Omringd door bloemen en met mijn bordje met ontbijt naast mij kruip ik, een dag later dan gewoonlijk, achter het toetsenbord om u persoonlijk verslag te doen van de laatste week ‘Carmen over Carmen’. En u mede te delen dat dit voorlopig het laatste is wat u van mij over het project zult vernemen, (behalve dan een losse mededeling hier en daar, als we weer eens optreden); volgende week hebben we het ‘gewoon’ weer over dooie componisten en klassieke actualiteiten en de daarbij behorende anekdotes en muziek.
Het was me het weekje wel, sprak de oude diva zuchtend (u merkt ik kan mezelf zelfs na deze productie nog goed relativeren…). Maandag en dinsdag peinzend bij de kachel gezeten met het script en de partituur op schoot: er moet een formule zijn volgens welke je dit soort projecten kunt doen en er zelf van kunt genieten, alleen, ik heb die nog niet gevonden. Altijd leverde ik in aan zenuwen, telde de noten tot aan het einde, wilde dat het voorbij was, werd pas weer een beetje mens als de productie voorbij was en was dan gefrustreerd daarover.
Nooit eens springend van genoegen over het toneel en huilen dat het voorbij was. Nooit eens hetzelfde, bijna lichamelijke genoegen als bij repetities als iets lukte, als de stem door je lijf dendert en muziek en tekst samensmelten tot een logisch, kloppend geheel. Dit keer wil ik het anders, dit keer zal ik wel genieten en niet sidderend van de zenuwen het toneel oplopen, minuten tellend tot de noten achter mij liggen.
Ik kijk naar fimpjes op You tube van een van mijn grote voorbeelden: Charles Aznavour: 80 jaar oud ten tijde van het concert, genietend van een zaal die uit zijn hand eet, naar bas-bariton Samuel Ramey, die een trap af tript alsof-ie dat thuis doet, op een tafel springt, drinkt en precies op tijd is met zijn inzet en het duidelijk prachtig vindt; hoe doen die mensen dat toch? Natuurlijk bevind ik mij een aantal niveaus lager en hebben zij niet voor niets de top bereikt, maar dat is mijn vraag niet: ik wil weten wat hun formule voor ervan genieten is…
Woensdagmiddag en –avond is de generale, gecombineerd met een laatste technische doorloop. Als ik in het shabby (maar oer-genoeglijke) theatertje arriveer is het productiebureau al druk doende het zaaltje in orde te maken. Met het licht wil het niet zo lukken en tot grote bewondering van iedereen aanwezig klim ik op een vijf meter hoge ladder om de buitenste pipo (zo heten die lampen, echt waar…) een duwtje in de goede richting te geven. Ik kan vooral bij de mannen in het gezelschap niet meer stuk. De doorloop is dramatisch rommelig.
De poppenspeler heeft een slijmbeursontsteking in zijn rechterschouder die hem af en toe doet kreunen van de pijn. Mijn hartslag bereikt hoogten die ik niet meer kende sinds ik in Italië verkouden en wel probeerde de laatste hoge heuvel van die dag te beklimmen. Dat gaat wat worden met een generale met publiek. Ik probeer me zodanig te concentreren dat gedachten als ‘o god ik kan dit niet’ en ‘je zult zien dat ik de volgende inzet mis’ naar de achtergrond schuiven en zie, de hartslag tempert, de handen trillen niet en de adem vindt zijn weg naar de onderkant zoals-ie dat tijdens repetities ook doet. Wat overblijft is een klomp samengebalde energie in mijn maagstreek die pas tijdens de première verdwijnt, maar daar valt mee te leven….
En het kleine wondertje voltrekt zich, hele stukken repetitie maak ik bewust mee en geniet ik zelfs van de zang en de dialogen met de beide poppen. De twee kleine rustpunten die ik heb, weet ik te benutten en ik ben er de hele tijd echt ‘bij’. Na de laatste noot is er applaus van het kleine groepje aanwezigen en praten we na met een paar doorgewinterde theaterbezoekers. Ze zijn ge-emotioneerd en bevestigen ons in onze veronderstelling dat deze voorstelling een goeie is. Tenslotte maak je iets waarvan jij denkt dat het leuk is, maar dat moeten anderen dan ook maar vinden.
De dagen tussen de generale en de uitvoering werk ik één dag en ben ik één dag vrij. De collega’s zijn hartelijk en bemoedigend en de dag vrij rust ik zoveel mogelijk en hou mijn geest bezig met een goed boek, de televisie (lang leve opname-apparatuur: ik heb in één dag drie ‘De wereld draait doors’ bekeken) en mijn eeuwige therapie tegen allerhande geestelijke stress: winkelen (en dan vooral niks kopen, behalve een corsage op de jurk en wat kleine prutsdingskes). De dag van de première laat mijn echtgenoot mij altijd zeer tactisch met rust en een beetje in het huis rondmutsen: blousje strijken, koffertje klaarmaken, lunchen en om half twee is daar de poppenspeler en zijn vrouw. Wij doen samen een Italiaantje (wat dat betekent kunt u in een eerdere Vocalies lezen) en rijden naar het theater. De bal in mijn maag blijft, maar neemt niet de overhand. Ik maak me zorgen om de poppenspeler, want de cortisone-injectie heeft nauwelijks geholpen en hij loopt verkrampt van de pijn. Toch, en dat klinkt misschien self-centered, beïnvloed het niet mijn toestand; ik lijk mij in een eigen kring te bewegen waar de rest wel binnenkomt maar niet raakt aan de concentratie die zich opbouwt.
En weer voltrekt zich het kleine wondertje: het grootste deel beleef ik bewust. De twee keer dat mijn geest de zaal in fladdert en iemand in het publiek herkent grijp ik ‘m bij zijn kladden en trek hem terug: hierrrrrr jij…. en concentreer je, laat geen andere gedachten toe dan die nu nodig zijn. De poppenspeler heeft het moeilijk, maar we komen goed door de première en na afloop zijn er de kussen en de bloemen en de complimenten en de losse opmerkingen die ik tussen mensen opvang (waar ik trouwens het meeste van leer). En ja, ik heb echt genoten en ga proberen voor de overige optredens diezelfde mate van concentratie weer te vinden. Misschien, heel misschien zit daar wel het geheim…
In het filmpje Samuel Ramey die een onvergetelijke Torreador neerzet.
Komt allen!
Nee, geen Vocalies vandaag. Marlies heeft morgen ruimte gevraagd. U krijgt dan een insiderverslag van de première van Carmen over Carmen, die vanmiddag om 16.00 uur in de Bossche Azijnfabriek is (komt allen!).
Dat geeft mij de gelegenheid stil te staan bij een andere belangrijke gebeurtenis is onze stad: de homodemonstratie morgen bij de St. Jan. U kent het verhaal toch? De Rooms-katholieke kerk weigert hosties aan praktiserende homosexuelen en daarom gaan zij morgen massaal naar de kerk.
