Kampioen




Heb ik u ooit verteld dat ik in mijn kinderjaren klassenkampioen kinderpostzegelverkopen ben geweest. Vast wel want ik win zo weinig dat als ik een keer ergens de beste in ben, ik dat hard en langdurig van de daken schreeuw.

Ik moest er vandaag aan denken toen er een jongen en een meisje aanbelden met kinderpostzegels. Het jongetje deed het woord, het meisje stond een stapje terug. Ik vertelde de knul meteen dat ik ooit klassenkampioen kinderpostzegelverkopen was en dat ik dus meteen een bestelling ging doen in de hoop dat hij ook ooit naar voren geroepen zou worden om gelauwerd te worden. “Zulke klanten heb ik het liefst,” zei hij gevat. Vermoedelijk is z'n vader middenstander.

Omdat op dat moment Poessie de trap af kwam donderen adviseerde ik de jongen en het meisje even binnen te komen om te voorkomen dat die kat de straat op zou gaan, een straat waar hij nog nooit is geweest.

De jongen stapte meteen naar binnen, het meisje bleef op de stoeprand staan. Omdat ik dat erg ongezellig vond nodigde ik haar nog eens extra binnen. Ze bleef op de drempel staan. “Kom nou verder,” zei ik, “dan kan de deur dicht, want anders glipt die er alsnog door.”

Het meisje aarzelde en ik zag angst in haar ogen. Het kwartje viel. Het kind was door de juf en de ouders gewaarschuwd voor mannen die in mijn kindertijd nog niet bestonden. “Je hoeft niet bang te zijn,” zei ik. “Ik doe je niks, ik ga jullie alleen maar kampioen kinderpostzegelverkopen maken.”

“Kom nou maar,” zei de jongen, “die meneer is aardig.”

Op dat moment rende het poessie . . . . naar binnen. Was hij me toch ontglipt zonder dat ik het had gezien. “Ik doe de deur toch maar gauw dicht want anders komt hij onder een auto,” zei het meisje. Dierenliefde overwint alle angst op deze leeftijd.

Vervolgens heb ik een veel te grote duit in het kinderpostzegelenvelopje gedaan. “Zulke klanten heb ik het liefst,” zei de jongen nog een keer. Vervolgens complimenteerde die kleine aap me met ons huis. Vermoedelijk is z'n vader autoverkoper.


DIT STUKJE KREEG NA PUBLICATIE EEN VERVOLG:


Tien minuten geleden, de bel. Mijn vrouw deed open en kwam even later lachend binnen. “je kunt een aanvulling schrijven op je stukje van zojuist,” zei ze.

Aan de deur stonden twee jongetjes met kinderpostzegels. Wij hebben al kinderpostzegels, zei mijn vrouw. “Dat weet ik wel,” zei één van de jongens. “Die heb ik zelf verkocht aan de meneer die hier woont. Maar vriendje had nog niet zo veel verkocht en toen zei, ik weet nog wel een heel aardige meneer die wil van jou vast wel wat kopen.”

Mijn vrouw vertelde dat die aardige meneer al heel gul was geweest en dat er geen postzegels meer werden gekocht.

Rollator



(Door Ab Klaassens)



Ze is al ver in de tachtig, de vrouw in mijn buurtje die als een meid van achttien met haar oude Fongersfiets door de buurt scheurde, voorrangsregels negerend, over de stoep rijdend als het haar uitkwam en zeker niet gehoorzaam reagerend op het rood van de verkeerslichten.

Tot de dag waarop zij, komend van links, nog voor de scooterrijder langs wilde die haar met hoge snelheid naderde. Kneuzingen, blauwe plekken, hersenschudding, de fiets kapot.

Van de week kwam ik haar tegen in de buurt. Ze liep, nog een beetje mank, blauwe plekken in haar gezicht, naast haar fiets.

“Fiets nog kapot?, vroeg ik.

“Nee, hij is al weer in orde. maar ik durf er niet meer op”, zei ze, “ik gebruik hem nu als zij-rollator.”

Eten




Het wordt serieus. Mijn lief legde vanmorgen twee grote repen pure chocolade op de keukentafel. Met de mededeling: “Denk er om dat je er afblijft, die moeten zaterdag in de chocoladecake.” Haar plotselinge bakwoede is fantastisch, maar moeten die ingrediënten dan al dagen tevoren verleidelijk onder mijn ogen worden uitgestald?

Ik vind ook dat de nieuwe hobby van mijn vrouw op een ongelukkig tijdstip komt. Door mijn manke poot heb ik op dit moment geen beweging van enige betekenis dus hoe krijg ik in hemelsnaam een halve appeltaart weggesport? Hopelijk is mijn kleine leed volgende week voorbij en kan ik het ongetwijfeld uitdijende lijf weer te lijf op de crosstrainer. Elke dag minstens een uur.

Eten is vandaag het thema omdat het al een week als een soort rode draad door mijn leven loopt. Neem nou ons nieuwe poessie. Zijn hele zijn is ingesteld op eten. In tegenstelling tot Poes en wijlen Broer jat poessie al het eten dat onbeheerd in huis staat. Als ik niet oplet, likt hij mijn boterhammen helemaal kaal. De vloer voor het aanrecht is – bij wijze van spreken – uitsleten omdat dat beest er de hele dag loopt te ijsberen op zoek naar stukjes etenswaar die op de grond zouden kunnen zijn gevallen.

En vanmorgen las ik tot mijn grote schrik in de krant dat onze gevangen honger lijden. Ze krijgen niet genoeg boterhammen. Ze moeten het per dag doen met zes schamele sneetjes brood, een magnetronmaaltijd en twee stuks fruit.

Vroeger at ik per dag ook maar zes boterhammen, één warme maaltijd en twee appels per dag (o ja, en een flesje schoolmelk natuurlijk), maar toen was ik klein. Die jongens in de bajes hebben veel meer nodig om hun spierbundels stevig te houden. Onbegrijpelijk dat de overheid dat niet snapt.

Vorige week interviewde ik voor de Zelfkrant een theologiestudent die als vrijwilliger bij een daklozenproject werkt. Hij had er veel geleerd. Bijvoorbeeld dat het niet vanzelfsprekend is dat je ’s avonds te eten hebt.

Tja, verhalen over gevangenen die verhongeren in hun cel en daklozen die soms niet eens te eten hebben helpen wel om twee repen pure chocolade te weerstaan.

De ideale vrouw




Je hoort wel eens verhalen over mensen die elkaar in de weg gaan lopen zodra ze met pensioen zijn en niet meer beiden elke morgen naar hun werk vertrekken.

