Mijn ochtenddienst stond vanmorgen in het teken van Benno L., de pedofiele zwemleraar. Het proces tegen hem is vandaag begonnen. Ik ben er niet bij, maar ik was vanmorgen verantwoordelijk voor de Tv-journaals van mijn omroep waarin we uitgebreid verslag deden.
Mijn collega, de verslaggever is niet te flauw, maar even voordat hij om half één live in de uitzending zou komen, had hij een probleem. Hij had tijdens de zitting zoveel smerige details gehoord, dat hij zich eigenlijk geen raad wist.
Even tevoren had ik op Twitter gelezen dat de collega van het NOS-Journaal met precies hetzelfde probleem worstelde.
Onze verslaggever legde mij een paar dingen voor en samen bespraken we wat we wel en niet zouden vertellen aan de kijkers zonder de ernst van de situatie tekort aan te doen. Het was moeilijk om de goede woorden te vinden, zeker als de tijd om daarover te beslissen zo kort is. We kwamen er uit.
Er was nog een ander probleem. Tijdens de rechtszaak worden de namen van de slachtoffertjes genoemd. Vanmorgen waren de vergrijpen tegen twee meisjes behandeld. Mijn collega was van plan om voor het goede begrip de namen van die meisjes te noemen.
Ik heb niet zo’n moeite met het noemen van alleen maar voornamen, maar opeens schoot het door mijn hoofd dat het gros van de mensen die meisjes niet kent, maar dat er ook mensen zijn die wel degelijk weten om wie het gaat. Opa’s, oma’s, tantes, ooms, juffen, meesters. In combinatie met bepaalde details, waarvan we net hadden afgesproken dat mijn collega’s ze wel moest vertellen, vond ik het noemen van die namen niet goed.
Ondertussen tikte de klok door en zaten we nog maar twee minuten voor uitzending. De verslaggever en ik overlegden koortsachtig en we kwamen op één lijn. Het werd meisje 1 en meisje 2. Het was niet helemaal in lijn met de gedachte dat we nieuws een gezicht moeten geven en misschien is de redactieleiding wel helemaal niet blij met onze beslissing. Maar ja, verantwoordelijkheid voor een uitzending is soms een eenzaam bestaan.
Vocalies (115)
(Door Marlies)
Voor een nieuwe podcast met klassieke muziek zie hier.
De Volkskrant gelezen afgelopen woensdag? (dit is weer zo’n retorische vraag van mij om een stukkie in te leiden, let er maar niet op). Elmer Schönberger, componist en essayist (dat betekent dat je stukkies kunt componeren èn stukkies kunt schrijven….) haalt uit naar Radio 4. Hij zat in de auto naar Radio 4 te luisteren (daar maakte-n-ie al zijn eerste fout: Radio 4 is lastig te beluisteren in de auto, want daar heb je het geluid van de motor en het verkeer erbij en mis je alle subtiliteit die de klassiek muziek nou eenmaal vóór heeft op de pop-muziek) en kwam ‘toevallig’ uit bij De Top 400 die Radio 4 vorige week uitzond.
Even geen geld voor reguliere programmering, even veel presentatoren op vakantie, dus hup de Top 400 erin, die je inderdaad zonder enige vorm van enquête onder luisteraars kunt samenstellen, uit de bijna tien keer dat je de Radio-4-daagse hield, uit de Zomerprogrammering en door af en toe – eventueel tandenknarsend – naar Classic FM te luisteren; sterker nog: als je wil stel ik ‘m voor je samen… zo gebeurd).
Hij voelde zich aangesproken, Elmer Schönberger, want men repte op de radio van ‘u’, ‘gekozen door ‘u’ ‘(sinds kort mogen ze de luisteraar weer gewoon beleefd met ‘u ‘ aanspreken, toen ik er zat, nog niet zo heel lang geleden, kreeg je op je donder als je ‘u ‘ zei, maar dat terzijde).
Ik ben geen grote fan van Radio 4; men bezorgde mij een van de lastigste periodes in mijn leven toen ik afscheid moest nemen van de kans ooit een presentator van klassieke muziek te worden en toen mij weghaalde bij wat het centrum van mijn leven destijds was: een omgeving die doordrenkt was van klassieke muziek. En dat allemaal zonder enige vorm van overleg of aankondiging. Het doet nog zeer, maar ik krabbel langzaam op, dank u…. Ik word ibbel van de meeste presentatoren op onze nationale klassieke zender en ik word af en toe ronduit nijdig als ik bedenk hoe in-crowderig ze zijn daar in Hilverdorp, alsof er geen provincie bestaat (waar u onterecht ook naar uithaalt meneer Schönberger), terwijl het achterland ongeveer 96 procent van Nederland beslaat.
Hier moet ik echter toch een lans voor ze breken…. Radio 4 wordt (inderdaad) niet voor u gemaakt meneer Schönberger, u bent een eenzame exponent van de hedendaagse klassieke muziek, die alle aansluiting met de ‘gewone’ mens (en daarmee bedoel ik in het geheel niet Jan met de pet uit de Graafsewijk in Den Bosch, maar de enorme grote middenklasse die ons land kent) ten enenmale mist. Die zich op een eiland begeeft (en dat zij u gegund, begrijp me goed; ik zou me af en toe graag op datzelfde eiland verschansen maar dan met medeneming van onder andere Mozart, Verdi en Puccini) waar de hedendaagse componisten zitten, die(meestal) muziekstukken maken die niet van neo-middeleeuwse makelij zijn, maar van een piep-knor-gehalte waar een mens psychische stoornissen van krijgt in plaats van troost).
Ik weet dat ze bij Radio 4 zich het hoofd (moeten) breken over luistercijfers, over hoe meer mensen te bereiken, over hoe rond te komen van steeds minder geld, over hoe het maximale uit hun medewerkers te halen (met soms desastreuze gevolgen voor die medewerkers) om bij te blijven in de media-ontwikkelingen en ZE DOEN HET NOOIT GOED! Zeker bij de Volkskrant niet; De Volkskrant en Radio 4 lijken niet compatible te krijgen: in plaats van zich te verenigen en goeie dingen samen te doen blijven ze ieder in hun eigen hoek zitten loeren op wat de ene partij uitzendt en wat de andere partij daarover te ‘azijnpissen’ heeft… En ja, ik weet het wel: De Volkskrant schreef het stukkie niet, dat deed u, meneer Schönberger, maar de Volkskrant ruimde er wel een drie-kolommertje voor in en zal mijn reactie daarop waarschijnlijk afdoen met ‘gezeur uit de achterlanden’ en het niet plaatsen.