Ik volg de zaak beroepsmatig en eerlijk gezegd verbaas ik me er over hoezeer ik mij als mens opwind over deze zaak.
Ik ben jaren lid geweest van een protestantse kerkenraad. Voor zover ik weet ging het er in onze kerk om zoveel mogelijk mensen deel te laten nemen aan de geloofsgemeenschap. Ik kan me niet herinneren dat wij ons ooit hebben afgevraagd of mensen wel of niet aan het avondmaal mochten. Dat was ieders eigen verantwoordelijkheid.
Als iemand plotseling niet meer ging (en dat gebeurde als hij of zij van zichzelf vond dat hij dingen had gedaan die God onwaardig waren) dan sloegen we een arm om die persoon heen en vroegen hoe het met hem ging. Wilde hij iets kwijt, prima, zo niet even goede vrienden.
Maar hier sluit een kerk een hele groep mensen uit. Daar maak ik mij boos over. Niet omdat het homosexuelen zijn, die hebben Henk Krol om hun belangen te verdedigen. Nee, ik maak me boos over een kerkleiding die zich (wederom) ontpopt als een achterlijke cultuur.
We klagen in dit land steen en been over verloedering, onveiligheid, invloed van islam, vereenzaming en noem het maar op. De kerken zouden in zo’n tijd juist de hand moeten reiken naar mensen. Maar nee, de Rooms-katholieke kerk sluit mensen uit. Waarom? Op basis van regeltjes. Als de Nederlandse kerkprovincie kloten had begon ze een revolutie tegen die regeltjes. Als Hurkmans c.s. lef hadden ontworstelden ze zich aan de middeleeuwen waarin de kerkleiding zich nog steeds bevindt.
Kortom: ik hoop dat mijn stadsie morgen roze kleurt met “protestanten”. Ook nu zeg ik: komt allen!
De man van
Ik ben dezer dagen even de man van . . . . Mijn vrouw was gisteren op televisie in verband met haar Carmen-productie. Tja, en dan ben toch al gauw een BN'er. Toch?
Oom Frans
(gastcolumn door Ab Klaassens)
Frans Henrichs is bij de oudere jongens en meisjes misschien nog bekend als de man die in een razendsnel spreektempo commentaar leverde bij ijshockey-wedstrijden en andere snelle sporten op TV.
Voor mij was hij, ruim vijftig jaar geleden, de in het vak gelouterde collega die zich als een vriendelijke en vrolijke oom over mij ontfermde toen ik voor het eerst, als leerling-journalist, de perstribune van het oude stadion De Galgenwaard in Utrecht betrad om daar, voor Het Vrije Volk, verslag te doen van een thuiswedstrijd van DOS, nu FC Utrecht.
In die tijd droegen de voetballers nog geen rugnummers, zodat het voor mij, nieuweling, moeilijk was gewaar te worden wie wie was. Mijn nieuwe mentor, chef sport van het Utrechts Nieuwblad, beduidde me wie die mooie voorzet had gegeven en wie de bal in het net had geknikkerd. En met evenveel gemak noemde hij de namen van de tegenpartij, voor zover die voor mijn wedstrijdverslag van belang waren.
Op weg naar de fietsenstalling – zeker leerling-journalisten hadden toen geen auto’s – werd ik op de schouder getikt door een collega van het – inmiddels verdwenen – Nieuw Utrechts Dagblad . Hij liet me zijn aantekeningen zien en daarin stonden heel andere namen dan die ik van mijn aardige oom Frans had opgekregen. “Flikt-ie altijd bij nieuwkomers” , zei de collega, “vindt-ie leuk.”
Ik was het allemaal vergeten, maar er is nu weer veel ijshockey op de verrekijk en dan mis ik mijn vriendelijke Frans, vrolijke oom en bedrieglijke mentor.
Hartverscheurend
Hartverscheurend. Ik gebruik het woord niet vaak. Op de een of andere manier vind ik het woord hartverscheurend om een emotie uit te drukken vooral bij vrouwen passen.
Ik vind het een heftig woord. Een hart dat verscheurd wordt luidt iets onherroepelijks in. Een verscheurd hart is niet te repareren.
Deze week besloot ik het woord te gebruiken, hier op deze plaats.
In de trein achter mij zaten een vader en meisje met lang blond haar. Ze zal een jaar of acht geweest zijn. Ze had een zuurstokroze koffertje bij zich.
Uit wat ik hoorde begreep ik dat het meisje bij haar vader had gelogeerd en dat hij haar nu terug bracht naar haar moeder.
De vader liet zich ronduit negatief uit over de dag of dagen die hij samen met zijn dochter had doorgebracht. Hij was blij dat ze weer naar haar moeder ging. Hij kleineerde haar. Ze begreep nooit iets.
Vlak voordat we op ons aller eindbestemming waren hoorde ik hem zeggen
“Ik hoop dat ze er is om je op te halen.”
“Ze is er altijd,” zei het meisje moedig.
“Nou dan ben ik benieuwd wat ze nou weer tegen me te zeuren heeft,” zei de vader.
“Hoezo?” vroeg het meisje.
“Ze heeft toch altijd wat tegen me te zeuren. Dat weet jij toch ook wel,” aldus de vader.
En toen scheurde mijn hart.
Journalistendingetje?
Misschien moet je wel journalist zijn om je te verbazen over een gesprek dat ik gistermiddag op Radio 1 hoorde. Sterker nog, misschien ben ik wel de enige die de wenkbrauwen fronste.
Het Radio 1 Journaal, even over zessen gisteravond. Margreet Boer heeft de hele dag bij Paleis Noordeinde staan kleumen om partijbonzen te interviewen die op bezoek waren geweest bij de Majesteit.
We horen onder anderen Wouter Bos en Pieter van Geel in gesprek met Margreet. De strekking is dat de politici stevig campagne voeren. Na al die gesprekjes vat de verslaggeefster haar werk samen voor presentatrice Lucella Carasso en de luisteraars:
“Je merkt, ze voeren die campagne gewoon op de stoep van Paleis Noordeinde want ze komen net bij de Koningin vandaan waar ze hun nette adviezen hebben gegeven. En ze staan buiten en ze beginnen elkaar alweer om de oren te slaan.”
(Familie die aan het sterfbed van oma al bezig is de erfenis te verdelen.)
“Desgevraagd, hè Margreet. Dat moeten we er wel even bij zeggen,” zegt Lucella.
Er klinkt gelach alsof iemand is betrapt.
“Dat is waar,” zegt Margreet, “maar ze doen geen moeite iets anders te zeggen.”
Ach, misschien is het wel mijn eigen journalistendingetje om me er over te verbazen dat een presentatrice een sterk staand slot zo onderuit haalt.
Aan de andere kant, ’t was ook wel heel eerlijk van Carosso om even te duiden hoe het werkt in de journalistiek.