Gelukkig hoor je ook verhalen van mensen die plotseling kwaliteiten in elkaar ontdekken waar ze tijdens hun werkzame leven geen notie van hadden.

Dat laatste gebeurt hier. Mijn vrouw kan goed koken maar heeft er een hekel aan. Wij hebben onze taken daarom zo verdeeld dat ik boodschappen doe en (acht van de tien keer) kook.

Nu mijn vrouw van ons tweeën het minst slecht ter been is heeft zij zaterdag boodschappen gedaan. Ze kwam thuis met een pak meel om appeltaart te bakken. “Ik ga een appeltaart bakken,” zei ze. Ik herinnerde mij mijn eigen stelling hier, een paar weken geleden: wijsheid is op tijd zwijgen. Ik hoefde alleen maar uit te leggen hoe de oven werkte.

Terwijl het huis zich vulde met de geur van versgebakken appeltaart, zei mijn vrouw: “ik heb het bonnetje van de supermarkt bewaard. Dan kunnen we kijken wat zo’n appeltaart nou kost.” En ik ontdekte een prijsbewustheid die mij tot nu toe geheel was ontgaan.

“Weet je,” zei ze even later, “dat ze in de supermarkt allemaal verschillende soorten meel hebben voor verschillende soorten taarten. Meel is toch gewoon meel.” In dezelfde adem kondigde ze aan dat ze volgende week een chocoladecake denkt te gaan maken.

Ik kan niet wachten tot ik en de ideale vrouw met pensioen gaan.

P.S. De appeltaart was heerlijk.

Vocalies (131)



(Door Marlies)

Kennu de mop van dat stel dat naar Andalusië ging? Nou dat ging niet….

Ik had geen stukkie voorbereid voor vandaag, want ik zou in Granada zijn en volgende week zaterdag ergens anders in Andalusië, Sevilla waarschijnlijk. Ik moet u eerlijk bekennen dat een deel van mij opzag tegen deze twee weken en dus nu opgelucht is dat het (nog) niet hoeft: twee weken ronddarren in Zuid-Spanje.

Mijn voet is nog steeds ontstoken en heeft me deze afgelopen zomer veel ongemak, pijn, frustratie en nederigheid laten voelen. Ik bedoel, je kunt plannen wat je wil met je geest, maar als je lichaam niet mee wil heb je je te voegen naar dat lichaam, een belangrijke en soms pijnlijke levensles, die ik op mijn eenenvijftigste eigenlijk nog steeds niet geleerd heb.

Het Carmen-project staat op de lange baan en wacht op het moment dat mijn voet er weer vol voor kan gaan. De vakantie wacht ook, maar niet alleen op mijn voet; ook op het been van mijn echtgenoot , c.q. hoofdredacteur dat flink ontstoken is. Wij voelen ons een beetje geteisterd, maar we leggen ons nu even bij de feiten neer en nemen in plaats van een vakantie in Andalusië, een time-out in Den Bosch.

Ik maak radio-uitzendingen voor Kempen-FM en kan lekker vóór komen te liggen op de strenge schema’s die ik daarbij voor mezelf hanteer; ik heb nu tijd voor onderhandelingen met nog twee lokale zenders die ook belangstelling hebben voor Vocalies; de stembanden hebben rust (dat is heel goed voor stembanden: af en toe effe je waffel houden….).

Volgende week weer een echt stukkie, deze week een linkje dat ik toegestuurd kreeg van een vriendin: een MRI-opname van een sopraan die zingt en van een rapper die eh…. tsja, die…. zijn ding doet…..

De geluidskwaliteit is niet optimaal, in de hoogte vervormt het geluid nogal. Ik snap niet goed dat die mensen, die in staat bleken allerlei ingewikkelde apparatuur aan te sluiten om dit in beeld te brengen, het dan weer niet voor elkaar kregen om het geluid een beetje fatsoenlijk weer te geven.

Als sopraan ben ik er al vaker tegenaan gelopen dat je alle wijzers zomaar in het rood zingt en geluidstechnici over de flos jaagt met een hoge c. Ik zie ze nog bij de operaproductie die ik zong in Den Bosch met zijn allen naar de knoppen schieten toen ik mijn eerste echte hoge noot produceerde. En dat waren toch niet de eerste de beste geluidsjongens daar, toen….
Hoe dan ook: veel plezier ermee:



En voor mijzelf en de hoofdredacteur een versie van ‘Granada’ gezongen door mijn favoriet Rolando Villazon. Let op het plezier waarmee hij zingt, die vreugde van lekker stemgeven, heerlijk. En het orkest maakt vlak voor het einde nog even een heel apart sprongetje, effe opletten: super!

Balen (2)




Ik neem alle grapjes terug die ik de afgelopen weken heb gemaakt over de hielspoor van mijn vrouw. “Welnee meid,” zei ik, als ze wat somber was, “natuurlijk kunnen we naar het Alhambra. Daar hebben ze rolstoelen. Ik duw je wel.”

We gaan helemaal niet naar het Alhambra. Op het moment dat ik dit thuis achter mijn computertje schrijf had ik op het vliegveld moeten zijn. Maar mijn poot wil niet mee. De dokter heeft mij vanmorgen verteld dat hij mij voor gek zou verklaren als ik naar Andalusië zou gaan. En als ik één ding niet wil is het door een medicus voor gek verklaard worden.

Eerlijk gezegd hebben we gisteren de reis al geannuleerd omdat elke stap die ik momenteel zet er één te veel is. Balen natuurlijk, maar zoals mijn vrouw vroeg: ruilen met mijn hielspoor? We scharrelen nu als twee ouden van dagen door het huis. “Wil je mijn stok lenen?” vroeg mijn vrouw. Tja, wie de bal kaatst. . . U begrijpt: de moraal is niet geknakt.

Ik ga beginnen aan het boek De Toren van Uwe Tellkamp over de laatste jaren van de DDR. “Dat is wel zware literatuur hoor,” zei een collega die mij het boek aanraadde en die zelf groot Oostblokkenner is. Gelukkig mankeert er niks aan mijn hersens.

Balen

Het worden heel spannende uren: kunnen we vrijdag wel of kunnen we vrijdag niet op vakantie. Ik ben niet optimistisch.

Er zijn vele redenen waarom onze trip naar Andalusie niet door zou kunnen gaan. Mijn oude vader kwakkelt, mijn schoonmoeder kwakkelt en Marlies heeft zoveel last van hielspoor dat lopen soms bijna onmogelijk is.

En toch is het mijn kwaal die roet in het eten dreigt te gooien. Ik schreef vorige week al dat ik een bezoekje aan de dokter had gebracht. Hij dacht aan een blessure als gevolg van een weekend 50-plusfietsen en hij adviseerde me een week aan te kijken.