Kortom meneer Schönberger: hou op dat elitaire gezeur dat u ‘het niveau’ van Radio 4 te laag vind. Koop een CD-tje met dat stuk van viereneenhalf uur van Philip Glass, luister het helemaal uit (niet in de auto, want dan knalt u echt op een voorganger!) en bel vervolgens met de zendercoördinator van Radio 4 en bied (om niet) uw diensten aan als samensteller van ‘echte’ klassieke muziek, en daar zitten een heleboel hedendaagse stukken bij, geloof me!
Brand
Nou vooruit dan, een kijkje in de journalistieke keuken. Ons bereikte gisteren het bericht dat een 11-jarige jongen uit Den Bosch met een brandende spuitbus in het gezicht was gespoten. Wenkbrauwen en een deel van het haar weg. Jongen overstuur.
De daders waren een stel lafaards van een jaar of achttien. Tuig van de richel zal ik maar zeggen. Verontwaardiging alom.
Ik was gisteren verantwoordelijk voor het Tv-journaal en stuurde een verslaggever de wijk in om mensen te spreken die de jongen hadden opgevangen. Hij wilde zelf niet op TV, wel op de radio. Net als zijn hevig verontwaardigde moeder.
De verslaggever kwam terug met beeldmateriaal en veel twijfels. Uit wat hij had gehoord concludeerde hij voorzichtig dat die jongen wel eens zelf verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn verwondingen. Maar hard kregen we dat niet. We hadden zijn aangifte als enige feit.
Even na half vijf heb ik in onze radio-uitzending verteld wat we later in het Tv-journaal zouden melden. Ik zei toen dat we het verhaal van de jongen nog aan het checken waren omdat er geluiden waren dat het niet klopte.
Ik was nog niet terug uit de radiostudio of de politievoorlichter hing aan de lijn. Hoe ik daar bij kwam. Ik vertelde hem over de omwonenden die twijfelden. De voorlichter baalde, want hij zou voor aap staan met zijn verontwaardiging voor de camera als het verhaal niet klopte.
We hebben er een poosje over gesproken. “Wat moet ik er nou mee,” zei de voorlichter. Ik adviseerde hem vrijdag die jongen eens flink om z’n oren te kletsen.
Ondertussen maakten wij het onderwerp zo dat we een slag om de arm hielden. De verontwaardigde reactie van de politievoorlichter heb ik er uit gelaten. Ik heb alleen zijn getuigenoproep uitgezonden. Minder spannend, maar ik ben er niet op uit om voorlichters te dissen. Althans niet in het openbaar.
Vandaag kwam het politiebericht waarin stond dat het jongetje het verhaal heeft verzonnen. De politie had gisteren signalen gekregen . . . .enzovoort. Vanmorgen bekende de jongen dat hij zelf met vuur had gespeeld. Ik hoop dat ze mijn advies niet letterlijk hebben genomen en hem niet om zijn oren hebben gekletst. Hij is al genoeg op TV, op de radio en in de krant te kakken gezet. Arm jong.
Plasmascherm
Ik had gisteravond een gesprek met twee vrijwilligers van de Marokkaans- Islamitische Vereniging in Den Bosch. De weerslag daarvan staat in de Bossche Zelfkrant van juni of juli. Het momentum is aan de hoofdredacteur bij wie ik als vrijwilliger in dienst ben.
Ik hield dat interview omdat het mij en anderen was opgevallen dat je in ons stadsie geen Marokkaanse daklozen ziet. En het leek ons onwaarschijnlijk dat het in die gemeenschap allemaal pais en vree is.
Het werd een heel bijzonder gesprek waarin de mannen mij vertelden over de charitas in hun kringen, over de zorgzaamheid van families, hier en overzee. Ik kan het verhaal nog niet prijsgeven, maar ik kan wel zeggen dat ik ontroerd was.
Vooral vanwege het verhaal over twee verslaafde broers die al tientallen jaren door hun familie worden opgevangen omdat die niet wil dat ze op straat slapen.
Met mijn Hollandse blik zei ik dat mij dat zwaar lijkt. Temeer omdat verslaafden nogal eens . . . . .
“. . . . het plasmascherm weghalen . . . .” vulde één van de vrijwilligers aan.
“Nou ja,” zei ik, “bijvoorbeeld.”
“Wij zetten zo iemand toch niet buiten. Beter een plasmascherm kwijt dan een persoon kwijt,” zei hij.
Dat zet je aan het denken.
Verkiezingen
(Door Ab Klaassens)
In de jaren zeventig, toen ik een poosje journalist-af was, ben ik actief geweest in de Partij van de Arbeid. Doordat ik, nog maar net inwoner van Eindhoven, in een plaatselijke PvdA-ledenvergadering een partij-prominent (Anne Vondeling) dorst tegen te spreken werd ik binnen enkele weken voorzitter van de afdeling Eindhoven. Opmerkelijk want ik had gloeiend de pest aan vergaderen.
Tijdens mijn kortstondig bewind kwam ene Bart Tromp , later door de media gekwalificeerd als ‘PvdA-ideoloog’, met een snel geworven aanhang van studenten en artistiek-linkse figuren de vergaderingen overheersen met allerlei modieuze onpraktische denkbeelden die toen, naar mijn idee, niet bespreekbaar waren zodat ik hem – Bart - verzocht de vergadering te verlaten ‘met medeneming van zijn stemvee’. Waarna de procedure tot benoeming van een andere afdelingsvoorzitter van start kon gaan.
Bevrijd van de vergaderplichten stortte ik mij op andere werkzaamheden zoals de acties voor de verkiezing van Provinciale Staten, waarvan de uitkomst bij traditie geldt als graadmeter voor de populariteit van het zittende regering en dat was toen het kabinet Den Uyl (1973-‘77).
Allerlei PvdA-prominenten, onder wie ome Joop zelf, kwamen bijeen in een door mijn Eef en mij verbouwde winkel vlak bij het PSV-stadion, alwaar later bekende figuren als Wim Duisenberg, Marcel van Dam, Wim Bosboom en Eric Jurgens zich met afnemend wantrouwen tegoed deden aan de door mij bereide boerenkool met vleesjus en worst.
Vandaar ging het met een gehuurde bus naar Tilburg waar het gezelschap in een arbeiderswijk ging folderen. Ik reed er achteraan in een rode Morris-Mini met een geluidsinstallatie op het dak en Joop den Uyl aan mijn zijde.
Joop den Uyl koos, zoals gebruikelijk, zijn eigen route en op zijn aanwijzingen stuurde ik de rode Morris een eindeloos lange doodsaaie straat in waar geen vorm van leven te bekennen was. “Stop hier maar”, zei Joop. Ik zette het auto’tje aan de kant voor een huis met achter het venster een bijna dode man, aan een tafeltje met een theepot op een waxinelichtje.
