Visser

Bedenkt u zelf maar een gevat onderschrift . . .


Lipsync

Ik en apparaten. Dat botert niet. Soms ontdek ik zelf de werking, na veel geraas en getier, maar meestal moet mijn zoon bijspringen om te voorkomen dat de magnetron opeens koffie zet.

Afgelopen weekend heb ik een mediaplayer aangeschaft. Die had ik tot mijn eigen verbazing redelijk snel aangesloten ondanks de kluwen van snoeren die de apparaten in onze TV kast met elkaar verbindt. Wat was ik trots. Ik floot zelfs een vrolijk deuntje.

Er was nog één probleempje. Bij een controle bleek @*&^#%$ dat het geluid op de TV nu opeens niet meer lipsync liep. Dat is een vakterm, maar u snapt het wel. De betekent dat de lippen van acteurs achter lopen bij wat uw oren horen.

Ik opnieuw met die stekkers in de clinch. Het hielp niet. Ik gaf het op, zeeg neer in een stoel en begon een beetje te zappen. Wat zag ik, op andere zenders liep het geluid wel sync. Ik terug naar die eerste zender, Nederland 3, waar een jeugdserie aan de gang was. Die liep nog steeds uit de pas.

Dat zijn werkelijk problemen die mijn verstand ver te boven gaan. Ik maar denken en denken hoe dat nou kon en ondertussen greep ik alvast naar de telefoon om mijn zoon te bellen.

Tot ik opeens op televisie een Amerikaanse schoolbus in een typisch Amerikaanse wijk zag stoppen. Daar stapten typisch Amerikaanse kinderen uit die . . . .vrolijk Nederlands kwebbelden. Toen viel het kwartje. Ik begreep opeens waarom die lippen iets anders zeiden dan wat ik hoorde.

Veiligheid

Ik heb in mijn leven in vijftien verschillende wijken gewoond. Voornamelijk oude wijken omdat ik me in die mengelmoes van jong, oud, allochtoon, student, yuppen en gestoorden beter thuis voel dan in nieuwbouwwijken met louter accountmanagers met een lease-auto voor de deur. Bovendien zijn die gemengde wijken ook interessanter voor een journalist dan een straat met allemaal gladgeschoren buxushagen en tulpenbomen.

In geen van die wijken heb ik mij ooit onveilig gevoeld. Natuurlijk waren er wel eens voorvalletjes maar dat kwam ook omdat ik mijn grote bek niet kon houden.

Ik heb in Eindhoven aan de rand van één van de beruchtste wijken gewoond. Toen ik tegen een oorspronkelijke wijkbewoner zei dat het me verbaasde dat er zo weinig mis ging, zei hij met een knipoog: “we zorgen er voor dat hier zo weinig mogelijk politie in de wijk komt want daar houden wij niet van.” Een uitspraak die je op twee manieren kunt uitleggen.

Dus ik vraag mij af wat korpschef Henk van Essen bedoelde toen hij afgelopen zaterdag in het Volkskrantje zei dat hij agenten liever in zet voor de veiligheid in de wijken dan voor het beveiligen van evenementen.

Je zegt het zo makkelijk, maar wat is dat eigenlijk “de veiligheid in de wijken”? Het suggereert dat het in de wijken onveilig is. Ik ken veel mensen die in wijken wonen, maar ik heb nog nooit iemand horen zeggen dat het onveilig is in zijn of haar wijk.

Ja, vroeger, toen ik klein was, was het soms onveilig in onze wijk. Bijvoorbeeld als Henkie Briene en zijn maatjes uit de Leeuwerikstraat plotseling in ons deel van de vogelbuurt opdoken. Maar meer dan tot een scheldpartij kwam het bijna nooit. En schelden deed toen nog geen zeer.

Wat is “veiligheid in de wijk’ voor een fenomeen dat een korpschef daar meer agenten op in wil zetten dan bij een dancefeest waar mensen die stijf staan van de drank en de pillen een gevaar voor zichzelf en anderen zijn.

Zijn losgeslagen jongeren een bedreiging voor de “veiligheid in de wijken”. En hoeveel wijken zijn er dan zo onveilig dat mensen er niet meer willen wonen? Is dat alleen in de grote steden?

Ik vind “veiligheid in de wijken” een rare term. Het suggereert iets dat angstig maakt. Gelukkig lijkt het er op dat wij ons door dat soort termen niet meer gek laten maken want uit opiniepeilingen blijkt dat veiligheid niet meer het belangrijkste thema is. Voor Nederlanders komt de eigen portemonnee weer op de eerste plaats. We zijn thuis

Belgiè

Toen wij ruim twintig jaar geleden van de Veluwe naar Brabant verhuisden woonden we opeens dicht bij België. De nieuwe collega’s somden mij onophoudelijk de geneugten van dat land op. Variërend van gemoedelijkheid tot ontelbare soorten bier.

In die beginperiode dompelden we ons regelmatig in het weekend onder in België, meer bepaald Vlaanderen. Het waren leuke uitstapjes, maar echt thuis voelde ik me er nooit. Ik vond het een rommelig land. Mijn naar orde snakkende geest werd er onrustig van.

De taalstrijd en de daarmee nauw samenhangende klassenstrijd maakt het land voor mij nog merkwaardiger. De eerste keer dat ik daar echt mee geconfronteerd werd was begin jaren negentig. Wij stonden bij de omroep voor de keuze om de eerste grote radioreportagewagen aan te schaffen. Daarmee konden we vanaf locatie evenementen verslaan.

De BRT-collega's nodigden ons uit om te kijken hoe zij flitsend verslag deden van “De Gordel”. Dat was een fietstocht rond Brussel. Leuk, dacht ik, maar dat bleek niet zomaar een fietstocht. De Nederlandstalige deelnemers uit de Nederlandstalige gordel van dorpen rondom het Franstalige Brussel gebruikten die tocht als een taal-politiek evenement. En de Franstaligen strooiden dan kraaienpootjes op de weg.

We hebben een zeer genoeglijke dag gehad waarbij we met een helikopter over Brussel gevlogen van de ene reportageplek naar de andere, maar verder herinner ik mij die dag toch vooral als het moment waarop ik van Belgische collega’s les kreeg in de staatskunde van hun land.

Toen begreep ik dat het niet alleen maar een taalstrijd was, maar dat daarachter een complexe wereld zit die je als buitenlander bijna niet kunt begrijpen. En daarom verbaast het me niet dat er weer een Belgische regering is gevallen. Jammer voor al die aardige Belgen die ik ken.

Vocalies (110)

(Door Marlies)

Ik rijg weer een kort kettinkje van actuele berichtjes aan elkaar voor u.

Aanstaande zondag(de 25ste) is er een heel bijzondere uitvoering in het in de duinen gelegen Museum Beelden aan Zee in Scheveningen . Dan speelt 13 jarige gymnasiumleerlinge Svenja Staats vioolconcert in e-klein van Mendelssohn Folke Nauta (ook niet de eerste de beste…) begeleidt op de vleugel. Naast het vioolconcert van Mendelssohn speelt Svenja zondag werken van Dvorak en Kreisler. Het concert begint om 11 uur en duurt een uur. Na afloop kunt u in het Museum in. Ik was er ooit en het is een serene plek om te zijn. Ik was er midden in de winter, u bent er aanstaande zondag volop in de lente, vast erg leuk.