Johannes
(gastcolumn door Ab Klaassens)
Het was eind jaren zestig van de vorige eeuw. Ik werkte bij het Deventer Dagblad als stadsredacteur. Een collega wees me op een foto in een nieuw boek van Lou de Jong over de tweede wereldoorlog en de jaren die daaraan vooraf gingen.
De pagina die de collega mij liet zien ging over de werkeloosheid in de jaren dertig. Op de foto stond een jongeman in een net pak die een spandoek boven zijn hoofd hield. Op het spandoek stond de tekst: “Wie geeft mij werk. Johannes Post, Deventer.” Op het spandoek stond ook een adres.
Journalistieke reactie: wat is er geworden van die Johannes Post. Journalistieke noodzaak: waar vind je die Johannes. Na veel zoeken restte er nog maar één spoor: de moeder van Johannes woonde in een plaatseljk verzorgingstehuis.
Het verzorgingstehuis verbond mij door met de moeder van Johannes Post. Een brekende stem zei: “…ben je daar…eindelijk ben je daar…"gevolgd door gesnik, gerommel van een vallende telefoon en de boze stem van een vrouw –
vermoedelijk verpleegkundige - die me verweet dat ik een oude vrouw helemaal in de war had gebracht.
Johannes Post was, als dienstplichting militair, bij de verdediging van het vliegveld Valkenburg in Zuid-Holland in de meidagen van 1940 door een volltreffer geraakt en als vermist opgegeven omdat er niets van hem was teruggevonden.
Rovershol
Waarom werden onze militairen indertijd ook alweer naar Uruzgan gestuurd? Was dat niet omdat Afghanistan een rovershol was? Was het niet zo dat de Amerikanen de rovers zouden uitroken en onze jongens en meisjes de bevolking een alternatief moesten bieden? Als kleine jongen wist ik meestal na maanden al niet meer waarom mijn beste vriendje en ik elkaar toen en toen op het schoolplein in de haren vlogen.
Volgens mij was het zo dat de Amerikanen op zoek gingen naar de Taliban. Zo’n beetje vanuit de gedachte dat je de tegenpartij vast moeten zetten op z’n eigen helft. De afgedropen Russen zeiden nog dat het geen zin had, maar het Westen meende dat een combinatie van slaan een strelen een goede remedie zou zijn.
Bin Laden is nog steeds niet gepakt maar het schijnt dat onze militairen hun taak wel goed doen. Onze bondgenoten zijn buitengewoon tevreden. Ik heb niet zo’n zicht op de prestaties van het Nederlandse leger. Telkens als ik reportages uit het gebied zie hoor ik militairen zeggen dat het formeren van een Afghaanse politiemacht, die uiteindelijk de eigen boontjes moet doppen, moeizaam gaat. Snap ik. Probeer een welhaast middeleeuwse krijger maar eens om te vormen tot een robocop.
Maar we houden de moed er in. We hebben niet voor niks twintig mensen in de bloei van hun leven opgeofferd in een troosteloze zandbak. En zelfs al zou dat zo zijn, dan nog zeg je dat niet hardop. De Nederlandse aanpak is uniek in de wereld en het werkt. De Amerikanen zeggen dat ook. Punt uit.
Maar goed, eind dit jaar – zo hadden we afgesproken – zouden we er mee stoppen. En dus hield de PvdA daar aan vast. Afspraak is afspraak. Welbeschouwd is het curieus dat de PvdA daar zo aan hecht. Het is een partij die als geen ander het beste voor heeft met de medemens. Dus als wij in Afghanistan de situatie verbeteren dan zou het toch logisch zijn dat zo’n partij nog een jaartje vast knoopt aan onze missie.
Als ons resultaat zo geweldig is dan is dat toch uit te leggen aan het volk. Het zou ons trots maken als we hoorden dat we zo goed zijn dat we met een beetje geduld een modelstaat zouden kunnen maken in het Oosten.
Maar nee, de PvdA stapt op vanwege de geloofwaardigheid. Geloofwaardigheid? Dat is nou wel het argument dat wij, eenvoudige zielen in het land, het laatst van een politicus verwachten.
CDA'er Verhagen jankt als een geslagen hond. Ons aanzien, dus ook zijn persoonlijke aanzien, is geschaad. Hij mag niet meer aanschuiven. Zou hij ooit wel eens aan Grote Broer gevraagd hebben hoe het toch kan dat die met al zijn geavanceerde middelen er maar niet in slaagt een weerloze oude baardman op te sporen. Vast niet. Dat vraag je niet aan vrienden. Of vraag je dat nou juist wel aan vrienden?
En ondertussen in het rovershol? De mannen met de baarden schuddebuiken van het lachen. Ze werden klem gezet op hun eigen helft. Maar ondertussen ligt er op de andere helft een klein landje aan de Noordzee helemaal aan diggelen. En daar hebben die rovers zich nauwelijks voor hoeven inspannen.
Nog even en dan is het zover, dan zit ik in mijn zogenaamde kleedkamer op het toneel en verschijnt de knappe, jonge zigeunerin Carmen tegenover mij in de spiegel. Ze zal haar tekst beginnen met: ‘Ga je mij vanavond weer de schuld geven?’ en we zullen een aangenaam uur met elkaar doorbrengen, de conversatie heen en weer ketsend tussen haar en mij, tussen Don José en mij en afgewisseld met muzikale conversatie tussen mij en de pianist, goeie vriend Carl.
Ze zal haar overtuigingen weer bekopen met de dood, maar nu heeft ze het toe kunnen lichten en zal ze minder het slachtoffer zijn dan in de opera. En gelukkig is ze een pop en kan ze de volgende keer dat Jan Smeets, haar ‘alma pater’, haar weer in handen neemt, opnieuw tot leven komen en opnieuw haar lot toelichten, en misschien weer zorgen voor een uur passie en pijn en verlangen, waar mensen even in weg zijn van hun dagelijkse beslommeringen.
Ik zal sidderen van de zenuwen, maar gezien de goede voorbereidingstijd en de professionaliteit waarmee ik omringd word zal het nu een keer gaan lukken om zelf ook te genieten van deze voorstelling, dat heb ik me vast voorgenomen. De aria’s zijn in mijn lijf gaan zitten en de stem voegt zich naar warmere mezzo-klanken. Zelfs de aria ’s van Don José en Escamillo zijn me vertrouwd geworden, al gaven ze zich moeilijk prijs (moet je als sopraan ook maar niet proberen tenor- en bariton aria’s te gaan zingen, foei!).
Danseres en regisseur Jeanne de Vaan heeft mijn stugge lijf wat losser gekregen en me middelen gegeven de beelden die ik in mijn hoofd had, ook juist over het voetlicht te krijgen. We klikten onmiddellijk en hebben samen veel plezier gehad; mijn respect voor dansers was al groot, maar is alleen maar groter geworden.