Joop stapte uit, belde aan en werd binnengelaten. Ik zag ze zitten aan de thee en bedacht dat een politicus wel erg veel moeite moet doen om een stem te winnen. Na ruim twintig minuten kwam Joop naar buiten, stapte bij me in en zei: “Hij wil wel, maar hij mag niet.”
“Mag niet?”
“Mag niet van zichzelf. En niet van meneer pastoor.“
Debatten
Het is weer de tijd van de politieke radio- en TV-debatten. Ik kijk of luister er zelden naar. Als die keurig geklede heren en een enkele dame elkaar tijdens het afvangen van vliegen voor een spannend en/of nieuwswaardig TV-moment zorgen, zie ik dat wel in de eindeloze herhaling of op Teletekst.
Ik kan het niet opbrengen om voor een enkel moment van opwinding een uur te kijken naar mensen die zich vooral uitputten in steeds dezelfde one-liners. Of die voor de zoveelste keer tevergeefs proberen een opponent met een voorspelbare vraag uit de tent te lokken.
Vorige week heb ik geprobeerd het debat bij de NOS-radio via Twitter te volgen. Wat een chaos. Hoofdredacteur Hans Laroes twitterde omwille van de PR voor zijn eigen omroep zijn vingers blauw maar hij moest uiteindelijk toegeven dat het hem te vlug ging.
Anderen twitterden met een heel andere bril op over datzelfde debat zodat de verwarring als maar groter werd. Ik heb de volgende dag de samenvatting gelezen in de krant. Lekker rustig aan de keukentafel in het zonnetje met een cappuccino. Weliswaar 14 uur na het debat, maar toevallig heb ik daarvan de meeste tijd geslapen, dus ik heb nergens een modderfiguur geslagen met een tijdelijk hiaat in mijn kennis.
En wat moet ik met het gegeven dat één van de debaters de beste was. Kan de winnaar van de dagkoers een land in economische crisis uit het dal leiden?
En wat is er waar van al die vluchtige beweringen die de politieke leiders op TV doen? Het Volkskrantje haalde vanmorgen vilein een paar van die stellingen onderuit.
Ben ik tegen TV-debatten? Tuurlijk niet. In een tijd waarin beelden en one-liners voor veel mensen de leidraad in het stemhokje zijn, zijn ze een prima aanvulling op de verkiezingsprogramma’s die bij de coalitievorming ook alleen maar een richtsnoer blijken te zijn geweest.
Eigenlijk interesseert me alleen maar wie met wie gaat regeren. Wordt het links of wordt het rechts? Paars misschien of saai grijs? Maar ja, het antwoord op die vraag wordt tijdens de debatten angstvallig in nevelen gehuld bang als de keffende meute is om na 9 juni nog slechts de ruimte van een kettinghond te hebben.
Bromtol
“Ik denk dat ons buurmeisje jou nog wel eens vaker zal inspireren tot een weblogje,” zei mijn vrouw nadat ik vorige week een stukje over ons buurmeisje had geschreven. Ik haalde mijn schouders op. Hoe inspirerend kan een wicht van drie jaar zijn?
Haar woorden waren nog niet koud of het buurmeisje klauterde weer op ons dakterras. “Hallo ik ben het buurmeisje,” zei ze. Dat vond ik best gevat voor een peuter.
In haar hand had ze een roze bromtol met Jip en Janneke-motief. Ik was verbaasd want ik wist helemaal niet dat de bromtol nog bestond.
Het buurmeisje kwam laten zien hoe dit speelgoed werkt. Alsof ik dat niet wist, maar goed elke generatie heeft er recht op de bromtol opnieuw uit te vinden dus ik keek geduldig toe.
Ze bewoog het mechanisme op een neer en de bromtol draaide snel rond op z’n voet. Jip en Janneke werden één roze streep. Het buurmeisje klapte driftig in haar handen.
Na twintig seconden verschenen J&J langzaam weer op mijn netvlies en na nog een paar seconden viel de bromtol ondersteboven. Het buurmeisje begon van voren af aan. En daarna nog een keer en nog een keer.
Ik keek het met stijgende verbazing aan en vroeg mij af hoe zo’n dom stukje speelgoed mij als kind in vervoering heeft kunnen brengen.
Werkelijkheid
(Door Ab Klaassens)
De werkelijkheid is niet voor iedereen hetzelfde. Ik dacht eraan toen ik onlangs luisterde naar een verkiezingsdebat op Radio I. Daarin zei Mark Rutte van de VVD dat Job Cohen van de PvdA niet geschikt is als minister- president omdat hij, als burgemeester van Amsterdam een verkeerde keuze had gemaakt na een incident waarbij een Marokkaanse jongen door een politieagent was doodgeschoten.
De burgemeester was eerst bij de ouders van de dode jongen op bezoek te gaan en pas daarna bij de betrokken agent. Dit toonde volgens Mark Rutte aan dat Job Cohen verkeerde keuzes maakt als het gaat om de handhaving van het gezag en daarom niet geschikt is om leiding te geven aan ons land. De agent was immers de bedreigde en had daarom zijn wapen gebruikt uit zelfverdediging. Daarom had de burgemeester eerst de agent moeten bezoeken. Dat is wat Mark Rutte de noodzakelijke werkelijkheid noemt.
Mijn werkelijkheid is dat de dood van de Marokkaanse jongen leidde tot onrust in de Marokkaanse gemeenschap. Reden voor de burgemeester om de onrust in de kiem te smoren door eerst bij de ouders van de jongen op bezoek te gaan. Toen was nog niet bekend dat de agent zijn wapen uit zelfverdediging had gebruikt. Dat is achteraf vastgesteld door de rijksrecherche.
De redenering van Mark Rutte is gebaseerd op een reconstructie van gebeurtenissen in chronologische volgorde. Maar met alleen chronologie kun je de werkelijkheid niet tekenen.
Vocalies (114)
(Door Marlies)
Vandaag, 22 mei in 1950 werden voor het eerst de Vier Letzte Lieder van Richard Strauss gezongen. Ze waren zijn zwanenzang, hij schreef ze in 1948, toen hij 84 was. In 1949 overleed hij. Bij het componeren moet hij geweten hebben dat zijn dood nabij was, want de liederen stralen een sereenheid en kalmte uit die hij tot dan toe niet gehad had.
De première was in Londen en werd gezongen door sopraan Kirsten Flagstad, begeleid door het Philharmonia Orchestra onder leiding van Wilhelm Furtwängler.
