08 Mrt '10 216 W
Dikke
(gastcolumn van Ab Klaassens)
Er was eens een jongetje met de naam Dikke. Hij groeide op ergens in een Zeeuws dorpje, in een huisje onderaan een dijk.
Dikke was een leergierig jongetje, met veel belangstelling voor woorden. Hij droeg altijd zo’n groen welpenpetje en een veelkleurig repeteervulpotlood als een zwaard aan zijn zijde. Alle woorden die hij hoorde schreef hij op in een dik schrift met stijve kaft, keurig net op alfabet. En waar mogelijk schreef hij ook op wat die woorden betekenden.
Zorgen had hij niet; alleen het wekelijks bezoek van zijn peetoom bracht hem van zijn stuk. Want de peetoom tracteerde hem bij elk bezoek op hetzelfde kunstje: als Dikke hem beleefd een handje gaf liet oom een scheet knallen waarvan de ruiten rinkelden. “Brune bonen jongen, ja daar komt ’t van, en met veel uien” legde peetoom uit. Dikke liet zijn moeder wel merken dat hij z’n peetom liever niet wilde ontmoeten, waarop zij besloot hem tijdig te waarschuwen: “Dikke, daar komt je peetoom aan.”
Dikke noteerde daarom in zijn stijf gekafte schrift: “petomaan”, iemand die een ziekelijke behoefte heeft om voor z’n plezier scheten te laten.
“Petomaan” tref je dan ook aan in het bekendste en grootste woordenboek van Nederland, vernoemd naar Dikke met de familienaam Van Dale.
Meestromers:
Bestaan ze nog, petomanen?
Vroeger had elk dorp er wel een paar. ‘s Zondags bij het voetbal stonden ze altijd bij een cornervlag.
Gelkinghe (Email) (URL) - 09 Maart '10 - 00:04