Het ging beter, tot gisteren. Toen werd het lopen steeds moeilijker. Vanmorgen was de pijn zo heftig dat ik opnieuw naar de huisartsenpraktijk belde. Ik kon meteen terecht.

De dokter vermoedt nu een beginnende wondroos. Ik ging met twee dozen pillen naar huis. Vrijdagmorgen, vier uur voordat we in het vliegtuig zullen stappen, moet ik me weer bij de dokter melden. Dan, op het allerlaatste moment zal hij laten weten of hij het raadzaam vindt, mij te laten gaan.

Hij keek niet zo heel optimistisch, dus in mijn achterhoofd hou ik er rekening mee dat ik volgende week met m’n been omhoog in m’n eigen huis lig. Poes en Poessie op schoot. In ieder geval kan ik dan de boeken lezen die ik voor de vakantie heb aangeschaft. En als ik de verwarming hoog zet dan is het toch net of ik in een warm land ben. Ach dit klinkt allemaal wel leuk, maar van binnen ben ik niet blij.

Vertrouwen



Ik was gisteren op een feest waar veel CDA-politici waren. Geen landelijke kopstukken, maar regionale grootheden die tot mijn verbazing vaker dan ik dacht worden geconsulteerd door de Haagse broeders, nu de partij op het punt staat een Latrelatie te beginnen met de PVV.

De meesten hebben hun wortels in de KVP. Nu het CDA verdeeld is vlogen de grappen over de heroprichting van de Katholieke Volks Partij als pingpongballen door de feestzaal.

Er werd stevig gediscussieerd aan de hangtafels. De niet-CDA’ers vonden dat het CDA zich in een ongewis avontuur gingen storten. Het ging over vertrouwen. Vertrouwen in de PVV als betrouwbare (gedoog)partner. De niet CDA’ers vonden Wilders een vreemde man die verteerd wordt door haat. Een mening die de CDA’ers overigens deelden. En, zei er eentje, je moet er op vertrouwen dat dat zo blijft.

Dat vond ik er eentje om over na te denken. Eén van de coryfeeën legde het uit: “Kijk,” zei hij, “als mensen over vertrouwen praten, hopen ze op een positieve afloop. Vertrouwen heeft eigenlijk altijd een positieve lading. Vertrouwen hebben in iets negatiefs bestaat eigenlijk niet. Maar, in dit geval moet je wel vertrouwen hebben in iets negatiefs. Wilders heeft een ongelofelijke hekel aan links. Zijn grootste schrikbeeld is dat links aan de macht komt. Er is hem dus veel aan gelegen om CDA en VVD aan de macht te houden. Je moet er dus op vertrouwen dat zijn haat tegen links blijft bestaan. Dat is negatief vertrouwen. Zolang dat er is kunnen VVD en CDA gewoon hun plannen uitvoeren.”

Het was een leerzaam feest.

Pispaal



(Door Ab Klaassens)



Onlangs riep een meneer in de radiorubriek Standpunt.nl dat de PvdA de afgelopen vijftig jaar het land niks dan ellende heeft bezorgd. Die meneer is niet de enige die zo denkt.

Veel Nederlanders denken dat alles wat ze als verkeerd ervaren te wijten is aan ‘de linkse kerk’, waarin de PvdA de grootste prediker is. Waren de sociaal-democraten dan zó machtig dat ze het land bijna in de afgrond konden storten? Ik heb de officiële documenten bekeken en de volgende gegevens bijeen gesprokkeld:

De PvdA heeft de afgelopen vijftig jaar zeven keer deelgenomen aan een kabinet. De VVD veertien keer, de Christen Democraten negentien keer. Achttien kabinetten werden geleid door een Christen Democraat, drie kabinetten door een PvdA-man.

De Christen Democraten bezetten 170 keer een ministerspost, de VVD 57 keer, de PvdA 51 keer. De sociaal-democraten waren sinds 1960 gedurende in totaal 22 jaar mede-verantwoordelijk voor het regeringsbeleid.

De PvdA haalde in zestien verkiezingen (1959-2010) vijf keer meer dan dertig procent van het aantal stemmen met als maximum 33,8 procent in 1977. Meestal lag het percentage rond de 25.

Nooit in een meerderheidspositie.

Vaak aan de zijlijn.

En toch… de eeuwige pispaal.

Vocalies (130)



(Door Marlies)



Voor de zestigste podcast met klassieke muziek klik hier.

Mijn echtgenoot, de hoofdredacteur, speurt af en toe in programma bladen en kranten de kolommen van Cultura en Mezzo af, de twee zenders die op de kabel zitten en af en toe ineens het prachtigste programma uitzenden. Ik hol (overdrachtelijk gesproken) zo door het leven dat ik daar niet altijd toe kom. Hij holt trouwens ook, maar heeft soms zijn prioriteiten beter op orde dan ik.

Hoe dan ook: hij nam voor mij een documentaire op over Rolando Villazon, een van de beste jonge tenoren van deze tijd. Had ik u al eens verteld dat ik hem ooit heb mogen interviewen? Nee? Bij deze dan: ik heb hem ooit mogen interviewen. Ik mag daarmee graag koketteren, zo merkt u wel…. Het is al weer een paar jaar geleden dat ik met mijn bandrecordertje bij het gebouw van de Stopera stond aan het Waterlooplein. Ik heb er destijds over geschreven, dus ik ga er u niet weer mee lastig vallen. Als u het stukkie nogmaals wil lezen klik hier (ja u leest het goed: ‘nogmaals’… u hebt dat destijds natuurlijk gesmuld van dat stukkie….).

Ik zat drie kwartier ademloos te genieten van het menneke (zo zouden ze hem hier in Brabant noemen). Het is ook wel een muppet ook hoor, die Villazon. Ik wou dat ik een tiende van zijn energie had. Hij dartelt werkelijk door het programma en hij heeft een manier gevonden om al die loodzware partijen te zingen, zonder dat het hem de ziel kost. Zijn zenuwen blijft-ie de baas door te grappen en te grollen en iedereen achter de coulissen en in de kleedkamers hoorndol te maken. Op het toneel is hij buitengewoon betrouwbaar en het lijkt me een genoegen om met hem te mogen zingen, omdat er geen berekening in zijn persoon zit en omdat hij iets zuivers heeft (en dan bedoel ik niet zuiver in de zin van toonhoogte, noch bedoel ik het oubollig).