Drie van de vier liederen zijn op teksten van Hermann Hesse, het vierde is op een tekst van Joseph von Eichendorff. Dat laatste lied schijnt de aanleiding geweest te zijn voor het componeren van de cyclus. Prachtige dichter die Von Eichendorff, ook Schumann en Schubert gebruikten zijn teksten. Hij maakte prachtige beelden met het ritme van zijn woorden en sommige componisten kunnen die woordritmes uitstekend verklanken … dan onthou je de noten als zanger ook veel makkelijker. Het geheel ‘klopt’ en dan zing je als vanzelf zuiver en de juiste tekst.
Er schijnt nog een vijfde lied te zijn…. of eigenlijk zijn er twee kandidaten om het vijfde lied te zijn: er is een lied met de titel ‘Malven’ en eentje met de titel ‘Nachts’. Die laatste titel komt meer in aanmerking het vijfde te zijn, want dat orkestreerde Strauss; van ‘Malven’ bestaat alleen een versie voor sopraan en piano.
Niet iedereen kan de liederen zingen: je moet een stevige stem hebben en die stem sereen laten klinken, terwijl je toch gas geeft…. Als je dat niet doet kom je namelijk niet door het orkest heen… Da’s niet te onderschatten hoor, sereen zingen en gas geven tegelijk… het geheel wordt gauw te wild.
Ik weet zeker dat mijn hoofdvakdocent zijn hoofd geschud zou hebben als ik in mijn conservatoriumtijd met deze liederen aangekomen zou zijn…. veel te wild zong ik in die tijd en de berusting die Strauss gewild heeft, zou ver te zoeken zijn geweest. Voordeel van ouder worden is dat je je energie beter leert inzetten (en beteugelen). Misschien zou het nu wel gaan, al ga ik het niet uitproberen….
‘Lied voor gevorderden’ dus die Strauss-liederen. Ik heb er een paar opnamen van, eentje met Jessey Norman die je de haren te berge doet rijzen: Norman demonstreert haar enorme ademtechniek en lijkt alleen daarop uit te zijn: ‘luister eens, ik kan wel twee frases achter elkaar zingen en nog hoef ik niet bij te ‘snappen’’. Maar zit ‘m de essentie niet in. Diezelfde hoofdvakdocent zei altijd, als ik weer eens met Mozart aan het donderjagen was (die is namelijk helemaal niet geïnteresseerd in het fysiek van een ademhalingsapparaat, die schrijft gewoon wat-ie mooi vindt en jij hebt het maar te zingen….): ’Mens, haal nou gewoon adem en zoek een goeie plek om dat te doen, als het maar logisch is en niet vlak vóór een hoge noot of midden in een woord!’ Ik ken zangers van populaire muziek, die er een potje van maken, luister maar eens naar André Hazes (of kan ik u dat niet aandoen?), die kan er echt wat van…
Hij had gelijk, die hoofdvakdocent, je leidt mensen alleen maar naar je nood toe als je benauwd probeert het einde van een frase te ‘halen’. Daar zit ‘m de essentie van de muziek namelijk niet in.
Persoonlijk vind ik de vertolking van Karita Mattila een mooie, die heb ik ook op CD en eens gedraaid in een van mijn Vocalies-podcasten. Het is leuk om de zangeressen met elkaar te vergelijken en je eigen favoriet te kiezen. Je moet wel kunnen motiveren waarom die favoriet je favoriet geworden is….
Zo, nou hebt u niet alleen een klein aanvullend zanglesje gehad, maar ook een klein, piepklein lesje in luisteren naar klassieke muziek.
Ik kopieer hieronder de tekst van het laatste lied, ter filosoferinghe ende vermaak. En wie durft nou nog te beweren dat Duits geen mooie taal is?
Wir sind durch Not und Freude
Gegangen Hand in Hand,
Vom Wandern ruhen wir
Nun überm stillen Land.
Rings sich die Täler neigen,
Es dunkelt schon die Luft,
Zwei Lerchen nur noch steigen
Nachträumend in den Duft.
Tritt her, und laß sie schwirren,
Bald ist es Schlafenszeit,
Daß wir uns nicht verirren
In dieser Einsamkeit.
O weiter, stiller Friede!
So tief im Abendrot.
Wie sind wir wandermüde –
Ist dies etwa der Tod?
In het fimpje Renée Fleming die een prachtige versie zingt. Met dikke complimenten voor de muziekregie, die u in staat stelt nog meer te genieten:
- Kijk hoe de dirigent al in het voorspel naar de zangeres toe dirigeert, alsof hij haar wil doordrenken met de muziek, voordat haar eerste inzet klink…
- Luister naar de leeuwerik die in de dwarsfluit zit en later, als-ie verder weg is, in de piccolo’s;
- Luister naar de lange, lange lijnen van de zinnen, die een ijzeren ademhalingstechniek vereisen (die Fleming in huis heeft, chapeau!);
- Hoor hoe even de eerste violist erdoorheen klinkt in een zeer serene passage
Prachtig, prachtig, prachtig!
Buurmeisje
Mijn 3-jarig buurmeisje vindt sinds kort zelf de weg naar ons huis. Ze kan zelfstandig via een trappetje van haar dakterras op ons dakterras klimmen. Dat is een behoorlijke stap in een peuterleven. De kleine meid rammelt dagelijks aan de keukendeur om te informeren naar het welzijn van buurman, buurvrouw, Poes en Broer.
Vorig jaar was ze ook af en toe bij ons, maar toen tilde haar vader haar nog op ons deel van het dak. Die schroomde niet om kindlief poedelnaakt in onze armen te duwen. Daar schrok ik altijd van. Voor je weet maakt iemand foto’s en zwerf je net als Sytze van der V. in een auto door het land. Nou heb ik sinds de Marokkaanse bergen en woestijn geleerd om met minimale voorzieningen te leven, maar wij hebben een Fordje Ka.
De bezoekjes van het buurmeisje duren altijd kort. Ze rent er in en er uit. Ze toont een snijtje in haar vinger, showt haar roze petticoat, trekt een kat aan de staart, bedelt om een frietje en dan verdwijnt ze weer om thuis vissticks te eten.
Mijn vrouw probeert altijd gesprekken op gang te houden bijvoorbeeld door belangstelling te tonen voor het wel het wee van kinderen. Maar toen ze gisteren aan het meisje van drie vroeg wat het wilde worden, vond ik dat ze door sloeg. Weet zo’n kind dat al? Beseft zo’n kind de reikwijdte van zo’n vraag? Jazeker, want het buurmeisje antwoordde zonder nadenken: “groot. . . “.
Ik dacht nog: buurmeisje je weet niet wat het betekent om groot te zijn, maar ik zweeg (op tijd kunnen zwijgen is een belangrijke verworvenheid van oudere mensen) omdat mij die discussie met de peuter wat te hoog gegrepen leek.