Ik zoek al maanden naar de juiste geestelijke houding en de juiste gedachten om straks de fladderende zenuwen weg te jagen en de voorstelling in eigen hand te houden. De muziek is, sterk, meeslepend, emotioneel en van een tijdloze frisheid; de teksten zijn goed, het decor klopt, de kleding klopt, wat kan er nog verkeerd, behalve onbeduidende details?
Alle vrienden komen; tot mijn verbazing pikt men in uithoeken van de pers de berichtjes op en meldt men zich voor kaartjes. Men is al dan niet vergezeld van echtgenoten, buurvrouwen, kinderen en andere belangstellenden. Ik tel in gedachten de kaartjes die ik al gereserveerd heb en kom makkelijk tot boven de twintig.
De speeldata tot nu bekend zijn:
Zaterdag 27 februari, 16.00 uur, De Azijnfabriek, Den Bosch
Zondag 7 maart, 16.00 uur, idem
Zaterdag 3 april, 12.30, idem. Dat is er eentje waarvan we verwachten dattie erg druk bezocht wordt en waarvoor geen kaartjes gereserveerd kunnen worden: wees op tijd aan de zaal (wat leuk om dat te kunnen schrijven trouwens…).
Maandag 8 maart spelen we ‘m ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag. Dat is een besloten voorstelling, waar ik me erg op verheug.
De voorstelling is te koop, als u daarover meer informatie wilt, stuur me een mailtje, dan krijgt u een telefoonnummer van me waar u meer informatie kunt krijgen. Doet u dat trouwens ook als u kaartjes wil: voor de voorstellingen van 27 februari en 7 maart kan ik reserveringen doorsturen aan het productiebureau.
Ik hoop dat Carmen en ik elkaar de komende anderhalf jaar vaak tegen zullen komen aan twee kanten van de spiegel in ‘mijn’ kleedkamer.
In het filmpje de Carmen die mijn voorbeeld was en is, al moet je natuurlijk altijd proberen je eigen draai eraan te geven.... Julia Migenes.
Pompbediende
“Welk pompnummer had u?” vroeg de pompbediende.
Ik noemde het nummer, hij tikte wat cijfertjes in en noemde het bedrag dat ik moest betalen.
“Wilt u twee rollen Topdrop voor een euro?” vroeg de man.
“Nee, dankuwel”, zei ik beleefd.
“Wilt u airmails?”
“Nee, ook niet,” zei ik.
“Een bonnetje?”
“Nee,” zei ik, “sorry ik wil eigenlijk niks.”
“Mag ik u wel een prettige dag wensen?” vroeg de pompbediende.
“Natuurlijk,” zei ik.
“Tot ziens,” zei hij.
Kijk, dat vind ik nou jammer. Gauw iets anders zeggen.
Biesbosch
Ik heb de laatste carnavalsdag gebruikt om een beetje te dwalen in de Biesbosch bij Werkendam.
Strop
Als niet-carnaval vierende inwoner van Oeteldonk moet je voorzichtig zijn. Kritiek op het unieke Bossche feest betekent om te beginnen dat je je hoofd in een strop legt. En als je dan ook nog niet onvoorwaardelijk achter de plaatselijke oorlogsheld Marco Kroon gaat staan, tja, dan vraag je er om dat het touw wordt aangetrokken.
Mocht u een week niks van me horen, wilt u dan de politie bellen. Hoewel ik me afvraag of die zich in dit geval iets van mijn lot zal aantrekken, want hun hoogste baas komt in dit verhaal voor.
Het gaat hier om. Burgemeester Rombouts en de wethouders Pauli en Snijders lieten zich gisteren voor het Brabants Dagblad fotograferen met Marco Kroon. Kroon, die verdacht wordt van wapen- en drugshandel, had zich bij wijze van zelfspot in een zwart-wit gestreept boevenpak gehesen. Gevieren kijken ze ons breed lachend vanaf de krantenpagina aan.
Nou vind ik dat je niet over iemand mag oordelen voordat de rechter een uitspraak heeft gedaan. En al helemaal niet een man die door de Majesteit persoonlijk op de schouders is getimmerd.
Maar stel . . . Stel dat blijkt dat Kroon toch een misstap heeft begaan en door de rechter wordt veroordeeld? Dan hebben de Bossche bestuurders vrolijk geposeerd met een misdadiger. Ik ken politici die voor minder de laan uitgestuurd zijn.
Zouden de burgemeester en de wethouders van Den Bosch dat risico nemen? Ik ken ze als serieuze, handwerkende mensen. Goed, Rombouts wil nog wel eens iets roepen waar de tenen van krommen, maar Snijders en Pauli zijn de integriteit zelve.
Dat kan dus betekenen dat ze met Marco Kroon op de foto zijn gegaan omdat ze weten dat ze daar geen enkel risico mee lopen. Rombouts is korpsbeheerder en zit dus dicht bij het vuur van het politie-onderzoek. Dat zou dus kunnen betekenen dat zij al weten dat Marco Kroon niks misdaan heeft en niet vervolgd gaat worden. Dat zou een hele opluchting zijn.
Het is echt
U weet dat ik regelmatig mailtjes krijg die niet voor mij bestemd zijn. Ik heb er kortgeleden nog eens over geschreven. Er zijn er veel met mijn naam en dan gaat er wel eens iets mis.
Ik had me voorgenomen de afzenders keurig te mailen dat ze abuis waren en de inhoud van die mailtjes onder de pet te houden.
Met de laatste lukt het niet. Ik kreeg een ledenlijst van passieve en actieve mensen. Geen idee waar het verder over ging, maar er stond onderstaande alinea in. En toen moest ik opeens aan Toon Hermans denken. Het bestaat gewoon echt.
Mevrouw Vaartjes en mevrouw Beens staan er nog steeds niet in. Is de
meisjesnaam van mevrouw Vaartjes Lutjeboer? en wat is de meisjesnaam van mevrouw Beens? kan alleen maar op meisjesnaam zoeken. Meisjesnaam Mw. Vaartjes is Lutjeboer en mw. Beens is Hummel.
Vocalies (100)!!
(door Marlies)
Dit is de honderdste gastcolumn op Stroomopwaarts. Op Vocalies.nl is de honderdste geruisloos gepasseerd, ten eerste omdat ik daar niet tel (dat tellen doet uw hoofdredacteur) en ten tweede omdat ik op Vocalies.nl niet alleen op zaterdag, maar ook wel eens tussendoor bericht over ‘de klassieke muziek in de samenleving’. Maar hier is het de honderdste en dat vraagt om terugblik en melancholie en filosofische beschouwingen …
Deze honderdste wordt geschreven met zicht op een alweer besneeuwde straat en vrieskou die in de lucht hangt. De winter weet van geen wijken en het is maar goed dat er de warmte van de muziek is, anders had ik het allang opgegeven. Ik neem mij ieder jaar weer voor een winterslaap te gaan houden: zo begin november het stro in, en dan lekker door de feestdagen heen slapen en begin maart de strootjes uit je haar plukken en voorzichtig in het zonnetje gaan zitten. Zin om mee te doen?