Het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds en Beelden aan Zee organiseren elke laatste zondag van de maand om 11 uur een concert van één uur zonder pauze.
De volgende concerten staan nog gepland: 30 mei: Vespucci Kwartet (Beethoven en Schumann) en 27 juni: Tessel Hersbach, viool en Tim Deelen, piano (Bach, Brahms, De Sarasate)

Het Brabants Orkest viert haar (of is het zijn? een orkest is vast vrouwelijk…) zestigste verjaardag en pakt uit met een feestprogramma, waarbij composities uit heden en verleden elkaar afwisselen. Het feestmaal bestaat uit een nieuw werk van ‘huiscomponist’ Theo Verbey, twee keer Ravel (La Valse en het Pianoconcert voor de Linkerhand) en Richard Strauss (Rosenkavalier-suite).

Als alle orkesten worstelt ook Het Brabants Orkest met finacierings- en subsidiërings-problemen . Als je dan een regionaal orkest bent is het nog moeilijker, want boks mar eens op tegen grote jongens als Het Concertgebouworkest en het Rotterdams Filharmonisch. Ik gun het ze, de jongens in Eindhoven dat ze het blijven halen en blijven proberen. Ze hebben in ieder geval een zaal met een beeld van een akoestiek.

Ik mocht er, als miniem schakeltje in het Brabantkoor regelmatig zingen, ook met Het Brabants Orkest als begeleiding. Ik vond het altijd een mopperclub en heb in jeugdige overmoed ook wel eens geroepen dat ze niet zo moesten mauwen over een CAO als de repetitie eens uitliep. Geschrokken/waarschuwende blikken van de koordirigent waren mijn deel (ik ook en mijn grote mond…) Maar toch… als je als koorlid verzocht wordt te blijven zitten tot het orkest het podium verlaten heeft omdat ze bang zijn dat anders de instrumenten beschadigen (echt ooit gezegd hoor!) dan ga toch een beetje tandenknarsen. Je weet namelijk dat het tot gevolg heeft dat de orkestleden wel de laatste trein halen en jij niet (meer). Daar was het natuurlijk om begonnen... Alsof koorleden als waanzinnigen over violisten heen zouden lopen… En de bij opmerking in de rij in de kantine ‘dat wij koorleden hun wachttijd op het kopje koffie in ‘hun’ kantine onnodig verlengden heb ik maar even net gedaan alsof ik het niet hoorde. In gezamenlijke treinen terug naar huis was het ondenkbaar dat orkestleden bij koorleden gingen zitten en elkaar goeiendag zeggen op het perron (waar je elkaar maar weinig tegenkwam vanwege die zotte regel dat het koor op het orkest moest wachten) was er al helemaal niet bij. Er zaten ook aardige mensen tussen hoor, tuurlijk…. Zoals het Brabantkoor ook een paar notoire mopperkonten had… je komt ze overal tegen. Maar nogmaals: ik gun ze hun feest en zou ze willen adviseren bij hun strijd te proberen goeie zin te houden, dat maakt het allemaal een stuk makkelijker. Op naar de zeventig!

Het klassieke muziekfestival Festival Classique in Den Haag is dit jaar (voor de vierde keer alweer; het festival heeft de moeilijke aanlooptijd achter de rug en begint een instituut te worden) van 18 tot en met 20 juni. Als u kunt: ga er naar toe. Als het weer een beetje meewerkt is het een verrukkelijke tijd voor muzikale fijnproevers.

Dit jaar hebben ze weer wat nieuws bedacht: babyconcerten. In de Koninklijke Schouwburg geven musici vier keer een concert voor spruiten van vijf tot twaalf maanden. Uit het persbericht: Muziek is een essentiële component in de ontwikkeling van een kind, ‘Tijdens de babyconcerten wordt een wereld van muziek, licht en kleur gecreëerd, die zowel ontspannend als stimulerend werkt voor de kleintjes.' Per baby mogen maximaal twee ouders of verzorgers mee’(daar mikken ze volgens mij stiekem op, de goochemerds) .
Ik ben blij dat ik er niet op hoef te treden, voor die kleine schreeuwlelijkerds, maar het is wel waar: ooit is vastgesteld dat als je kinderen niet vóór hun zevende levensjaar regelmatig in contact brengt met klassieke muziek, ze het spoor van die muziek daarna nooit meer vinden. En dat is jammer voor ze.

Ook kunnen liefhebbers van klassieke muziek voor het eerst de ‘Nach van Bach’ meemaken. Bij dit programma-onderdeel wandelt het publiek langs locaties in het Haagse Hofkwartier voor verschillende korte concerten met muziek van Bach.

In het nieuwe programma Mevrouw de Componist laten musici werken horen van twee belangrijke vrouwelijke componisten: Alma Mahler (was getrouwd met Gustav) en Cécile Chaminade.

Gaan dus, naar Den Haag. en naar Scheveningen en naar Eindhoven!

Identiteit

Zoals sommige mensen hun identiteit ontlenen aan het zijn van een BN'er, zo mag ik graag advocaaat van de duivel spelen. Door sommigen uitgelegd als brombeer. Beide identiteiten moet je regelmatig onderhouden om bestaansrecht te hebben.

Vandaag was zo'n dag. In Uden is gisteren een mevrouw met een mes in haar hals gestoken door een TBS'er op verlof. Het gaat naar omstandigheden goed met die mevrouw. Gelukkig maar.

Ze komt uit een klein dorp, dus toog het journaille daar vandaag heen om haar verhaal op te tekenen. De duivelse advocaat in mij vroeg waarom die mevrouw, 24 uur na haar traumatische ervaring, niet met rust gelaten werd.

Fout, zei een collega, mevrouw stond in het brandpunt van het nieuws, dus . . . In dat "dus" lag de hele journalistieke bibliotheek besloten.

Ik zou het vreselijk vinden als er een journalist met een camera op de stoep stond terwijl ik herstellende was van een een aanval van een gestoorde TBS'er. En dat zei ik ook.

Dat snapte iedereen, maar - was het tegenargument - die mevrouw had het volste recht die journalist van d'n hof te sturen. Niks aan de hand.

Maar, zei ik (ik kan zo'n rol lang volhouden) misschien moet je die mevrouw onder deze omstandigheden niet voor die keuze stellen. Misschien was ze door de aanslag een beetje minder stabiel dan anders en zou ze een beslissing kunnen nemen waar ze later spijt van zou hebben.

Fout, zei een collega. Het was precies andersom. Het is juist raar als jou zoiets vreselijks overkomt en geen enkele journalist belt aan.

Natuurlijk, dacht ik, identiteit wordt voor een belangrijk deel bepaald door de mate van aandacht die media aan jou geven. Hoe had ik zo'n elementaire journalistieke waarheid over het hoofd kunnen zien.

Auto


De drie jongens ploften neer in de treinbanken naast de mijne. Twee begonnen te praten, de derde dook met zijn hoofd in de krant.

“Hedde gij echt in de auto met de zus van A. liggen vozen”? vroeg één van de jongens aan de krantenlezer. Die las onverstoorbaar door.

“He,” herhaalde hij zijn vraag nadrukkelijk, “hedde gij met de zus van A. in jouw auto liggen vozen.”

De krantenlezer keek verstoord op. “Watte . . . ?” vroeg hij.

“Ja hallo, ge heurde het wel. Hedde gij met de zus van A. in de auto liggen rommelen?”