Hij zong de aria van Don José uit Carmen. Omdat ik die ook zing in mijn Carmenproject was ik extra oplettend. Hij neemt ‘m wat langzamer dan ik en ja hoor, hij heeft op dezelfde punten als ik er moeite mee (ik ben graag in goed gezelschap….). Luister maar eens aan het eind, het woordje ‘Car’ en ‘Q’a’, die tonen zijn niet helemaal stabiel. Omdat de aria maar doorstroomt is-ie lastig te behappen, je kunt nergens uitrusten. Metrisch is het allemaal ook nogal typisch verdeeld: een echte cadens is er niet in te krijgen, dus je raakt nooit ‘op een stroom’ .

De tekst is prachtig, maar vooral van een man die obsessief verliefd is en niet meer aan iets anders kan denken dan aan ‘zijn’ Carmen. Dat liefde voor iemand betekent dat je die iemand de vrijheid geeft en niet bezit is al volledig uit beeld bij Don José. Hij heeft vóór deze aria een maand in de cel gezeten en is daar volgens mij hartstikke gek geworden. Reden waarom hij aan het einde zijn liefde en daarmee zijn leven vernietigt. Als je als zanger geen afstand houdt bij zo’n aria zing je je in de kortste keren aan gort. Die afstand wil het publiek echter niet zien, publiek wil juist die obsessie zien. Ik heb ermee geworsteld (ook al omdat het een tenoraria is en geen opera-aria) en erover gedacht de handdoek in de ring te gooien en ‘m niet te zingen in de productie, maar uiteindelijk won de muziek en kan ik ‘m zingen. Dat voelt als een persoonlijke overwinning (dat wil het publiek vooral ook weer niet zien). Ik geef u hieronder de tekst en een (vrije vertaling).

La fleur que tu m'avais jetee / de bloem die jij me toewierp
Dans ma prison m'etait restee / bleef bij mij in mijn gevangenis.
Fletrie et seche, cette fleur / Verwelkt en uitgedroogd
Gardait toujours sa douce odeur / behield zij toch steeds haar zoete geur
Et pendant des heures entieres / en gedurende die uren
Sur mes yeux, fermant mes paupieres / bezatte ik mij, achter mijn gesloten ogen
De cette odeur je m'enivrais
Et dans la nuit je te voyais! / en in de nacht zag ik jou.
Je me prenais a te maudire / Ik begon je te vervloeken
A te detester, a me dire: / je te haten en mezelf af te vragen:
Pourquoi faut-il que le destin / waarom heeft het lot
L'ait mise la sur mon chemin? / jou op mijn weg gezet?
Puis je m'accusais de blaspheme / Later beschuldigde ik mezelf van blasfemie
Et je ne sentais en moi-meme / en voelde ik diep in mij
Je ne sentais qu'un seul desir / slechts één wens,
Un seul desir, un seul espoir: / één wens en één gedachte:
Te revoir, o Carmen, ou, te revoir! / je terug te zien, o Carmen,
Car tu n'avais eu qu'a paraitre / want jij hebt geen gelijke
Qu'a jeter un regard sur moi / die, door één blik op mij te werpen,
Pour t'emparer de tout mon etre / mijn hele wezen bezit
O ma Carmen!
Et j'etais une chose a toi / en ik heb jou slechts één ding te zeggen:
Carmen, je t'aime! Carmen, ik hou van jou!

Jippie, ik vond het filmpje op Youtube, waar de aria in zit. Prachtig. Hij krijgt me een applaus die Villazon, je ziet dat hij moeite heeft zo lang in zijn rol te blijven…. Als u dan toch bezig bent zoek dan de finale ook even op. Die is wat anders dan traditioneel: aan het eind wordt de suggestie gewekt dat Don José standrechtelijke ge-executeerd wordt. Je krijgt kippenvel als je ziet hoe hij zijn blinddoek afrukt en de adrenaline door zijn lijf giert. De enscenering is niet de mijne: die mensen in het wit gekleed, die in de traditionele setting niet op toneel zijn en Escamillo die afgevoerd wordt, hm…. Ik ben er niet kapot van, maar ach, smaken verschillen.

Autowrak



De enige vraag die er toe doet is: waarom? Ik heb het al eens vaker geschreven. Waarom moet de auto van Karst T. tentoongesteld worden? Ik probeer er achter te komen, maar het antwoord op die vraag wordt ondergesneeuwd door woedende reacties op het idee.

Ik kwam ergens een zinnetje tegen waarin staat dat de auto deel uit maakt van onze nationale geschiedenis en dat mijn kleinkinderen (als ik die ooit krijg) daar dan in een museum naar kunnen kijken.

Alsof in 2050 kinderen nog gaan kijken naar zoiets dufs als een bewegingloos autowrak waarmee een mafkees door een kordon met politiemensen met platte petten reed op weg naar een bus met een Koninklijke familie die op dat moment waarschijnlijk allang in de vergetelheid is geraakt.

Waarom bedenkt iemand dat zo’n autowrak tentoongesteld moet worden? Wat zegt zo’n incident – hoe triest ook voor de slachtoffers - over 40 jaar over onze nationale geschiedenis?

Dat we toen een naïeve natie waren omdat we iemand de kans gaven door een kordon te breken terwijl ons Staatshoofd langs kwam? Of vertelt het wrak dat we toen zo slecht op elkaar letten dat iemand die aanslag kon plegen zonder dat iemand in zijn omgeving daar ook maar het minste vermoeden van had? Of leert het wrak ons dat er een tijd was dat er meer gestoorde mensen buiten het hek liepen dan erbinnen?

Kortom: waarom bedenkt iemand het om dat wrak ten toon te stellen?

Raar boek

Mijn collega, de kunstredacteur, heeft een interview met een Bossche schrijfster Florette Dijkstra. Om zich voor te bereiden had hij een recensie-exemplaar van haar boek De Onvoltooide aangevraagd bij de uitgeverij. Hij liet het me vanmiddag zien.



Nou moet je eens binnenin kijken, zei hij tegen mij. Of mij iets op viel? Ik zag op bijna elke pagina een tekening van een konijn. Dat zie je niet vaak, dus dat viel me op. Nee, zei de kunstredacteur, je moet op het titelblad kijken. Ik zag een wat groter konijn. Kijk nou eens naar de naam en de titel, zei de kunstredacteur. Toen zag ik iets heel raars.



De binnenkant was het boek Hazenpad van Moniek Spaans. Wij vroegen ons af wat hier was gebeurd. Dit hadden wij nog nimmer gezien. Opeens zag ik dat de cover een beetje los zat, alsof die geplakt was. Mag ik, vroeg ik aan de kunstredacteur. Ga je gang, zei hij.
Ik begon te peuteren en toen kwam er dit voor de dag.



En nu hopen wij maar dat dit het enige vreemde exemplaar is en de vrienden van Querido niet een hele oplage moeten weggooien.