Deze honderdste wordt ook geschreven aan de vooravond van het (Oeteldonkse) carnaval, waar wij ook dit jaar weer slechts flarden van mee zullen krijgen: de door de wind aangevoerde muziek uit het station alwaar de prins ieder jaar weer met veel tamtam binnengehaald wordt. En dweilorkestjes die (op dat moment nog redelijk nuchter) door de straat marcheren teneinde het drukste stukje Den Bosch (pardon: ’s-Hertogenbosch) te omzeilen en rustig te kunnen marcheren. Er is altijd die ene die al wel in de lorum is die er te laat achteraan komt struikelen en die ons lachsalvo’s ontlokt vanachter het eetkamerraam. Dat is voor ons carnaval, tenminste voor mij, want mijn echtgenoot vat de essentie van het lolbroekenfeest ten enenmale niet en nooit, zo denk ik….
Een paar weken geleden was er trouwens bij De Wereld Draait Door een leuke discussie over wat de ultieme carnavalshit zou zijn. Ik was gauw klaar: die ligt in de klassieke muziek: het refrein van de grote aria van Barinkay uit Der Zigeunerbaron: “Ja das alles auf Ehr, das kann ich und noch mehr; wenn man’s kann ungefähr, ist’s nit schwer, ist’s nit schwer”, een waarheid zo groot dat ik ‘m niet eens voor u vertaal.
Deze honderdste wordt komt ruim twee jaar nadat ik bij Radio 4 van de Avro voorgoed de deur achter mij dichttrok, buitengewoon verdrietig omdat een hele belangrijke levensvervulling in Hilversum achterbleef. Ik begon mijn website eigenlijk uit verdriet en frustratie en merk nu, bij de honderdste, dat de therapie tenminste voor een groot deel gewerkt heeft: ik kan mijn ei toch kwijt en het is natuurlijk buitengewoon leuk om af en toe fel en ongenadig uit te kunnen halen naar die jongens daar in het Gooi die het allemaal niet begrijpen en uit onvermogen talent laten lopen, omdat het niet in hun beperkte stramien past. Alsof het ze daar in Hilversum ook maar een splinter kan schelen wat ik hier in het Brabantse van dingen vind.
Het doet niet meer zo zeer als in het begin en de tranen schieten niet meer onverwacht naar boven, maar nog wel als ik moe ben en me niet helemaal lekker voel, maar dan ben ik alleen en dan is het ‘mijn ding’ (vreselijke, maar bruikbare term) en daar hebt u dan lekker niks mee te maken. Ik zal er, mede dankzij deze rubrieken, wel mee leren omgaan zo schat ik in: enige zelfkennis is mij niet vreemd.
Deze honderdste komt ook aan de vooravond van een voor mij groot project: de opera Carmen met twee poppen die mij al wonderlijk vertrouwd aandoen als poppenspeler Jan Smeets ze in de hand neemt: ik kijk twee kanten van mezelf in de ogen. Het werkt louterend, maar natuurlijk knijp ik ‘m ook als een ouwe dief voor de uitvoeringen, waarvan wij vieren (de poppenspeler, de pianist, de regisseuse annex ‘dansjuf’ en ik) hopen dat die talrijk in het verschiet liggen.
Zo, en nou heb ik genoeg gefilosofeerd. Ik hoop nog minstens honderd nieuwe columns voor u te kunnen schrijven, hier op Stroomopwaarts en op mijn eigen site: www.vocalies.nl. Volgende week hebben we het weer over dooie componisten en klassieke actualiteiten en ik doe mezelf in het filmpje de ultieme carnavalshit uit Der Zigeunerbaron cadeau, samen met zo’n paar van die meebrallers en gespeeld door iemand die ik zeer bewonder, al was het maar om de jongens in Hilversum een beschaafd schopje onder hun achterste te geven: André Rieu.
En u mag ervan denken wat u wil.
Gefeliciteerd Vocalies: je hebt er honderd volgemaakt!
Brief van Ali (38)
Beste mensen,
Was gekke week, deze week. Was gekke week met taal. U snapt, Nederlandse taal is moeilijk voor allochtoonse mensen. Wij hebben vroeger geleerd op cursus van fabriek. Kinderen Yildiz spreken beter nog dan mevrouw Yildiz en ik.
Maar laatste tijd is gek. Kinderen zeggen steeds hun als zij moeten zeggen zij. Als ik zeg tegen kinderen jij moeten zeggen zij dan mijn zoon zegt maar iedereen zegt hun vader. Eerst ik zei dat is goed. Jij moet ook zeggen hun vader. Maar hij zei ik niet begrijp wat hij bedoelt. Zo wij kregen al spraakverwarring.
Mijn zoon zegt jij moet niet alles letterlijk nemen wat ik zeg. Hij snapt niet ik neem ook niet alles letterlijk wat hij zegt. Hij is nog puberaal. Is best moeilijk voor ouders.
Nou ik hoor mevrouw van hogeschoolleraar zeggen jij mag hun zeggen als jij zij moet zeggen. Dat is gek voor ons oren. Is ook niet eerlijk voor mevrouw die haar best deed ons taal te leren. Was ook moeilijk voor haar.
Wanneer moet jij zeggen de of het. Wij moesten zeggen het paard en niet de paard. Ik weet niet waarom, wij hadden geen paard.
Buurman Arie zegt, is makkelijk Ali als jij woont in Brabant. Als jij kan zeggen unne mens dan is mannelijk woord. Ik zeg mens is ook vrouwelijk en kinderlijk. Hij zegt nee man, unne mens is man voor Brabants. Wij nooit hebben begrepen waarom in Brabant mens alleen man is. Is gek voor land van emancipatie.
Nou ik lees overal jij mag zeggen hun hebben. Is spreekverandering van taal. Is moeilijk maar ik snap taal verandert steeds. Maar dan is nog één vraag over. Ik kan nergens lezen wat hun dan hebben.
Arie zegt Ali jij moet nog eens naar avondschool voor bijspijkercursus. Eerst ik dacht hij wil ik ga timmeren, maar dat was ook misverstand. Is moeilijk hoor Nederlandse taal.
Groeten,
Ali Yildiz
De postbode
Mijn vader is zijn loopbaan bij de Koninklijke Nederlandsche Posterijen op 17-jarige leeftijd begonnen als brievenbesteller. Hij heeft er wel eens smakelijke verhalen over verteld.
In die tijd was een postbode een graag geziene gast. Hij bracht ansichtkaarten uit verre oorden, brieven van geliefden, briefkaarten waarin tante Annie aankondigde dat zij en oom Ben komend weekend de nieuwe wagen kwamen tonen. De postbode deelde mee in de vreugde en hij sloeg een arm om de mensen heen als hij een rouwkaart had moeten bezorgen.