Mijn vrouw gaf het nog niet op. “Maar wat wil je dan gaan doen.Net als pappa horloges verkopen?” Dat vond ik een beetje een pijnlijke vraag als je bedenkt dat de buurman account-manager is bij één van de sjiekste horloge- en brillenmerken ter wereld.
Het buurmeisje bleek niet op haar mondje gevallen. “Dan wil ik computeren,” zei ze. Ik probeerde te bedenken wat mijn ambitie was op 3-jarige leeftijd. Volgens mij wilde ik toen maar één ding: trouwen met mijn buurmeisje.
Spitsmuis
Gisteren tijdens de ochtenddienst werden wij bezocht door een muisje dat vrolijk over de door een designer bedachte en uiterst besmettelijke bruine vloerbedekking van de redactie trippelde. Ik heb het niet op muizen, maar dit leek mij een vrolijk beestje en toen één van de vrouwelijke collega’s bijna in aanbidding neerknielde hield ik mij stoer.
Hij had een spits snuitje, dus waarschijnlijk was het een spitsmuisje. Volgens zelfbenoemde deskundigen (journalisten zijn van alle markten thuis) is een spitsmuis geen muis. Wat het dan wel is, is me niet duidelijk geworden, want op dat onmenselijk vroege uur kan mijn hoofd er naast de nieuwsuitzending geen biologische verhandelingen bij hebben.
Onze stoerste cameraman ving onze nieuwe sptse. Dat ging heel simpel, want het diertje was nogal traag. Hij zette er een glas over, schoof daar een biertviltje (altijd voorradig op een redactie) onder en zette het muisje buiten.
Later werd het dier opnieuw gesignaleerd. Maar het kan ook een broertje of een zusje zijn geweest.
Bijna niemand maakte zich er druk over, maar onze huismeester belde een ongediertebestrijder, die zich vanmorgen al voor dag en dauw meldde. Kosten noch moeite worden gespaard voor onze arbeidsvreugde.
Het was een meneer in een blauw werkmanspak, geen wit pak want zo dramatisch zijn die muisjes ook weer niet. De meneer pakte een grote spuit om de gaatjes waar een spitsmuis zich door kan wringen te dichten. En toen schrokken we een beetje, want op die spuit stond: Trafigura.
Oude mensen
(Door Ab Klaassens)
Kort nadat ik zeventig was geworden kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik hulp nodig had. De hulp werd mij aangeboden door een vrijwilligersorganisatie met professionele steun van de gemeente. Omdat ik verklaarde geen hulp nodig te hebben kreeg ik de vraag terug of ik dan andere mensen zou willen helpen. Dat wilde ik wel.
Nadat ik door een mevrouw van de vrijwillersorganisatie aan een kritisch onderzoek was onderworpen kreeg ik het adres van een iemand op leeftijd, mevrouw P., die volgens haar zoon niet meer in staat was zelfstandig boodschappen te doen.
Aangekomen in de woonkamer van de hulpbehoevende wachtte mij een diepgravend verhoor van zoonlief, wat ik kennelijk met goed gevolg doorstond, want ik mocht nog diezelfde ochtend boodschappen gaan doen bij een supermarkt in de buurt. Toen ik enkele uren later boodschappen voor mijzelf ging doen in dezelfde supermarkt stond de hulpbehoevende mevrouw P. ook in een rijtje voor een kassa.
De afspraak was dat ik twee maal per week langs zou komen om boodschappen te doen. De eerstvolgende keer dat ik bij mevrouw P. op bezoek ging wees zij mij op haar voortuintje, waarin, volgens haar afschuwelijke zwarte monsters huisden. “Kijk”, daar komt er weer een uit de heg.” Op haar boodschappenlijstje stonden ook twee pakjes roomboter. Die moest ik opbergen in een lade van de diepvriezer. Daar lagen al vijftig pakjes roomboter. “Pas maar op”, dreigde de vrouw, “straks komt m’nne mens thuis.” Ze was al twintig jaar weduwe.
Op honderd meter afstand van haar huisje was op donderdagochtend een buurtmarkt. Ik had met haar afgesproken dat ik haar tegen tienen zou komen halen voor een bezoek aan die markt. Woensdagavond, kort na tienen, twaalf uur te vroeg belde ze op: “Waar blijf je nou?”
Ze ging eigenlijk alleen maar die markt om pelpinda’s te kopen bij een notenkraam. Dan vroeg ze vijf kilo. De man van de notenkraam gaf haar dan een half pond waarmee ze tevreden naar haar huisje strompelde. Ik heb haar zoon gebeld om hem te bedanken voor het in mij gestelde vertrouwen. “Ze leeft nog”, zei hij mij onlangs. “hartstikke taai, maar zo gek als een deur.”
Gewonnen
Na driekwart jaar steggelen met gemeente, een zorginstelling en justitie heb ik eindelijk mijn zaak gewonnen. Ik krijg 150 euro terug die ik betaalde omdat ik mijn auto op een invalidenparkeerplaats had geparkeerd. Gisteren kwam het verlossende woord.
Het is niet mijn gewoonte om parkeerplaats van hulpbehoevende medemensen in te pikken. Het was een daad van verzet. De hulpbehoevende medemens had namelijk een parkeerplaats ingepikt waar ik en andere buurtbewoners voor betalen.
Een paar jaar geleden vestigde zich in onze wijk een dagopvang voor gehandicapten. Die kregen pal bij ons voor de deur een invalidenparkeerplaats. Maar omdat de bezoekers met busjes worden gehaald en gebracht en het personeel goed ter been is, bleef die parkeerplaats al die jaren leeg. Zonde in een wijk waar al zo weinig parkeerplaatsen zijn.
Steeds vaker zetten buurtbewoners hun auto op de invalidenplaats. Temeer om te voorkomen dat daar dag en nacht bezoekers van een coffeeshop met draaiende motor en bonkende bassen stonden. Ik parkeerde mijn auto er ook. Totdat ik op een zaterdagavond laat – stadswachten hebben het altijd op eerzame burgers voorzien – een bekeuring van 150 euro kreeg.
De baas van Stadstoezicht was vrij snel overtuigd van de vreemde situatie en schold mij de bekeuring kwijt. Sterker nog, ik kon hem er van overtuigen dat hij die invalidenparkeerplaats ’s avonds en in het weekend terug moest geven aan de buurt.
Het OM dacht er anders over. Een overtreding was een overtreding en ik moest betalen. Mijn bezwaarschrift daartegen werd afgewezen.
Ik meldde dat op Twitter. Onmiddellijk reageerde een oud-collega die nu advocaat is. Hij deed me de tip aan de hand om me te beroepen op het bestuurlijk vertrouwensbeginsel. Als de ene instantie je een bekeuring kwijtscheldt, dan mag je er op vertrouwen dat de andere instantie die niet alsnog oplegt.
Dat heeft gewerkt want gisteren kreeg ik bericht dat dat beroep was gehonoreerd. Dat hadden ze maanden geleden ook kunnen bedenken maar toen hebben ze mijn bezwaarschrift waarschijnlijk alleen maar gescand. Als je met een paar termen smijt werkt het blijkbaar beter.
Nu hoef ik niet naar de kantonrechter. Jammer, ik had best eens in het verdachtenbankje willen zitten in plaats van op de perstribune.
Jongetje
Het jongetje was even wereldnieuws omdat hij een vliegtuigcrash overleefde. De komende jaren zal hij nationaal nieuws blijven. Als hij het ziekenhuis verlaat, als zijn familieleden worden begraven en als hij weer naar school gaat. En natuurlijk elk jaar op 12 mei. Allemaal beeldmomenten. Dat klinkt zakelijk, maar zo zit de wereld in elkaar.
Het is een Brabants jongetje dus er is ook bij onze omroep veel gediscussieerd over ethiek en piëteit. Omdat ik op vakantie was heb ik niets meegekregen van de discussie in de hitte van de strijd, die journalistiek op zo’n moment is.
Maar ik krijg mijn portie nog, want de discussie is nog niet uitgewoed.
De familie van het jongetje heeft gevraagd om radiostilte. De media houden zich daar tot nu toe goed aan. Ik denk dat veel journalisten blij zijn dat ze niet door hun chefs in een nieuwe ratrace gestort zijn om de eerste ziekenhuisbeelden. En dat die collega’s hopen dat niemand wegsprint. Want journalisten zijn als een peloton wantrouwig loerende wielrenners die aan elkaar klitten, totdat er één demarreert. Dan moet iedereen weer vol in de pedalen want alleen degene die als eerste over de meet komt zal herinnerd worden.
Een oudere journalist schreef het laatst mooi op:
Voor de jongere journalisten gaat het niet over slachtoffers en andere betrokkenen maar over hun eigen rol in de gebeurtenissen. Wij zijn ( of waren) afstandelijke waarnemers, de nieuwe generatie wil deelnemer zijn en in die rol gloriëren. Het wordt de kinderen van jongsafaan bijgebracht: wees assertief, denk aan jezelf. In onze jeugd ging het over nederigheid, bescheidenheid en het betrekkelijk belang van wat je de wereld te bieden had. Nu telt alleen het ego. En daarmee verdwijnt het mededogen.
We hebben ook nog gesproken over het interview dat de Telegraaf met het jongetje plaatste. Daar zijn de meningen hier over verdeeld. Ik begreep dat één van mijn collega’s vorige week regelmatig contact heeft gehad met het ziekenhuis in Tripoli om naar het welzijn van het jongetje te informeren. Ze vroeg zich af wat ze gedaan zou hebben als de arts zijn mobieltje aan Ruben had gegeven. We keken elkaar eens aan en kenden het antwoord dat we niet wilden horen . . . .
Marokko
Langzaam maar zeker schud ik het Saharazand van mij af. Het is diep in mij gekropen. Figuurlijk en letterlijk. De afgelopen dagen heb ik mij gelaafd aan verworvenheden die ik heb moeten ontberen zoals daar zijn stoelen, tafels en een watercloset. Ondertussen probeer ik het hoofd weer langzaam richting werk te krijgen. Ik ben "bijgelezen" en heb geconstateerd dat er vooral sinds ik weer thuis ben veel is gebeurd. De vliegramp in Libië met een sterke Brabantse invalshoek, het terugtreden van Jack de Vries, de dood van Hans Dijkstal, de nakende verkiezingen. Ondertussen hebben ik met mijn neef, die een NSB-kind is, de eerste plannen gesmeed voor een boek over zijn bewogen leven.
Maar vandaag geniet ik nog even na van twee fantastische weken, met dank aan mijn vrouw die zelf niet naar de woestijn wilde, maar die mij wel stimuleerde te gaan. Sterker nog, die mij deze droomreis cadeau deed. Met dank ook aan de fantastische mensen die de afgelopen weken mijn reisgenoten waren. Eerlijk is eerlijk: ik zag er erg tegen op om met een groep te reizen. Dat had ik nog niet eerder gedaan. Het was goed.
Als u geïnteresseerd bent in de foto's dan kunt u terecht op mijn foto-website onder het plaatje met het bruggetje.
Jan de Baat
(Door Ab Klaassens)
Deze week is Jan de Baat overleden; ik hoorde het op de radio.
Jan is in mijn hoofd blijven spoken sinds ik hem, een halve eeuw geleden, voor het eerst en het laatst sprak in een van mos en algen vergeven parkje in Zwolle. Daar had hij, samen met een collega- beeldhouwer/schilder, een tentoonstelling van beelden en schilderijen, als een met een glimlach uitgesproken reactie op de ‘Sonsbeek buiten de perken’, een grote internationale tentoonstelling van moderne beeldende kunst in Arnhem.
Jan de Baat was, in de jaren zestig van de vorige eeuw, zo arm als een kerkrat. Hij maakte zijn beelden van kippengaas, krantenpapier en gips. Ze stonden daar, in dat Zwolse parkje, nauwelijks bekeken weg te kwijnen in een regenbui die niet van ophouden wist. Ik schreef voor de plaatselijke krant een stukje over Jan en zijn beelden, over zijn beweegredenen om de dingen te maken die hij maakte. En aan de straatstenen niet kwijtraakte. Armoe troef.
Dertig jaar later liep ik door het stadswandelpark in Eindhoven. En daar stond, in glanzend roestvrij staal één van de destijds door Jan de Baat van niks gemaakte beelden, die ik toen had bewonderd. Ik was ontroerd. Ik heb vaak op het punt gestaan hem te schrijven of op te zoeken alleen maar om hem geluk te wensen met ten minste één succes. Het is er niet van gekomen. In de berichten over zijn overlijden werden méér prestaties van belang genoemd dan wat ik van hem had gezien, zoals een beeld ‘Peerd van ome Loeks’ in Groningen en een verzetsmonument in Amsterdam.
Ik ben nu te laat als ik hem wil vertellen hoe mooi ik het vond, die roestvrij stalen versie van zijn door de regen verslagen kunstwerk in dat parkje in Zwolle, te laat als ik hem wil zeggen dat wat hij heeft gedaan ten minste mij is opgevallen en dat hij - anders dan zo veel andere beeldend kunstenaars - genoemd is in de nieuwsberichten, zij het na zijn dood.
Vocalies (113)
(Door Marlies)
Voor een nieuwe podcast met klassieke muziek klik hier.
Een bijzondere verjaardag vandaag, het is namelijk de verjaardag van een gebouw: het Royal Opera House Covent Garden, meestal kortweg ‘Covent Garden’ genaamd, werd vandaag in 1865 geopend. Niet dat het er al niet was…
In 1728 nam een impresario, John Rich, The Beggars Opera van John Gay op het repertoire. Dat was zo’n succes dat hij genoeg kapitaal vergaarde om een theater te bouwen. In 1732 al geopend, maar door vuur en ander ongerief een paar keer geheel of gedeeltelijk verwoest, werd het in 1858 op 15 mei weer geopend. In 1990 heeft men een echte stevige reconstructie doorgevoerd en nu is het al twintig jaar rustig, tenminste wat hamergeklop en gezaag betreft: voor de rest bruist het van de activiteiten.
Covent Garden is de thuisbasis voor The Royal Opera, het Royal Ballet en het bijbehorende orkest. In de eerste honderd jaar van haar bestaan was Theatre Royal zoals het toen nog heette, vooral een theater voor toneelstukken.
In 1734 werd het eerste ballet (Pygmalion) er opgevoerd en een jaar later begon men opera’s van Händel uit te voeren. Händel schreef veel van zijn werken speciaal voor Covent Garden.
In 1734 was er de eerste opera te zien: Il pastor fido van Händel. Niet zo’n succes, maar er kwam meer opera: Ariodante (ook van Händel)., In 1743 ‘ging’ de Messiah, een groot succes.
Tot aan de brand in 1808 was het druk in The Royal Theatre. Men begon de herbouw in december 1808 en al in september 1809 (!) speelde Shakespeare’s Macbeth er.
Leuke anekdote uit die tijd: de manager John Philip Kemble verhoogde de prijs van de kaartjes om de kosten voor het herbouwen te verminderen. Dat pikte zijn publiek niet en die begonnen uitvoeringen te saboteren door stokken tegen elkaar te slaan, te sissen en boe te roepen en door tijdens de uitvoeringen te dansen in de zaal (lekker stelletje, dat publiek!) Ze hielden dat gedrag meer dan twee maanden vol en uiteindelijk kregen ze hun zin: de prijs van de kaartjes bleef bij het oude bedrag.
In 1856, zoals gezegd brandde het zaakje weer eens af en werd heropend op 15 mei 1858. Meyerbeer’s Les Huguenots was de opera waarmee de opening gestalte kreeg.
Tijdens de tweede wereldoorlog was Covent Garden nog even een danszaal en dreigde dat na de oorlog te blijven, maar na lang onderhandelen kregen muziek-uitgevers Boosey & Hawkes het vruchtgebruik van het gebouw.
De versie van 1865 hield het vol tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Toen werd er hier en daar al gerenoveerd en uitgebreid. Men kreeg wel in de gaten dat er een grote renovatie nodig was en die startte dus in de negentiger jaren van de vorige eeuw.
En ze gaan met hun tijd mee daar in Covent Garden. Ze hebben een hele leuke overzichtelijke website, waar je ook nog wat kunt leren over klassieke muziek en het puilt er uit van de activiteiten. Hopelijk kan dat zo blijven, ook in de turbulente tijden waarin Groot Brittannië nu verkeert. Het eerste waar zo’n regering op gaat bezuinigen zou wel eens de kunst kunnen zijn….
Hoe dan ook: happy anniversary Covent Garden! (al is het maar de vraag of ze er zelf bij stilstaan!)
Veilig thuis
Ik ben gisteren teruggekeerd uit Marokko waar ik met een groep mensen een trektocht heb gemaakt door het Atlasgebergte en de Erg Chebbi-woestijn. Het was een oude wens om de woestijn te zien.
Eigenlijk zou ik woensdag teruggekeerd zijn, maar door een vertraging in Marrakech was in Casablanca onze aansluiting naar Amsterdam al weg. Royal Air Maroc regelde een hotel voor de gestrande Nederlanders. We baalden, maar onze groep was na de trektocht hecht geworden en maakte van de nood een deugd.
’s Avonds hoorden we de eerste geruchten. Eén van ons had wat gezapt langs Arabische zenders op een sneeuwende TV en had geconcludeerd dat er een vliegtuig was neergestort en dat daarbij Nederlandse doden waren gevallen. Het was ergens in Afrika, zoveel was wel duidelijk.
We waren op dat moment te zeer begaan met ons eigen kleine leed om ons er verder in te verdiepen. Onze bagage was verdwenen en daarmee ook onze toiletspullen. De kleren aan ons lijf hadden we al twee dagen aan. Dat was wat ons zorgen bood.
Gistermiddag in de trein van Schiphol naar huis las ik pas wat er werkelijk was gebeurd in Tripoli. Vreselijk. Ik dacht er aan dat mijn oorspronkelijk reisbestemming ook Libië was. Ik zou daar een woestijntocht hebben gemaakt als meneer Kadhafi mij geen visum had geweigerd. Dan zou ik afgelopen weekend vanaf de rampplek vertrokken zijn. Dan was deze dramatische gebeurtenis nog dichterbij gekomen. Nu prijs ik mij gelukkig met een vertraging, zweetsokken en een veilige vlucht naar huis.
Vocalies (112)
Vandaag in 1947 werd Dame Felicity Lott geboren. Ze is ook wel bekend als ‘Flott’ en daar hou ik van: van iemand die zichzelf genoeg kan relativeren om het niet erg te vinden dat ze ‘Flott’ genoemd wordt. Ik ga er tenminste vanuit dat ze dat niet erg vindt, want het staat op haar eigen website… ‘Flott’ in het Duits betekent net zo iets als elegant, een beetje hetzelfde als ons ‘vlot’. Felicity Lott is Engels, en in het Engels heb ik andere beelden bij de term ‘Flott’ U ook? Als je de foto’s bekijkt lijkt ze een dame die het hart op de tong heeft, of zoals de Engelsen zeggen ‘she speaks her mind’.
Ik voel me een beetje met haar verwant, want iemand dierbaars die er nu niet meer is, heeft onze stemmen ooit gekwalificeerd als op elkaar lijkend en ik wil best op Felicity Lott lijken, vooral als ze haar ‘Flott’ noemen… ook ik heb het hart op de tong en ben bij vriend en vijand bekend als direct (en dan zeggen ze het nog voorzichtig…. ahem).
Ze is van alle markten thuis, onze Dame Flott… ze zingt wonderschoon Vaughn Williams (alsof het voor haar geschreven is, zo transparant en klaar van klank) en ik heb een CD van haar van ‘La grande Duchesse de Gerolstein’ (in het Frans gezongen Offenbach) waarop ze stralend van pret (en niet meer jong, maar wat doet dat ertoe?) op de voorkant staat en als je de cd draait hoor je de pret (een soort duivels genoegen) in haar stem terug. Dat is knap, als je dat kan… daarom: gefeliciteerd Dame Flott, en hieronder nog even je CV als eerbetoon….
"Flott" werd geboren in Cheltenham. Op haar vijfde ging ze piano studeren, leerde daarnaasr viool spelen en begon op haar twaalfde met zanglessen . In eerste instantie besloot ze om niet een professionele carrière als zangeres na te streven, ze ging Frans en Latijn studeren. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en in 1969 ging ze toch in Londen aan de Royal Academy of Music zang studeren. Ze verliet met diploma en prijzen in 1973 die leerschool en maakte haar debuut als Pamina in Mozart's Die Zauberflöte (ik heb daar eens een Engelse versie van gehoord die je de haren te berge doet rijzen, maar alla, het zij haar vergeven).
Ze had een lange en wat merkwaardige relatie met het Glyndebourne Festival: die wezen haar drie keer af voor het koor, maar boden haar uiteindelijk een solorol aan. Dat was het begin (zoals Glyndebourne dat vaak is) van een internationale carrière: Wenen, Milaan, Parijs, Brussel, München, Hamburg, Dresden, Berlijn, New York en Chicago. Haar rollen: Marschallin in Der Rosenkavalier van Strauss, Gravin Madeleine in Capriccio van Strauss, Arabella, ook van Strauss, de gravin in Le Nozze Di Figaro van Mozart en hier eindig ik het lijstje, anders wordt het te lang….
Ze ging van operette houden (ik ook) en zong de titelrol in Die Lustige Witwe van Lehar; ze zong Rosalinde in Johann Strauss' Fledermaus (ik ook) en Hélène in Offenbach's La Belle Hélène (ik ook).
En terwijl zo’n carrière vordert ga je steeds meer lied zingen, omdat je leert met de fijn-penseel te schilderen, in plaats van met de witkwast (dat kan zij beter dan ik) en dus zingt ze de liederen van Vaughn Williams en van Britten zo goed. Ze heeft het geluk dat Graham Johnson al eeuwen haar begeleider is: die kan dat uitstekend en naarmate je langer samenwerkt leer je elkaar beter verstaan. Kortom: een arbeidzaam leven dat hopelijk nog lang in goede gezondheid duurt: dan kan ze nog meer moois zingen.
In het filmpje de aria van de Gravin uit La Grande Duchesse de Gerolstein. Let op de subtiele interactie met de dirigent; Geweldig!
Vocalies 111
Er is een nieuwe podcast, aflevering 50 alweer, een feestaflevering. Klik hier.
Willy Caron is dood. Afgelopen week stuurde mijn echtgenoot mij een bijna onbeduidend berichtje uit een regionale krant. Willy Caron is dood. Oeps, dacht ik, Willy Caron, waar ken ik die naam ook al weer van… ? Oh ja, met een van mijn bazen uit het verleden had ik het wel eens over hem. Die baas kwam ook uit Limburg en hield ook van klassieke muziek. We hadden verder weinig raakvlakken en na korte tijd scheidden onze wegen zich weer, maar over Willy Caron konden we het wel eens hebben. De baas floept nog menigmaal mijn gedachten in, om zonderlinge redenen en dan floept Willy Caron mee. En ik glimlach dan.
Ik kende Willy Caron niet persoonlijk. Wist dat het een goeie zanger was, een beetje van de oude stempel en dat-ie nu toch wel boven de zeventig moest zijn. Zijn goeie tijd lag in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, samen met de Anneliese Rothenbergers, de René Kollo’s en de Rudolf Schocks. Toen het genre nog in het concertgebouw mocht, pardon, kwam, toen ‘Ein Abend in Wien’op de Duitse televisie nog stilte op straat veroorzaakte, toen operette nog operette was: soms platvloers en banaal gebracht, maar bijna altijd goed gecomponeerd en meeslepend, goed voor een avond zonder zorgen met mooie zang, zonder de zwaarte van opera.
Ik zoek op internet iets over hem op om dit stukje te kunnen onderbouwen en kom verrassend veel tegen: een website waar ik zelfs condoleance-berichten achter kan laten als ik dat wil. Een gezelschap dat de traditie van operette en aanverwante genres verder draagt poseert voor een foto. Het is een hele flinke club, de hoofden grijs (en de jurken lelijk, maar ach, wie maalt daarom….?). Willy Caron blijkt tot vlak voor zijn dood actief te zijn geweest en verdraaid een van zijn stokpaardjes is ook het mijne: ademhaling en zangtechniek!
Hieronder kort zijn levensloop, als een soort eerbetoon.
Willy Caron werd geboren op 15 juni 1934 in Venlo . Hij groeide op in een muzikaal gezin en bespeelde, voordat zijn stem werd ontdekt, al op jeugdige leeftijd diverse instrumenten, dat zullen wel blaasinstrumenten geweest zijn: meer dan de helft van Limburg is lid van een of ander blaasmjuziekgezelschap en er wordt vaak op hoog iveau muziek gemaakt.
In 1964 studeerde hij af aan het Mozarteum in Salzburg en in 1966 aan het conservatorium in Amsterdam. Toen haalde hij prijzen: als je in Italië vergeleken wordt met Caruso, heb je het daar wel gemaakt. Hij zong en zong en zong: in Hamburg, in München, in Salzburg, in Wenen, in Moskou (in het Russisch!)
Hij zat in de verfilming van 'Le Nozze di Figaro' was in Keulen zeventien jaar lang verbonden aan de Städtische Oper. Hij schijnt buitengewoon betrouwbaar geweest te zijn qua stem. Die deed het altijd, waarschijnlijk had hij een ijzeren techniek.
In 1998 richtte hij het Willy Caron Muziektheater op en leert hij zijn enthousiaste koor en solisten op een professionele manier zingen in gevarieerde programma's en optredens.
Ik hoop dat de dames en heren van het Willy Caron Muziektheater doorgaan en meehelpen het operette-genre levend te houden tot het misschien ooit weer eens een bloei-periode gaat kennen. Hopelijk maken u en ik dat nog mee, Willy Caron helaas niet meer.
Ik zocht op You tube naar een filmpje voor u, Caron zingt met overtuiging ‘Ich haij van Limburg’ maar dat vond ik niet zo geschikt voor deze website…. Hoewel je hoort dat er een stevig, rechttoe-rechtaan geluid in hem zit. Er is een Robert Stolz medley, maar van de sopraan daarbij krijg ik jeuk, dus dat ga ik u niet aandoen. Misschien verschijnen er binnenkort, naar aanleiding van zijn dood wat meer filmpjes, zou leuk zijn