Dokter



Ik was vanmorgen bij de dokter. In tegenstelling tot waar ik bang voor was hoeft mijn been er niet af. Er is volgens de dokter slechts sprake van een vreemde, maar geen angstaanjagende blessure die vanzelf over moet gaan.

Vanwaar dan toch mijn angst? Dat komt waarschijnlijk omdat ik gelukkig zelden iets heb dus bij de geringste afwijking in of aan mijn lijf, zie ik in een flits mijn leven aan mij voorbij trekken.

Maar waar loopt een mens zo’n blessure op? Misschien tijdens het 50plus fietsweekend, twee weken geleden. Want wij mochten dan voor weinig geld een ouderenarrangement hebben geboekt, wij lieten ons natuurlijk niet kennen en trapten meteen meer dan 100 kilometer in twee dagen.

Maar goed, ik was dus bij dé dokter. Op weg naar huis dacht ik opeens aan mensen die alleen maar dokter zeggen. Ik was bij dokter. Dokter zei. Volgens dokter. Mensen die het woord dokter als eigennaam gebruiken. Dokter in plaats van Piet. Mijn dokter en ik tutoyeren, maar ik zeg niet: ik was bij Piet. Nee, ik was bij dé dokter. Bovendien zou u er niks van begrijpen als ik zei dat ik volgens Piet een blessure heb en geen enge ziekte.

Ik had vroeger een tante die dokter vaak frequenteerde. Het was dokter voor en dokter na. Dokter als eigennaam. Het leek wel of zij op die manier dokter uit respect niet bij de voornaam wilde noemen, maar toch wilde aangeven dat er een zekere vertrouwelijkheid is tussen haar en dokter.

Hoe langer ik er over nadenk hoe gekker ik het vind dat iemand alleen maar dokter zegt. Alsof ze daarmee willen zeggen: dokter kent me, dat u niet denkt dat ik een nobody ben. Zoiets.

De dokter die ik bezoek zie ik zo weinig dat wij ons steeds opnieuw aan elkaar moeten voorstellen. Toen ik hem laatst in het theater ontmoette gaf hij geen blijk van herkenning. En dat wil ik graag zo houden.

Eyjafjallajokull


Herinnert u zich nog de uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajokull. Een maand lang was dat het gesprek van de dag. Vooral omdat luchtreizigers vertraging opliepen. En vertraging is dodelijk in een maatschappij die altijd maar voortjakkert.

En herinnert u zich ook nog hoe radio- en Tv-presentatoren hun tong braken over die naam. Op YouTube circuleert een compilatie van al die brekebenen.

In maart dachten we nog dat de wereld verging, nu heeft niemand het meer over de Eyjafjallajokull. Er zijn weer andere dingen die al onze aandacht vragen. Dingen die we over een jaar ook weer vergeten zijn.

Toch dook de vulkaan gisteren weer op tijdens een etentje bij vrienden van wie de vrouw IJslandse is.

Een van de kinderen stond opeens voor me met zijn handen op de rug. Hij deed heel geheimzinnig. “Weet je wat ik in mijn hand heb?” vroeg hij. Dat wist ik niet.

Trots toonde hij me een stuk lava. “Van de Eyjafjallajokull,” zei hij zonder haperen. “Zeg dat nog eens,” vroeg ik plagerig. “Van de Eyjafjallajokull,” zei hij. Ik was blij dat hij mij niet uitdaagde.

“Voel eens hoe licht die steen is,” zei de jongen en hij duwde mij het stuk lava van de de Eyjafjallajokull in de hand. Het woog inderdaad niks. Wat er dus uiteindelijk van die al heisa over die vulkaan in ons land over blijft is een stukje lichtgewicht steen op een Tilburgse jongenskamer. Dat is een geruststellende gedachte.



Vocalies (129)



(Door Marlies)

Donderdagochtend en nog geen onderwerp voor een stukkie. Ik zit in mijn handtas te rommelen op zoek naar iets anders en mijn fotomapje valt eruit en meer bepaald die ene foto en ineens weet ik waar mijn stukkie van deze week over moet gaan: Der Bettelstudent.

Ik heb u al eens eerder verteld dat ik jarenlang in het B-circuit heb gezongen. Van de hoofdredacteur moet ik dan schrijven dat ik in de eerste divisie mijn carrière gemaakt heb en niet in de eredivisie, maar hij denkt altijd in voetbaltermen, zelfs als het over klassieke muziek gaat.

De eerste divisie vind ik nog steeds tamelijk hautain klinken dus ik hou het op het populairdere ‘B-circuit’, dat sluit beter aan bij mijn volkse aard (en bij mijn prestaties misschien... ik maak de opmerking maar even zelf voordat u ‘m inkopt, oei alweer een voetbalterm...).

Afijn: ik zong dus in het B-circuit, drie levens geleden. En de voorbereiding voor de operette Der Bettelstudent verliep hemeltergend vervelend. We hadden een soort regisseur die je tegenwoordig gelukkig nog maar zelden tegenkomt: zo star als een looien deur en contactgestoord.

Hij had allerlei strookjes papier gemaakt met lijntjes daarop, die de punten A, B en C en verder met elkaar verbonden; zo trachtte hij ons duidelijk te maken hoe we moesten lopen. Ik leg het effe uit: bij opkomst bevind je je op virtueel punt A, bij maat 38 bevind je je op punt B en de aria eindigt bij punt C. En niks bij maat 39 pas bij punt B, dan kreeg je een donderpreek.

Er deden solisten mee zonder spatjes (wat in het B-circuit vaker voorkomt dan in het A-circuit of de eredivisie) dus wij probeerden zijn aanwijzingen op te volgen, maar liepen hopeloos vast in elkaars routes op het toneel en omdat we met de neuzen in de strookjes papier zaten in plaats van naar de dirigent keken werd die er ook al niet vrolijk van.

Het was slechts een van de vele niet op te volgen aanwijzingen die de regisseur bedacht. Het koor wist ook al geen raad met hem en toen de première naderde en de spanning opliep knalde het. Hij verliet woedend over zoveel onbegrip het pand, ons allen in verbijstering achter latend.

Het bestuur van het koor riep de hulp in van een oud-regisseur, een pragmaticus die het schip de haven in moest loodsen. Met de dirigent studeerden we in een avond zowel de muziek als de regie in van een van de lastigste finales in die het operettevak kent dus daar hoefde de invaller (die term doet hem geen recht: hij was buitengewoon kundig) niks aan te doen. De koorregie werd versimpeld en versneld zodat het koor ook in twee lange repetities wist waar het aan toe was.