Overal in de wijk had hij zijn koffieadresjes. Soms at hij ergens een boterhammetje mee en heel af en toe, als het erg koud was, pikte hij een neutje mee. Er gaan zelfs verhalen over postbodes die eenzame dames . . . . . Ach, dat zijn natuurlijk maar verhalen.
De postbode als sociaal werker. Dat is lang geleden vermoed ik. Vandaag was er even zo’n momentje. Mijn vrouw was vrij en toe zij ontwaakte lag er (nee . . . geen postbode naast haar natuurlijk, die grap is al te gemakkelijk) een briefje op de deurmat dat TNT een pakje voor haar bij iemand aan de overzijde had bezorgd.
Ze toog er heen en ontmoette zo een buurvrouw die ze alleen van het voorbijgaan kende. Even later belde er een TNT’er aan. Hij had een pakje voor onze buren. Of zij dat wilde geven. En zo hebben we vandaag ook contact met onze buren, die we overigens vaak spreken. Dat contact is zo goed dat we in stilte hopen we dat ze ons uitnodigen dat pakje mee te openen, want het klonk verdacht veel naar flessen wijn.
Verkeerde film
Heeft u ook wel eens het gevoel dat u in een verkeerde film zit? Dat u een planning hebt gemaakt die door een verwarde man in een djellaba in een station volkomen in de war wordt geschopt. Dat u denkt een paar zaken op uw werk te gaan regelen en dat u in plaats daarvan vanuit uw eetkamerraam naar een Apache-helicopter staat te staren die boven uw huis hangt.
Een dat u ’s avonds naar de Verkadefabriek gaat om A Serious Man te zien. En dat u dan in die hal iemand tegen komt die zegt: “hé, ga jij ook naar de bijeenkomst met Jan Marijnissen”. En dat u dan met een uitgestreken smoel zegt: “Nee hoor ik ga naar een serieuze man”.
En dat er dan vlak voor de film iemand het woord neemt die zegt: “Dames en heren, ik wil u er op wijzen dat in deze zaal zodadelijk de film A Single Man begint en dat A Serious Man in zaal 3 draait. Ik zeg het maar even want er bleek wat verwarring.”
En dat u dan stiekem op uw kaartje kijkt, ziet dat u het verkeerde heeft gekocht en diep wegzakt in uw stoel en net doet of u daar had moeten zitten. En dat u dan bij het verlaten van de zaal denkt: wat zullen de mensen denken van een man die alleen naar een homofilm gaat?
Wel, als u dat gevoel wel eens heeft moet u beter op uw filmhuiskaartje kijken.
Treinincident
U zult mij niet vaak horen klagen over de NS. Ik reis dagelijks buiten de spits met de trein en dat gaat meestal goed. Vertragingen (dat is het woord dat wij reizigers gebruiken, de NS heeft dat inmiddels uit het vocabulaire geschrapt) van vijf tot tien minuten komen redelijk vaak voor, maar dat is voor een doorgewinterde treinreiziger net zo vanzelfsprekend als de dagelijkse file voor een automobilist. Je houdt er rekening mee.
Het enige waar ik me wel eens aan stoor is dat – als je met de eerste trein vertrekt – de deuren pas op het allerlaatste moment open gaan. Dan sta je daar ’s morgens om zes uur te blauwbekken op een tochtig station. Te wachten tot de meester en zijn hulpje met de fluit de deuren ontsluiten.
Kan dat nou niet vijf minuten eerder, vragen wij wachtenden ons dan af. Nee, dat kan roostertechnisch niet. Service en informatie verschaffen als er iets mis is zijn met “vertragingen” uit de begrippenlijst van de treinvervoerder geschrapt.
Sinds afgelopen weekend ben ik gaan begrijpen waarom die trein tot het allerlaatste moment dicht moet. Zondagmorgen om half zes had een NS-medewerker op het station hier ter stede de trein eventjes onbeheerd gelaten. Misschien dacht hij een keer service te verlenen of misschien moest hij plassen. En u weet dat mag niet in een stilstaande trein.
Het gevolg was dat een verwarde man in de trein stapte, de cabine van de machinist opende, op een paar knoppen drukte en met de lege trein weg reed. Hij kwam niet heel ver, want NS’ers zagen wat er gebeurde en grepen in.
We hebben als journalisten vanmorgen geprobeerd een reactie van NS te krijgen. Dat was een vergeefse poging. De rijen waren gesloten en er werd geen commentaar gegeven. Waarschijnlijk was het trouwens de schuld van Prorail, die hebben die rails neergelegd waarover die man met die trein weg kon rijden.
Angsten
(gastcolumn door Ab Klaassen)
Je hebt van die angsten die alleen in je dromen voorkomen, maar soms fantaseer je akelige gebeurtenissen als je alleen maar voor je uit zit te suffen, wachtend op de bus of wachtend in je bed tot de slaap komt.
Ik kijk altijd met enige angst vooruit naar gemeentelijke recepties in Eindhoven. Als ik daar met een glas in de hand met iemand sta te keuvelen komt steevast een gemeenteambtenaar op mij af met wie ik, als journalist, jaren geleden een moeilijke nota heb besproken. “ En daar hebben we meneer Van Woensel” roep ik dan opgewekt. En elk jaar weer zegt de man: “Sorry, de naam is Peppelenbos.”
Dikwijls denk ik ook dat ik in een winkelstraat ben waar mijn echtgenote eindeloos in etalages blijft kijken waar kleren worden tentoongesteld die haar niet passen of waarvoor zij de prijs niet wil betalen. In mijn dagdromen trek ik haar met een ‘kom nou maar mee’aan de arm, terwijl dat de arm van een mij onbekende dame blijkt te zijn.
Soms zie ik mij in mijn dagdromen met ontbloot onderlichaam bij de kassa van de supermarkt staan, terwijl niemand daarvan opkijkt.
Sinds ik bretellen draag bekruipt mij de vrees dat ik, na haastig toiletbezoek, het kritisch gesnuif van de visite in verband moet brengen met het vermoeden dat ik mijn bretellen in de pot heb laten hangen.
Vocalies (99)
(Door Marlies)
Er is een nieuwe radiopodcast met klassieke muziek. Klik hier.
De Wereld Draait Door heeft het vaak over klassieke muziek en dat vind ik te waarderen. Wat ze aan popmuziek hebben (u weet wel die geweldige, in de vaart der volkeren opgestuwde groepjes die net (of net niet) uit de jeugdpuisten zijn en die nu een cd in de winkel hebben die u en ik vooral onmiddellijk moeten gaan kopen) daar word ik niet warm of koud van.
Soms herken ik de kwaliteit, al is het niet mijn genre, maar meestal kijken mijn echtgenoot en ik elkaar eens aan en halen er onze schouders over op. Zelfs wij worden oud….
Ik heb al eens geprobeerd mijn site aan Matthijs te slijten, maar mijn mail verdween in de enorme bak e-mail die DWDD dagelijks over zich uitgestort krijgt en daar heb ik begrip voor. Ik mag Matthijs wel: snelle interviewer met een tamelijk open mind, die iets kinderlijks (dat bedoel ik positief) en iets edels over zich heeft; iets wat je tegenwoordig in het Hilversumse zelden tegenkomt.
Afgelopen week zat Daan Smid er weer eens. Hij is er nogal eens als er iets over klassieke muziek in DWDD zit. Onze nationale knuffelbariton had iets nieuws bedacht, nou ja, nieuws, analoog aan de Brtise tv dan: ‘Popstar to operastar’. Dat programma schijnt daar als een dolle te scoren en dan moeten wij het ook, met onze Nederlandse popartiesten.
Daan en ik hebben iets gemeen, dat schreef ik al eens eerder: we vinden beiden dat (bijna) alle middelen geheiligd zijn om het doel te bereiken: meer ‘gewone’ mensen binnen hengelen in en voor de klassieke muziek. Dat zei Daan ook en ik veerde hoopvol op, om een paar minuten later knarsetandend weer terug te zakken op mijn chaise longue. Poes en Broer waren verschrikt weggestoven en kwamen weer proberen of ze zich dit keer voor langere tijd konden installeren. Het vrouwtje kan ook zo ongedurig zijn…
Daan had twee doorgewinterde pop-artiesten gevonden die bereid waren een ‘ochtendje’ met hem te zingen en vervolgens een (piepklein) stukje uit een aria met piano-begeleiding te zingen. Martin Buitenhuis (Van Dik Hout) en Sanne Hans (Miss Montreal) waren het slachtoffer. Mijn tenen krulden ervan. De dame (nou ja dame) is een fenomenale pop-zangeres, met een heel eigen geluid. Ik hoorde haar haar eigen repertoire zingen en dacht: ja meid, ik hou er niet van, maar het heeft iets.
Opera-zangeres word je niet zomaar: ik kan een beetje zingen en mocht er destijds nog 5 jaar over doen om het conservatorium te doorlopen; er werd toen al gemopperd dat dat te kort was en toen ik afstudeerde kon ik nog nauwelijks zingen: de jaren daarna deden de stem op zijn plaats zakken en rijpen.
Sanne was verre van nuchter en stelde zich nogal aan; ze bakte bijna niks van het deeltje uit ‘Le nozze di Figaro’, behalve de uitspraak, die was redelijk. Ernst heeft er blijkbaar erg aan getrokken, of ze heeft een flair voor Italiaans. Martin Buitenhuis moet nog minstens tot en met vandaag last hebben gehad van zijn stem, want de hoge noten klonken alsof ze zeer deden in zijn keel en hij keek ook zo…. Maar goed dat de warme bariton van Daan over het gekraak heenrolde anders had u ook last van uw oren gehad.
Wat de amusementswaarde moet worden voor dit programma (daar had Daan het over: amusementswaarde) is me niet helemaal duidelijk. Dat grote sterren als Rolando Villazon (voor wie ik een boon heb en houd) en Meatloaf (een dronken Narcist , die zonder drugs en erg veel aandacht voor zijn pijntjes zijn kunstje niet kan doen) hun naam eraan willen verbinden snap ik niet goed.
Goed opera zingen vereist talent, tijd, intellect, een warme invoelende persoonlijkheid, ijzeren zelfdiscipline, doorzettingsvermogen en noem zo nog maar wat eigenschappen op. Ik zeg niet dat popsterren die eigenschappen niet hebben, maar waarom laten ze ons niet gewoon opera zingen en de popsterren doen waar zij goed in zijn: popmuziek zingen? Ieder in zijn waarde. En als je zo nodig wil ‘cross-overen’ (vreselijk woord): haal elkaar in elkaars concerten, maar met het eigen genre.
Prachtig concert met De Dijk en Ernst Daniel Smid, of Bløf met Cecilia Bartoli, om maar eens twee volstrekt willekeurige dwarsstraten te noemen. Of haal er ballet bij, poppenspelers (dat ga ik doen met de voorstelling Carmen over Carmen, gauw effe reclame maken), mime-kunstenaars, buiksprekers, wat kan mij het schelen, maar ga niet je stem naar de gallemiesen schreeuwen om slechts ergernis te oogsten, waar je binnen je eigen genre zo (terecht) wel waardering oogst.
Stemwijzer
Of ik ken mezelf niet, of de Stemwijzer is in de war. Ik heb het internettestje voor mijn eigen stad Den Bosch twee keer gedaan (één keer met en één keer zonder aanvinken van onderwerpen die voor mij het belangrijkst zijn). En twee keer eindigde een partij als hoogste waarop ik niet van plan was te gaan stemmen. Namelijk het CDA. Ik zeg het maar eerlijk.
Maar dat is eigenlijk niet datgene waar ik mij het meest over verbaas. Het CDA eindige op mijn lijst bovenaan, maar pal daaronder stond de SP. Geloof me, ik zag geen verschil tussen beide balkjes. CDA en SP eindigden ex aequo.
En dat is gek, want die twee partijen hebben elkaar de afgelopen vier jaar te vuur en te zwaard bestreden.
Tijdens de coalitie-onderhandelingen werd de SP de vierde partij in de stad, achter PvdA, CDA en VVD. Het lag voor de hand dat de SP mee zou gaan regeren, maar uiteindelijk werd de partij gedumpt ten gunste van GroenLinks. De SP werd de grootste oppositiepartij en heeft zich goed van die taak gekweten. Niet dat het veel zoden aan de dijk heeft gezet maar dat komt omdat de coalitie de rijen al die jaren gesloten hield.
En nu blijkt dus dat de uitkomst van mijn Stemwijzer aansluit bij het CDA en de SP. Moet ik daar uit concluderen dat er bijna geen verschil is tussen beide partijen en dat na de verkiezingen CDA en SP toch samen in Den Bosch kunnen regeren?
Politiek? Schiet mij maar lek . . .
Spoorbrug
(gastcolumn door Ab Klaassens)
Jan vertelde woensdag hoe moeilijk het is goede informatie te krijgen als er iets gebeurt met een spoorbrug, bijvoorbeeld als een schipper zijn vaartuig niet goed in de hand heeft gehouden.
De spoorwegen zijn erbij betrokken – maar wie van de spoorwegen? – en ook rijkswaterstaat, beide altijd bereid tot een positief verhaal, maar gesloten als een oester wanneer er iets is mis gegaan.
Het verhaal wierp mij terug op een gebeurtenis van een halve eeuw geleden – jawel, opa vertelt. Ik werkte tijdelijk, als vervanger van een zieke collega, op de redactie Zaandam van Het Vrije Volk. Ik kreeg de tip dat de Hembrug, de toenmalige spoorbrug over het Noordzeekanaal, was aangevaren door een groot schip waardoor de brug zo was beschadigd dat er geen treinverkeer meer mogelijk was.
Bekend was dat de spoorbrug moest worden geopend bij nadering van een oceaanstomer, als de dienstregeling van de N.S. dat toeliet. Verantwoordelijk voor de melding was Rijkswaterstaat. Verantwoordelijk voor het tijdig openen van de brug was de N.S., in de praktijk de stationschef van Zaandam.
Vijftig jaar geleden hadden Rijkswaterstaat en de Nederlandse Spoorwegen niet één voorlichter ( en nu te veel). En alle ambtenaren hadden de instructie om nooit met de pers te praten.
Ik heb toen de stationschef van Zaandam gebeld met de mededeling dat Rijkswaterstaat mij had verteld dat hij de spoorbrug ten onrechte niet had geopend, zodat het zijn schuld was dat de brug was beschadigd. Een leugen.
De man reageerde als door een wesp gestoken en vertelde mij tot in detail wat er volgens hem gebeurd was. Ik had dus m’n verhaal, maar – helaas – zonder commentaar van Rijkswaterstaat.
Grapje
Een melding: er is een boot tegen de spoorbrug in Den Bosch gevaren. Het treinverkeer zal uren stil liggen.
Ik ken de situatie, het is vlak bij waar ik woon.
De NS gebeld. Dat was natuurlijk fout want daarvoor moet je bij Prorail zijn. Maar ik kan ze niet uit elkaar houden, dus ik begin altijd maar ergens.
De woordvoerster had een dagje vrij, maar de telefoniste was de beroerdste niet. Ze wilde weten wat ik wilde weten zodat ze me kon doorgeleiden in de wondere wereld van geprivatiseerde vervoerders.
Ik confronteerde haar met het probleem. Het probleem dat het treinverkeer (haar treinverkeer) was gestremd omdat er een boot tegen de brug was gevaren.
En toen gaf die mevrouw het antwoord dat alleen iemand van de NS kan geven: “tja, als het ijs gesmolten is en die boten weer gaan varen dan krijg je dat.”
Ik denk dat die mevrouw een grapje maakte, maar ik steek daar mijn hand niet voor in de gaskacheltjes waarmee de wissels worden ontdooid . . .
Licht
De meest intrigerende man die ik niet ken, is mijn overbuurman. Ik ken hem niet omdat wij nog nooit met elkaar hebben gesproken. We komen elkaar ook bijna nooit tegen op straat. De enkele keer dat wij binnen gehoorafstand waren hebben we elkaar gegroet. Misschien drie keer in acht jaar.
Mijn overbuurman woont in een bovenhuis. Vanaf onze bovenverdieping, waar onze woonkeuken en werkkamer zijn en waar zich een groot deel van ons leven afspeelt, kan ik bij hem naar binnen kijken.
Dat doe ik niet bewust, dat gaat vanzelf. In zijn kamer schijnt namelijk altijd het prachtigste licht. Mooie aantrekkelijke kleuren. Om de zoveel maanden schijnen er andere kleuren licht. Misschien werkt mijn overbuurman bij een lichtfabriek en test hij thuis de kleuren.
Een paar keer heb ik – ik kon er niet omheen – ontzettend fel wit knipperlicht in zijn huis gezien. ’t Leek wel bliksem.
Mijn overbuurman zit altijd op dezelfde plaats in zijn woonkamer. Hij zit daar ook altijd. Op welk moment van de avond ik ook door dat prachtige licht aan de overkant wordt aangetrokken, hij zit er.
Hij is altijd alleen. Ik heb nog nooit iemand anders in het huis gezien. Ook op kerstavond en op oudejaarsavond zat hij daar alleen. Ik heb ook nog nooit gezien dat er ’s avonds geen licht brandde en hij er niet was.
Mijn overbuurman rookt want soms zie ik een sigaret gloeien.
Ik schat mijn overbuurman tussen de 30 en de 40 jaar. Het is een doodnormale man om te zien.
Ik hoor u al denken: bel eens aan, maar dat doe ik niet. Ik ben niet nieuwsgierig naar zijn leven. Ik ben alleen maar geïntrigeerd door hetzelfde beeld dat ik al jaren zie.
Watjes
Wij woonden in een eenvoudige straat in een stadje aan de rivier. In de straat woonden voornamelijk arbeiders, een enkele ambtenaar en een paar uiterst gezellige families die uit een achterbuurt naar onze nieuwbouwstraat waren verbannen.
Er was bijna nooit iets aan de hand in die straat. Alle vaders gingen ’s morgens naar de fabriek of naar kantoor. Alle moeders waren thuis en gebruikten de spaarzame uurtjes tussen het wasbord en de weckketel om de sociale banden aan te halen. Plooitjes in de onderlinge verhoudingen werden snel gladgestreken. Iedereen kon met elkaar door één poortdeur. Dat moest ook wel, want er was maar één deur.
Iedereen was socialist, want er woonden geen kerksen in de straat en al helemaal geen mensen die op het groot-kapitaal van de VVD stemden. En veel meer smaken had je toen nog niet. Drees had voor een AOW’tje gezorgd en de dankbaarheid daarvoor betaalde zich in onze straat tijdens de verkiezingen uit.
Het was ook de tijd dat mensen nog hun stoepje veegden als het had gesneeuwd. Er was zelfs sprake van enige competitie wie als eerste met de bezem in de weer was. Of met een sneeuwschuiver. Niet zo’n modern rood ding van ijzer, nee onze vaders maakten ze zelf van latten en planken.
Die tijd is niet meer. Als het nu een beetje sneeuwt en vriest worden de handen niet meer uit de mouwen gestoken maar dik ingepakt in dure fleece-handschoenen waar de wind aerodynamisch langs suist. Stoepjes zijn tegenwoordig levensgevaarlijke roetsjbanen.
Dus is het niet zo verwonderlijk dat de PvdA (socialisten) heeft gevraagd de verkiezingen uit te stellen. Het is namelijk voor de vrijwilligers geen doen met dit weer campagne te voeren en langs de deuren te gaan.
Hoon alom in de Tweede Kamer. Watjes zijn het. Onze vaders en moeders, voor zover nog in leven, zullen het hoofd meewarig schudden. En zij die vroeger op de socialisten stemden en nu het beloofde aardse paradijs hebben verruild voor het hemelse, zullen zich omdraaien in hun graven.
Ach, in de buurt van onze ouders hoeft niet eens meer campagne gevoerd te worden. Daar wonen nu nog weinig mensen die gaan stemmen. En zij die nog wel de gang naar het bureau trotseren hebben al jaren geleden een andere onomkeerbare keuze gemaakt. Boos als ze zijn dat de socialisten er niet in geslaagd zijn de samenhang in hun buurt te bewaren zodat er nog stoepjes worden geveegd.