“Welke auto,” vroeg de jongen die net deed of hij door las.

“Ja, jouwen auto natuurlijk,” klonk het ongelukkig.

“Auto, watte . . . .?”

“Ja, ge heurt ’t wel. Is da nou woar of nie?”

“Wie zeet da?”

“Ja, da heurde ik.”

“’t Is nie waor,” zei de krantenlezer.

De jongen die de indringende vragen had gesteld keek triomfantelijk.

“Veur da soort dingen hebben ze een bed uit gevonden,” zei de lezer en hij stortte zich weer in zijn krantje.

Zwijgzaam legden de drie jongens de laatste kilometer af.

Taalgidsen

(Door Ab Klaassens)


In m’n boekenkast staan de woordenboekjes (Prisma, Van Dale) meestal keurig naast elkaar: Nederlands/Frans naast Frans/Nederlands, Nederlands Duits naast Duits/Nederlands en vervolgens dezelfde koppeltjes, voor Italiaans, Engels en Spaans.

Opeens valt me op dat de woordenboeken van Nederlands naar een andere taal allemaal iets dikker zijn dan hun broertjes. Een controle van het aantal bladzijden bevestigt mijn eerste indruk. Heeft het Nederlands meer woorden voor hetzelfde begrip? Zijn Nederlandse woorden langer? Wie het weet mag het zeggen.

Ik ben een liefhebber van woordenboeken. In het buitenland ga ik altijd wel een boekwinkel binnen om te kijken of ik iets van mijn gading kan vinden, bijvoorbeeld boeken over de herkomst van woorden (etmologie). Aardig zijn ook de reisgidsen en dan vooral de equivalenten van “Hoe Zeg ik dat in het Frans?”

In een met Amsterdamse geveltjes geillustreerd boekje met de titel “Parler de néerlandais en voyage” zoek ik de naar een fonetisch gespeld zinnetje dat Franse toeristen zouden kunnen gebruiken bij reservering van een plaats in een concertzaal of theater:

“Zèïner noR pla:tse(n) op een andere daR?”

En als de Franse gast iets zoekt:

“”kuntu: mèi op de plateRront a:nwèïze wa:r datis?”

De Fransman krijgt bij zijn lunch in hotel l’Europe een rolmops:

“ik wé:t ni:e wat Het is.”

En bij groot verdriet:

“de Rèltaouto:ma:t Hé:ftmèïn ka:rt inReslikt.

Het fonetisch van de “Sprachführer Niederländisch” voor onze oosterburen die de reis westwaarts wagen staat vol letters die ik op mijn computer niet kan vinden, A’s zonder dwarsstreepje, e n met een extra lang rechter pootje, e’s en a’s die de andere kant opkijken, ypsilonnen met een druiper en X’en die door de regel zakken.

Moeilijk weer te geven. Eéntje dan, voor de Duitser die mee wil op de tweewieler “IS ar h:ir an ‘fit’sfarhy:r?”

De laatste

Voor de laatste keer dit seizoen ben ik de eindeloze betonnen trappen van het Philips-stadion afgedaald. Van mijn plaats, bijna onder de nok van het dak, naar het hek dat uitkomt op de Frederiklaan is die tocht elke week langer geworden.

De gezichten van de supporters met wie ik die gang maak zijn de laatste maanden grimmiger geworden. Je kunt de teleurstelling over een verloren seizoen er met een lepel afscheppen. Ondanks de 3-1 winst van vandaag.

In augustus, toen de warmte van de zomer nog in onze botten zat, togen we vol goede moed naar het epicentrum van wat wij toen nog de voetbalhoofdstad van Nederland durfden noemen. Eindhovuuhhh.

De nieuwe trainer gaf ons moed. Hij was een man die perfect bij onze club paste. En had hij niet een aanbevelingsbrief van Guus op zak? Onze verdediging was dichtgetimmerd met André Ooijer. Engelaar zou Ibi bij de hand nemen en samen zouden ze een geoliede scharnier op het middenveld vormen. Koef was herboren. Hij en Ola zouden de nieuwe Nederlandse doelpuntenmachine worden. We wisten het zeker.

Die allereerste wedstrijd van het nieuwe seizoen viel tegen. We konden niet winnen van de club uit Venlo. Gesterkt door de opmerkingen van de trainer dat hij nog aan het bouwen was en dat hij vooral in de kleedkamer prachtige dingen had gezien die wij niet konden weten, bleven we optimistisch.

En het ging goed. De kranten waren euforisch over onze club. Ik herinner mij nog een verhaal uit de Volkskrant waarin de verslaggever zich voor de winterstop af vroeg wie in staat zou zijn onze club dit seizoen te stoppen in de race naar het landskampioenschap.

Die gedachte gaf ons zelfs in de lange koude winter een warm gevoel. Terwijl de sneeuw het land had ingepakt dachten wij al aan de dikke laag confetti op het Stadhuisplein. We rekenden uit dat dat half april zou kunnen zijn.

En toen ging het mis. De club verloor een puntje hier en een puntje daar. Sommige jongens waren geen schim meer van wat ze voor de winter waren. De trainer begon steeds wolliger taal uit te slaan en het kostte ons moeite hem te volgen. Uit die brij van woorden begrepen we wel dat hij nog elke week vooruitgang zag. Wij niet.

En toen verloren we een spits aan de cocaïne en onze herboren rechtsbuiten aan een Russische club. Ze werden niet vervangen want volgens de clubleiding stond de brede bank klaar om in die gaten te duiken. Daar was geen woord van gelogen. Het was alleen jammer dat die brede bank steeds onder of over de bal dook. Nog slechts sporadisch hoefden wij op te springen en onze kelen schor te schreeuwen omdat één van de onzen scoorde.

Op de dag dat we het feest rond de platte kar hadden gepland telden we onze knopen en constateerden we dat het een verloren seizoen was. Maar nog erger, we constateerden dat bij de Nederlandse topclub in het zuiden des land de bezieling weg is. De meeslepende en bij tijden megalomane voetbalbestuurders hebben plaats gemaakt voor zuinige korte termijn-rekenmeesters.

De trainer daarentegen wordt in al zijn woede steeds duidelijker. Je vraagt je af wat hij al die tijd met zijn voetbal-abracadabra heeft willen verbergen. Ik meen nu zelfs tussen de regels door te horen dat hij zo gefrustreerd is dat het mij niet zal verbazen als hij in mei vertrekt.

We staan dus nu met lege handen en weinig perspectief. Lucratieve toernooien gaan aan ons voorbij. Net als de grote spelers die we in het verleden nog wel eens konden strikken en die de gang over die eindeloze betonnen trappen de moeite waard maakten.

Vocalies (109)

(Door Marlies)

Er is een nieuwe podcast, aflevering 49 alweer. Kliek hier.

Gisteren, vrijdag 16 april was het de Dag van de Stem. Een initiatief dat sinds 1999 ieder jaar op 16 april plaats heeft. Die hadden we nog niet, moeten ze gedacht hebben in 1999, een Dag van de Stem. Naast Valentijnsdag, vaderdag, moederdag, secretaressedag, internationale vrouwendag hebben we nu dus een Dag van de Stem.

Mooie gelegenheid het boek van Ineke van Doorn ‘Professioneel zingen voor iedereen’ te bespreken. Het ligt hier al een paar weken, zo niet maanden op mijn bureau en ik blader er af en toe doorheen. Het is een zwaar boek, ook vanwege het besluit de pagina’s glossy te maken en het boek in te binden, niet te plakken. Het is net alsof alles erin staat, tenminste alles over de lichte muziek-tak.

Ik heb me suf zitten piekeren over onderwerpen die ik erin zou missen, maar ik kan niks bedenken waarover Ineke niet geschreven heeft , wat de stem betreft dan. Het boek is een uitstekend naslagwerk voor zangers en zangpedagogen (die heten tegenwoordig trouwens stemcoaches, dat is hipper). Ze behandelt ook een paar onderwerpen die ‘ouwerwetse’ (klassieke?) zangpedagogen niet behandelen: microfoontechniek, optredens, audities…

Het enige dat ik er niet in terug kon vinden was ‘Das gewisse Etwas’, waar ik het in deze rubrieken wel eens over heb: wat maakt een stem nou aangenaam om naar te luisteren, waarom drijft de ene stem je de tranen naar de ogen en doet de andere je de tenen krullen? Het is ook moeilijk te vatten hoe dat komt en ik ga me niet laten verleiden een poging daartoe te wagen, voorbeelden genoeg op radio en televisie.

Je bent het er zelden over eens en het is ook leuke discussiestof: ik mag graag de degens kruisen over de klassieke zangers, daar weet ik wat van. En in zo’n clubje roepen dat je vindt dat Callas vreselijk zingt levert altijd felle voor- en tegenstanders op. Onder het genot van een glas kun je dan nog uren voort.

In de pop- en jazz-wereld kan het volgens hetzelfde principe, ik hou me dan altijd een beetje gedeisd en leer bij; van jazz- en pop weet ik niet zoveel, daar heb ik slechts mijn boerenverstand en goeie smaak in te zetten. Van beide ben ik in ruime mate voorzien, als je boven de vijftig bent durf je dat wel hardop te zeggen/schrijven.

Koop het boek van Ineke vooral als u ‘iets met zingen wil gaan doen’. Een leerling gebruikte lang gelden die term toen ik vroeg waarom hij eigenlijk les wilde, terwijl hij geen spaan talent had, geen taalgevoel en weinig geheugen… ‘ik wil iets met zingen doen’. Ga d’r maar aan staan.

Denk niet dat u kunt zingen nadat u het boek hebt doorgeploegd en alle oefeningen minstens één keer gedaan hebt. Echt zingen is geen optelsom van truucjes. Er komt meer bij kijken: karakter, een gezonde, open psyche, een gezond lijf, humor, relativeringszin, discipline... en zo kan ik een alinea vol schrijven.

In een krantenartikel over haar boek noemt Ineke van Doorn een aantal (pop)zangers met een speciale stem; ik zet ze hieronder op een rijtje, zodat u ze zelf eens kunt googelen:

- Ella Fitzgerald (How high the moon)
- Billy Holiday (Don’t explain)
- Amy Whitehouse (Moody’s Mood for live)
- Janet Jackson (Again) (over hoe het niet moet)
- George Michael (You have been loved)
- Al Jarreau (Take five).

Klassiek lijstje van (een deel van) mijn favorieten in willekeurige volgorde:

- Renata Scotto (vooral haar Madama Butterfly)
- Cecilia Bartoli (coloratuur, coloratuur, coloratuur)
- Joan Sutherland (zingt jammer genoeg niet meer)
- Rolando Villazon
- Nicolai Gedda
- Boris Christoff (al lang dood)
- Bryn Terfell

Ik hou op: ga er maar mee achter You tube zitten als u tijd hebt. Vooral als u tijd hebt want voor je weet ben je uren verder…

Hulde voor Ineke van Doorn en hulde voor het initiatief van de Dag van de Stem, al vond ik er weinig van terug in kranten en op internet. We zouden er meer heisa over moeten maken, onze stem verheffen bijvoorbeeld... maar ach, in deze turbulente tijden van crisis...

Ineke van Doorn, Professioneel zingen voor iedereen
ISBN 978904940035

Nieuwe auto

Mijn vrouw heeft vanmiddag een nieuwe auto gekocht. Er was niks aan. De verkoper dacht helemaal niet dat ik degene was met wie hij zaken moest doen. Daarom ging hij met mij ook niet over power of lichtmetalen velgen praten.

Hij sprak alleen maar met mijn vrouw over geld. En over de kleur natuurlijk. En dat niet eens semi-grappig bedoeld omdat vrouwen over de kleur gaan, maar omdat het haar auto is.

Zo was er voor een weblogger niks aan in de showroom. Dus ja, wat kan ik er over schrijven. OK, ik heb de grap gemaakt dat in de kofferbak van het nieuwe model Ka een groot krat bier kan, maar dat zegt natuurlijk meer over mijn platte humor dan over zo'n verkoper. Dat was niet eens een gladde jongen maar gewoon een aardige vent.

Nou ja, het is ook maar beter zo. Ik heb de ballen verstand van auto's. En ik drink niet eens bier.

Horde

Het is een boeiend lijstje geworden. Vier kandidaat-Kamerleden voor de PVV zijn besmet. Een kandidaat die met een pistool in de broekriem rond liep; een advocate die een imam verdedigt die vanwege zijn omstreden uitspraken dreigt te worden uitgezet; een dame die te boek staat als psychologe terwijl ze dat niet is en dan een meneer die zichzelf Nederlands recordhouder hordelopen noemt terwijl hij dat niet is.

Ik ben geen fan van de PVV, maar mag ik bij tenminste twee van de verwijten een kleine kanttekening plaatsen. Ik snap niet waarom de betreffende advocate wordt nagedragen dat ze een imam verdedigde. Dat is nou eenmaal het werk van een advocaat. Het verdedigen van een cliënt hoeft niet te betekenen dat een advocaat het eens is met diens gedrag. Net zo goed als er advocaten zijn die kinderverkrachters verdedigen. Dat een aanstormend PVV’er een imam verdedigt vind ik curieus maar ook niet meer dan dat.

En dan die hordeloper. Dat vind ik een heel sneu verhaal. Die man heeft niet helemaal gelogen. Hij is recordhouder bij de atleten tussen de 35 en 39 jaar. Telt dat niet, vraag ik dan als man van middelbare leeftijd. Nee, blijkbaar niet want in het Volkskrantje zegt Erik Roeske van de Atletiekunie: “Leuk, maar wat koop je er voor?”. Nou, met zo’n bondsbestuurder, van wie je verwacht dat hij alle leden die iets presteren steunt, heb je als aankomend Kamerlid voor de PVV verder geen vijanden meer nodig.

Principes

Ik ben lid van een vakbond, de Nederlandse Vereniging van Journalisten. Daar ben ik lid van geworden toen ik journalist werd, in 1974. Jarenlang was ik een vakbondsman, totdat ik vond dat mijn bond zich vooral inzette voor “Hilversum” en niet voor de regionalen. Ach, we hebben allemaal wel eens een recalcitrante periode.

Ik werd lid van een andere bond. Ik weet niet eens meer welke. En toen gingen al die bonden fuseren en werd ik automatisch weer lid van de NVJ. Omdat mijn recalcitrante periode nog niet voorbij was bedankte ik weer en ging zonder vangnet door het leven.

Totdat een paar jaar geleden een collega mij er van overtuigde dat ik toch echt lid moest worden. Al was het maar uit solidariteit. Vooral het argument dat ik – en veel collega’s die geen lid waren van de NVJ – anderen “de kastanjes uit het vuur liet halen” overtuigde mij. Ik werd weer lid.

Voor de NVJ betaal je schrikbarend veel contributie als je dat vergelijkt met andere bonden. Dat komt geloof ik omdat journalisten schrikbarend veel verdienen. Dat lijkt mij niet helemaal waar, maar ik kan het niet controleren omdat gesprekken over je salaris het grootste taboe in Nederland zijn, na ouders die zeggen dat ze eigenlijk niet van hun kinderen houden.

Ik krijg best vaak mail van de vakbond. Vandaag bijvoorbeeld. Ik ben uitgenodigd voor een bijeenkomst met als thema “geld of principes”. Dat is bedacht omdat steeds meer freelancers voor publieke en commerciële omroepen werken. De vraag is dan in hoeverre je onafhankelijk kunt en vooral wilt blijven.

Geld of principes? Dat vind ik een beetje simpele vakbondsretoriek. De gevleugde uitdrukking in dit soort kwesties is op de werkvloer tegenwoordig: je hebt principes en je hebt vaste lasten. Die vind ik eigentijdser dan die van de NVJ.

Dutroux

Soms lees ik dingen die ik bijna niet kan geloven. Vandaag stuitte ik op een column van pastoor Schilder uit Tilburg. Hij is veel in het nieuws geweest omdat hij ’s morgens vroeg de klokken van zijn kerk luidde en de hele buurt wakker maakte.

In de column haalt Schilder uit naar witheer Denis van de norbertijner priorij in Tilburg. Denis is kritisch op de Rooms-Katholieke Kerk. Schilder, die bekend staat als een rechtlijnig mens, is daar boos over. Hij geeft Denis er van langs.

Ik was zo verbijsterd door wat ik las dat ik het met u wil delen.

Schilder schrijft:

Welke argumenten gebruikt heer Denis tegen de liturgiehervorming in het bisdom? Eigenlijk maar één, en dat is niet eens een echt argument: ‘Wat al jaren een goede dienst heeft bewezen in de liturgie mag niet gebruikt worden.’ En dát kan hij zich niet voorstellen. Maar sinds wanneer zijn misbruiken die al jaren lang getolereerd zijn automatisch goed? Dat is hetzelfde als zeggen: ‘Jarenlang is het fijn geweest op school x en nu zegt de Onderwijsinspectie ineens dat we het niet goed doen.’ Tja, daarvoor is inspectie juist bedoeld; om cocooning tegen te gaan en de blinde vlekken weg te nemen ten bate van scholieren. Geen dankbare taak, maar wel een belangrijke.

(…)

En dan de klap op de vuurpijl: het seksueel misbruik in de kerk. Hier geldt niet meer: Wat jarenlang fijn is gegaan, kan nu toch niet ineens fout zijn? Dat zou consequent geweest zijn. Fout, maar consequent. Neen, ook hier blijkt dat eigenlijk alleen op onnadenkende wijze de mening van de dag wordt gevolgd. Wij vinden het nu ineens verschrikkelijk dat kinderen door volwassenen seksueel worden bejegend, maar tot aan de zaak Dutroux werd daar (ook in de media) heel anders over gedacht en gepraat! Geen misverstand, heer Denis zit goed als hij ambtelijk misbruik hekelt. Maar wist hij dan niet van de holebi-weekends in de moederabdij van Heeswijk? Daar werd toch geen enkele probleem gemaakt van een homoseksuele levenswijze door katholieken? Was dat dan wel goed, enkel omdat het om meerderjarigen ging? Ja, ik hoor het heer Denis al denken.


Ik betreur het zeer dat ik geen Rooms-Katholiek ben. Wat zou ik graag demonstratief bedankt hebben.

Het hele verhaal staat hier.

Op z'n Grieks

(Door Ab Klaassens)

Nu Griekenland zo in het nieuws is vanwege een nogal chaotisch financieel beleid denk ik aan een wandelvakantie in de Penepolosos, een groepsreis onder leiding van een Griekenlandkenner, een jaar of tien geleden.

Nadat ons reisgezelschap, zestien personen sterk, op airport Athene was gearriveerd wachtten we, zoals iedereen op elke luchthaven waar ook ter wereld, geduldig op de uitslag van de loterij die, in termen van de luchtvaartmaatschappijen, “luggage-handling’ heet. Nadat de helft van ons gezelschap de koffers en tassen van de lopende band had geplukt stokte de levering van de resterende bagage. Bij navraag bleek dat het personeel van de bagage-afhandeling een uurtje pauze had genomen want het was warm en tijd voor een drankje.

De bus die onze reisorganisatie had besteld voor onze tocht naar de Penepolosos begon de reis dus met ruim een uur vertraging en dat werd nog erger toen de bus enkele kilometers na Athene een lekke band kreeg. Helaas deed de krik het niet, en de medewerkers van de Griekse wegenwacht waren zó druk met paasinkopen dat ze ondanks veel belovende telefoontjes niet verschenen.

Op initiatief van één van onze reisgenoten brachten we de bus al duwend tot een schommeling waardoor de chauffeur een stuk rots onder één van de assen kon schuiven. Daardoor kwam het chassis voldoende omhoog voor vervanging van het wiel met de lekke band.

In het reisprogramma stond dat we onderweg naar ons hotel in de Penepolesos ergens in een restauarant zouden gaan eten, maar de zaak bleek gesloten. Een eindje verderop brandde nog licht op een adres dat op een restaurant leek. Het bleek een bakkerij te zijn waar hele lammeren, pittig gekruid, in grote ovens werden geroosterd, wat een heerlijke geur verspreidde.

Voor ons, hongerigen, werd een bejaarde oma ingeschakeld, die voor het eerst in haar leven een tosti-rooster mocht bedienen. Zij verpakte een dun plakje kaas tussen twee dikke sneden brood, klemde dat in het rooster en overhandigde het resulaat van haar inspanningen binnen een halve minuut met een brede glimlach aan de hongerige reiziger. Het tosti-rooster was niet aangesloten op het elektriciteitsnet.

Aangekomen in het hotel voor onze eerste overnachting moesten we ervaren dat er niks eetbaars te verkrijgen was; iedereen kreeg een limonadeglas vol metaxa, een Griekse variant van de cognac. De volgende ochtend verscheen de Griekse chauffeur met bestelbus voor het vervoer van bagage niet op het afgesproken tijdstip. Hij vond een dag later vroeg genoeg.

Wel eens op de Akropolis geweest? Als het niet te warm was geweest om die ouwe troep op te ruimen hadden de Grieken er wel een mooie woonplek van gemaakt: residance Akropolis.

Vocalies (108)

(Door Marlies)

Merkwaardige première op 9 april 1853 en een leuke, want het is koren op mijn molen: de première van het Avé Maria van Bach/Gounod geeft mij de gelegenheid om mijn in jaren opgebouwde gram over het stuk eens lekker op u bot te vieren. Ik vind het een draak van stuk namelijk, het gaat aan alle kanten mank en het is bijna onmogelijk om het goed te zingen. Bovendien is het larmoyant en in de tijd tussen 1853 en nu al vele malen door mensen verkracht. Dus we gaan meneer Gounod postuum eens flink onder handen nemen, wat heeft hem bezield.

Johann Sebastiaan Bach completeerde in 1722 het boek Das Wohltemperierte Klavier (in 1742 kwam er een tweede boek met dezelfde titel, maar volgens mij hebben we het hier over het eerste, uit 1722 dus), vooral voor studie-doeleinden. Kon hij bevroeden dat er in 1853 (bijna anderhalve eeuw later) een goof in Frankrijk een melodie overheen zou schrijven, hij had er wellicht iets anders van gemaakt.

Ik ga het u uitleggen.

Als je als beginnend zanger wat ervaring wil opdoen, zing je nog al eens wat wij hier in het zuiden ‘rouw- en trouwmissen’ noemen: diensten ter gelegenheid van een huwelijk of een uitvaart. Dan komen de kaskrakers langs en van de kaskrakers is het Avé Maria van Bach/Gounod er één van, zo niet de grootste.

De meeste mensen weten niet eens dat het door Bach en Gounod geschreven is, maar vragen om het Avé Maria ‘dat aan het einde zo lekker hoog gaat’. En inderdaad: als je het gedrocht in F zingt is de hoogste noot, vlak vóór het einde een a-2 (de wat minder hoog-gestemden onder u kunnen gerust zijn: er bestaan ook versies in E en in D).

Ik heb het Avé Maria een paar keer gezongen en probeerde daarna (vaak vruchteloos) mensen te bewegen in de richting van Schubert, Mozart, Verdi (prachtig Avé Maria, uit Otello), Caccini, Tosti, affijn je noemt maar een componist; bijna allemaal schreven ze een (variant op) het Avé Maria en bijna allemaal zijn ze beter gecomponeerd dan de variant van Bach/Gounod.

Het is niet de hoge noot aan het eind die mij een hekel aan het stuk deed krijgen; ik heb een makkelijke hoogte en vanaf g-2 gaat het mij pas echt lekker: tot en met de hoge c is er geen enkel probleem en als rechtgeaarde sopraan hoor je het lekker te vinden om hoge noten te tetteren. Het is het ritme, oftewel de combinatie van twee onmogelijk samen te voegen ritmes die mij (en de begeleidende organist) irriteert.

Bach schreef een regelmatig oefening, steeds twee sprongetjes in de linkerhand van de piano (eigenlijk clavecimbel, zo lees ik ergens) en drie in de rechterhand. Gounod schrijft daar een vloeiende lange lijn overheen, die op gezette tijden strijdt met de begeleiding en wat doe je op zo’n punt als intuïtief zanger: je gaat rommelen met het ritme, achter of voor lopen op de begeleiding en het wordt een zootje. Na enig oefenen komt er dan wel weer een moment dat je de kans krijgt even te wachten op je begeleider (meestal andersom trouwens: de begeleider moet maar op jou wachten, je bent tenslotte solist of je bent het niet; why be difficult, when with a little more effort you can be bloody impossible…) zodat het geheel weer even in de pas loopt, maar even later gaat het weer mis en ergens halverwege raak je elkaar voorgoed kwijt als de begeleider er niet een paar tellen bij maakt.

Nou weten de meeste begeleiders dat en als ze je welgezind zijn wachten ze ook inderdaad en frummelen er een paar telletjes tussen, maar DAT STAAT ER NIET!!!!! En wat er staat is voor de meeste begeleiders wet en die gaan ze echt niet met voeten treden, al helemaal niet voor zo’n eigenwijze sopraan. Ik heb eens met een begeleider precies proberen te doen wat er stond en we kwamen bijna twee maten na elkaar uit (ik mag eraf wezen wie er het eerste de finish haalde, het is een tijdje geleden).

Dus mijn boodschap aan u: vraag niet om die draak, maar kies een harmonisch en in één keer gecomponeerde versie van een andere goeie componist; mijn advies aan Charles Gounod: frommel de partituur op en smijt hem zo hard je kunt in de prullenbak en mijn advies aan Bach: keer je niet om in je graf als je het gedrocht weer eens lang hoort komen, want dan blijf je aan het draaien.

Geen filmpje dit keer: in alle versies die ik beluisterde wordt het probleem weggemoffeld, meestal door de begeleiding zo wollig te maken dat je het niet kunt horen, of door de zangpartij mee te laten spelen doorstrijkers (die je als b-circuit-zanger nou eenmaal niet tot je beschikking hebt), waardoor het ritme volkomen zoek is. U mag zelf eens surfen en uw oren trainen…. wie weet hoort u het. En ik hoor het uiteraard graag als u het met me oneens bent.

Scrabble

Ik ben geen spelletjesmens. Ik mag af en toe graag een potje rikken, maar dan houdt op. Misschien komt het omdat ik vroeger te veel gezelschapsspelen heb gedaan. Stratego was mijn favoriet. Ik was er goed in. Vooral omdat ik een meester was in de misleiding door de vlag nooit tussen de bommen te zetten. De mineurs van de tegenstander baanden zich altijd tevergeefs wegen door mijn stellingen.


We speelden vroeger ook veel scrabble. Daar was ik ook goed in. Van jongs af aan las ik alles wat los en vast zat en daardoor kende ik veel woorden.


Dat scrabbelen leidde vaak tot verhitte discussies. De verbale woordenstrijd was soms heftiger dan de woordenstrijd op het bord. Mocht een bepaald woord nu wel of niet? Er waren strenge regels. Wij speelden het meestal met de Dikke van Dale op tafel. Dat was de maat der dingen.


We hebben lang gesproken over de vraag of S-E-X kon toen iemand het voor het eerst durfde te leggen. In mijn jeugd vonden mensen het moreel onjuist om dat woord uit te spreken, terwijl Van Dale het goedkeurde. Omdat het moeilijk was om iets anders te verzinnen met die vermaledijde X mocht sex op het scrabbelbord. We legden het met rode konen.


Ik ben later nog wel eens met het spel in aanraking gekomen toen ik als verslaggever een verhaal maakte over het Nederlands Scrabblekampioenschap dat toevallig in ons dorp werd gehouden. Daar zag ik mensen het gezelschapsspelletje zien spelen met een fanatisme waar ik met mijn verstand niet bij kon.


Daarom ontgaat mij ook de opwinding die er is ontstaan nu Mattel heeft besloten de scrabbleregels op te rekken. Mattel is de maker van het spelletje. Voortaan mogen eigennamen, zoals bijvoorbeeld Beyonce ook (Y, altijd lastig). De scrabblefanaten staan op hun achterste benen. Dat kan niet! Dat mag niet! Dat zal niet!


Het zal wel aan mijn gebrek aan competitiedrang liggen dat ik bij mezelf denk: maak je niet druk, negeer Mattel en blijf tijdens je toernooien lekker met een oud spel volgens je eigen regels spelen. Los het pragmatisch op, dat deden wij vroeger ook. Maar bedenk wel wat je mist. Want wat leveren Xaviera en Xander wel niet op met drie keer woordwaarde?

Biesbosch

Ik had nog wat plaatjes over van afgelopen paasweekend toen we hebben gewandeld in de Biesbosch onder Dordrecht. Misschien doe ik u er een plezier mee.





Spoom

(Door Ab Klaassens)

Wie wel eens uitvoerig heeft gedineerd in Normandië kent misschien ´le trou Normand´, het Normandische gat. Halverwege zo´n diner, zwaar van room en boter, krijg je een glaasje calvados of ander distillaat met een hoog alcoholpercentage dat, volgens de Normandiërs, een gat slaat in je maaginhoud, zodat er ruimte komt voor nog meer heerlijkheden.

In Nederland was het in sommige restaurants een paar jaar mode om je halverwege een drie/ viergangen-maaltijd een ´spoom´ aan te bieden. Dat was dan een hoog glas, gevuld met sorbetijs, overgoten of opgeklopt met champagne of een verre neef daarvan. Zo´n hap lag je dan zo koud op de maag dat je geneigd was de ober onmiddellijk om de jassen te vragen. Nooit had ik me afgevraagd waar dat ‘spoom’ vandaan kwam, tot iemand het me vroeg.

Van Dale meldde mij dat ‘spoom’ een Engels woord is. Ik raadpleegde diverse Britse dictionnaires maar kwam het woord ‘spoom’ niet tegen. Wel een woord met dezelfde uitspraak, namelijk ‘spume’, met de betekenis van ‘speeksel’en ‘schuimig’. En opeens herinnerde ik mij van een lowbudgetvakantie in Italië de flessen schuimwijn Asti-Spumante en de bordjes met ‘non sputare sporgersi’ – niet naar buiten spugen – in de trein.

Waarop ik een brief schreef naar de redactie van Van Dale met de mededeling dat je bij de beschrijving van ‘spoom’ beter aan het Italiaans kunt denken dan aan het Engels. Maar helaas: Van Dale rapporteerde mij dat ‘spoom’ inmiddels als Brits woord was opgenomen in de Brittannica, het meest gezaghebbende naslagwerk van de wereld. Dat valt je dan weer koud op het dak.

Piëteit

Ik vraag me wel eens af wat mensen doormaken als ze vanuit het niets overvallen worden door het complete Nederlandse journaille, dat zich als een zwerm sprinkhanen op dat ene brokje nieuws stort.

Vorige week werd bekend dat er glazen plaatjes uit begin vorige eeuw zijn opgedoken met daarop beelden van het vermoorde lichaam van Marietje Kessels. Het kind werd in 1900 vermoord in een Tilburgse kerk. Een interessant verhaal dat tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt. U moet maar eens googelen.

Het Breda’s museum ontfermde zich over die beelden. De regionale krant schreef er een verhaal over. De foto’s bleven in het archief. Het zijn gruwelijke beelden en het museum wilde ze uit piëteit met de nabestaanden niet laten zien.

Toen kwamen wij van de regionale omroep. Hetzelfde verhaal. Geen denken aan dat er foto’s getoond zouden worden. Want, de nabestaanden . . . .

Op dat moment wisten we niet wat er op die foto’s stond. Wel vroegen we ons in het algemeen af hoe schokkend in de 21ste eeuwse beeldcultuur een foto van een dood meisje kan zijn dat je derdegraads nabestaanden dat niet aan kunt doen.

Het museum was niet te vermurwen. Piëteit, piëteit, piëteit, was wat ze riepen. U begrijpt dat ik ’s avonds van mijn stoel donderde toen ik in De Wereld Draait Door Pierre van der Ven van het Breda’s Museum zag zitten met foto.

Het inderdaad gruwelijke plaatje mocht maar heel even getoond worden. Pierre heeft er waarschijnlijk niet bij stil gestaan dat er zoiets als uitzending gemist is. En dat je dat framepje met die foto net zo lang stil kunt zetten als je wilt.

En dan vraag ik mij af: wat is er nou in die 24 uur in het Breda’s museum gebeurd dat piëteit plotseling niet meer gold. Het zal de kracht van Matthijs van Nieuwkerk wel zijn.

Jaloers

Ik keek vroeger altijd met een zekere jaloezie naar de roomse medemens. Waar ik als gewezen bovenrivierse protestant werd besmet met een schuldgevoel leefde de rooms-katholiek aan de andere kant van het water er blijmoedig en Bourgondisch op los.

Waar ik met angst en beven een leven lang moest afwachten of aan het eind van de rit mijn zonden zouden worden vergeven konden de roemsen elke week hun zieltje in de biechtstoel laten reinigen door een vriendelijke begripvolle oude heer in een jurk die zelf zonder zonden was.

Ach, inmiddels weet ik beter. Ik heb de kerk verlaten omdat ik geloof dat dat niet het instituut is dat de wereld kan verbeteren. Er zijn in elke religie te veel uitwassen om als organisatie een voorbeeld voor de wereld te kunnen zijn. Alleen individuen kunnen voorbeeldig zijn. Als je meent het heil te moeten verspreiden moet je je vooral niet inlaten met mensen die jouw goede bedoelingen zouden kunnen bezoedelen.

Ik weet inmiddels ook dat de roomsen het niet meer zo gemakkelijk hebben. Je merkt dat mensen lijden onder de verhalen over misbruik.

Desondanks heb ik nooit veel van deze tak van het christendom begrepen. Het heef mij altijd verbaasd dat mensen op hun blote knieën voor een gipsen beeld van de Heilige Antonius van Padua gingen liggen in de hoop dat ze hun verloren sleutelbos terug zouden vinden.

Wat ik als gedecentraliseerde protestant helemaal nooit heb begrepen is dat een paar oude mannen in een Romeinse enclave bepalen dat een eenvoudige monnik in de Kempen bij grote opwinding en bij gebrek aan een zachte warme vrouw niet even met zijn eigen pieleke mag spelen.

Maar het allergekste heb ik altijd de biecht gevonden. Hoe gek dat is blijkt de afgelopen weken. Kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders roepen van alles (ich hab es nicht gewusst; aanval op de kerk lijkt op antisemitisme), jagen daarmee de halve wereld op de kast, en vervolgens bieden ze hun excuses aan. Klaar is Kees. Vergeven en vergeten.

Dat is toch om jaloers op te worden.

Geschiedenis

Ik heb in mijn journalistieke loopbaan veel nieuwe mensen op de werkvloer mogen begroeten. Omdat ik één van de laatste journalisten ben die van de straat werd geplukt, hebben alle mensen na mij een journalistieke academie doorlopen. Vier jaar blokken voor het journalistendiploma.

Hoewel ik nog nooit een jonge collega een positief woord heb horen zeggen over de inhoud van de HBO-studie voor journalisten heb ik over de meeste nieuwkomers niks te klagen.

Het is vooral ontwapenend te zien hoe zij met frisse moed op onderwerpen afstormen die oudere journalisten al eerder hebben meegemaakt. Fortuyn nieuw? Wilders nieuw? Wel eens van Boer Koekoek gehoord? De geschiedenis herhaalt zich voortdurend in andere gedaanten. Daarom is het goed dat de journalistenscholen steeds nieuwe generaties uitbraken.

Ik kom op deze ouwelullenpraat omdat ik gisteren in het Volkskrantje een interview las met de Twentse hoogleraar politicologie Kees Aarts. Er stond tussen haakjes 50 achter zijn naam. Waarschijnlijk om te onderstrepen dat hij het ook allemaal al een keer heeft meegemaakt.

Binnenkort verschijnt van onder anderen zijn hand de datagids Dutch Parliamentary Election Studies. Daarin staat wat de kiezers al decennia lang beweegt. Het blijkt dat niets zo grillig is als de moderne Nederlandse kiezer. Thema’s en mensen waar kiezers achteraan rennen wisselen razendsnel.

Dat lijkt mij een interessant studieboek. Volgens mij interessanter dan vier jaar HBO Journalistiek. Behalve als je showbizzreporter wilt worden natuurlijk want de hang naar roddel en achterklap is al eeuwen een constante.

Het verhaal sluit met een mooie passage. Aarts was naar een congres in Boedapest geweest. Toen hij terug was op Schiphol en zijn telefoon aanzette bleek de pers gebeld te hebben. Dankzij Job Cohen schoot het zetelaantal van de PvdA omhoog. Aarts daarover: “Wat ik daarvan vond. Ik heb maar niet teruggebeld. Dat gaat echt nergens over.”

Wel jammer natuurlijk voor de journalist die de voicemail van Aarts had ingesproken. Heb je na vier jaar HBO ontdekt dat er een nieuwe politieke Messias is opgestaan en dan word je niet teruggebeld omdat iemand vindt dat je vraag nergens over gaat.

Vocalies (107)

(Door Marlies)

Voor een nieuwe radiopodcast klik hier.

Bijzondere sterfdag vandaag, deze paaszaterdag. In 1986 stierf op deze dag Sir Peter Neville Luard Pears, kortweg Peter Pears, levenspartner van componist Benjamin Britten, begenadigd tenor en een van de eerste zangers die openlijk zijn homo-sexualiteit ‘bekende’. Hij kwam Britten tegen in 1934, verscheen met hem in het openbaar in alle vriendschap, zong concerten met Britten als begeleidend pianist en was een van de beste vertolkers van de composities van Britten. Ze werden onafscheidelijk.

Je moet van het geluid van zijn stem houden, jammer dat de opname-technieken in de hoogtijdagen van Pears nog niet zo optimaal waren als tegenwoordig, want dan hadden we beter kunnen oordelen. Tegenstanders beweren dat Pears maar één goede noot had, voorstanders hebben het over de wendbaarheid van de stem en de prachtige articulatie.

Pears beheerste zijn talen, maar zong het mooiste in het Engels. Britten schijnt zijn opera ‘Peter Grimes’ speciaal rond die goeie noot van Pears te hebben geschreven. Die goede noot van Pears is mijn lastigste noot: de e boven c-II. Ik weet daar nooit of ik al in kop-register zal gaan zingen, of dat ik nog in het midden moet blijven. Reden waarom ik lang tegen de toon gezongen heb ik de buurt van de beruchte e.

Ik was daar overigens niet de enige in: veel sopranen hebben last van die e. Tipje voor zangers die dit lezen: als de noten ná die bewuste e omhoog gaan: schakelen naar kopregister, als ze omlaag gaan na de e: in het middenregister blijven zingen. Aanvullend tipje: neem al mijn tipjes met een korreltje zout, er zijn altijd uitzonderingen op regels.

Maar goed, Pears dus: hij werd geboren in Farnham, Surrey, Engeland op 2 juni 1910 Hij studeerde muziek aan Keble College in Oxford en bespeelde tegelijkertijd het orgel van zijn school. Na zijn studie, die hij zonder diploma be-eindigde, ging hij stemtechniek studeren aan het Royal College of Music in Londen.

Hij debuteerde aan The Met in 1974, als Aschenbach in Britten’s opera Death in Venice. Hij trad ook regelmatig op in Covent Garden en andere grote operahuizen in Europa en Amerika. Ik vind hem een prachtige lied-zanger.

In het filmpje de mad-scene uit Peter Grimes. Hoewel wat gedateerd (dat haar is vreselijk!) van acteerwerk is het een prachtig stukje vakwerk dat Peter Pears daar vertolkt. Hij moet zich heel nauw verwant aan Britten hebben gevoeld: er is niemand die de muziek van Britten zo goed aanvoelt als hij.

Britten stierf in 1976, Pears tien jaar later, in 1986; ze liggen naast elkaar begraven in de kerk van het dorpje waar ze meer dan dertig jaar samen woonden en werkten: Aldeburgh. Hun woonhuis is nu gewijd aan de muziek van hen beiden.

Schrik

Vroeger hadden mediabedrijven een privilege. Gemeenten vonden journalisten zo belangrijk dat zij enkele huurhuizen beschikbaar hielden voor de plaatselijke pers. Echt waar. Ik heb in Harderwijk en in Barneveld in “een huis voor de krant gewoond”.

Opeens kwam daar een einde aan. Journalisten werden gewone mensen die zelf maar een huis moesten zoeken. Ik had toen een probleem. Mijn gezin kon door omstandigheden het huis waarin wij woonden niet langer huren.

Het huren van een ander huis was geen optie. De wachttijd was in de jaren zeventig in Barneveld minimaal zes jaar. En zo kochten wij een huis voor een bedrag dat u – bij wijze van spreken - nu uit uw kontzak zou trekken maar dat voor een beginnende journalist met twee kinderen toen een rib uit het lijf was.

Goddank was er de H., die wij toen nog gewoon hypotheekrenteaftrek mochten noemen. Dankzij die maandelijkse bijdrage uit de staatsruif konden wij wonen. Klein maar fijn.

Later raakte ik op drift, op zoek naar nieuwe horizonten. Die zoektocht bracht mij op verschillende plekken in het land. Nu woon ik in mijn vijftiende huis, dat mijn vijfde koophuis is.

Toen ik Marlies leerde kennen wilden we aanvankelijk huren omdat zo’n koophuis best veel kopzorg geeft. Lekkende dakgoten, afgebladderde kozijnen, gedateerde keukens.

Maar er was geen sprake van huren. Ik was gescheiden en had een enorme financiële verplichting aan mijn eerste echtgenote. Het salaris van Marlies werd bij huur niet meegeteld. Niemand wilde ons een huis verhuren. Voor sociale woningbouw waren de wachttijden nog steeds enorm. We konden alleen huren op plekken waar we nog niet dood gevonden wilden worden. Plekken waar de kans om als zodanig gevonden te worden niet eens denkbeeldig was.

We konden wel kopen met twee salarissen. Ach meneer, hoeveel geld wilt u hebben, vroegen de hypotheekverstrekkers. En: mag het een tonnetje meer zijn.

Dus zo kwamen we toch weer in een koophuis. Mede dankzij de staatsruif. Omdat wij een aantal jaren sneller van huis wisselden dan van schoon ondergoed, hebben we goed geboerd. U hoort mij niet klagen.
En al die tijd bleef de belasting maandelijks mee betalen. Ik heb me wel eens afgevraagd waar die overheid dat allemaal van deed.

En nu lijkt het uit met de pret. De hypotheekrenteaftrek in z’n huidige vorm dreigt afgeschaft te worden. Daar ben ik best van geschrokken. En als ik dan al die wilde bezuinigingsvoorstellen lees die vandaag zijn gepresenteerd dan schrik ik nog meer. Minder aftrek, huis veel minder waard, koopkracht daalt. Mijn god, het is nogal wat.

Nu komen er verkiezingen en dan vraag je je af: moet ik op een partij stemmen die tegen het afschaffen van de H. is? Ik geloof niet dat ik dat doorslaggevend vind voor mijn keuze. Mijn generatie en de babyboomers die er net iets eerder waren, hebben goeie jaren gehad. We zullen overleven want we zijn gewend voor het leeuwendeel van onze centen hard te werken.

Mijn stem gaat naar de partij die zorgt dat er werk is voor iedereen en geld voor mensen die echt niet kunnen werken. O ja, en geen geld voor mensen die wel kunnen werken maar het verdommen.

Powered by Pivot - 1.40.5: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed