Juni 1949 betrad ik, zestien jaar oud, in colbert met plusfours, als jongste bediende drie statige herenhuizen aan de Heerengracht, Amsterdam, samen vormend de huisvesting van Handelmaatschappij H. Albert de Bary, een bank voor de hogere standen. Ik kon gaan werken op het directiesecretariaat.
Voor nog geen zestig gulden in de maand mocht in daar leren hoe je een kaartsysteem bijhoudt, schrijfmachinelinten vervangt, zonder morsen koffie haalt uit de kantine en een kopieermachine bedient die niet werkt op elektra maar op water en aniline-inkt en vochtopnemend papier.
Het geldverkeer tussen de Amsterdamse banken ging toen niet over de giro, maar via zogenoemde geldlopers, mannen die met koffers vol contanten van de ene bank naar de andere liepen. Die mannen werden in die jaren herhaaldelijk overvallen, reden waarom mijn bank een neutraal ogende snotneus als ondergetekende belastte met de taak talloze bundels waardepapier naar andere banken te brengen, waarbij mijn plusfours, bij Amsterdammers bekend als ‘drollenvangers’, van grote waarde bleken.
Niettemin verlangde ik hevig naar een echte lange broek, zelf te kopen zonder begeleiding van mijn moeder die tot dan altijd en beslissende rol had vervuld bij de aanschaf van mijn kleding. Nadat ik mijn eerste loon had ontvangen begaf ik mij naar de Amsterdamse Nieuwendijk waar voor elke kledingzaak een ‘stoepier’ klaar stond om je met mooie smoezen naar binnen te lokken waar dan weer een andere gluiperd je in zijn vallen lokte.
Ik kwam thuis met een wollige broek in bruin visgraatmotief. Mijn moeder nam het textiel in handen en oordeelde: “Bonenzakkenduffel.” Dat woord ben ik nooit meer tegengekomen, maar ze had gelijk.
Geven en nemen
Er zijn dagen geweest dat ik de journalistiek de rug toe wilde keren. Dat waren de dagen waarop ik het gevoel had dat de journalistiek mij de rug had toegekeerd.
Dat waren moeilijke dagen. Dagen die werden gevolgd door slapeloze nachten. Nachten die uitmondden in een vicieuze cirkel van onbehagen.
Uiteindelijk realiseerde ik me dat het in de journalistiek niet anders is dan in welke andere relatie ook. De balans tussen passie en rationele liefde slaat langzaam maar zeker door naar het laatste.
Ik besloot tot een verstandshuwelijk met mijn vak, met als belangrijkste doel dat vak te steunen tot de dood ons scheidt. En anderzijds om mijzelf vast te zuigen in de hectiek zonder welke ik verloren rond zou dwalen.
En dat gaat goed, vooral als je respect voor elkaar blijft opbrengen. O ja, er is wel eens strijd. Natuurlijk. Welke relatie verloopt altijd vlekkenloos?
Vandaag is het een slechte dag. De lievelingstante van Frans Bauer is vermoord door haar man. Tante Door is het slachtoffer van een echtelijke twist. Normaal gesproken zou ze eenkolommertje zijn in de krant. Maar nu is ze een hype. Sterker nog, het gaat allang niet meer over Door. Het gaat over Frans. Door is niet dood, de tante van Frans is dood.
De journalistiek in Brabant trekt alles uit de kast om te berichten over tante. Frans zelf is niet aanspreekbaar. Daarom wordt iedereen in zijn omgeving benaderd voor een quootje. Ze zijn er allemaal kapot van, zo laten de geïnterviewden de slachtoffers weten.
Eén mevrouw vertelde met dichtgeknepen keel dat het Frans’ lievelingstante was. Dat had ze in de krant gelezen.
Er wordt gespeurd naar foto’s van tante. Beelden van Frans’ bruiloft worden gespot in de hoop dat tante daarop figureert.
We discussiëren op de redactie over de vraag hoe ver je kunt gaan. Waarom is de dood van Frans’ tante groter nieuws dan de bejaarde man die gisteren in Velp werd vermoord om een paar rotcenten? We komen er niet echt uit. Alles wat met de volkszanger te maken heeft is nieuws. Punt uit.
In elke relatie is het geven en nemen.
Haspengouw
We hebben afgelopen weekend gewandeld in Belgisch Limburg. Haspengouw om precies te zijn. Als u daar, ten zuiden van Hasselt, een leuk logeeradres zoekt dan heb ik hier een tip.
Een paar foto's. U kunt er meer vinden onder "fotografie" hierboven. En als u ze echt allemaal wilt zien dan moet u naar mijn Flickr-pagina.
Vocalies (106)
(Door Marlies)
Dit stukkie komt op de website op palmzondag, passietijd…. Mooie gelegenheid om over de muziek in die tijd te schrijven. Het enige dat er nog over is van het instituut kerk, de muziek, de prachtige muziek. De rest van het instituut staat op instorten; het is zo rot als een mispel. Als ik God was kwam ik effe uit mijn hemel om het hele zaakje er met de zweep uit te jagen en ervoor te zorgen dat alleen de muziek overbleef, zodat we daarmee opnieuw kunnen beginnen.
En van die kerkmuziek is Johann Sebastian Bach zo’n beetje de representant: ook dit jaar zie ik op de posters en in de pers weer de namen van studiegenoten die Johannes- of Matteus-passion-tijd hebben. Als je een van de rollen er eenmaal op hebt dan is het nu schnabbeltijd: van Groningen tot Maastricht en van Naarden tot Middelburg: overal wordt de passie gezongen. Bach is niet voor mij en ik vind dat niet erg… doe mij maar opera; die kan je bovendien lekker over het hele jaar spreiden.
Ik moet u eerlijk bekennen dat ik het nog nooit (o schande!) heb kunnen opbrengen om een van de passies, de Johannes of de Matteus uit te zitten. Ooit héééél lang geleden zong ik met het parochiekoor de koorwerken uit de Johannespassie en ik verveelde me stuk tijdens de repetities in de weken voorafgaand aan Pasen. Doe mij maar de muziek van vlak voor kerst: die is heel wat verwachtingsvoller en hoopvoller en positiever dan de muziek van de vastentijd.
Laten we de Johannes en de Matteus eens (kort; ik beoog geen volledigheid: u mag zelf surfen op internet) op een rijtje zetten, misschien vergemakkelijkt het uw keuze naar welke u toegaat, als al. Mensen beweren dat Bach vitaminen voor de geest bevat en dat zal best zo zijn, al wordt mijn geest er alleen maar ibbel van. Je hebt zo vier liefhebbers van Bach aan tafel, maar het is even makkelijk om 4 Bach-haters te verzamelen. Ik haal mijn vitaminen bij andere componisten: Mozart, Verdi, Puccini, Schubert….
Bach schreef zijn Johannespassie in 1724 voor de Thomaskerk in Leipzig; hij werd afwisselend dar en in de Nicolakerk uitgevoerd. Bach sleutelde er nogal wat aan, pas in 1749 was pas de uiteindelijke versie klaar. De Johannes is persoonlijker, directer (en korter!) dan de Matteus, daarom wat geliefder bij het publiek (de Matteus-die-hards natuurlijk daargelaten, die zijn nooit voor iets anders dan hun eigen Matteus te porren).
De Matteus (of Mattheus, wat u wilt) werd gecomponeerd in 1728/1729, dus na de Johannes (tenminste dat wordt algemeen aangenomen) en is een stuk langer en beschouwelijker dan de Johannes (zit maar eens drie-en-een-half uur op keiharde kerkstoelen in een koude kerk of nog geen twee uur….). Ook aan de Matteus werd nog een tijdje gesleuteld. De versie uit 1736 is de meest gezongen versie.
Dat de teksten uit het evangelie volgens respectievelijk Johannes en Matteus komen hoef ik u niet te vertellen. Je zou een beetje kort door de bocht kunnen zeggen dat de Johannes spannender en makkelijker toegankelijk is dan de Matteus die veel vertellender is (de rol van de evangelist, die het verhaal vanaf enige afstand bekijkt).
Jan Rot maakte een vertaling (hij noemt het zelf een 'hertaling' slim...) van de Matteus een paar jaar geleden, waarvan een klavieruittreksel hier op de plank ligt. Af en toe ten hemelschreiend slecht, af en toe briljant, voegt het volgens mij niks toe aan de Matteus; de illusie dat mensen Nederlands gezongen beter zouden verstaan dan Duits is volgens mij inderdaad een illusie en ik hou er niet van een werk te zingen in een andere taal dan het gecomponeerd is, het gaat uit zijn voegen, zelfs als je het goed vertaalt.
Ik zal ook dit jaar mijn neus niet in enige kerk laten zien om de passie te beluisteren, ik heb het effe gehad met het instituut. Maar ik heb wel een filmpje voor u met wat kortgeleden uitgeroepen schijnt te zijn tot de mooiste aria ooit: ‘Erbarme dich’ uit, juist…. de Matteuspassion. Hier wonderschoon gezongen door countertenor Andres Scholl. Daar haal ik nou wel vitaminen uit; ik hoop u ook.
Grap
Op de redactie komen de 1-aprilgrappen binnen. Mensen denken namelijk dat wij, journalisten, overal in trappen. Nee hoor, wij trappen alleen in officiële voorlichters.
Bij sommige moet je drie keer lezen om de grap te ontdekken, andere zijn te doorzichtig voor woorden.
Ik heb niks met 1-aprilgrappen en ik ben blij dat onze omroep er zich van de baas niet aan mag bezondigen.
Het is anders geweest. Ik werkte op een bijkantoor van een regionale krant op de Noordoost-Veluwe. Het kantoor was op een pleintje. Aan de andere kant huisden de collega’s van het lokale weekblad.
Wij bedachten een grap, typten die met onze Remmington op een A-viertje, deden dat in een blanco enveloppe en deponeerden die na zonsondergang in de bus van de concurrent.
Twee dagen laten vonden wij diezelfde enveloppe in onze eigen brievenbus. We voelden ons betrapt door de collega’s en zwegen.
Totdat één van de mannen van de plaatselijke krant mij een wee later langs zijn neus weg vroeg of wij ook een anonieme enveloppe met die-en-die 1-aprilgrap hadden gekregen. Ik hield me een beetje op de vlakte.
De collega lachte. Hij vertelde dat iemand op zijn kantoor zo’n brief had bezorgd. Ze hadden onmiddellijk gezien dat het verhaal niet echt was. En toen hadden ze besloten die enveloppe stiekem na zonsondergang in onze bus te gooien opdat wij er in zouden trappen.
Ach, nou herinnerde ik mij het verhaal. Nee, wij hadden ook meteen door gehad dat het een grap was en de enveloppe in de prullenbak gegooid.
Op het pleintje in het Noordoost Veluwse dorp kennen ze volgens mij nog steeds de bron van de enveloppe niet.
Fris-paars
Er hangt iets in de lucht. Ik voel het. Nee, het is niet de temperatuur die voor vandaag voorspeld is. Mijn gemoedstoestand laat zich doorgaans niet zo leiden door het weer. Ik heb bovendien voor de zekerheid altijd een regenpak bij me.
Het zijn de politieke ontwikkelingen in mijn provincie die een zekere mate van fysieke vibratie veroorzaken. Het is fris-paars. Het begon afgelopen weekend in Gemert-Bakel. Dat is het mooiste peeldorp. Mijn vrouw heeft er jaren als secretaresse van burgemeester en wethouders gewerkt en daar hebben we een paar politieke vrienden aan overgehouden.
Ik weet dus een beetje wat speelt in die commanderij. En daar is nu het CDA buiten het college gehouden. ’t Zal u misschien niet boeien, maar mij wel. Wat daar in dat schitterende peeldorp is gebeurd, is een kleine revolutie. Ik heb me door ingewijden laten vertellen dat het sinds mensenheugenis één keer eerder is gebeurd dat de roomsen tijdelijk in de oppositiebanken werden geparkeerd. Want u begrijpt dat CDA in onze provincie synoniem is aan rooms.
In Eindhoven is het CDA ook buiten de coalitieboot gevallen. De christendemocraten gaan voor het eerst de oppositie leiden. De partijen die daar samen verder gaan (PvdA, VVD, GL en D66) noemen zich fris-paars.
En in mijn eigen stadsie Den Bosch mag het CDA nog meedoen aan de coalitiebesprekingen, maar hun leider is niet gerust op een goede afloop. In de stad waar de KVP jarenlang de macht had moeten de nazaten van dit bolwerk drie partijen in grootte voor laten gaan. Alleen al de ongerustheid van de partijleider is een teken des tijds.
Kortom: er hangt iets in de lucht. Ik voel het. Het is de nieuwe lentekleur. Het is fris-paars.
Buurman
De mevrouw die ons gisteravond kwam leren hoe wij teksten voor internet moeten schrijven poneerde een interessante stelling. Wij moeten de teksten zo schrijven alsof we het aan onze buurman vertellen. Goh, dat had ik nou nog nooit eerder gehoord.
Nee, even serieus, het kan echt nog veel simpeler dan wij al doen. Omdat ik een goede cursist wil zijn ga ik vrijwillig oefenen op mijn eigen weblog. Daar kan het ’t minste kwaad.
Buurman daar komt ie:
Witte wie ze gevat hebbe? Die vent die veurige week bij unne coffeeshop in den Bosch iemand deur zunne kop schoot. Ge wit wel, die coffeeshop bij de Brabanthallen. Die kut schoot vanuit de auto maar d’r stonden minsen op de stoep die hadden gezien wie da war. Die hebben de pliesie verteld hoe die d’r uit zag en toen wiesten ze mee wie ze moesten hebben. Nou hebben ze um gevat in het buitenland. De pliesie wil niet zeggen waor, maar wij denken da ut Turkije is. Nou hebbe ze gevroagd of ie uitgeleverd kan worre.
Overmoedig
We liepen, ergens afgelopen weekend, midden in de nacht naar huis. Nou ja, laat ik eerlijk zijn: we kwamen uit de kroeg en mijn vrouw liep en ik gebruikte haar als een blindengeleidehond. Dat bedoel ik niet beledigend, het is slechts een sfeerschets en bovendien is mijn vrouw dol op honden dus daarmee is ze niet te kwetsen.
Ondanks mijn beperkte zicht viel het mij op dat er zo, halverwege de nacht, veel nog duisterder types dan ik in de stad rond liepen. Desalniettemin voelde ik mij niet onveilig, hoewel ik bij de minste geringste duw omgevallen zou zijn om waarschijnlijk de eerste uren niet meer overeind te komen.
Ik geloof dat mijn gevoel van niet-onveilig niet eens te maken had met mijn gemoedstoestand. Ik voel me nooit onveilig. En terwijl ik zo in het kielzog van mijn zorgzame echtgenote over het trottoir schuifelde bedacht ik opeens hoe het toch komt dat zoveel mensen zo bang zijn. Of meer bepaald: waarom zoveel mensen zich zo bang laten maken door – ik noem maar iemand – Geert Wilders.
Ik was kennelijk in vorm want ik bedacht me op hetzelfde trottoir dat iemand als hij, die zoveel volgelingen achter zich krijgt, zijn charisma en energie niet beter aanwendt. Waarom hij, die zo goed in staat is massa’s in beweging te krijgen, niet werkt aan verbroedering?
Als Geert Wilders drie keer roept dat moslims geknuffeld moeten worden dan worden moslims geknuffeld. Wat een kracht zou er van zo’n oproep uit gaan.
Naar mate wij ons huis naderden werd ik steeds enthousiaster over deze gedachten. En bedacht ik mij dat ik ze eens zou moeten opschrijven. Ik bedacht ook dat alle weldenkende mensen een oproep moeten doen op Geert om zijn kracht anders te gebruiken. Maar dat idee heb ik de volgende ochtend zelf uitgelegd als overmoedig.
Vocalies (105)
Voor een nieuwe radiopodcast met klassieke muziek klik hier.
Toen ik afgelopen week naar een aflevering van De Wereld Draait Door zat te kijken (trouwe lezers weten dat dat één van mijn lievelings-programma’s is) was er een item op over slagwerk. In diezelfde show zat trouwens ook een item over harp, maar daar heb ik het nou even niet over.
Ik dacht terug aan de tijd dat ik overwoog naar een conservatorium te gaan, het zal tussen 1980 en 1985 geweest zijn. Ik ging hier en daar eens in de keuken kijken en kwam in Arnhem, min of meer toevallig in de slagwerk-demo-les terecht.
Ik had tot dan toe gedacht dat ‘drummers’ altijd een beetje de domme jongens van de band waren. Geef ze twee stokken en ze rommelen verder wel aan… al is dat dan soms wat lawaaierig. Ik kon met goed fatsoen het lokaal niet meer uit, dus schoof ik een beetje geïrriteerd aan bij de houten stoeltjes. Nou daar heb ik mijn lesje geleerd. Goeiemorgen, wat is dat een gecompliceerd vak.
Het schijnt zo te zijn dat organisten het grootste deel van hun hersens gebruiken als ze volop aan het spelen zijn: ze hebben dan immers handen en voeten nodig en bij de moordende polyfone muziek van Bach en zijn companen moet je ook nog eens sommige melodieën harder laten klinken dan andere. Slagwerkers komen direct daarna, of zijn gelijkgeschakeld, wat die hersenhelften betreft.
Mijn mond viel open: al zou ik vijfentwintig jaar studeren, dat zou ik nooit kunnen. Al bij mijn piano-spel valt het op dat ik blijkbaar niet in staat ben mijn twee hersenhelften te scheiden: ik kan niet links luid en rechts zachtjes spelen of andersom, altijd doet de linkerhand met de rechter mee, om nog maar te zwijgen van het onvermogen meer noten tegelijk te lezen en om te zetten in muziek.
Ik had zeven jaar (!) les van niet de minste docenten en aan het einde van die zeven jaar gaf de commissie me zuchtend een 6-; ik zou het nooit leren; het zou maar het beste zijn als ik lesgaf met een pianist erbij. Dat probleem is voor een groot deel op te lossen door bandjes, cd-tjes en karaoke-ellende, maar als je klassiek les geeft en echt wil peuteren en interpreteren moet er een pianist bij en die dien je te betalen, want voor eerlijk werk hoort eerlijk geld.
Toen en daar verdween mijn vooroordeel over slagwerkers voor altijd. Ik verliet met het schaamrood op de kaken na de les het lokaal en heb daarna nooit meer denigrerend over ze gesproken, integendeel.
En woensdagavond jl. werd die beslissing nog eens bevestigd: er zaten zeven slagwerkers van zeven bekende bands aan tafel bij Matthijs. Vrijgevochten jongens, allemaal, maar spelen meneer de dokter, spelen… ze doen iets voor Soedan geloof ik met hun stokken, maar dat zal me allemaal worst wezen. Slagwerk is heerlijk, vooral als je thuis in je stoel zelf bij de volume-knop mag zitten en je er zelf voor kunt zorgen dat niet je lever en je nieren in de war raken en je ribbenkast rammelend een goed heenkomen zoekt. Je moet het gewoon niet te hard zetten, da’s alles. En ik zat te genieten van het loei-strak gespeelde eindstukkie: allemaal helden die jongens!
Ook de slagwerkjongens van grote orkesten zijn helden. Ik heb u vast wel eens verteld dat ik in een koor meezong en we Mahler’s Derde deden , waar een dubbele slagwerksectie inzit. De eerst drie kwartier heb je als koor niks te doen en ik vond dat in dit geval niet erg: ik zat een meter achter de slagwerksectie en heb me al die tijd vergaapt aan het enorme vakmanschap en de discipline waarmee de man of vijf, zes zich van hun taak kwijtte en tussendoor nog tijd had om onderling subtiele grapjes te maken ook.
Het meest dramatische moment was wel dat de in de finale van de symfonie er een enorme bekkenslag diende te volgen. Die slag was niet met zomaar een bekken, nee speciaal daarvoor had men de grote bekkens van stal gehaald, die jongens van een centimeter of vijfenzeventig doorsnee. De slagwerker die de eer te beurt viel stond ijverig mee te tellen en ik hield alvast mijn hand een beetje bij mijn oor, omdat ik wist dat er een enorme dreun zou komen; ik stond er vlakbij. De dreun kwam niet… hij miste ‘m! Ik zag de paarse vlekken opkruipen in zijn nek en de blik van de dirigent was bijna dodelijk. Wat had ik een medelijden met de man… ik had ‘m zo in mijn armen willen sluiten om hem te troosten. Hopelijk heeft die misser hem geen problemen veroorzaakt: het was de luidste misser in een orkest ooit….
In het filmpje een hilarische combinatie van voetbal, reclame, vriendschap en klassieke muziek… het gaat wel niet over het stukkie hierboven, maar het was te leuk om u te onthouden. U moet wel even doorbijten, want het duurt even voordat de clou in zicht komt.
Eindelijk . . . .
De lente kroop in mijn botten toen is gistermorgen, bij wijze van uitzondering, met de auto naar het werk reed. Het gebeurde op de A2 ter hoogte van Boxtel. De zon kwam van links en prentte dat warme, blije gevoel in mijn hoofd dat ik al maanden had moeten missen.
Bij de omroep werden twee verslaggevers vrijgemaakt voor een lente-item. Dat is een vrije opdracht, maar wij routiniers weten al dat wij aan het eind van de dag blije dieren zullen zien huppelen en blije mensen zullen zien op een terras en dat er wordt ingezoomd op een glas bier.
Nieuw dit jaar was een blond meisje in een cabriolet dat bij nader inzien een collega bleek te zijn, die haar lentekriebels de vrije loop liet met een klein rolletje zonder tekst.
Tussen de middag renden de collega’s om klokslag twaalf naar de kantine om zeker te zijn van een plaatsje op het terras aan de vijver. Lunchen in de zon is het ultieme lentegenot.
Mijn zoon vertelde later dat hij een kindje aan haar moeder had horen vragen wanneer het zwembadje zou worden opgeblazen. Ikzelf hoorde rond de klok van achten het bijna vergeten geluid van de ijscowagen, die in de zomermaanden elke avond luid bellend door de wijk gaat. Vroeg? Nee hoor, ik heb hem al wel eens in februari voor het eerst gehoord.
Op twitter was de lente ook een belangrijk onderwerp en dan is het dus belangrijk. Ik geloof niet dat ik in een land zou willen wonen waar het altijd 30 graden is. Stel je voor dat je niet maanden kunt ouwehoeren over te lange koude winters. En stel je voor dat je zo’n dag als gisteren moet missen. Zo’n dag waarop een heel land collectief de somberheid afschudt.
Nee, als ze mij over tien jaar vragen: waar was je toen na die verschrikkelijke winter van 2010 opeens de lente doorbrak dan kan ik zeggen: op de A2 bij Boxtel.
Welingelicht
(door Ab Klaassens)
Binnen een half uur nadat Job Cohen z’n burgemeestersschap van Amsterdam publiekelijk aan de kant had gezet om lijsttrekker te worden voor de PvdA bij de komende verkiezingen gingen er al namen rond van mensen die misschien wel burgemeester van Amsterdam zouden kunnen worden.
Vroeger had je ‘de doorgaans welingelichte kringen’. Dat zijn nu ‘de wandelgangen ‘of ‘informanten rond het Binnenhof’. Ik verzeker u: dat zijn gewoon de wat oudere journalisten, de mannen en vrouwen die al een poosje meelopen in de parlementaire verslaggeving. Ze denken dat ze het politieke spel doorzien, speculeren een beetje en zijn aan de bar van de journalisten-societeit Nieuwspoort best bereid om in ruil voor nóg een pilsje de jonkies in het vak deelgenoot te maken van hun door ervaring gerijpte inzicht.
En zo ontstaan vervolgens allerlei berichten en de daarop volgende discussies die leiden tot niks of – soms – tot een door de publiciteit afgedwongen besluit.
Het is voor mij dan aardig waar te nemen dat al die ‘welingelichte kringen’ of hoe je ze ook kunt noemen, volkomen verrast werden door de mededelingen van Camiel Eurlings over zijn (tijdelijke?) vertrek uit de politiek, over de keus van Wouter Bos voor zijn vrouw en kinderen en voor het besluit van Pieter van Geel om niet meer beschikbaar te zijn voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer.
Ze hebben zitten slapen, de ‘doorgaans welingelichte kringen’.
BNN
BNN mag geen politieke partij voor jongeren oprichten en meedoen aan de verkiezingen. Aldus heeft het orakel dat Commissariaat voor de Media heet uitgesproken. Dat verbaast me niks.
Als wij bij de publieke regionale tien jaar geleden een schrijver of schrijfster interviewden en we waagden het te zeggen dat het boek vanaf donderdag in de winkel lag, werd er vanuit Hilversum onmiddellijk een kruisraket de provincie in geschoten. Een publieke omroep mocht op geen enkele manier reclame maken. Zelfs niet voor een boek van een provinciale schrijver. Laat staan een nevenactiviteit ontplooien die afweek van het doel waartoe die omroep op aarde is.
BNN gaat naar de rechter, dus Lijst 0 kan er nog komen.
Dat BNN in de politiek wil gaan vind ik wel een stunt. Ik bedoel, omroepen doen wel gekkere dingen voor de kijkcijfers. Ik hou niet zo van one-issuepartijen, maar laat ik daarover niet oordelen voordat ik het programma heb gezien.
En wat is er democratischer dan dat kijkers de lijsttrekker mogen kiezen? Hopelijk gaat het daarbij om inhoud en niet om tieten. Ja, dat klinkt bot uit mijn beschaafde mond, maar laten we wel wezen bij veel TV-verkiezingen gaat het vooral om het plaatje. En ik kan het weten want ik werk bij de televisie. Overigens neem ik BNN op dat punt heel serieus.
Even had ik net als het Commissariaat bedenkingen omdat ik het oneerlijk vind dat een partij zoveel publieke zendtijd krijgt. Maar die gedachte heb ik laten varen. De Wereld Draait Door geeft de PvdA en GroenLinks ook veel zendtijd op uw en mijn kosten. Ach en zo kan ik nog wel een paar voorbeelden noemen.
Ik vind het idee van BNN om een jongerenpartij op te willen richten om heel andere redenen belachelijk. Want laten we eerlijk zijn, die maakt procentueel geen schijn van kans. Maar het betekent wel dat zo’n partij stemmen (lees: zetels) weg kan trekken bij andere partijen die het ook heel goed voor hebben met ons land.
Dat zou leiden tot een nog grotere versnippering in het politieke landschap, louter omwille van de kijkcijfers. Kortom: BNN wil zelfs het landsbestuur onderschikt maken aan de kijkcijfers. Dat noem ik Hilversumse grootheidswaanzin.
Nee, voor het eerst in mijn leven ben ik het met het Commissariaat eens.
Willem
(Door Ab Klaassens)
Bij de kassa van de supermarkt trok Jopie me aan m’n jas. Jopie is al zestig jaar getrouwd met Willem. Ze wonen bij ons in de buurt. We hebben wel eens een glaasje gewisseld en van elkanders kookkunsten genoten.
“Willem is aan het dementeren”, zei Jopie.
Daar weet je zo gauw geen antwoord op.
“Soms kijkt hij me aan alsof hij me niet kent.”
Er verschenen tranen in haar ogen.
“Tweeentachtig is hij nu, tweeentachtig. “
Ik zweeg, zonder applaus.
“Twee keer in de week halen ze hem op, met een busje. Dan gaat-ie naar de dagbehandeling in een verpleeghuis waar ze aan geheugentraining doen, in een kringgesprek.”
“Nuttig”, leek me.
“Als-ie terugkomt zegt-ie dat-ie zo’n goeie vergadering heeft gehad, alsof hij weer terug is op z’n werk.”
“Tja”, vond ik.
“En weet je wat het rare is…zei Jopie.. “het rare is dat-ie lichamelijk hartstikke gezond is; alles doet het nog.”
En, met een ondeugende glimlach: “Echt… alles!“
Meneer Khadaffi,
Meneer Khadaffi,
Jaren geleden zag ik een TV-serie van Michael Palin. Hij reisde door de Sahara. Uw Sahara. Ik was gefascineerd door de kleuren en de vormen van het zand en ik besloot dat ik die wilde fotograferen.
Mijn vrouw wilde niet mee. Die houdt niet zo van zand. Ik besloot na lang wikken, wegen en sparen alleen te gaan. Wij Nederlandse mannen zijn geëmancipeerd. Net als de mannen in uw land.
Mijn oriëntatie op de mogelijkheden van een woestijnreis brachten mij telkens in uw Libië. U schijnt het mooiste stuk Sahara te hebben volgens de deskundigen. U bent geprezen.
Mijn vrouw verraste mij op mijn verjaardag met een flesje zand met daarin een briefje. Zij bood mij de trip aan. Uit liefde en als dank voor de ondersteuning tijdens een lastig jaar dat ze achter de rug had. Mooi toch. En zo hiel ik mooi mijn spaargeld op zak.
Ik boekte mijn reis, een collega vond het zo’n geweldig idee dat hij besloot met mij mee te gaan.
Ondertussen sprak ik mensen die al een aantal keren in uw land geweest waren. Eerlijk is eerlijk, ze vonden u allemaal een typische man maar ze zeiden ook dat u god en goed bent voor uw volk. Over uw woestijn waren ze allemaal even enthousiast en ik kon bijna niet wachten om af te reizen.
En nou kreeg ik deze week te horen dat u mij niet in uw zandbak wil toelaten. Louter en alleen omdat ik uit een Schengenland kom. U heeft ruzie met Zwitserland en een woordenwisseling met Amerika en nu mag een simpele amateur-fotograaf uit ’s-Hertogenbosch plotseling uw land niet meer in.
Ik weet niet wat er nou allemaal precies gebeurd is, het schijnt dat één van uw zonen een akkefietje had dat uit de klauwen liep.
Tja, meneer Khadaffi, als vaders onder mekaar weten wij toch hoe die jong af en toe het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen. Een draai om de oren geven en verder gaan, zou ik zeggen. Maar ik zou er niet de hele wereld om gaan haten. U weet toch ook wel dat je dan aan de gang kunt blijven. Er is altijd wel wat met die snotneuzen.
Op die manier bederft u nu dus mijn feestje waar ik al zo lang naar uitkijk. En wat denkt u dat dat voor mijn vrouw betekent. Die heeft zich het hoofd suf gepijnigd hoe ze dat kadootje eens leuk kon verpakken en nou gooit u een hand van dat fraaie Saharazand in het raderwerk. Dat zou uw vrouw toch ook niet leuk vinden.
Dus meneer Khadaffi, is dit allemaal niet een beetje buiten proportie? Zou u mij er niet gewoon buiten kunnen laten?
Groet,
Jan
Gevoel
Ik was een jaar of vijftien toen er een kleine siddering door ons kleinburgerlijke milieu ging. Het milieu dat sterk hing aan verworvenheden die het, blijkens de gesprekken die ik als jongeling opving, vooral te danken had aan de oude heer Drees. Een PvdA-man van formaat, die er voor had gezorgd dat de kleine luiden ook na gedane arbeid nog een centje hadden.
Toen ik 15 was, was de oude heer allang uit de actieve politiek. Ik was drie jaar toen hij stopte. Maar in dat jaar 1970 meldde zich opeens zijn zoon Willem Drees jr. met zijn DS’70. Er ging een siddering door de wijk. De nieuwe Heiland was opgestaan. Een Drees.
Ik was nog niet echt politiek bewust, meisjes en de nakende brommerleeftijd waren veel belangrijker. Maar ik begreep wel dat er iets in de lucht hing want tot schrik van velen keerde Drees sr. zich af van de PvdA en sympathiseerde hij met de nieuwe club van zijn zoon.
De jongeling in mij dacht dat hij aan de wieg stond van een nieuwe beweging die ons land nog verder omhoog zou stuwen. Drees&Drees. Kon het sterker? Ik besloot me er in te verdiepen en ik knipte alles uit de krant wat over Drees jr. ging. Niet dat ik toen alles begreep, maar mijn gevoel zei me dat ik knipsels in handen had met een eeuwigheidswaarde.
Ach, DS’70. Dertien jaar later ging de partij roemloos ten onder en zat ik met een schoenendoos vol waardeloos krantenpapier. Ik besloot mij nooit meer te laten meeslepen door zoiets vergankelijks als een politieke stroming. Gelukkig was ik toen al journalist en kon ik met droge ogen verklaren dat ik objectief moest zijn en geen politieke voorkeur had. Dat was voor de tijd dat de journalistiek beheerst werd door de stelregel: “je hebt principes en vaste lasten”.
En toch overviel mij deze week een soortgelijk gevoel als veertig jaar geleden. Toen ik Cohen hoorde. Ik heb het gevoel dat er iets in de lucht hangt. Iets dat ons land omhoog kan stuwen. Waar is de schaar?
Vocalies (104)
(door Marlies)
Ik ga in dit stukkie een aan u gedane belofte breken. Ik had u beloofd niet meer door te zullen zagen over Carmen over Carmen, mijn muzikale ‘kindje’ van deze tijd (zie eerdere stukkies). Ik kom op die belofte terug, want ik zag dat vandaag in 1949 Julia Migenes geboren is. En dat is een te mooie gelegenheid om voorbij te laten gaan.
Julia Migenes is namelijk de ideale Carmen en mijn grote voorbeeld in die rol. Ze is rank, licht getint, heeft een bos ontembare krullen, zingt direct en met een iets donkerbruine stem en kan dansen als een volleerd Flamengo-danseres. Ik heb na haar geen betere Carmen gezien, hoewel er mezzo’s zijn die er dicht bij kwamen, in sommige aria’s. Migenes speelt echter geen Carmen: ze zet een knop om en wordt het. De film waarin ze met tegenspeler Placido Domingo zingt is weergaloos. Hij ligt hier op de plank als VHS-video en is dus onbruikbaar, maar ik sprokkelde op you-tube alle belangrijke scènes bij elkaar en heb dus zo goed als de hele film nog eens gezien.
Ik ben een heel ander type mens, zowel qua stem als qua uitstraling. Ik ben bovendien niet ‘dansant’ hoewel mijn regisseuse annex dansjuf nog een aardig eind gekomen is (en dat zegt heel veel over haar kwaliteiten en minder over de mijne). Dan kun je Migenes als voorbeeld hebben, maar je kunt het niet kopiëren (en da’s maar goed ook); je kunt er wel je eigen draai aan geven en dat heb ik gedaan. Ik had bovendien ook een aantal houterige, ‘Jacoba’s hooggesloten’, koelkasten Carmen zien en horen zingen en wist dus ook goed hoe ik het niet wilde. Dat kan ook heel handig zijn.
Daarom als dank (niet dat ze het ooit kan lezen, dit stukkie…) en als eerbetoon even de levensloop van Julia Migenes.
Julia Migenes werd dus geboren op 13 maart 1949; in New York in een gezin van Griekse, ierse en Puertoricaanse afkomsten.
Ze zong haar eerste opera-rol al heel jong: namelijk als het zoontje van Madama Butterfly in Puccini’s gelijknamige opera. Toen Leonard Bernstein zijn oog op haar liet vallen ging het snel: ze kwam op televisie in de concert-serie ‘Young People’s Concerts’
In 1964 stond ze op Broadway in de originele cast van Fiddler on the Roof en ze speelde Maria in West Side Story. In de laat zestiger jaren ging ze werken aan de Wiener Volksoper
In de zeventiger jaren verhuisde naar München en werd daar bekend met het zingen van opera en operette. In die tijd was ze zeer regelmatig op TV. Een schoonheid is ze niet te noemen, maar ze heeft heel veel , ècht heel veel ‘das gewisse Etwas’(daar tamboereer ik altijd nogal op: een artiest moet dat hebben, dan komt het met de rest ook wel goed….)
Ze zong ook aan The Met: in Alban Berg's Lulu. Toen ze zong in Genève zag filmregisseur Francesco Rosi haar en hij castte haar voor Carmen (de film); ze won er een Grammy mee (en terecht!).
En nu wordt het een lijstje: ze maakte meer dan 20 CD’s; werd genomineerd voor de César Award, voor beste actrice. Haar one woman show, Diva on the Verge is op DvD verschenen; ze speelde gastrollen in talrijke TV-series en trad op in de operafilm van ‘La Voix Humaine’. Ze danst als een godin en heeft een sterke, seksueel geladen (maar nooit over de top) uitstraling. Ze is vandaag 61 geworden en heeft nog niks van haar glans verloren, in tegendeel.
Ik aarzelde wat ik van haar zou opnemen, Carmen’s slotscène, doet haar stem niet echt recht en andere aria’s uit Carmen zag u al eens in deze contreien. Ik kwam haar heerlijke rechttoe-recht-ane vertolking/vertaling van een aria uit Lucia die Lammermoor tegen (uit haar One Woman show ‘Diva on the Verge’) . Ga de DvD kopen want dat belooft een hele leuke te zijn!
Bananenrepubliek?
Het zijn verwarrende dagen. Agnes weg, Camiel weg, Emiel komt, Wouter weg, Hans dood, Job weg, Job komt, Paula weg en Johan op de hartbewaking. Mohammed en Ali bestormen zonder ook maar één keer met een kromzwaard te zwaaien de lokale besturen. Geert pikt Almere en Den Haag in. En het moet nog lente worden.
En dan zijn we ook nog afgegleden naar het niveau van een bananenrepubliek omdat we niet in staat zijn ordentelijke verkiezingen te houden. Op sommige plaatsen moest er opnieuw geteld worden. Er zijn stemmen geronseld.
En dan heb ik het nog niet over al die grijze mannen die zich melden omdat er veertig jaar geleden een pater aan hun piemeltje zat. Laat staan dat we het hebben aan die hordes die in het kielzog van deze getraumatiseerde slachtoffers proberen de kerk een poot uit te trekken.
Probeer dan maar eens de winterdip te overleven.
Laat ik dat toch maar doen. Laat ik maar eens beginnen mezelf wijs te maken dat wij niet in een bananenrepubliek wonen. Want waar hebben we het in godsnaam over?
We hebben het er bijvoorbeeld over dat er meer dan één persoon in een stemhokje stond. Dat mag niet, dat weet ik wel, maar dan wil ik toch in dit verband graag burgemeester Aboutaleb (althans hij is nog burgemeester op het moment dat ik dit schrijf) aanhalen. Die zei dat het bijvoorbeeld ging om een oude ongeletterde Marokkaan die werd geholpen door zijn zoon. Aboutaleb vond dat ontroerend. Ik ook.
Die oude ongeletterde Marokkaan deed wat bijna de helft van Nederland na liet: stemmen. En dan gaan wij zeiken dat zijn zoon niet in het hokje mocht.
Ooms en neven
(Door Ab Klaassens)
Ergens in de jaren tachtig deden mijn Eef en ik mee aan een treinreis van Istanbul naar het uiterste oosten van Turkije, met hier en daar een overnachting in een hotel of pension, gevolgd door een wandeling in de omgeving.
Ons gezelschap telde zestien personen plus een reisleider. Aangekomen in een stad waarvan ik de naam ben vergeten liepen we naar de rij taxi’s voor het station met het voornemen ons en de bagage te verdelen over vijf of zes van de taxi’s die in een lange rij voor het station stonden te wachten.
Maar dat kon niet. De man die voor aan het rijtje stond vroeg ons even te wachten, scheurde weg en kwam binnen enkele minuten terug met een rij andere taxi’s, allemaal bestuurd door ooms en neven. De andere chauffeurs in de rij wachtenden protesteerden niet: ze zouden hetzelfde hebben gedaan.
Tijdens één van de trein-etappes raakte ik in gesprek met een Turkse student. Hij vroeg mij naar de mogelijkheden voor emigratie naar Nederland omdat hij, na voltooiing van zijn studie, geen kans had op werk omdat hij geen oom of neef had die hem waar dan ook binnen de overheid of semi-overheid aan een baan zou kunnen helpen.
Ook in de jaren tachtig werden in mijn woonplaats zonen van Turkse immigranten gekozen tot leden van de gemeenteraad, één voor het CDA , één voor de PvdA. Ze zijn beide bezweken onder de druk van een achterban die verkeerde verwachtingen had van hun positie in het plaatselijk bestuur.
In enkele gemeenten, bijvoorbeeld Enschede, Helmond en Eindhoven, hebben zonen of dochters van immigranten op 3 maart van dit jaar via voorkeursstemmen plaatsen in gemeenteraden veroverd die aanvankelijk waren bedoeld voor kandidaten met een Nederlanderse stamboom. Ik vrees dat al die gekozen ooms en neven hun achterbannen niet zullen bieden wat er van hen wordt verwacht.
Gerda
Wat doe je als Kamerlid in een demissionair tijdperk? Je hangt wat rond en krabt wat aan je kont. Af en toe draaf je op om een onderwerp controversieel te verklaren en verder cross je ’s avonds door het land om hier en daar een verkiezingspraatje te houden in een achterafzaaltje van een door rook en bier doortrokken dorpscafé waar de plaatselijke afdeling van jouw partij een bijeenkomst heeft georganiseerd. Na afloop neem je een plaatselijke lekkernij in ontvangst en scheur je door de nacht naar huis. Gelukkig kun je uitslapen want waarom vroeg opstaan in een demissionair tijdperk?
En dan is daar opeens vanuit het niets: GERDA!!!!!!!!! De glossy van het ministerie van Landbouw. Het is meteen alle hens aan dek om deze zelfverheerlijking van een demissionair minister en haar partij op kosten van de belastingbetaler keihard aan de kaak te stellen.
Zijn ze helemaal belatafeld daar op landbouw? Vier ton kost het. Dat is maar twee kwartjes per huishouden zeggen de medewerkers van het ministerie. Een koopje als je twee miljoen mensen bereikt, zeggen ze. (Waarmee ze onmiddellijk de schandalig hoge prijzen doorprikken die normaal voor een glossy moeten worden betaald.) Schande, schande, schande wordt er Kamerbreed geroepen. Het is een CDA-verkiezingsstunt!! De partij moet het uit eigen kas betalen.
Is het echt reclame voor een partij als je je minister op de voorpagina zet in een oranje pakje dat nog het meest doet denken aan een middeleeuws jack van een schildersgezel? En heeft ze niet een verfkwast in de hand? Nee, het is haar amazone-outfit, zo lees ik.
Maar daar gaat het niet om, het gaat om de inhoud, zeggen ze op het ministerie. Tuurlijk, de meeste meesten lezen de Playboy ook om de interview. Een glossy gaat om de plaatjes, dat zou zelfs de domste landbouwvoorlichter moeten weten. Voor de inhoud lezen we wel zo’n saaie naar inkt stinkende krant waarvan je ook nog eens vieze vingers van krijgt.
En het ergste van alles, het allerergste is dat ik geen abonnement heb op de Libelle. Ik zie dus helemaal niks terug van mijn belastingcenten. IK WIL OOK EEN GERDA!!!!!!!!!!!!
Dikke
(gastcolumn van Ab Klaassens)
Er was eens een jongetje met de naam Dikke. Hij groeide op ergens in een Zeeuws dorpje, in een huisje onderaan een dijk.
Dikke was een leergierig jongetje, met veel belangstelling voor woorden. Hij droeg altijd zo’n groen welpenpetje en een veelkleurig repeteervulpotlood als een zwaard aan zijn zijde. Alle woorden die hij hoorde schreef hij op in een dik schrift met stijve kaft, keurig net op alfabet. En waar mogelijk schreef hij ook op wat die woorden betekenden.
Zorgen had hij niet; alleen het wekelijks bezoek van zijn peetoom bracht hem van zijn stuk. Want de peetoom tracteerde hem bij elk bezoek op hetzelfde kunstje: als Dikke hem beleefd een handje gaf liet oom een scheet knallen waarvan de ruiten rinkelden. “Brune bonen jongen, ja daar komt ’t van, en met veel uien” legde peetoom uit. Dikke liet zijn moeder wel merken dat hij z’n peetom liever niet wilde ontmoeten, waarop zij besloot hem tijdig te waarschuwen: “Dikke, daar komt je peetoom aan.”
Dikke noteerde daarom in zijn stijf gekafte schrift: “petomaan”, iemand die een ziekelijke behoefte heeft om voor z’n plezier scheten te laten.
“Petomaan” tref je dan ook aan in het bekendste en grootste woordenboek van Nederland, vernoemd naar Dikke met de familienaam Van Dale.
Sax
“Elke keer als ik de naam Emile Roemer hoor,” zei een collega, “vraag ik me af: welk hoofd hoort daar ook alweer bij?” Domme collega? Nee, mensen om hem heen zeiden dat ze hetzelfde hadden. Roemer trad nooit zo op de voorgrond.
Vanaf vrijdag is dat anders. Roemer is de Nieuwe Leider van de Socialistische Partij. Onzen Emile wordt nu overal geportretteerd. En wat blijkt: hij heeft een vrolijk hoofd.
Zoals te doen gebruikelijk wordt bij het portretteren een aantal opmerkelijke dingen uitvergroot. Zo lezen wij overal dat Emile saxofoon speelt in een dweilorkest. In Brabant zijn meer politici die in een dweilorkest spelen dan wel op een andere manier een prominente rol spelen tijdens carnaval. Zij weten hoe zij even afstand moeten nemen om daarna weer bloedserieus aan de openbare zaak te kunnen werken. Maar voor Hollanders is dat een curiositeit.
Omdat Emile sax speelt en een vrolijk hoofd heeft (bijna net zo vrolijk als Jack de Vries) zie ik de bui al hangen. Daarom een tip voor de elke Hilversumse presentatoojjj: het bespelen van een saxofoon in een dweilorkest zegt niets over iemands muzikale kwaliteiten. Dus een uitdrukkelijke uitnodiging aan de Nieuwe Leider om omwille van de kijkcijfers de sax ter hand te nemen hoeft niet per se tot een virtuoze riedel te leiden.
Dat neemt niet weg dat iemand die een blaasinstrument bespeelt een streepje voor heeft. In het orkest zijn blazers de gangmakers. Het is een typisch slag volk. Tijdens het concert spelen ze de sterren van de hemel. Na het concert, als de eerste violist en zijn mede-strijkers zich huiswaarts haasten voor een kopje groene thee en een mariakaakje, duiken de blazers de kroeg in voor bier en bitterballen. Volgens mij zijn zij de grondleggers van de uitdrukking: effe uitbloaze . . .
Ook in andere opzichten is het bespelen van een saxofoon een kwaliteit die een politicus van pas kan komen. Zeg eens eerlijk, wat herinnert u zich van de VVD-coryfee Hans Dijkstal?
Nee, ik denk dat de combinatie van Brabantse nuchterheid, een vrolijk hoofd en een saxofoon wel eens een gouden greep zou kunnen zijn voor de SP.
Vocalies (103)
(Door Marlies)
Er is een nieuwe radiopodcast met klassieke muziek. Klik hier .
Zo af en toe lees ik ook nog eens boeken over klassieke muziek. Bij het zoeken naar iets anders kwam ik het boek ‘Can’t help singing’ tegen van en over de sopraan Eileen Farrell. Ik dacht: mooie aanleiding om eens iets te doen wat ik op Vocalies nog nooit gedaan heb: een boekbespreking.
Sopraan Eileen Farrell (1920-2002) was een van de groten van de vorige eeuw, maar was gewoon lekker aan het werk terwijl de andere diva’s voor roddel en achterklap zorgden en daardoor is ze minder bekend. Ik dacht mezelf eens een plezier te doen en kocht het boek. Het is in het Engels, maar het leest als een trein. En al lezend steeg mijn respect voor deze heerlijke no-nonsense sopraan, die behalve uitstekend opera en lied, ook heel goed pop en jazz zong.
Je hebt wel eens van die uitstapjes van klassieke zangers naar pop (of andersom, zoals ik laatst al eens schreef) en meestal gaan je tenen krullen, maar bij Farrell was dat (in ieder geval bij mij) niet het geval; ze zet gewoon een ander knopje aan en laat het knopje voor timing en goeie smaak aan. Geweldig. Daarom even een kort biografietje en de tip: lees het boek: het loopt als een trein, is met de nodige humor en relativiteitszin geschreven en je pikt er hier en daar nog interessante tips uit over zangtechniek, zoals op blz. 56, waar ze een aardige beschrijving van ademsteun heeft opgenomen.
Ik kan me uit mijn zingend leven herinneren dat je soms enorm kon worstelen, zowel als leerling als als pedagoog, met een technisch probleem, en dan komt er een andere pedagoog en die zegt hetzelfde, maar net op een andere manier en huppekee, het kwartje valt… Kennudat? Zo ook bij Farrell, ik lag in bed terwijl ik het las en deed even na wat ik dacht dat zij bedoelde en floep de adem schoot op zijn plaats (en bleef daar ook en da’s de kunst bij ademsteun: laag inademen en de adem laag houden).
Haar ijzeren discipline en techniek stelde haar in staat tot op zeer hoge leeftijd door te zingen, in alle genres. Er is een ontroerend filmpje op You tube, waar ze begeleid door Leonard Bernstein (jawel, de grote meester himself!) een prachtige song uit ‘On the town’ zingt; je hoort haar leeftijd niet. En haar verhalen over The Met en de mensen die ze daar ontmoet zijn hilarisch en soms dodelijk analytisch. Het meest significante verhaal (sorry, vreselijk woord…) was wel haar ontmoeting met Maria Callas. Ze zag La Callas zitten in een restaurant, kende haar nauwelijks, maar merkte op dat Maria er wel heel verloren bijzat. Dus riskeerde ze een arrogante snauw van de diva en ging toch maar even een handje geven. Callas was duidelijk opgelucht aanspraak te hebben en ze praatten een half uurtje, waarop Eileen terug moest naar de gast met wie ze binnen gekomen was. Toen ze het restaurant later verliet zat Callas er nog… alleen…
Lekker no-nonsense getrouwd met een New Yorkse politieman en twee kinderen koos ze er uiteindelijk voor niet meer aan The Met te werken omdat ze niet de slechte sfeer kon (iets waar The Met tegenwoordig nog steeds berucht om is…). Mevrouw Farrell was dan liever thuis bij haar man en kinderen en deed liever iets leuks met de vrienden als op het toneel staan van The Met. Lekker puh… ik hou daar wel van…
Kortom: ik sloot Eileen Farrell, unbekannterweise in mijn hart nadat ik de laatste pagina gelezen had en ik weet bijna zeker dat u dat ook zult doen als u besluit het boek te lezen.
‘Can’t help Singing’,The life of Eileen Farrell, door Eileen Farrell en Brian Kellow
ISBN-nummer: I55553-406-6
Ik heb nog een boek liggen ‘Professioneel zingen voor iedereen’. Dat is me toch een pil! Daar heb ik dus nog even tijd voor nodig, maar in de nabije toekomst kom ik daar ook nog op terug.
In het filmpje de opname van Farrell waar ik het eerder in dit stukkie over had…
Almere bedankt!
Iemand twitterde vannacht: Je kunt Almere toch gewoon weer onder water zetten. Dat lijkt mij een heel slecht plan. Een Hollander geeft nooit gewoon een stuk land op dat hij met veel pijn en moeite aan het water heeft ontworsteld.
Het is ook een veel te draconische maatregel om te voorkomen dat een stukje nieuw land in handen valt van de PVV. Dan nog liever zou ik dit stukje koninkrijk, zonder welke wij ook honderden jaren een welvarende natie waren, aan de heer Wilders cadeau doen, mits hij ons belooft dat hij zijn invloed tot die polder zal beperken.
In de overdracht nemen wij natuurlijk wel een ruimhartige clausule op waarin staat dat die Almeerders die niet op hem gestemd hebben, danwel zij die voor hun welzijn vrezen na de machtsoverdracht, welkom zijn aan deze zijde van het water.
Probleem opgelost, zou ik zeggen. Zo zal het niet gaan.
Maar waarom zou je Almere dan onder water zetten. Om Wilders dwars te zitten? Dat is een stoomboot, die blijft drijven. Om de Almeerders te straffen omdat zij een man in het zadel helpen die mensen vrees inboezemt? Dat was wel hun goed recht. En zeg nou eerlijk, in deze mediacratie is het toch begrijpelijk dat je op de PVV stemt als tientallen cameraploegen in je nek hijgen omdat ze dat van je verwachten.
Nee, laten we Almere en Den Haag dankbaar zijn. Zij hebben gisteren laten zien wat ons op 9 juni kan overkomen. Namelijk dat de PVV de grootste partij wordt en het land daarmee regelrecht in de afgrond dondert. Door de winst van de PVV versnippert de macht van de andere partijen en zal het schier onmogelijk worden een samenwerking te smeden die ons door de economische chaos leidt.
Het wordt een horrorscenario. Vooral als de coalitiebesprekingen in Almere mis gaan. Bijvoorbeeld omdat Wilders daar buiten de bestuurlijke boot valt. Het zou mij niet verbazen als hij daar willens en wetens op aanstuurt om vanuit een slachtofferrol de sleep kiezers aan zijn reet nog langer te kunnen maken.
Ik maak mij nu oprecht grotere zorgen over dat scenario dan over de veiligheid waarvan Wilders de hoeder is en waarover ik mij ook wel eens zorgen maak. Het lijkt me toch sterk, dat ik daarin de enige ben.
Almere bedankt. Den Haag bedankt. Jullie hebben net op tijd je punt gemaakt.
Duider
Het spel is op de wagen. Mijn omroeppie maakt zich op voor twee verkiezingenuitzendingen, op radio en op TV. Donderdagmorgen van 06.00 tot 10.00 op radio en van 07.15 tot 09.15 uur op televisie. Brabants Kiest heten de uitzendingen, want wij laten ons niet ondersneeuwen door landelijke thema's.
Vooral de TVuitzending is een operatie die volgens mij in de geschiedenis van de Kempische Draadloze niet eerder is vertoond. Live vanaf twee plekken in de provincie.
Alle verloven zijn ingetrokken. Ons is gevraagd om veel vitaminen te slikken want ziek worden is er niet bij. En als u vandaag in Brabant nog steeds auto’s ziet rijden alsof er een meter ijs ligt dan zijn wij het. Voorzichtigheid is troef.
Naast mijn gewone werk ben ik vooral aan het bijlezen, want voor mij is de rol van duider weggelegd. Ik moet op radio en televisie uitleggen waarom u gestemd heeft zoals u gestemd heeft.
In de radiouitzending schuif ik donderdagmogen aan om tien over het hele uur. Dat is voor de algemene verhalen. Voor TV is mijn bijdrage om 08.20 uur toegespitst op de situatie in mijn eigen stadsie Den Bosch.
Dat is allemaal morgenvroeg. Vandaag ben ik ook nog om 07.00 uur begonnen. En eigenlijk moet ik vanavond laat alweer beginnen om me voor te bereiden. Ik ben er nog steeds niet nuit wanneer ik moete slapen.
Dat wordt dus waarschijnlijk donderdagmiddag. O nee, want deze week komt de werkster voor het eerst op donderdagmiddag. Nou ja, waar moet ik nog dan nog maar een oplossing voor vinden. Ik voel me net een minister in de terminale politieke fase.
Nieuwe namen
Het is lang geleden dat ik mijn namenlijst heb bijgewerkt. Dat is geen desinteresse, de aanvoer stokt een beetje. Misschien is er een verzadiging van het aantal mensen met een naam die een link heeft hun beroep.
Ik kreeg Gelkhinge een grappige combinatie toegestuurd in de vorm van een heel oude advertentie. Die riep mensen op hun urine te laten onderzoeken. En dat gebeurde door de firma Spetter. Daar kan ik wel hartelijk om lachen.
Wat te denken van mevrouw Wildebeest, Hoofd facilitaire dienst van safaripark Beekse Bergen.
Ook zo’n typische combinatie: een vermogensbeheerder die Janus Capital heet.
Een naam die we vaak tegenkomen maar die bij mij pas laat een kwartje liet vallen is royalty-watcher Peter van der Vorst.
Of plastisch chirurg dr. Moojen. Je mag toch hopen dat hij zijn naam eer aan doet.
We zijn dankzij de stijgende temperaturen al weer bijna vergeten hoe we met onze auto’s en fietsen door de winter zijn geglibberd. Toen was het grappig dat woordvoerder van Rijkswaterstaat met betrekking tot het strooien meneer Slippens heet.
We hadden laatst in onze uitzending aandacht voor mevrouw dr. Bisschops van de Universiteit van Utrecht. Zij houdt zich onder meer bezig met nieuwe spiritualiteit en de situatie van pastors in de moderne tijd. Dat zouden meer bisschoppen moeten doen.
En last but not least Boy de Bok. Hij kwam negatief in het nieuws. Hij was beheerder van een dierenparkje in Veghel en werd ontslagen omdat hij wat regels zou hebben overtreden.
Hoofddoek
(gastcolumn van Ab Klaassens)
Als vrouwen in dorpen als Veenendaal en Staphorst naar hun streng gereformeerde kerken gaan dragen zij een hoed. De geloofsgemeenschap eist dat. De vrouwen vinden het vanzelfsprekend dat zij iets op hun hoofd zetten alvorens zij hun huis Gods betreden.
Militairen krijgen een reprimande als zij zich zonder geldige reden zonder pet of baret in het openbaar vertonen
Mijn moeder – niet kerkelijk – haalde het zeventig jaar geleden niet in haar hoofd om zonder hoofdbedekking boodschappen te gaan doen; de omgeving – een Amsterdamse volkswijk - eiste op z’n minst een hoofddoek, in de praktijk een in een driehoek gevouwen sjaal. Op zondag een wuft hoedje, met een voile, in feite een westerse variant op de oosterse sluier.
Orthodoxe joden dragen plichtmatig een keppeltje, oude padvinders een Mounty-hoed en demonstrerende vakbondsleden een verkeerd petje.
Moslima’s dragen een hoofddoek omdat ze dat zelf willen of omdat hun omgeving dat van ze verlangt. Zoals bij die vrouwen in Staphorst. Zoals - lang geleden – in een Amsterdamse volkswijk. Wie het dragen van hoofddoeken wil verbieden moet zelf iets op z’n hoofd zetten: een blok ijs.