Bleef nog over het grote duet voor de twee hoofdrolspelers. De regisseur had nog de voorgenerale en de generale tot zijn beschikking. Hij was slim (jammer dat de man ook al weer jaren dood is, hij was een goeie!): hij nam een sofa uit de decorwinkel, zette die midden op het toneel, zette er een spot op en sprak de legendarische woorden, die iedere zanger één keer in zijn carrière wil horen: ‘ga je gang!’

De hoofdrolspeler en ik keken elkaar eens aan….dat lieten we ons geen twee keer zeggen. Nou moet ik erbij vertellen dat de mijn tegenspeler van de herenliefde was en dat maakte de zaak er veel eenvoudiger op: niks heerlijker voor dan vrouw dan een homofiele tegenspeler in opera of operette. Die zijn in de regel niet eenkennig, niet billenknijperig en kunnen heel goed doen alsof.

Lieve Heer wat hebben we plezier gehad. Het lukte zo goed dat de regisseur, hoofdschuddend in de coulissen staand, toch af en toe maar eens ingreep. Het was wel de bedoeling dat het operette bleef en niet gewaagd cabaret zou worden. Uiteindelijk hebben we het binnen de grenzen van de oirbaarheid weten te houden en werd het duet een van de hoogtepunten van de uitvoering.

Heerlijk vak dat operettevak!

In het filmpje een medley uit Der Bettelstudent. Ik zat er naar te kijken en verhip: daar heb je de sofa! Tel er wat ondeugendigheid bij en je hebt ons in onze eigen Bettelstudent. Er wordt volgens mij schaamteloos geplaybackt, maar ja, die sofa!


Laaggeletterden



Ze heten tegenwoordig laaggeletterden. In mijn jeugd waren ze een beetje achter. Maar ja, dat was in de tijd dat een Turk nog een gastarbeider was, sex (ja, dat schreef je toen met een x) vies was en de lucht schoon.

Later heetten ze analfabeten. Nu zijn het laaggeletterden. Wat is laag eigenlijk in dit verband?

Er is in de media veel aandacht voor deze groep mensen. En terecht, want wie niet kan lezen en schrijven mist wat. Dat bedenk ik niet zelf, dat zeggen de laaggeletterden die hooggeletterd zijn geworden.

Een jaar of vijftien geleden was de bestrijding van analfabetisme ook al een hot item. Ik maakte daar toen een radiodocumentaire over. Ja, er is een tijd geweest dat wij items maakten die langer dan 2 minuten duren. Het was in de tijd dat de spanningsboog van een luisteraar langer was dan enkele minuten. De tijd dus dat laaggeletterden nog analfabeten waren.

Ik volgde een man in de laatste week van zijn cursus waar hij als dik veertiger voor het eerst echt lezen en schrijven had geleerd. Het was een ontroerende week waarin ik schrijnende verhalen hoorde. Maar ook leuke verhalen. Verhalen over hoe analfabeten zich voortdurend uit netelige situaties redden. Ik heb zelden mensen ontmoet die zo creatief konden liegen als analfabeten. Ik bedoel dat niet negatief, ik schrijf het zelfs met een grote grijns op mijn smoel. En met een zeker respect voor die leugens om bestwil.

Aan het eind van de week was er de diploma-uitreiking. Ik had besloten “mijn cursist” iets te geven voor zijn medewerking aan het radioprogramma.

Nadat hij zijn diploma had gekregen overhandigde ik hem een doosje met daarin twee pennen die wij normaal reserveren voor collega’s die 25 jaar in dienst zijn. Ik had daarvoor gekozen omdat hij die nu, na ruim veertig jaar, voor het eerst kon gebruiken.

Toen hij het doosje opende, keek hij me aan. Tranen vloeiden over zijn wangen. Het was voor het eerst van zijn leven dat hij zo’n prachtig kado had gekregen, zei hij. En hij meende het. Niet dat die pennenset zo bijzonder was (nou ja, er stond Omroep Brabant op), nee het was de symbolische waarde. Daar moest ik ook wel een traantje bij wegpinken.

Liefhebberij



(Door Ab Klaassens)

In het Eindhovens stadscentrum, op een kruispunt bij de Dommel wachtte ik – wandelaar – op toestemming van de overheid om over te steken. De met mij wachtende jeugdige automobilist aan mijn linkerzijde draaide zijn raampje open en riep: “Hé ouwe , weet je waar hier in de buurt een coffeeshop is?”

Ik vroeg hem waarom hij nou uitgerekend ‘een ouwe’ de weg vroeg naar een coffeeshop omdat hij toch kon aannemen dat oudere mensen bezoekjes aan zo’n gelegenheid zelden toelaten tot hun recreatie-repertoire.

“Je ziet eruit als iemand die er wel pap van lust,” zei de jongeman. Ik dacht even terug aan die avond, vijftig jaar geleden, toen ik met een stel hippie-figuren rond een kampvuurtje zat en één stickie rookte. Eén, en nooit weer, want waar de andere rokers in gegiechel vervielen dacht ik prozaïsch aan mijn verplichtingen, zoals het reinigen van de kattenbak.

Teruggekeerd van mijn dromerijen wees ik de automobilist de weg naar een straat waar, volgdens mij, een coffeeshop moest zijn, “ergens tussen een buitensportzaak en een winkel waar je teken- en schilderspullen kunt kopen.“

“Ach”, zei mijn jonge vriend, “ach, zo maak je nog eens kennis met andere liefhebberijen.”

Poessie


Iemand vroeg: hoe is het eigenlijk met jullie nieuwe poessie. Kan hij het vinden met die ouwe kat?

Ik hou er niet van als iemand Poes ouwe kat noemt. Poes is pas zes. Maar vooruit.

Het gaat goed met ‘m, zei ik. En ze kunnen het samen goed vinden. Hoezo?

Nou, zei die iemand, je schrijft er nooit over op je weblog.

Wat moet ik over een poessie schrijven, vroeg ik.

Elke weblogger schrijft over z’n kat. Zelfs Remco Campert schrijft over z’n kat, was het antwoord.

Alsof ik Remco Campert ben. Alsof mijn schrijfsels over een kat zich zouden kunnen meten met de wonderschone columns die Campert over zijn kat schreef.

Wat moet ik trouwens schrijven? Dattie groeit als kool. Dattie lief is en grappig en ondeugend. En dat dat poessie elke dag als wij vermoeid neerzijgen gaat apenkooien door het huis. Dat we tien keer per dag onder kasten en de piano moeten kruipen omdat het poessie alles wat voor z’n pootjes komt door het huis slaat.

Het is gewoon een poessie dat poessiedingen doet.

Elsendorp



Weet u hoeveel kantoorgrappen je kunt maken over een neonazi die zijn zaad wil doneren bij een spermabank in een klein Brabants dorp teneinde zo het Arische ras te versterken? Wel nee. Veel meer.

Het verhaal kwam in het nieuws omdat de spermabank in het immer bruisende Elsendorp geen bezwaar had tegen de eis van de man om zijn zaad alleen beschikbaar te stellen aan blozende blonde echtparen.

Elsendorp ligt in ons uitzendgebied dus wij doken boven op het nieuws. Ik ken Elsendorp. Het ligt in de Peel. Elsendorp timmert internationaal aan de weg in de wereld van de kleine kernen. Dat u niet denkt dat het een vlek op de kaart is.

Het dorp komt tenminste één keer per jaar in het nieuws. Het wordt namelijk elke zomer geteisterd door een wolk vliegen waarvan de herkomst een raadsel is. Sommige mensen hebben een vermoeden, maar zoals dat in een dorp van ons-kent-ons gaat: bewijs het maar eens.

Nu is Elsendorp dus opnieuw in het nieuws vanwege een neonazi die z’n zaad probeert te slijten. De spermabank zit in de voormalige Rabobank in het dorp. Want of je nou geld of zaad stort, het kan allemaal in Elsendorp. De kliniek is eigenlijk al weer uit haar jasje gegroeid en de eigenaar heeft het oog laten vallen op het voormalige nonnenklooster. Maar of de vestiging van een zaadbank in zo’n met heiligheid bezwangerd pand de goddelijke ballotage zal doorstaan is nog niet helemaal zeker. De pauselijke zedenmeesters hebben al genoeg aan hun kop.

In de redactievergadering spraken we lang over het onderwerp, want de discussie werd voortdurend onderbroken door lachsalvo’s waar zo’n kwestie natuurlijk toe uitnodigt. Iemand vroeg waarom dat kaalkoppie eigenlijk zoveel zaadbanken af was gegaan. Om zoveel mogelijk vrouwen zijn vrucht te laten dragen, zeiden wij. “En dat gaat wat lastig in de buurtdisco,” zei één van de vrouwelijke collega’s.

Dat was, gemeten naar alle grappen, verreweg de beste. Ik lag dubbel van het lachen. Temeer omdat zij is opgegroeid in de Achterhoek en er zich onmiddellijk een film in mijn hoofd ontrolde. Het decor is zo’n authentiek Gelderse uitgaansgelegenheid waar het bier bij elke sprong over de rand van de tripklompjes klotst.

In de hoek staat dat kaalkoppie, weggedoken in zijn bomberjas, wat schichtig om zich heen te kijken. Het dorp heeft hem uitgekotst. Hij probeert week-in-week-uit een meisje te versieren om zo de Arische kinderschare in gelijke pas te laten lopen met die van de door hem zo gehate buitenlanders.

En elke week is er weer een ander meisje dat hem vernedert. Ten einde raad stapt hij op de brommer om overal in den lande bij spermabanken zijn zaad te lozen. Kop in de wind, voorovergebogen, regen, sneeuw, hagel en donder trotserend.

En uiteindelijk op de laatste adres, in de Peel, mag hij zich ontladen. En dan, nadat hij zijn bekertje heeft ingeleverd, blijkt zijn zaad dood. Hij beseft te laat dat al die honderden kilometers die hij voorgebogen met z’n ballen op dat brommerzadel heeft gezeten hun uitwerking niet gemist hebben.

Hoofdrol voor Tygo Gernand natuurlijk.

Nieuwe namen



Ik kwam vandaag een naam tegen en toen dacht ik: ik moet weer eens een stukje met nieuwe namen gaan maken.

De naam kwam uit een naar stukje, namelijk over een bekende Duitse TV-weerman die zijn vriendin met een mes bedreigde en verkrachtte. De weerman heet Jörg Kachelmann. Rond zo’n man hangt natuurlijk altijd een zweem van koud en kil.

Het TV-programma “Opgelicht” liet laatst een meneer aan het woord die nog geld te goed had van een man die hem had opgelicht. Het slachtoffer heette Schuldink. Ik vind het niet echt passen in mijn lijst namen-beroepen, maar ik ben het met de indiener eens die schreef: “Ik blijf het raar vinden, dat dat soort dingen toch steeds weer voorkomt...”

Marij Dorssers is medewerkster van de Lindeboom Brouwerij.

Reinier van der Zee is directeur van het botenbergingsbedrijf BST in Dinteloord

Doede Visser is woordvoerder van de Combinatie van Beroepsvissers.

De overheid moet de drijfjacht op de Groote Peel en in het Leenderbos bij Valkenswaard weer toestaan. Dit om de wilde zwijnen te kunnen bestrijden. Gerard Bosmans is woordvoerder van de faunabeheereenheid in de regio.

En Joost Kunst werkt bij het Zuidelijk Toneel.

Zie voor de complete lijst hier.

Vocalies (128)



(Door Marlies)


Er is een nieuwe podcast met klassieke muziek. Klik hier.




Belofte maakt schuld. Ik beloofde een keer in te gaan op het hebben (of niet) van een absoluut gehoor. Ik had daar zo mijn ideeën over maar ik moet u eerlijk zeggen dat die niet erg wetenschappelijk onderbouwd zijn/waren. Het is meer mijn boerenverstand gecombineerd met jarenlange ervaringen met mijn oren en een opleiding solozang.

Voor wetenschappelijk onderbouwing zou ik u willen aanraden eens op internet te googelen en een paar artikelen te lezen. Er wordt dan veel duidelijk. Ook wordt duidelijk dat mijn boerenverstand met de uitdrukking ‘een absoluut gehoor bestaat niet’ wel degelijk hout snijdt.

Eerst maar even: wat bedoelt men als men het heeft over een absoluut gehoor? Het betekent dat je zonder eerst een (referentie-)toon te hebben gehoord kunt benoemen welke hoogte een toon heeft (en dan volgens onze Westerse begrippen: de stemvork- A is 440 trillingen per seconde). Lang heeft men gedacht dat het aangeboren was, vooral omdat Aziaten vaker een absoluut gehoor leken te hebben dan Westerse mensen.

Nader onderzoek wijst uit dat mensen die als kind een toontaal hebben geleerd vaker een absoluut gehoor hebben dan ‘gewone’ mensen. Het Vietnamees en Chinees zijn voorbeelden van toontalen. Een toontaal betekent (zucht, sorry hoor, ik moet veel uitleggen en dat bedoel ik niet neerbuigend) dat de toonhoogte een rol speelt bij de betekenis van een woord: ik las ergens dat ‘ma’ in het Chinees 4 betekenissen kan hebben, afhankelijk van de toonhoogte waarop het wordt uitgesproken). Dat was wat voor mij zo’n taal… Je vraagt om een pilsje en je krijgt omdat je het net iets te enthousiast uitspreekt een kruiwagen om maar es wat te noemen.

Bij een goed relatief gehoor kun je tonen benoemen ten opzichte van andere tonen. Dat gehoor is goed te trainen. Ik heb het ontwikkeld in de loop der jaren. Dat heeft als voordeel dat je makkelijk in een toonsoort blijft zingen en dus niet zo makkelijk zakt of stijgt.

Ik kan na een repetitie naar huis rijden, in de auto de radio aanhebben, thuisgekomen het laatste akkoord fluiten en dan controlerend op de piano erachter komen dat ik nog steeds in de toonsoort van het stuk fluit. Het bevordert zuiver zingen en is handig om te hebben. Het gehoor is ook gerelateerd aan mijn spiergevoel: ik weet hoe het voelt om een e-2 te zingen, daar zit net de overgang van mijn midden naar mijn kopstem en dus kan ik ongeveer raden hoe hoog een toon is door ‘m na te zingen. Da’s allemaal te leren en als je een beetje bewust zingt groeit het bijna vanzelf, dat relatieve gehoor en het blijft goed.

Een absoluut gehoor echter schijnt te ‘ontstemmen’ met het klimmen van de jaren en eigenlijk heb je er alleen maar last van: als je een toonsoort in je hoofd hebt en een orkest begint net iets hoger te spelen (het is tegenwoordig ‘in’ om in 445 trillingen per seconde te stemmen in plaats van in 440, dat klinkt briljanter; je zult met zo’n orkest een hoge c moeten zingen, bedenk ik nu, dan ben je nog niet klaar!) dan ben je van slag en blijft het uit zijn voegen klinken voor jouw oren.

Als je viool speelt word je volgens mij knettergek van een absoluut gehoor: als je net niet goed grijpt met je linkerhand zijn bijna alle akkoorden vals. En je wordt stapel van claxons, van een tik tegen een glas, van piepende remmen enz. Want dat is allemaal vals ten opzichte van die toon die je in je hoofd hebt. Dat gebeurde volgens mij ook met die docent waar ik het in het stukje van vorige week over had. Het zou leuk zijn eens met een violist over dat absolute gehoor te praten. Een goeie vriendin van me is (uitstekend) violiste en wij willen wel eens luisterend naar anderen (zingend of spelend) elkaar aankijken met alarm in de ogen (‘vals!’), terwijl anderen om ons heen (en niet de minsten!) nergens last van schijnen te hebben.

Kortom, ik ben blij met mijn goede relatieve gehoor, dat heb ik ook verworven. Ik heb natuurlijk goeie oren gekregen en gehouden, ook al omdat ik er zuinig op geweest ben en nog steeds ben. Nogmaals: voor echte wetenschappelijke verhandelingen: zoek op internet. En hou er rekening mee: mijn stukkies zijn ‘slechts’ een mening. De absolute waarheid bestaat net zo min als het absolute gehoor!

Klink


Ab Klink dreigde af te haken, die kon er niet meer tegen. Hij komt uit de Hoekse Waard en dat is een ander slag volk dan Maastrichtenaren. Die uit Zuid-Holland hebben een sterk ontwikkeld schuldgevoel, die uit Limburg hebben de biechtstoel. Dat leeft soepeler.

Ab komt van heel ver. Hij was vroeger bij de gereformeerde bond, dat is de zware tak in de hervormde kerk. Ik heb jaren met bonders verkeerd. Ik was er met één getrouwd. Dat was in de tijd dat ik op een zomerse zondag een verkwikkende ijsco kocht omdat ik van mijn God op die dag wel twee kwartjes mocht uitgeven. Zij niet. Zij voelde bij de gedachte aan een financiële transactie op Zijn Dag het schuldgevoel zwaar op de schouders drukken. Veel zwaarder dan de behoefte aan twee bolletjes vanille. Met slagroom.


Als voormalig lid van een lichtere tak van de hervormde kerk voel ik ook wel eens schuld, maar dat is me meer ingepeperd door ouders die aan God noch gebod deden, dan door het geloof. Dat schuldgevoel gaat niet gepaard met de gedachten aan een alomtegenwoordige verantwoording waar feesten of eeuwig branden van af hangt.


De vrouw in dit verhaal werd later wel iets gemakkelijker onder invloed van verliefdheid, maatschappelijke ontwikkelingen en mijn belofte van eeuwige trouw.


Ik dacht hier aan nu steeds meer mensen zich afvragen wat Ab Klink beloofd is. Misschien heeft iemand hem ook wel eeuwige trouw beloofd. Bonders zijn daar gevoelig voor. Beloftes tellen zwaar. Vooral verliefde bonders denken dat ook anderen met eeuwig echt eeuwig bedoelen.


Maar, meneer Klink, ik moet met het schaamrood op de kaken bekennen dat ik hem niet waar kon maken. De liefde smolt als twee ijsbolletjes op een warme zondag. Wat niet-bonders ook beloven: geloof ze niet op hun blauwe ogen. Het leven is ook veel te ingewikkeld om een eeuwigheid te kunnen overzien.

Supporters



Mijn zoon is een veel ferventere PSV-supporter dan ik. Hij heeft zich aangesloten bij een (beschaafde) club tifosi die ook alle uitwedstrijden van de club uit 040 bezoeken. Ze hebben een eigen website met eigen verslagjes en eigen foto’s waarop goed te zien dat de heren (ik zie geen dames) het ook buiten de wedstrijden goed naar hun zin hebben. Ach meneer, zo zijn kinderen.


Ik heb in een onbewaakt ogenblik geroepen dat ik wel eens mee wilde naar een fatsoenlijke uitwedstrijd. Mijn zoon is al lang volwassen dus die is het stadium “o jee, niet met m’n vader” voorbij.

Dus gisteravond lag er opeens het verzoek mee te gaan naar Sampdoria-PSV. Handig voor de heren, want pa spreekt genoeg Italiaans om meer dan due bier tegelijk te kunnen bestellen.


Ach, waarom niet, dacht ik. Er zit allicht een leuke weblog in. Mooi, zei mijn zoon, dan regelen wij de zaken, je hoort van me.


Drie keer raden wat hij vanmorgen sms’te? Om vlucht en hotel te kunnen boeken dienen de organiserende supporters over een creditcard te beschikken. Die heeft pa toch? Geen probleem, ze betalen alles netjes terug.

Die heeft pa. Waar zouden die PSV-diehards toch zijn zonder vader?

Powered by Pivot - 1.40.5: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed