter is. Haal je een wolf in huis, dan zal hij je niks doen, maar zal je ook nooit gehoorzamen, laat staan enige affectie betonen. Aldus Luca.

Associatie dus: Hélène Grimaud en al haar piano-muziek. Ik denk niet dat ik haar boek ga lezen . . .

Er waren meer associaties, veel meer, maar die zijn niet uit te leggen, of worden bewaard tot een volgende keer.








Gregoriaans

Het begon allemaal met het Gregoriaans. Nou eigenlijk begon het veel eerder, toen de holbewoners bij het vuur hun verhalen en liederen aan elkaar doorgaven, maar voor mijn gevoel is het Gregoriaans eigenlijk de eerste muziek.

De noten werden fatsoenlijk opgeschreven, zodat de broeders in het zuiden van de culturele wereld hetzelfde konden zingen als in het noorden, oosten en westen (en ja er waren natuurlijk meningsverschillen tussen de ordes, maar ‘im grossen Ganzen’, lag de notatie eindelijk eens vast).

Ik zie me nog staan op het koor van de St. Gertudiskerk in Maarheeze, met z’n allen de derde mis (of de achtste, daar mag ik vanaf wezen) zingen, uit het grote boek met de vierkante noten op de vier lijnen. Eigenlijk kon ik noten lezen vóórdat ik letters kon lezen.

Vooral dankzij mijn vader die de noten opschreef zodat ik hetzelfde deuntje iedere keer weer kon spelen , op mijn valse Adler blokfluit (ik heb hem nog). Daar begon het en mijn respect voor de Gregoriaanse koorzang is gebleven. Het heeft een bijna therapeutische werking.

Mijn vader zingt nog steeds in een van de weinige Gregoriaanse koren die er zijn in de lage landen. Ik schrijf expres lage landen, want het koor repeteert in de Achelse Kluis in België. ‘Ons pap’ overschrijdt iedere woensdagavond de grens van Nederland naar België om er te gaan repeteren.

Het koor bestaat 40 jaar en viert dat in het komende pinksterweekeinde met een festivalletje in de Kluis. Mijn vader schreef onderstaand stukkie in het programmaboekje dat tijdens het festival wordt uitgereikt. Mocht u in de buurt van de Achelse Kluis zijn, ga er eens even binnen, u zult er gelouterd weer uit komen en… ze tappen er een goeie, eigen gebrouwen pint bier.

“De Mariazaal in de Achelse Kluis is de plek waar meestal onze repetities plaatsvinden. Om precies zeven uur zit iedereen op vier rijen stoelen, ieder op zijn eigen plek. De voorzangers op de eerste rij, zoals dat hoort. Altijd wordt eerst de Heilige Geest aangeroepen met het Veni Creator Spiritus. Alle zeven coupletten in beurtzang.

Als iemand (en dat komt niet vaak voor) wat later is, blijft hij in de gang wachten tot het einde om daarna ook zijn plaats in te nemen. Dat wachten hoeft niet maar hij doet het wel. Uit piëteit? Of discipline? Nee, helemaal niet. Ik geloof dat de sfeer het met zich mee brengt.
We beginnen met een stemoefening waarbij het toontreffen de verjaardagen van de zangers ook nog aandacht krijgen.

De Latijnse uitspraak ondervindt geen probleem aangezien we op dat gebied een paar deskundigen hebben. Door onze dirigent wordt uitvoerig de tekst uitgelegd, zo ook de toonsoorten. Wat voor ons een vlaggetje en een wybertje is, is voor hem een porrectus en een punctum inclinatum.
Voor opvatting van de zang wordt geput uit de nalatenschap van Pater Michael die onze eerste dirigent was.

Een moeilijk stuk dat de meesten nog nooit gezien hebben wordt, nadat we een en ander eerst op noten zingen na een kwartier in zijn geheel al heel aardig ten gehore gebracht. Volledige concentratie is wel vereist. Onderlinge nieuwtjes worden dus bewaard voor de koffiepauze.

Ook als er dan niet gezongen wordt, heerst er een goede harmonie onder de meer dan dertig zangers van twee nationaliteiten die er ook vele kilometers voor over hebben om te komen repeteren.

Na de pauze wordt er weer serieus verder gezongen waarbij een enkele ludieke opmerking nog net geoorloofd is. Het is dan ook gewijde muziek waar we mee bezig zijn.
Kenners van het Gregoriaans weten in welgekozen woorden duidelijk te maken dat deze zang de devotie bevordert, innerlijke rust veroorzaakt en het contact met de hemel bewerkstelligt.

Een gezang of lied met Nederlandse tekst kan daar niet aan tippen. Ook niet die brief met die vlieger van André Hazes.

Tegen negen uur sluiten we altijd met ‘In Manus Tuas….’ (in Uw handen, Heer beveel ik mijn geest). Dat gebed wordt altijd verhoord want om kwart over negen is de Achelse Kluis weer in diepe rust.


Hier is een linkje naar een filmpje op you tube van gezang van de monniken van Santo Domingo de Silos (dat u niet denkt dat u mijn vader hoort).



Santo Domingo de Silos








Ga zingen!

Ik ben er effe niet de komende twee zaterdagen maar ik heb een belangrijke klassieke boodschap voor u: ga zingen! En dan bedoel ik niet zomaar, nee: zondag 1 juni is er op de Parade in Den Bosch samenzingen.

Onder de titel ‘Zing de zomer in’ wordt er onder kundige leiding (dat wil hopelijk zeggen een dirigent die zijn koor tot grote hoogte kan stuwen) en met begeleiding van een koor op het podium dat mee aanvuurt, zo’n veertig (jawel veertig!) bekende liedjes gezongen. Het zal wel veel pop zijn, maar ik kan me voorstellen dat een paar ijzeren klassieke stukken niet zullen ontbreken.

Haal diep adem (laag hè, zodat u uw strot niet naar de hier en daar schreeuwt… denk aan uw bekkenbodem), besproei uw zang met het nodige vocht (liefst niet allemaal bier of wijn, anders haalt u de veertig liedjes niet) en wees erbij.

Zingen gaat de verzuring tegen, zo zegt de Vlaamse dirigent die het geheel leidt, Marc Dhollander (!). Ik kan daar nog aan toevoegen dat goed zingen topsport is, zodat u op die zondag uzelf verder niet hoeft te vermoeien met fitnessen of met een coach lopen in het park, iets wat allemaal veel duurder is dan samen zingen in Den Bosch.

Het zou mooi zijn als u zuiver zingt, maar het hoeft niet, zo schrijft de organisatie. Wie zingt is koningen verwant, dus wat kan het u bommen of het zuiver is?!
Ik ben er twee zaterdagen niet, maar als ik op tijd terug ben uit Italië kom ik ook naar de Parade in Den Bosch en wat zal ik mij weren.

Ik zit me er nu al stiekem op te verheugen: ik ga net doen alsof al die mensen om mij heen lezers zijn van mijn ‘Vocalies’ en dat ik ze aangezet heb tot hun komst!

Cantare, oho, volare ohohoho!!

Tot zaterdag 7 juni!


Meer info op www.samenzingenindenbosch.nl








Op een onbewoond eiland

Joost Zwagerman heeft het voor elkaar. Een dezer dagen komt zijn boek uit met daarin de keuzes van een aantal BN-ers: welke popmuziek nemen zij mee naar een onbewoond eiland. De Volkskrant wijdde er een leuk artikel aan en de week zat tout-muziekminnend-Nederland-dat-er-wat-toe-doet bij Matthijs aan tafel in DWDD om een uurtje ‘lekker over muziek te praten’ (ik citeer Matthijs).

Ik zou Zwagerman’s klassieke evenknie wel willen schrijven. Bij de gedachte alleen al dat ik popmuziek mee zou moeten nemen naar een onbewoond eiland gaan mij de nekharen overeind staan. Jakkie bah, dan maar geen muziek. De deuntjes die in mijn hoofd hangen zijn meer dan voldoende om mijn pop-verlangen te bedienen.

Nee, we nemen klassiek mee, toch? En wat, of nog leuker: wie gaan we vragen daar iets over te zeggen? Maak es een lijstje. Niks leuker dan lijstjes maken om je af te leiden van dagelijks leed.

Nou ik eraan denk: dat is ook wat de heilige muze op zijn minst gebracht heeft (behalve frustratie, gevoel van onvermogen en angst). Met muziek bezig zijn betekende in ieder geval dat alle andere zaken onbeduidend werden en ver naar de achtergrond schoven. Daardoor kwam er soms een heel ander licht op dagelijkse problemen te schijnen. Er even niet aan denken kan immers heel andere invalshoeken brengen.

Ik daag u uit en geef mijn lijstje, tenminste één van mijn lijstjes, ik zou er talloze kunnen maken.

Eerst, met wie zou ik willen praten? Niet met de omhooggevallen types die onze recensie-pagina’s in de kranten over het algemeen bevolken en ook niet met zelfgenoegzame orkestleden, of dirigenten, of zangers. Es kijken: met Daniel Lohues, die zomaar in een interviewtje in VARA’s tv-magazine zegt dat hij Bach en Beethoven bij zijn goden heeft staan.

Met oud AVRO-collega Hans van den Boom die nog steeds lekker ongegeneerd kijkt naar alles wat klassieke muziek heet, met Anna Russell (ze is helaas dood, maar alles kan in de fantasie), die ongegeneerd aantrapte tegen het primadonnaschap en zo wel degelijk een prima donna werd, maar dan van het goeie soort.

Met dirigent Louis Buskens die van een loslopend groepje zangers een koor kan maken in ongeveer een uur en die nergens voor terugdeinst om muziek duidelijk en uitvoerbaar te maken. En tenslotte met Thomas Hampson, die ik een stuk van een vent vind en die zo mooi kan zingen en je toch het gevoel geeft dat de klassieke muziek van het hier en nu is, niet iets uit een grijs verleden.

En wat neem ik mee: pfoe, volstrekt willekeurig:

Concierto di Aranjuez, van Joaquin Rodrigo (alle vier de delen, telt als één)

De Rückertlieder van Mahler, zongen door Hampson (ja, ja ik ben aan het smokkelen)

Alle Mozartsymfonieën

Het Requiem van Verdi

Alle walsen van Johann Strauss.


Zo, nou mag u. Ik ben benieuwd en u zult zien: peins er eens over tijdens het afwassen en nadien zult u weten wat u ook alweer tegen die moeilijke collega of baas wilde zeggen, die al weken voor problemen zorgt.








Pianisten

Er zijn pianisten en pianisten. Ik heb er niet zoveel verstand van. Over het algemeen kan piano me niet zo boeien. De Mondscheinsonate van Beethoven, ja, die is mooi . . . En veel van Chopin vind ik ook nog wel het aanhoren waard. Maar zodra een piano met een orkest gaat samenspelen is de klank voor mijn oren uit zijn voegen en word ik ibbel. En Bach’s muziek op piano maakt me nerveus omdat mijn geest steeds maar probeert een melodie te volgen en Bach kan meerdere melodieën door elkaar schrijven.

U vindt me arrogant? Ach dat bedoel ik niet te zijn. Ik word heel nederig in de buurt van pianisten. Ze hebben me mijn hele zingend leven terzijde gestaan en ik heb geleerd dat je van ze moet houden, anders kun je niet met ze zingen. Nou hebben de meeste pianisten een tamelijk hoge aaibaarheidsfactor. Tenminste, als ze het in zich verenigd hebben zowel solo als begeleidend te kunnen spelen.

Solo-pianisten zijn vaak sociaal gestoorde maniakken. Dat solistisch en begeleidend in één komt niet zo vaak voor. Sommige pianisten zeggen dat het wel zo is, maar dan ga je met ze aan het werk en dan blijken zìj het tempo te bepalen in plaats van jij en dan blijken ze snel te vergeten dat een zanger hier en daar ook nog moet ademen en dat-ie geholpen dient te worden aan het einde van een moeilijke frase. Wegwezen dus, als zanger.

Het enige dat op de pianisten waar ik mee heb mogen werken (let u op dat bescheiden ‘mogen’?) aan te merken was, is dat ze vaak niet streng genoeg voor me waren. Met uitzondering van eentje, deden ze altijd hun best deze eigengereide sopraan van dienst te zijn. Hetgeen soms tot gevolg had dat ik hardnekkig foute noten bleef zingen, omdat er niemand was die me erop wees… Maar ik ben stapelgek op mijn Piet, Lex, Kees, Hans, Carl, Guy, Eelco, David, Marie-Thérèse, Jan (de volgorde is willekeurig, heren en dame) en de namen van degenen die me ontschoten zijn.

Waarom schreef ik dit ook weer? Oh ja, het jonge Chinese pianowonder Lang Lang en de Nederlandse bariton Ernst Daniël Smid doen op 2 mei mee met het concert dat wordt georganiseerd voor het 90-jarig bestaan van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Ernst Daniël Smid is de gastheer op het verjaardagsfeestje.

Ik houd van het Rotterdams Fiel omdat ze werkgever waren van een van de aardigste bazen ooit die ik had. Helaas overleden, al weer bijna 4 jaar geleden. Lang Lang was ooit de gast op het beroemde Prinsengrachtconcert en bracht klassieke muziek weer wat dichterbij de ‘gewone mensch’ (zou hij ook kunnen begeleiden?) en Ernst Daniel Smid vind ik een groot zanger, leuke man en uitstekend presentator: hij doet net als Lang Lang wat ik zo schromelijk vind ontbreken aan Radio 4 en klassieke programma’s in het algemeen: de muziek dichterbij brengen.

Affijn, hier zijn twee linkjes van Lang Lang.

Eentje waar hij ook lekker gek de muziek dichter bij het gewone leven brengt (hoewel, zijn video-games het gewone leven?)




En eentje waar hij het eerste pianoconcert van Tsjaikovski speelt, ik ben er niet zo weg van, maar het is lekkere muziek en hij speelt het 2 mei ook.









Don Carlo

Een luistertip vandaag en een kort stukje, want de hoofdredactie piept (zachtjes) dat mijn stukkies te lang zijn, soms. Ik heb wel eens wat meer woorden nodig dan strikt noodzakelijk. Misschien zit daar wel het bruggetje naar het stukkie van vandaag, want ook in opera gebruiken componisten meer woorden dan nodig, nog veel meer dan ik soms.. Zo ook Giuseppe Verdi, al spant hij niet de kroon.


Don Carlo is misschien niet de bekendste opera van Verdi, wel eentje waar een bijzonder interessante rol inzit voor een bas. De lage stemmen worden in opera meestal niet zo goed bedeeld; in Don Carlo wordt dat in de rol van Filippo, oftewel Phillips de Tweede van Spanje (de opera is historisch geplaatst, zoals veel van Verdi’s drama’s) een beetje goedgemaakt. ‘ Ella giammai m’amo’ (ze heeft nooit van me gehouden) is echt een van de mooiste bas-aria’s ooit; als-ie op het laatst (wel effe volhouden, de hele aria duurt geloof ik iets van acht minuten) zingt ‘amor per me non ha’ (liefde heeft ze niet voor mij), hou ik het niet droog.

Niet iedere bas kan het zingen: je dient je emotie in te houden tot op het allerlaatst, anders haal je de laatste hoge noot niet. Een eenzame man, die Philips, met grote taken en idealen, maar oud en levensmoe. Zijn jonge vrouw Elisabetta is hem trouw, maar houdt niet van hem en wordt gekweld door heimwee en door haar geheim gehouden liefde voor notabene Filippo’s zoon, Carlo.

In een aantal versies wordt de solo van Fillipo gevolgd door een vinnig duet tussen hem en de grootinquisiteur waarin Verdi buitengewoon geraffineerd de conflicten tussen kerk en staat tevoorschijn laar komen door de kerkvertegenwoordiger (de grootinquisiteur) steeds veel hoger (uit de hoogte?) te laten zingen dan de lage baspartij, de staat. Als je effe doorluistert een prachtig stuk opera. Veel plezier.

Ik voeg wat linkjes bij; eentje zonder beeld van de bas Nicolai Ghiaurov (getrouwd met sopraan Mirella Freni en al een tijdje dood). Hij maakt er wel een erg drama van, maar de stem is werkelijk prachtig.




De opname met Yevgeni Nesterenko is erg wollig, maar wel in scène. Ik meen Abbado te herkennen als dirigent en dan zit je wel goed met Verdi. Let eens op het ‘opera-slotapplaus’, waarop Nesterenko niet echt reageert (dat mag ook niet), maar wel zichtbaar aangedaan is.




Knap verslavend dat You tube trouwens: ook de versie van Boris Christoff is interessant; zijn Italiaans is hemeltergend slecht, maar zijn pianissimo op het eind is weer zo ontroerend dat je hem veel vergeeft. En de cellist die de intro zo kraaienvals speelt moet klappen hebben.



En hierna hou ik echt op: een oude opname van het eerder genoemde duet tussen Fillipo en de Groot Inquisiteur. Ik kan hem niet insluiten, maar als u hier klikt kunt u hem horen








Ballen

Jaren geleden hadden we een kwartetje. Nou ja, we hadden eigenlijk een triootje (een zangtriootje wel te verstaan) en we zochten nog een bas. We repeteerden altijd bij mij thuis, zittend of staand rond de eetkamertafel, met koffie erbij en de partituren op de tafel.

Herdershond Don lag in een hoek te genieten van zoveel saamhorigheid en het feit dat zijn kudde zo overzichtelijk dichtbij was en wij… misten een bas. Advertentie gezet en er reageerden zowaar een paar mannen. We zouden met ze praten en samen zingen op de vrijdagochtend dat we altijd repeteerden.

Wie er allemaal geweest zijn (dat moeten er aan paar zijn geweest) kan ik me niet herinneren, maar degene die het uiteindelijk werd herinner ik me nog wel omdat hij voor een van de leukste anekdotes uit mijn zingend leven zorgde.

Herdershond Don (want die speelt een belangrijke rol in dit verhaal) logenstrafte zijn wat vervaarlijke uiterlijk (hij was buitengemeen groot en donker): hij was keurig opgevoed en de meest zachtaardige kameraad die een mens maar kon wensen. De tenor zat met Don en zijn tennisbal te spelen toen de bel ging.

Zoals opgevoed ‘sloeg Don aan’ en stopte onmiddellijk met blaffen toen ik ‘stil!’ zei. Ik ging naar de voordeur en de tenor hervatte zijn spel met de tennisbal. Ik was erg verbaasd toen ik een meneer aan de voordeur aantrof die er wat slapjes uitzag; hij leunde witjes tegen de deurpost. Dus opende ik met de tekst ‘gaat het?’.

Hij herpakte zich en knikte, maar maakte geen aanstalten binnen te komen, ondanks het feit dat ik de deur uitnodigend verder open deed. Ik probeerde opnieuw: ‘wilt u niet binnenkomen?’

Hij schraapte zijn keel (en dat klonk al veelbelovend) en sprak bibberig en bassig: ‘Ik weet niet of ik dat durf…’

Ik keek verbaasd: ‘Zo eng zijn wij nou ook weer niet hoor, het gaat om een liefhebbersclubje zangers’.

‘Nou’, zei hij ‘het gaat niet om jullie, maar om de hond… het is nogal een grote zo te horen…’

Ik lachte: ‘Het is een hele lieve herdershond, maar hij is inderdaad groot, ik zal hem wel even in de keuken doen, tot u eraan toe bent hem te ontmoeten’.
Dat trok de bas over de streep hij zette een voet in de gang, ik verwijderde mij en bracht Don naar de keuken. De tenor bleef teleurgesteld met de tennisbal in de hand zitten; hij hield wel van grote herdershonden.

Terug in de gang bleek de bas zich geheel hersteld te hebben en hij volgde mij naar de kamer, waar hij kennis maakte met de alt en de tenor en met mij, de sopraan. Hij kreeg koffie en allengs keek hij minder verontrust richting keukendeur. Ik had op de heilige muze van de muziek gezworen hem Don niet op te dringen. De tenor butste met het tennisballetje op de vloer. Na enig heen en weer gepraat voelde de bas zich geroepen zijn wat vreemde gedrag uit te leggen: hij had een fobie voor honden; hij was ooit zeer ernstig verwond door (notabene!) een herdershond.

‘Nou,’ zei de tenor, ‘voor deze herdershond hoef je niet bang te zijn; het enige wat die wil is met balletjes spelen.’

De bas verschoot van kleur: ‘dat is het hem nou net’, zei hij, ‘de herdershond in kwestie heeft mijn linkertestikel er zover afgebeten dat die operatief weer aangezet moest worden. Gelukkig had ik op dat moment al kinderen, het is namelijk niet zo heel lang geleden dat het gebeurd is….’

Gedrieëen probeerden wij vruchteloos onze gezichten in de plooi te houden. De tenor brak het eerst: hij keek met vertrokken gezicht naar de tennisbal in zijn hand en snikte het uit van het lachen. Daarop konden de alt en ik ons ook niet meer inhouden. De tranen liepen me over de wangen. We hebben geprobeerd onze excuses aan te bieden; het lijkt me verschrikkelijk pijn doen als je testikel eraf gescheurd wordt en ik wilde me graag wellevend gedragen, maar ik kon niet meer.

De bas bleek over gevoel voor humor te beschikken: hij kon zijn lachen niet houden toen hij ons zo zag snikken en hij had er alle begrip voor. Hij had het verhaal al eens vaker verteld en toen was er ook gelachen, maar nooit meer na die keer had hij het verhaal verteld met een herdershond zo dicht in de buurt.

Hij werd aangenomen: we hebben een tijd lang aangenaam muziek met hem gemaakt, veel gelachen en ja: hij heeft uiteindelijk ook vriendschap gesloten met Don.








Die Fledermaus

5 april 1874: de premiere van Die Fledermaus in Wenen.
Johann Strauss was Jacques Offenbach te vlug af. Offenbach liep namelijk rond met plannen om op basis van het toneelstuk van Heilhac en Halévy een operette te schrijven. Het kwam er maar niet van en dus was Strauss ‘m voor

Het is een van de leukste operettes ooit, al is-ie wel eens het slachtoffer van platte lol en slechte orkesten. De muziek zit gepokt en gemazeld in elkaar. Ik heb zelden een rol gezongen (Rosalinde) die zo logisch voelde en makkelijk zong. De aria ‘Klaenge der Heimat’ lijkt wel voor mij geschreven.

Er zit niet zo heel veel koor in, reden waarom de Fledermaus niet heel vaak wordt uitgevoerd: amateurkoren worden vervelend als ze niet genoeg te doen hebben…. (ja hoor: bedoeld als prikje…!).

Het was ook de eerste keer dat een tenor aan mijn borsten mocht zitten zonder daarvoor een dreun te krijgen. Leo van der Plas (want die was het) kweet zich tijdens het ‘Uhrduett’ met verve van zijn taak en liet mijn en zijn integriteit daarbij in tact.


Vocalies zelf


Het werd een heerlijke productie, waarbij ik in nieuwe kostuums mocht optreden, speciaal voor mij gemaakt en voor het eerst een visagist/kapper tot mijn beschikking had (nou ja, mijn beschikking: hij schminkte alle solisten).

De plot? Och, niet heel interessant: huwelijksperikelen, drank, een weddenschap, verkleedpartijen… even schudden en je hebt een van mijn lievelingsoperettes.




Volgens mij zingt Kiri Te Kanawa een deel in het Hongaars… de vertolking is de beste van een rijtje slechte op Youtube. Het is allemaal niet erg gelijk, maar wie maalt daarom met zo’n prachtvrouw en zo’n prachtige enscenering… Let ook eens op de (kale) travestierol van Prins Orlofsky: een heerlijke rol voor een mezzo!








Repetities

Koorrepetities kunnen nogal eens verschillen is mijn ervaring.

Bij het projectkoor, dat zondags repeteert, van tien tot twee in een ‘zaalgelegenheid’ met tap. Om 10.25 uur: in rookwolken en de lucht van verschraald bier: ‘Dames en heren kom nou! Het is al minstens kwart over tiehien! We moeten nog zoveel doehoen. En we zouden niet roken in de ruimte waar gezongen wordt en MAG DIE MUZIEK AF!!!!!
En waarom zijn er maar twee van de zeventien bassen? Oh, op de camping dit weekend….’

Bij het Brabantkoor, dat ook bij elkaar komt en hele zaterdagen en zondagen repeteert, van tien tot vijf. Om 10.02 uur: ‘Dames en heren, wat heerlijk dat u er weer allemaal bent. Welkom bij dit Mozart Requiem. Het wordt een prachtige serie concerten. Ik wilde om te beginnen er maar even gewoon doorheen slaan… twee, drie vier……

Bij het projectkoor halverwege de repetitie: ‘Nee, we pauzeren vandaag maar een kwartiertje in plaats van een half uur, jullie waren al zo laat bij het begin. Sopranen, jullie kijken niet, zodra jullie beginnen te lopen kijken jullie niet meer en je kunt mij toch echt vanaf overal op het toneel zien, als je maar wil. En het is toch echt ‘D`e`e`e is de prins, hoeoeoeoe komt hij hier’ in plaats van ‘De`e is de prins hoe komt hij hier’.

Bij het Brabantkoor, vlak voor de grote middagpauze: ‘ We maken dit deeltje nog even af, dan is dat maar klaar voor vandaag….. Tenoren, het zou de goede afloop van het stuk bevorderen als u allemaal in maat 44 een Es zong in plaats van sommigen een E…. Doen we het overigens niet voor over….”

Bij het projectkoor om twee uur: ‘Kunnen we niet nog even doorgaan, we begonnen al zo laat? O, u moet met de kinderen naar oma, het bos in, de hei op, of terug naar uw luie zondag. Tsja….. dank voor uw aandacht en tot volgende week EN DAN BEGIINNEN WE ECHT OP TIJD!!!’

Bij het Brabantkoor heeft de dirigent in zijn eentje vanaf tien uur de repetitie geleid en om vijf voor vijf zegt hij: ‘kijk dames en heren, het is in maat 14 erg ongelijk. Let op, ik doe es een dansje in plaats van zwaaien, dan zingt u wel gelijk….. ‘ En hij huppelt het koor met zijn houtigere, maar charmante motoriek in een ruk door naar het einde van de moeilijke fuga, inderdaad nu wel gelijk… Om tien over vijf spoedt ieder zich voldaan - ook de dirigent - huiswaarts.

Er waren tijden dat ik zaterdags in het ene koor, als koorlid en zondags in het andere koor, als solist zong. Kunt u zich voorstellen dat ik af en toe schakelmoeilijkheden had?








Rolando Villazon

Eindredacteur AVRO-klassiek bij bureau: ‘Heb jij tijd om naar Amsterdam te gaan en Rolando Villazon te interviewen voor een stukkie op onze website?’ Slik, mijn hart zakte naar de bodem van mijn maag. Rolando Villazon? Dat is toch….? Hij knikte: een aanstormende tenor, met de potentie tot de top vijf van de wereld te gaan horen. Er kan niemand anders en ik weet toch wat van vocaal? Nou dan?

Mijn vocale opleiding zorgde ervoor dat ik zonder trilling in mijn stem vroeg: ‘Wanneer? waar?’ Antwoord: ‘Vanmiddag in het gebouw van de Stopera in Amsterdam, je weet wel, bij het Waterlooplein. Wees hem genadig…’

En dus stond ik die middag bij de balie van de artiesteningang. Ik moet eerlijk toegeven: het gaf mij een satanisch genoegen ontkennend te kunnen antwoorden op de vraag of ik auditie kwam doen. Die frustrerende tijd ligt gelukkig achter mij. Maar ik kwam wel voor Rolando Villazon en of ze ergens een kamertje hadden? Liefst met stopcontact voor mijn bescheiden bandrecordertje . . .?

Ik mocht in de kamer van de chef-dirigent. Natuurlijk zat ik net onder het bureau mijn stekker in het stopcontact te doen toen hij binnenkwam: klein van stuk, wat ondeugenderig. Mijn ongelukkige pose brak meteen het ijs. Heel veel gekker kun je er niet bijstaan en niks menselijks is Villazon vreemd.

Het werd een prettig gesprek. Hij, Villazon, had de tijd van zijn leven: een prachtige rol in Don Carlo van Verdi in Amsterdam in de lente, wat wil je meer? Iedere avond na de voorstelling op pad met vrienden; als je jong bent kun je doorzakken en toch de volgende dag weer zingen… Ik vroeg en vroeg en vroeg en hij vertelde en vertelde en vertelde.

Toen ik zei dat ik een hekel had aan moderne opera-enscenering ging hij meteen proberen of hij de tenor-aria uit La Traviata zou kunnen zingen terwijl hij zogenaamd een tennisbal serveerde, precies op de manier waarop ik het op tv had gezien. We hadden lol.

Nadat de bandrecorder uit was speelde ik mijn laatste troef. Een collega had me geadviseerd: vraag hem eens of hij zijn mister Bean imitatie wil doen. Hij lijkt op Rowan Atkinson en hij is meesterlijk. Mijn woorden waren niet koud of de onderkaak schoot in de bekende overbite en de motoriek werd schokkerig en onhandig. Hij herschikte de papieren op het bureau van de chefdirigent en ik schater. Een top-tien moment in mijn klassieke leven.

Villazon is binnenkort in Nederland: op 28 maart en 2 april zingt hij in het Muziektheater (in hetzelfde theater waar hij dus ooit door die beroemde sopraan geïnterviewd werd).

Klik hieronder voor een link naar You Tube, waar Villazon de mooiste aria voor tenor ooit geschreven zingt: ‘E lucevan le stelle’ (vrij vertaald: ‘Wat zijn de sterren aan het schitteren’)uit de opera Tosca van Giacomo Puccini.








Valery Gergiev

Toen ik eind vorig jaar ging solliciteren schreef ik in mijn brieven dat ik niet meer piepjong was. Bij de man die nu mijn baas is ontlokte dat tijdens het sollicitatiegesprek een hoofdschudden. Hij vond leeftijd minder relevant en nam me aan (hopelijk om nog een paar andere redenen dan alleen om het feit dat ik niet meer piep ben…).

Hij hoeft geen boodschap te hebben aan mijn klassieke opleiding, want bij hem doe ik een ander vak: dat van secretaresse. Maar hij legt wel een warme belangstelling aan de dag voor mijn klassieke opleiding en bezigheden. Dat stel ik zeer op prijs. Zo duwde hij me een paar weken geleden een artikeltje over operazangeres Tania Kross onder de neus, met als titel ‘Eigenlijk piek je rond je vijftigste jaar’. Zijn blik was veelbetekenend, tekst hoefde er niet bij.

Eergisteren scheurde hij weer rigoureus een paar pagina’s uit Elsevier. (Dat misschien iemand anders in het bedrijf prijs stelt op een heel exemplaar van Elsevier komt niet bij hem op.) Dit keer ging het over de Russische dirigent Valery Gergiev. ‘Ha!’ riep ik geamuseerd en half vertederd, ‘die ken ik!’ Nou steeg ik twee trappen in zijn achting: Gergiev kennen? Ik ga u eerlijk bekennen dat ik Gergiev wel ken, maar hij mij niet En ik ken hem vanwege zijn sonore spreekstem, niet vanwege zijn gebaar.

Bijna vier jaar geleden stierf mijn toenmalige baas bij de AVRO, Kees Hillen. Hij was, voordat hij bij de AVRO werkte, tien jaar directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Tropenjaren. Vooral omdat gedurende die tien jaren Valery Gergiev voornaamste gastdirigent was bij het Rotterdams Fiel. En als je met Gergiev mag werken, betekent dat een inzet van 200 procent en een hoop trammelant oplossen. Kees deed dat tien jaar lang met verve.

Tijdens de crematie was het Rotterdams Fiel op tournee, mèt Gergiev, in een of ander verweg land, ik geloof China of Japan. Maar ze wilden, en Gergiev vooral, hun eer betonen aan de onvergetelijke Kees. En dus hadden ze een cd gestuurd, uit Verweggistan, met een gesproken inleiding van Gergiev en een speciaal voor Kees gespeeld stuk. De tranen liepen niet alleen mij, maar het merendeel van de aanwezigen over de wangen tijdens het spelen van de muziek. Ik sloot voor eeuwig Gergiev in mijn hart. Hij weet dat niet, maar het zal hem geen kwaad brengen.

Op het stationnetje in Vught las ik het artikel over Gergiev. Hij verlaat het Rotterdams Fiel om in zijn geliefde Sint Petersburg in het Mariinsky Theater mooie dingen te gaan doen. Dag Valery, en dank voor de mooie klanken. Lezen, dat artikeltje!

PS: Wat speelde het Rotterdam Philharmonisch Orkest: La Valse van Maurice Ravel, live, voor Kees.








Lustigen Weiber

8 maart: wereldpremiere van ‘Die lustigen Weiber von Windsor’. Een van de leukste komische opera’s ooit, geschreven voor Otto Nicolai, een relatief onbekend opera-componist. Hij dirigeerde de premiere zelf, op 8 maart 1849 (hoewel sommige bronnen 9 maart vermelden, maar dan heb ik geen gastcolumn).

De opera is gebaseerd op een verhaal van William Shakespeare en gaat, hoe kan het anders, over huwelijkstrouw (of het ontbreken daaraan). Giuseppe Verdi, een van mijn lievelingscomponisten, gebruikte hetzelfde verhaal als basis voor zijn laatste opera ‘ Falstaff’ (de naam van een van de ontrouwe echtgenoten). Verdi was hoogbejaard toen hij de opera schreef, het was zijn laatste. Het slotkwartet ‘Tutto nel mondo `e burla’ (alles in de wereld is een grap) geldt als een van de moeilijkste kwartetten ooit geschreven; ik zou het graag eens zingen . . . Aan niets merk je dat Verdi een oude man was: het klinkt allemaal even fris en oorspronkelijk en hilarisch.

Wat ik wel gezongen heb is de aria ‘Nun eilt herbei’ uit ‘Die lustigen Weiber’. Heerlijk ding: je mag je ongebreideld kwaad maken en je kunt alle registers open trekken. Lekker schelden op de mannen en lekker slechte plannetjes beramen. Je moet wel begeleiding hebben die het kan spelen, want de tempo-wisselingen zijn enorm en je moet natuurlijk wel de vrijheid krijgen om echt uit te pakken.

Op You Tube vond ik twee filmpjes met deze aria. Sopraan Julie Bermel heeft beter door hoe het werkt dan Alexa Cortes (en let eens op de tempo-verschillen!). Er is natuurlijk veel geruis en gerommel, maar het geeft wel een indruk.

Wellicht heb ik u kunnen verleiden beide opera’s eens te beluisteren en liever nog: te bekijken; veel opera-repertoire komt uit op dvd tegenwoordig. Veel plezier.










Het zitvlak

Repetitie met een projectkoor. Allemaal geroutineerde zangers, dus ze zullen wel weten wat ze zangtechnisch doen, denk je dan. Allemaal een opleiding op niveau gehad in muziek (al is dat niet altijd zang geweest, maar vaak AMV, piano, schoolmuziek of noem nog maar een aantal conservatorium-studierichtingen op).

Toch loopt het niet altijd even geroutineerd: mijn makke is bijvoorbeeld dat ik, als ik de noten nog niet goed ken, mijn strottenhoofd (da’s dat ding in je keel waar je stembanden in hangen) te hoog instel en dus de stembanden te veel basisspanning geef en dus na een dag een hese spreekstem heb (in mijn directe omgeving ook wel eens omschreven als een ‘geil’ stemgeluid.) Het is meestal na een dag over en als de noten zitten kan ik ongestoord dagen achter elkaar zingen, dus het komt wel goed, dank u.

De mevrouw naast mij in de achterste rij van de sopranen had hoorbaar moeite met het loopje omhoog van hoge (echte sopraan-)tonen. Ik zei er wijselijk niks van totdat ze zich bij me meldde: "Ik heb toch zo’n moeite met dat loopje daar; ik haal het niet, terwijl ik de hoogste noot op zich makkelijk kan zingen."

Haar toon is dusdanig vragend dat ik besluit een van mijn pedagogentruucs in de strijd te gooien
"Misschien helpt het als u uw zitvlak tegen de stoel drukt terwijl u het loopje naar boven zingt," zeg ik

Verbijstering is mijn deel. Zitvlak tegen de stoel? Maar we waren toch aan het zingen?

Ik leg uit. Contact met je zitvlak tegen de stoel maakt dat er een soort contrabeweging komt: de toon gaat omhoog en de spanning in de buik neemt toe en dat haalt de spanning op de keel weg, hetgeen de stembanden meer vrijheid geeft om te ‘spelen’. (Bent u er nog?)

De verbijstering bij mijn buurvrouw neemt toe. "Hoe weet ik nou of mijn zitvlak contact heeft met de stoel?"

Ik word onrustig, want tegen een wildvreemde (bij projectkoren heb je steeds een andere buurvrouw) dien je decente woorden te gebruiken en kun je moeilijk zeggen ‘douw je kont tegen de stoel’. Dus: "Bij de houten stoel waar we op zitten kun je toch voelen dat je zitbeenderen de stoel raken?"

Ze schudt haar hoofd, zitbeenderen?

Ik leg het uit: Als je laag inademt, plat je middenrif af, drukt de organen in je onderbuik samen en doet derhalve je schaambeenderen wijken. "Hebt u ooit kinderen gehad? " vraag ik.
Ze knikt: drie.

En dan maak ik de kardinale fout: ik kom te dichtbij als ik zeg "nou, als er een kind langs moet, wijken je schaambeenderen ook, dat gevoel kunt u zich toch wel herinneren?"

Ze wendt zich gloeiend blozend af en ik kan mezelf wel slaan. Het laatste wat ik wil is haar in verlegenheid brengen.

Na de pauze zit de mevrouw in kwestie drie stoelen verder, met veilig tussen ons in twee nieuwe buurvrouwen.

Marlies








Hoe het begon

Ik een gastcolumnpje schrijven over klassieke muziek? Ik??? Pfoe, nee hoor, effe niet. Ik heb van de heilige muze alleen maar verdriet geh . . .

Stel je niet aan, dat verdriet doe je jezelf aan en je hebt er al die jaren ook veel plezier aan beleefd en mooie verhalen over verteld en dat was heus niet allemaal kommer en kwel. En die mooie verhalen willen mensen misschien wel lezen, in plaats dat je ze alleen aan de keukentafel aan vrienden vertelt.

Pfoe, de keukentafel, het mocht wat…

Put your money nou maar es where your mouth is . . . Die repetitie die zo chaotisch verliep, dat verhaal over die karbonaadjes van Mozart en die keer dat je in je onderrok de finale uit Der Zigeunerbaron hebt staan zingen . . . met tegenlicht . . .

Ha, ha, ja dat was me het avondje wel toen.

Stilte

O, en dat interview met Villazon in het nieuwe gebouw van de Stopera dat was ook leuk en ik kan es iets over zangtechniek schrijven. Nee, ik doe het niet hoor, ik vond het al zo moeilijk om in mijn werk afscheid te nemen van de klassieke muziek, ik wil er niet steeds aan herinnerd worden.

Joh, mauw nou niet. Zo kun je mooi je eigen klassieke wereldje scheppen en er nog anderen van mee laten genieten ook. Je hoeft je aan geen enkel keurslijf te houden.

Ha ha, weet je dat wel zeker, meneer de hoofdredacteur?

Nou ja, het mag natuurlijk niet langer zijn dan 200 woorden, anders leest geen mens het en ik wil continuïteit en originaliteit.

Oh, ik hoor het wel, geen keurslijf. Weet je wat, ik doe het. En ik overtreed met dit eerste stukkie al je eerste regel, want het is zelfs langer dan 300 woorden.
Nou goed dan, laten we het eens proberen: iedere week een stukkie. Dit is het eerste en lieve lezers, verschoon de schrijfster dezes: ze is soms wat breedsprakig. Maar u krijgt mijn verhaaltjes: over tenoren, zangkeutels, karbonaadjes en gekke dirigenten.

Lang leve de muze, ze is niet dood!

Marlies





Powered by Pivot - 1.40.5: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed