Glasbak

(gastcolumn van Ab Klaassens)

Bij de glasbak was een man van het type dat je makkelijk groet, druk in de weer met een bezem.

“Ze kwakken hier van alles neer” zei de man, “spiegels, vazen, weckpotten, glazen tafelbladen, TL-lampen….’t kan niet in die bakken en tja. …ik begrijp ’t wel, je neemt ’t niet makkelijk mee terug dus…”

Hij maakte een wegwerpgebaar.

“Dat ’t er ligt is geen ramp , maar ’s avonds komen de jongens hier uit de buurt. Ach meneer - we zijn allemaal jong geweest.”

“En daarom komt u hier vegen?”

“Ach meneer, ik kwam al vroeg in de WAO. ’t Ruggetje. Maar je wil toch bezig blijven. Eerst heb ik alles in m’n huis verbouwd tot er niks meer te verbouwen viel en m’n vrouw van ellende is weggelopen. Toen heb ik me gemeld bij het vrijwilligerswerk. Kreeg ik te maken met precies dezelfde type klootzakken die ik destijds op m’n werk al van de steiger had willen flikkeren. Wegwezen dus.”

Hij veegde z’n glasscherven op het blad van een schop en vroeg mij onverhoeds: “Weet u wat een dilemma is? “

Dat wist ik wel, maar leg het maar eens uit.

“Kijk meneer” zei de man, “ik heb hier nu m’n eigen vrijwilligerswerk gevonden. Niemand heeft me gevraagd, niemand zegt me wat ik moet doen. Ik hou hier dat plekkie schoon. Ik veeg en als ze hier rotzooi neerleggen wat er niet hoort dan leg ik dat in m’n wagentje en breng het naar de stort.”

“Mooi toch”, zei ik

“Maar ja“, zei de man “Als ik hier niet opruim wordt ’t een zooi. Maar als ik hier wel opruim ligt er morgen nog meer want dan denken ze dat ’t toch wel wordt weggehaald. En dat is nou een dilemma!”

Vocalies (98)

(door Marlies)

Er zijn weer een hoop los-vaste berichten uit de ‘wereld van de klassieke muziek’ (wat klinkt dat oubollig hè?). Meer dan genoeg om er een paar uit te pikken en op u los te laten, in volstrekt willekeurige volgorde van belangrijkheid (want belangrijk in deze turbulente tijden is dit logje natuurlijk niet, wat ben ik gemeten naar de eeuwigheid, niks toch…).

Het laatste leuke krantenbericht van het vorige jaar dat mijn echtgenoot /hoofdreacteur oppikte (hij waakt voor en over zijn redacteuren als een havik over de in het veld losrennende muizen, excusez de vergelijking) was dat de stadsmerel harder (mijn hoofdvakdocent zou zeggen ‘luider’) zingt dan zijn soortgenoten in bos en veld. Brutale rakkers zijn het geworden die collega’s van me.

Door het voortdurende lawaai in steden moesten ze wel anders zou het merelvrouwtje verderop hun gekwinkeleer niet kunnen horen boven het getoeter en geronk van het vrachtverkeer dat altijd midden door een stad schijnt te moeten als was het daartoe voorbestemd. Ik ben een stadsmerel geworden en ik kan net zoveel (maar niet zo mooi) lawaai maken als de in het knappe zwarte pak gestoken collega’s, dat u dat maar even weet….

Radio 4 heeft zijn forum gesloten, na ‘nare en beledigende berichten’ aan het adres van medewerkers van Radio 4. Ja zo doe je dat: als de goegemeente niet meer zegt wat je eigenlijk wilde horen, dan doe je de deur gewoon dicht, struisvogelpolitiek bedrijven houdt je lang op je plek, maar niet altijd….

Nou weet ik als geen ander dat de luisteraars naar Radio 4 een bont en soms gemeen-elitair zootje kunnen zijn (ik bedoel dat zowel positief als negatief). U mag op mijn site wel reageren hoor en zolang u niet scheldt of beledigt plaats ik uw berichten. En ik blijf lekker de baas over mijn eigen Vocalies, dat moet u wel weten. Van het feit dat Ad ’s Gravesande (ooit directeur van de AVRO die er daar een zootje van maakte) zijn oud-collega’s (de AVRO heeft een zeer belangrijk aandeel in Radio 4) in de rug wilde steken met het plaatsen op het forum van ‘drieduizend handtekeningen en klachten’ (merkt u hoe er gesuggereerd wordt dat er drieduizend handtekeningen én drieduizend klachten zouden zijn; het tekstje is niet van mij) ben ik niet onder de indruk. Die ’s Gravesande denkt in een bijzonder klein kader en heeft, behalve een prachtige spreekstem, niet zoveel origineels te melden.

Passie! is het thema van de Operadagen Rotterdam, die van 28 mei tot en met 6 juni worden gehouden. De vijfde editie van de Operadagen opent met de festivalproductie De Cornet van regisseur Sjaron Minailo. Die liet zich inspireren door de tekst van het lied Jan Klaassen de trompetter van Rob de Nijs, geschreven door Lennaert Nijgh. Kijk da’s nou een voorbeeld van niet-elitair: ik heb wel wat met dat lied. Ik hoop alleen dat ze Rob de Nijs thuislaten…

Tot slot: in New York (een van mijn favoriete steden sinds ik er in mei vorig jaar was) loopt een opera-project: in supermarkten en bakkerijen en zelfs bij McDonalds beginnen zangstudenten ineens spontaan te zingen en brengen zo de klassieke muziek letterlijk dicht bij de mensen. Wie regelmatig deze rubrieken leest weet dat dat een van mijn grootste credo’s is: muziek dichter bij de mensen.


Ik keek naar een van de filmpjes en vond het hilarisch en lang niet onverdienstelijk gezongen ook: ook hier zingen de stadsmerels behoorlijk luid. Dat was wat voor de Albert Heijn in Amsterdam: de verslaafden en hangjongeren gaan in de regel sjouwen van klassieke muziek en dan kan het ‘gewone’ publiek even lekker genieten, terwijl ze de groente voor de komende maaltijd uitzoeken. Prachtig!

Het filmpje spreekt voor zich!

Gespleten

Ik heb een chef die mij af en toe herinnert aan de tijd dat ik zelf chef was. Nu zo’n 15 jaar geleden. Ik werd chef bij gebrek aan beter. Ik geef het maar eerlijk toe, u zou er toch achter gekomen zijn als de archieven van de omroep geopend worden.

Opeens werd ik de baas van de maten waarmee ik jaren had samengewerkt. En ik bleef gewoon de dingen zeggen die ik altijd zei. Tot mijn toenmalige hoogste chef zei: “Jan, je kunt als chef niet hetzelfde zeggen als wat je vroeger aan het bureau zei. Woorden van chefs wegen zwaarder en hebben een grotere impact dan woorden van anderen.” Ik voelde me een gevangene in mijn eigen lijf.

Mijn huidige chef, die mij dus aan vroeger doet denken, en ik hebben een soort running gag. Altijd als hij iets zegt waarvan ik vind dat dat niet bij de status past, deel ik een plaagstoot uit. We lachen er om omdat we allebei de betrekkelijkheid van status in zien. Mijn respect is er niet minder om.

Gisteren riep hij iets en voordat ik mijn rol kon spelen zei hij: “dit zeg ik als mens”.

Dat soort gespletenheid is niks voor mij. Daarom zou ik nooit meer chef willen zijn. Ik kan er niet tegen om opeens met een andere tong te gaan praten.

Neem nou Wim Kok. Gisteren verscheen hij voor de commissie die de oorzaken van de kredietcrisis onderzoekt. Als premier bestreed hij de exhibitionistische zelfverrijking. Als commissaris keurde hij een bonus van 584 procent goed.

Ik denk dat ik begrijp wat Kok bedoelde toen hij zei dat hij geen andere keus had. Ik heb ervaren dat je in de ene positie dingen moet doen in het belang van een bepaalde zaak, terwijl je datzelfde belang in een andere positie hebt bestreden. De praktijk is nou eenmaal altijd weerbarstiger dan de theorie. Overigens had hij natuurlijk wel een keus. Hij had kunnen opstappen bij ING. Het is mij een raadsel waarom hij dat niet heeft gedaan.

Premierschap is een andere verantwoordelijkheid dan het commissariaat van een bank, zei Kok. Dat lijkt mij een waarheid als een koe. Wat ik niet begrijp is dat iemand zo gespleten kan zijn. Eigenlijk is dat wel knap. Ik kon niet en daarom heb ik mijn status als chef opgegeven. Ik werd gelukkig van die beslissing.

Orthopedische vuilniszakken?

Weet u de prijs van 100 witte afvalzakken van 90x120? Ik wel. Weet u hoe je een vrouw van 63 moet benaderen die boos op het spreekuur van een orthopeed komt omdat een operatie is mislukt? Ik niet, maar dat komt nog wel.

Of ik gedronken heb? Nee, hoor. Dan zouden er in bovenstaande zin minimaal tien tikfouten staan. Nee, ik ben een Jan de Vries en dan weet je dat soort dingen of je komt ze op een goede dag te weten.

Of ik daar veel voor moet doen? Welnee. Ik moet alleen mijn mailbak in de gaten houden. Al die kennis wordt gratis toegestuurd.

Hoe dat kan? Da’s heel simpel. Ik heb een zeer veel voorkomende naam. Of anders gezegd: het barst in dit benedendijkse land van de jan de vriezen. En die moeten allemaal een emailadres. Omdat zo’n adres uniek is zijn er dus enorm veel variaties. Met puntjes, met streepjes, met cijfertjes, enzovoort, enzovoort. En dan komt het regelmatig voor dat iemand een tikfoutje foutje maakt waardoor een jan de vries mail krijgt die voor een naamgenoot bestemd is.

Mij overkomt het vaak. Vooral het Bureau Jeugdzorg heeft mij een tijdje tot de vaste leveranciers van vertrouwelijke informatie gerekend. U moest eens weten wat ik had kunnen weten over mensen als ik al die mail geopend had. Doe ik niet, ik stuur het netjes terug met de vermelding dat het aan de verkeerde jan de vries is gestuurd.

Maar soms kun je er niet om heen. Zoals om die offerte voor vuilniszakken die ik gistermiddag kreeg. En de casus over de 63-jarige vrouw. De jan de vries voor wie die laatste mail was bestemd moet donderdag weten hoe hij dat probleem moet oplossen. Sterkte Jan!

Verkleedpartij

Ik heb een hekel aan verkleedpartijen. Vraag mij niet voor een piratenfeest want u brengt mij hopeloos in verlegenheid. Ik hou zelfs niet van feestjes zonder kleren. Zo erg is het met mij.

Het heeft met mijn jeugd te maken, een leven van gedemptheid (die laatste vier woorden heb ik van Erwin Mortier gejat). Niet aanstellen of opvallen was het parool in ons gezin.

Ik voel me al opgelaten als ik met een capuchon op door de regen fiets. Begrijpt u nu hoe ongelukkig is ben als het met bakken uit de hemel komt en ik een regenbroek aan moet.

Sinds een jaar ongeveer draag ik niet louter donkerblauwe, dondergrijze, donkerbruine en donkerzwarte truien. Ik waag me af en toe in appeltjesgroen, hemelsblauw en homoroze. Dat is de grootste overwinning in mijn leven na mijn ontmaagding.

Dat is ook de reden waarom ik geen carnaval vier. Alle geneugten van dit feest zou ik willen ondergaan mits ik mij niet hoef te verschuilen achter een andere identiteit.

Daarom ben ik het eens met het Franse besluit dat op bepaalde plaatsen geen boerka’s gedragen mogen worden. Niet dat ik zelf veel ervaring mee heb met mensen in een boerka, want ik heb er – geloof ik – mijn hele leven drie gezien. Pas nog op een klein station. De betreffende persoon was helemaal ingepakt. Ik vond dat een vorm van aanstellerij die geheel tegen mijn geest in druist.

Wat mij betreft mag Nederland Frankrijk in deze gaan volgen. Sterker nog ik pleit voor een algeheel verbod op openbare verkleedpartij. 't Liefst voor 12 februari zodat ik ook eens carnaval durf te vieren.

TV

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een fervent TV-kijker ben geweest. Mijn opa verkocht als één van de eersten TV’s, maar het fenomeen was aan mij nooit zo besteed.

TV-maken, althans op de bescheiden manier zoals ik dat nu doe, is wel leuk. Het is een kunst om met beelden een moeilijk verhaal in veel te korte tijd te vertellen.

TV is een machtig medium. Nee, dat zeg ik verkeerd. TV heeft veel impact. Veel mensen hebben hun leven ingericht rond de kijkbuis met als bekendste voorbeeld het bord op schoot bij Studio Sport. Zoals ook onze hele maatschappij is ingericht naar de auto en internet. Er zijn zelfs journalisten die er hun beroep van hebben gemaakt om in hun krant TV-programma's te beoordelen. Ongelofelijk.

Toch beheerst TV een deel van mijn leven. Als gevolg van de commerciële TV-uitzendingen moet ik de agenda heel goed bij houden om te weten wanneer ik naar het Philipsstadion moet. Vroeger was dat zaterdagavond 19.30 uur stipt maar het is niet langer mijn club die het moment bepaalt waarop wordt afgetrapt maar de TV-zender die de wedstrijd uit zendt.

En nu las ik vanmorgen in mijn ochtendkant dat onze kandidatuur voor de Olympische Spelen in 2028 in gevaar komt. De reden is dat er geen geld is om andere sportevenementen die daarvoor worden gehouden, rechtstreeks op TV uit te zenden. En dan kunnen de bazen van de OS niet zien of wij zo’n evenement wel op TV kunnen verslaan. Bijvoorbeeld het WK tafeltennis. Ik kan niet wachten . . .

Vroeger gingen de Olympische Spelen over wie het hardste liep, het snelste zwom, het sterkste was. Het land met de beste stadions, zwembaden en sportvelden kreeg de eer ze te organiseren. Nu telt vooral of je ze kunt uitzenden.

De Spelen dreigen dus aan onze neus voorbij te gaan, tenzij we nog meer publiek geld in de omroep steken. En dat terwijl ik me al had bedacht dat als ik straks gepensioneerd ben, ik in de zomer van 2028 in ieder geval iets te doen had. Zelfs dat dreigt me door de TV door de neus geboord te worden.

NOS-Journaal

(gastcolumn van Ab Klaassens)

De baas van deze website noemde onlangs het NOS-journaal ‘één van de meest gezaghebbende nieuwsleveranciers in Nederland’. Ik weet niet wie mijn website-baas bedoelt met de andere ‘meest gezaghebbende nieuwsleveranciers’, maar ik mag veronderstellen dat hij, gezien zijn journalistieke ervaring , alle meest gezaghebbende nieuwsleveranciers, alsmede de iets minder gezaghebbenden gezaghebbendgewijs in rangorde op een lijstje naast zijn wekkerradio heeft staan.
Ik ben zo vrij hem tegen te spreken.

Het NOS-journaal is in velerlei opzichten trager dan radiojournaals en soms zelfs trager dan kranten. Wat het pronkjuweel van de NOS – het achtuur-journaal – aan ‘nieuws’ bevat is, in tekst gemeten, minder dan een halve krantenpagina.

Je kunt zeggen dat beelden vaak meer zeggen dan teksten, maar dikwijls zijn de beelden van het NOS-journaal niet veel meer dan nutteloze illustraties van een tekst: een shot van de gevel van het ministerie van financiën als het over geld gaat, een beeld uit een keuken van een restaurant als de horeca ter sprake komt.

Vaak zijn dat beelden die de aandacht afleiden van de tektst. En dikwijls is het gebodene voor mij, krantenlezer, geen nieuws, maar oude koek met lichtbeelden.

Wat ik volstrekt niet begrijp is de opwinding over de benoeming van een nieuwe nieuwslezer voor het achtuurjournaal. Eerst was dat om de week Flip Freriks en nu is dat Rob Trip. Dat zijn beide voortreffelijke journalisten.Ik begrijp niet waarom zij hun werk in de steek hebben gelaten voor het lezen van een paar teksten, zes maal een kwartier in veertien dagen.

Dat dit zo wordt gewaardeerd betekent eens te meer dat het in de informatieverstrekking vooral gaat om de doos en niet om de inhoud.

Vocalies (97)

(door Marlies)

Er is een nieuwe podcast met klassieke muziek. Klik hier.

Beppe Costa gezien in de documentaire over Vivaldi, afgelopen zondag bij de NPS? (Dit is weer een van mijn befaamde retorische vragen, let er maar niet op…).

Ikke wel en gesmuld heb ik. Acuut verliefd geworden op Beppe, niet om zijn atletische bouw, maar om zijn bevlogenheid, zijn mooie Italiaans en zijn humor. En een beetje omdat ik mijn lievelingsstad in de volle zomer kon aanschouwen, terwijl we hier in de donkere nadagen van de winter zitten. Ik knapte er helemaal van op, van Beppe.

Beppe was op zoek naar sporen van Vivaldi in diens geboortestad, Venetie. Beppe’s hamvraag: hoe kan het toch dat Wenen Mozart ademt en dat je van Vivaldi, die de grootste componist van zijn tijd was, niks terugvindt in Venetië? Het antwoord werd trouwens in hetzelfde uur nog gegeven: Vivaldi heeft op stoffige planken gelegen en kwam pas begin twintigste eeuw onder dat stof te voorschijn. Afgestoft en wel bleken er pareltjes in die bibliotheek in Turijn te liggen.

Een van de pareltjes, het oratorium Judith Triumphans was de rode draad van de uitzending. Het is een ‘all-female product’, dat oratorium: Vivaldi gaf les aan de Ospedale della Pietà, een weeshuis voor meisjes. Hij deed dat met zoveel overgave dat de meisjes niet alleen instrumentaal en vocaal grote hoogten bereikten, maar ook dat er speciaal voor hun geschreven werd. Schrijf maar eens voor vier-stemmig vrouwenkoor, zonder saai te worden, dat valt nog niet mee.

Hij schijnt een luizige priester te zijn geweest onze Toon Vivaldi, (hij claimde de mis niet op te kunnen dragen vanwege astma en hij schijnt ook wel eens ontslagen te zijn geweest omdat hij zijn handen niet heel goed van die meisjes af kon houden, zo beweren boze tongen) maar wat een componist was-ie. Ik heb ademloos zitten kijken en ik zit (nu mét u) te hopen dat er in Turijn nog meer van die mooi pareltjes tevoorschijn komen.

Voor de volledigheid even door het leven van Vivaldi:

Hij werd geboren in Venetië in 1678. Volgens Beppe was hij zo zwak dat de vroedvrouw hem gedoopt heeft en dattie later, regulier, in de kerk nog eens gedoopt werd. Tsja dan moet je wel priester worden, toch? Zijn vader was zelf een virtuoos violist en het verhaal gaat dat als pa niet kon spelen in het orkest van de San Marco, hij zoonlief stuurde en dat dat verder nauwelijks opviel.

In 1703 werd hij priester, men noemde hem il prete rosso (de rode priester),waarschijnlijk vanwege zijn rode haar. Vivaldi werd dus muziekleraar aan het Ospedale della Pietà. De musicerende wezen stegen snel in aanzien, ook in het buitenland; men stuurde schijnbaar muzikanten vanuit allerlei Europese uithoeken naar Venetië om daar hun kwaliteiten een extra boost te laten geven.

Omdat meisjes eigenlijk geen muziek mochten spelen, gaven zij concerten van achter een doek. Voor hen schreef Vivaldi de meeste van zijn concerten, cantates en gewijde muziek. In 1705 werd de eerste verzameling (raccolta) van zijn werk gepubliceerd en er zouden er nog vele volgen. In 1713 kreeg hij de verantwoordelijkheid voor álle muzikale activiteiten in het instituut. Hij stierf op 28 juli 1741.

En omdat ik nog een beetje ruimte over heb nog gauw effe het verhaal van Juditha Triumphans. De Joodse Judith weet de Assyrische veldheer Holofernes te onthoofden (ze zorgt er eerst voor dat hij verliefd op haar wordt, voert hem dronken, om hem vervolgens in zijn slaap (!) te onthoofden). Die gebeurtenis zorgt ervoor dat de veldslag vervolgens door de Israelieten gewonnen wordt. Judith triomfeert! Van die onthoofding heeft een aantal schilders bijzonder bloederige schilderijen gemaakt (met lekker veel rode verf). Ik zag er een paar versies van en ze bleven me mij en nu kan ik ze koppelen aan een muziekstuk.

In het filmpje een deel van het concert dat de aanleiding was voor de documentaire van Beppe Costa. Ik hoor dattie nog veel meer van die leuke dingen gaat maken:

ANWB

Toen ik 22 jaar geleden van boven de rivieren naar Brabant verhuisde vielen mij twee dingen op. Brabanders zijn topografische analfabeten en ze zeggen nooit direct waar het op staat. De uitdrukking “een Brabander juicht met zijn handen in zijn zakken, dan kan hij altijd nog terug” is niet alleen maar om te lachen.

Omdat ik nogal direct ben stoot ik regelmatig mijn neus. Je hoort hier minstens een kwartier om de hete brij heen te draaien alvorens je nee zegt. Tot op de dag van vandaag verslijten sommige Brabanders mij als bot en lomp terwijl ik heel lief ben. Ach, u kent me.

Na zoveel jaar ben ik natuurlijk wijzer geworden. De boodschap is nog steeds dezelfde maar ik heb mijn verpakking aangepast. Ik denk dat ik wel zou slagen voor het Brabantse inburgeringexamen. Bovendien weet ik waar Zwingelspaan ligt.

Ik heb minder ervaring met Limburgers maar ik ga er van uit dat, naarmate je verder naar het zuiden gaat, die eigenschap van veel schuiven en draaien sterker ontwikkeld is. Net zo sterk als het vooroordeel dat ik als jongen van de klei heb tegen het zuiden, zal ik maar zeggen.

Het verklaart voor mij in ieder geval waarom de Limburger Camiel Eurlings niet zelf beslist over rekeningrijden maar de ANWB-leden daarover laat stemmen.

Toen ik dat hoorde ontplofte ik bijna. Is die Eurlings helemaal van de pot gepleurd? Ik ben voor rekening rijden, maar ik ben geen lid van de ANWB dus wordt mij het recht ontnomen mee te stemmen. Dat kan niet. Dat kan echt niet in een democratie. (Zou je trouwens een proces tegen Eurlings kunnen aanspannen wegens discriminatie van niet ANWB-leden?)

Bovendien bestaat, volgens Brigitte Kaandorp, het gros van de ANWB-leden uit 50plussers, dus ook jongeren wordt medezeggenschap onthouden terwijl het over hun toekomst gaat. Is dat het voorbeeld dat wij vijftigers moeten geven aan een generatie die we individualisme verwijten?

U merkt wel dat ik mij erg opwind over zo’n Eurlings. Het is aan de Tweede Kamer om te beslissen. Dat is het orgaan waarvoor iedereen een stem kan uitbrengen. Eurlings is gewoon een domme, zwalkende Limbo. Ik zei toch dat ik direct was.

Twijfel

83 miljoen euro voor Haiti. ’t Valt me niet tegen na alle negatieve berichten deze week. Een collega riep vanmorgen: “heb ik er goed aan gedaan geld te doneren voor Haïti of heb ik me laten meeslepen in een hype?”

Ik ben daar helder in: hij heeft er goed aan gedaan. Volgens mij was de inzamelingsactie geen hype. Maar ik kan me wel voorstellen dat mijn collega twijfelde over de vraag of zijn donatie een juiste keuze was.

Het is opvallend hoe veel er de afgelopen week is gediscussieerd over het al dan niet steunen van de slachtoffers in Haïti. In het Eindhovens Dagblad liep de polemiek zo uit de hand dat de redactie vond dat ze moest ingrijpen.

Ik citeer een stukje uit het artikel van de collega van de krant:

De overige reacties getuigen – op enkele uitzonderingen na – van een hardvochtigheid die moeilijk valt te rijmen met de hartverscheu¬rende beelden en verhalen uit Haï¬ti. Met als algemene tendens: het geld verdwijnt in de verkeerde zak¬ken en we hebben het zelf in Ne¬derland al lastig genoeg. Nog een paar voorbeelden ter illustratie: „ Steun aan de grote doelen komt vaak niet op de juiste plaats terecht maar in de zakken van bestuur¬ders. Een oprotpremie van 3,5 ton wegens niet goed functioneren (Unicef 2008) is toch te zot voor woorden.”

Ook in mijn omgeving hoorde ik mensen zeggen dat ze geen geld zouden storten op giro 555, maar dat ze liever geld overmaakten naar kleine particuliere projecten.

Het is geen nieuw geluid. 25 jaar geleden was ik lid van de diaconie van een protestantse gemeente. Als wij een collecte hielden voor de grote onpersoonlijke organisaties haalden we veel minder op dan wanneer we voor een klein, zichtbaar project collecteerden. Boten voor zuster Brechtje, herinner ik me nog als een succesvol project.

We moeten nu dus niet net doen alsof er opeens wantrouwen is tegen grote hulporganisaties. Die is er al decennia lang. De Nederlander is niet gierig maar hij wil nu eenmaal wel wil weten wat het kost en waar z’n centen blijven. Door allerlei incidenten, zoals die ook door de lezers van het Eindhovens Dagblad werden genoemd, wordt het vertrouwen er niet groter op. Dat zouden die organisaties zich wel moeten aantrekken.

Overigens heb ik wel via 555 gegeven. Maar dat komt omdat ik in Gambia ben geweest en met eigen ogen heb gezien dat al die particuliere acties het land hebben bedolven . . . . onder schoolschriftjes.

Kwijt

Mijn vader had een mummelmondje.

“Ik ben mijn ondergebit kwijt,” zei hij.

“Kwijt???” riep ik. “Hoe kun je nou je gebit kwijt raken?”

Mijn vader had geen idee.

“Ja maar,” zei ik totaal verbaasd, “een gebit kan toch maar op twee plekken zijn: in je mond of in een gebittenbakje.”

Ze hadden overal gezocht maar het gebit nergens gevonden, zei mijn vader.

De dame achter de koffiebar hoorde ons gesprek.

“Meneer heeft vorige week een paar hoestaanvallen gehad en waarschijnlijk heeft hij tijdens zo’n hoestbui zijn gebit uitgehoest,” zei ze.

“Ja maar,” zei ik, “dan moet dat toch binnen een straal van pakumbeet 5 meter terug te vinden zijn.”

Nou zo simpel was dat dus niet. Ze gaf een reconstructie. Het was waarschijnlijk tijdens het eten gebeurd. Daarbij was het gebit terecht gekomen in het eten dat meneer vanwege de hoestbuien niet had opgegeten. En dat was bij het afruimen niet gezien. Dat gebeurt wel vaker.

Ik begreep het. Het klonk logisch.

“We hebben zelfs de vuilnisbakken van keuken omgekeerd,” zei de dame.

Kom mij niet aan met het verhaal dat ze in het verpleeghuis hun best niet doen.

Eentonig

Het meisje belde mij om een uur of negen. ’s Avonds.

Ik was alleen thuis en ik had niks dringends om handen. Ik was in een goede bui en besloot mee te werken aan het spel dat ze wilde spelen.

Zij stelde mij vragen over een firma die ons twee jaar geleden een nieuwe verwarmingsketel had geleverd. Het was een tevredenheidsonderzoek. Ze beloofde me niets te zullen verkopen.

Bij elke vraag kon ik uit vijf antwoorden kiezen: volkomen tevreden, zeer tevreden, gewoon tevreden, weinig tevreden, helemaal niet tevreden.

Het meisje dreunde het hele rijtje na elke vraag op: volkomen tevreden, zeer tevreden, gewoon tevreden, weinig tevreden, helemaal niet tevreden.

Omdat ik na een paar minuten de indruk had dat dat meisje niet echt was vroeg ik: bent u er nog?

Ja, zei ze.

En ze ging stug verder met opdreunen: volkomen tevreden, zeer tevreden, gewoon tevreden, weinig tevreden, helemaal niet tevreden.

Na vijf minuten kende ik het rijtje uit mijn hoofd en antwoordde ik direct na de vraag voordat ze met de opsomming kon beginnen. Dat was niet goed voor haar ritme en stoïcijns zei ze: volkomen tevreden, zeer tevreden, gewoon tevreden, weinig tevreden, helemaal niet tevreden.

Toen ik zei dat dat niet hoefde gaf ze geen antwoord.

Zo halverwege veranderde het patroon. Ik moest cijfers geven. Na elke vraag zei ze: 10 staat voor uitstekend en 1 staat voor slecht.

Dat systeem had ik nog sneller door dus ik riep na elke vraag onmiddellijk: een 8. Tja, we waren keurig behandeld door die firma, dus waarom zou ik ze lager waarderen.

Ook dat bleek niet de bedoeling want het meisje volhardde: 10 staat voor uitstekend en 1 staat voor slecht.

Het begon een beetje op mijn zenuwen te werken. Ik had de verbinding kunnen verbreken maar het meisje en ik waren al zover dat ik dacht ach, ik ben alleen thuis, ik heb niks om handen en ik ben nog steeds in een goede bui.

Na de zoveelste cijfervraag zei ik opeens: tja, misschien vindt u mij wel eentonig maar ik zeg weer een acht.

Nee hoor, zei het meisje, u bent helemaal niet eentonig.

Ik was blij dat het meisje mij niet eentonig vond.

Krant

(gastcolum van Ab Klaassens)


Eind jaren zestig van de vorige eeuw bestond de redactie van het Deventer Dag blad een week lang uit dertig abonnees. Dat kwam doordat ik, toen stadsredacteur bij die krant, een gedicht van Annie M.G. Schmidt had gelezen. In dat gedicht verkoopt een vrouw een zelf gemaakte krant met alleen maar positief nieuws van en over gewone mensen: “Ik sta hier met mijn eigen krant, maar niemand niemand koopt die krant….”

Toen het Deventer Dagblad de redacteuren uitnodigde ideeën te leveren voor de viering van het honderdjarig bestaan spookte het gedicht van ons aller Annie mij door het hoofd. Ik stelde voor de krant enkele dagen te laten maken door de lezers. Hoofdredactie en directie namen het idee over. De meerderheid van de redacteuren was tegen, maar de hoofdredactie zette door.

Een oproep in de krant leidde tot veel gegadigden en uiteindelijk tot de vorming van een abonnees-redactie van dertig gelegenheidsredacteuren. Zij maakten een keus uit het door persbureaus aageboden nationaal en internationaal nieuws, selecteerden en redigeerden het regionaal en plaatselijk nieuws van de correspondenten en eigen redacteuren en bepaalden welke foto’s er moesten worden geplaatst.

De eerste dagen koos de abonnee-redactie in sommige opzichten ander nieuws dan de vaste redacteuren zouden hebben gedaan en ook gaven zij sommige berichten een meer prominente plek dan de redactie zou hebben gekozen. Zo moest belangrijk parlementair nieuws plaats maken voor een bericht met foto over een hond met twaalf puppies en kregen berichten over persoonlijk leed prioriteit, vooral als het van dicht bij huis kwam. Maar gaandeweg kwam de voorkeur van de amateur-redactie steeds dichter bij die van de professionals. En op de laatste dag van het experiment was geen verschil meer. Zo ziet u maar: journalisten zijn net mensen.
-
P.S Als je ‘ik sta hier met mijn eigen krant’ googelt krijg je heel het gedicht van Annie M.G voor je neus.

Limburg

We waren donderdag en vrijdag in Limburg om de verjaardag van Marlies te vieren. Een paar foto's.




Visvijver in Steyl




Bij Steyl




Bij Chateau Holtmühle




Stuw Belfeld




Stuw Belfeld





Kruisherenhotel Maastricht




Brunsummerheide




Brunsummerheide

Vocalies (96)

(Door Marlies)

Vandaag in 1934 werd sopraan Marilyn Horne geboren. Sommige bronnen zeggen dat ze de 17de geboren is en sommige zeggen dat ze geen sopraan, maar mezzo-sopraan is. Ze is een van de laatste ‘dragonders’ van haar tijd. Mooie, volle vrouw, mooie volle stem. Nu ze wat ouder wordt, wordt ze te zwaar, maar zo’n leven van zware fysieke prestaties leveren en daarna natuurlijk niet zonder eten naar bed, gaat iemand niet in de koude kleren zitten.

Ze heeft mijn belangstelling omdat het haar niet te min was ooit met The Muppets op te treden en omdat ze überhaupt niet vies is van cross-over. Alles om maar mensen binnen te hengelen in ons mooie vak, toch? Ze weet ook wanneer ze op moet houden: haar laatste grote optreden was in Carnegie Hall op haar 66ste verjaardag.

Laten we voor de volledigheid maar even haar (zangers)leven door lopen. Geboren in Bradford, Pensylvania, in 1934. Studeerde zang aan University of Southern California School of Music bij William Vennard. Had nog les van Lotte Lehman, een nóg oudere dragonder in het zangersvak. Ze had een paar optredens in de Verenigde Staten, zong in Venetië (waar ze Igor Stravinsky opviel als een goede zangeres) en waagde toen de sprong naar…. de Gelsenkirchener Oper (of all places!). Maar ze leerde er het vak: je moet aan het begin van de je carrière ergens gaan werken waar je kunt zingen, zingen en nog eens zingen. En als dat dan Gelsenkirchen moet zijn: so be it! Het zou me ook geen ruk kunnen schelen; als je maar ervaring op kunt doen.

In 1960 zong ze daar in Gelsenkirchen magistraal de rol van Marie in Wozzeck en dat kwam de Amerikanen ter ore. Ze haalden haar terug naar The States en vanaf dat moment ging het bergopwaarts. Ze kwam Joan Sutherland tegen (die toen nog geen ‘dame’ was) en de twee werden vriendinnen en zongen waar mogelijk samen (vriendschappen in het vak zijn zeer, zeer zeldzaam). De dames zijn tot op de dag van vandaag vriendinnen.

Horne zong in alle grote operahuizen van de wereld, staat bekend als no-nonsens mens en als een harde werker, als een van de beste Rossini-vertolksters ooit en als een uitstekend pedagoog. Naarmate ze wat ouder werd nestelde haar stem zich in het mezzo-vak, maar haar grote bereik bleef ze houden. Ze geeft nog ieder jaar masterclasses aan drie Amerikaanse universiteiten en ze is nog steeds niet vies van een pop-concert af en toe, zo las ik ergens. Haar stem schijnt het nog goed te doen.

Ze heeft kanker gehad na haar 72ste, maar ook dat heeft ze overwonnen. Dus: to Mrs. Horne: Many happy returns!

Er is een heel leuk filmpje op You tube (mag u zelf opzoeken) waarin ze het even heeft over ‘How to handle Handel’ met twee goeie voorbeelden. Ik zou de countertenor een schop onder z’n reet geven dattie naar voren zou leunen en niet op een been tegen de vleugel zou hangen, maar dat is natuurlijk minder charmant om aan het grote publiek te laten zien. Maar dat leuke Amerikaans van Marylin, tegen die oude, oude titels van Handel is prachtig, net cabaret

In onderstaand filmpje de opname met The Muppets waar ik het eerder over had.

Dood paard

Toen ik gisteravond halverwege het debat in de Tweede Kamer afhaakte omdat ik het gevecht tegen de slaap had verloren, vroeg ik me af: Waarom blijven Pechthold c.s. tot diep in de nacht aan een dood paard trekken? Heeft Agnes Kant op dit uur van de dag geen andere uitlaatklep voor haar opwinding?

Ik meen het. Wat drijft mensen om een ramkoers vol te houden terwijl ze al lang weten dat het regeringsschip niet zal kapseizen?

Gisteren overdag struikelden politici en journalisten over elkaar heen (zag u al die microfoons onder de neus van Balkenende voor datzelfde kwootje, is dat ook verborgen werkloosheid waar ik deze week over schreef?) om het lontje van de bom onder de coalitie aan te steken. Naarmate de dag vorderde bleek dat een hopeloze missie. De coalitie hergroepeerde zich. Okay, er vloeide wat bloed op het politieke slagveld en de oorlog is nog niet gewonnen, maar hospik Jack – vermoed ik – lapte iedereen zo goed en zo kwaad als dat ging weer op. Deze veldslag was voor CDA, PvdA en CU. Het vechtkabinet kan weer even verder met pappen en nathouden.

Doet me opeens denken aan een vechthuwelijk waar ik jaren in heb gezeten. Op een gegeven moment zei een huwelijkstherapeut tegen mij: hou eens op met vechten en kijk dan eens wat jullie nog bindt. Een paar maanden later waren we gescheiden. Maar dat terzijde.

Toen gisteravond De Brief kwam, was duidelijk dat er voor de oppositie geen eer meer te behalen was. En toch begonnen Pechthold c.s. weer te beuken. Ik geloof niet dat ze dat voor zichzelf doen. Ik denk dat ze dat uit de oprechte overtuiging doen dat het kabinet weg moet omdat hun partij het beter kan. Zoals Mariette Hamer er ook van overtuigd is dat haar harde opstelling van dinsdag er gisteren toe leidde dat Balkenende tegen zijn zin De Brief schreef. Waarbij je je kunt afvragen wat je er aan hebt als iemand ja zegt en nee denkt.

Eigenlijk heb ik wel respect voor een oppositie die uit overtuiging op een onmenselijke tijd aan een dood paard staat te trekken terwijl ik vreedzaam lig te knorren achter de gebreide broek.

Dominic

Als ik ooit mijn alledaagse naam zou kunnen veranderen, zou ik Dominic Schrijer willen heten. Naar de PvdA-wethouder in Rotterdam. Ik vind het een prachtige naam waar muziek in doorklinkt.

Bij Dominic moet ik denken aan Soeur Sourire die tientallen jaren geleden de hitparades bestormde met haar hit Dominieke. Ik heb onlangs de film gezien die Stijn Coninx over haar maakte. En Schrijer doet me denken aan de folkzangeres Cobi Schrijer. Ze schreef prachtige nummers.

Dominic Schrijer dus. Maar er is een andere reden waarom ik zijn naam noem. Hij domineerde (hé, ik zie pas bij het teruglezen deze woordspeling) vandaag de voorpagina van de Volkskrant omdat hij zijn stad binnen een aantal jaren werkloosheid vrij wil maken. Dominic heeft bedacht dat iedereen met een uitkering voor dat geld moet gaan werken.

Hulde voor de PvdA-lijsttrekker in de Maasstad. Ik meen het, met die nuance dat alleen mensen aan het werk worden gezet die dat kunnen. Maar dat zal Dominic zelf ook wel begrijpen.

In enkele landen waar ik ben geweest, is het heel normaal dat mensen die een uitkering hebben daar voor werken. “Verborgen werkloosheid”zeggen sommigen. Wat is daar mis mee? Wat is er mis met mensen die zwerfvuil opruimen, graffiti verwijderen of besneeuwde stoepjes schoon vegen in ruil voor hun maandelijkse gemeentelijke bijdrage? Dat zijn precies die kleine dingen die de leefbaarheid in wijken met sprongen kunnen opkrikken.

Dan kun je zeggen dat dat verborgen werkloosheid is, maar soms kan het niet anders. En ik kan het weten want ik heb een zoon die zo z’n brood verdient door hard te werken bij een gesubsidieerde organisatie. Hij blij, de organisatie blij en de gemeente blij.

Ik zou zeggen: Dominic goed plan!

Fornuis

(gastcolumn van Ab Klaassens)

Eindelijk hebben mijn Eef en ik het fornuis gekocht dat wij al zo lang begeerden: de Falcon Classic. Negentig centimeter breed, zestig diep, twee elektrische hetelucht ovens, een grill-oventje, vijf gaspitten waaronder een reusachtige wok-brander en nog vele andere nuttige gereedschappen voor de bereiding van een voedzame en in culinair opzicht verantwoorde maaltijd.

Voor de installatie van dit kolossale apparaat moest ik wel iets aan de keuken veranderen, wat veel puin opleverde, alsmede versplinterde delen van een Bruynzeelkeuken uit de jaren dertig van de vorige eeuw.

Ook moesten Eef en ik, ter ververvanging van de gesloopte kastruimte, een keukenmeubel van Ikea in elkaar zetten, waarbij bleek dat we een goed huwelijk hebben, want we kregen geen ruzie. Het nieuwe apparaat zou er precies naast passen, werkelijk op de millimeter.

De man die het nieuwe fornuis goochelend met zijn steekwagen naar onze keuken dirigeerde verwijderde een kuub schuimplastic aan verpakking, bekeek het stopcontact dat uitnodigend klaar stond voor de stekker van het nieuwe fornuis en zei hoofdschuddend: “Da zal nie goan, da ding trekt zeveneneenhalf kilowatt, d’r moet een installateur komen voor krachtstroom.”

Dat had de verkoper van het fornuis ons niet verteld.

Maar we waren het erover eens dat we een pracht van een fornuis hadden gekocht. Zwart, met mat glanzende roestvrij stalen knoppen en handgrepen.

“Een schoonheid”, zei de bezorger, “U kunt er nog geen taart mee bakken, maar ik wens u in elk geval veel kijkplezier.”

Te groot

Ik heb gisteren alle waarschuwingen in de noordoosten wind geslagen en ben toch de straat op gegaan. De wind vond deze daad blijkbaar onvoldoende voor straf want hij voerde enkel de stank van de veevoederfabriek aan, die aan de rand van het stadscentrum staat en die – goddank – binnen afzienbare tijd verdwijnt. Van sneeuwjacht was geen sprake. Het voelde buiten zoals het was: min twee.

Ik moest de deur uit want ik had een snoertje nodig voor een apparaat. En dan is een man verplicht onder alle omstandigheden weer en wind te trotseren. Dat is logisch.

Datzelfde geldt voor vrouwen in de tijd van de uitverkoop in onze stad tegenwoordig aangekondigd in meerdere talen: sale, sales, rebajas. Mijn vrouw behoort tot die categorie vrouwen die in de maanden december en januari als roofvogels rond de rekken met uitverkoopaanbiedingen cirkelt om op het juiste moment toe te slaan.

Dat is een bijzondere tak van sport. Het lijkt op risicovol beleggen met dezelfde vraag: wanneer stap ik in? Doe je dat bij -10%, -50% of gok je er op dat de winkelbaas uiteindelijk zuchtend het groen fluorescerende kaartje met -70% op het raam plakt? Om dat laatste als eerste te ontdekken is het noodzakelijk regelmatig te shoppen. Alleen zo voorkom je dat anderen er met de prooi vandoor gaan.

En gisteren sloeg mijn vrouw toe. Het jasje waar ze haar arendsoog op had laten vallen was voldoende in prijs gedaald om het aan te schaffen.

Groot was dan ook de teleurstelling toen bleek dat van dit merk maatje 42 te krap zat.

Mijn vrouw vroeg de verkoopster of ze eenzelfde jasje maat 44 had.

“Dat is u veel te groot,” zei het meisje. Alsof een vrouw op jacht zich zo gemakkelijk laat afschepen.

Het meisje hield vol dat maat 44 veel te groot zou zijn.

“Heb je geen maat 44?” vroeg mijn vrouw.

“Jawel,” zei het meisje.

“Mag ik dat dan toch even passen?”

“Maar dat is echt veel te groot,.”

“Wìl je het niet verkopen?” vroeg mijn eega die zich een beetje begon te ergeren aan het wicht.

“Jawel,” zei het meisje, “maar het is toch zonde om maat 44 aan te trekken als je helemaal niet dik bent.”

Kijk, dat is tekst waarmee je mijn vrouw terugwint als je haar hebt geërgerd. En ik kan het weten want ik heb vandaag op de kop af achttien jaar verkering met haar ontdekte ik, toen ik vanmorgen op het toilet een blaadje van de zeurkalender van Peter van Straaten scheurde.

Mijn vrouw troostte het meisje met de opmerking dat het aan het merk lag omdat ze van Gerry Weber altijd maat 42 aan kan.

Ach, de rest is geschiedenis. Het meisje slofte naar achteren en het jasje hangt hier nu in de kast.

Vocalies (95)

(Door Marlies)

Er is een nieuwe radio-podcast met vocale klassieke muziek. Klik hier.

De hoofdredacteur was complimenteus in zijn jaaroverzicht van 2009: hij vond het een verrijking dat er iemand ‘zo gewoon’ over klassieke muziek schreef en niet deed alsof het de Britse kroonjuwelen waren. Hij had gelijk en ik was blij met het compliment, maar het zette me ook aan het denken.

Natuurlijk moet je een genre niet verheffen boven de mensheid, dan mis je een heleboel toeschouwers en waarderenden, maar is die klassieke muziek wel zo gewoon? In het leven van alledag wel; ook in alledaagse leven van een klassieke muzikant (die ik hier express muzikant noem en niet musicus). Je studeert en repeteert je suf en je leidt een schizofreen bestaan: ik zei het kortgeleden nog tegen iemand: als uitvoerend artiest wil je twee minuten vóór de uitvoering een miljoen geven als het niet hoeft. Slaagt de uitvoering dan zou je er een miljoen voor over hebben om het nog een keer te mogen doen.

Er is een heleboel gewoons aan ons bestaan (ik schaar mezelf voor het gemak maar even onder de klassieke muzikanten op deze wereld). En toch zijn ook in deze rubrieken termen als: ‘Das gewisse Etwas’, ‘talent’ en ‘magie’ al meer dan eens gevallen. De uitvoeringspraktijk kan geweldige sferen teweeg brengen, maar als je niet uitkijkt ben je niet bestand tegen de druk en bezwijk je eronder, geestelijk en/of lichamelijk. Het is voor mij altijd een dubbel bestaan geweest, ook nu weer, nu we Carmen aan het voorbereiden zijn. Ik werk met vakmensen, verheug mij op alle aandacht en hoogstandjes die er komen gaan, maar lig tegelijkertijd af en toe wakker, want ik weet dat de druk enorm kan zijn en ik wil het graag goed doen; dat ben ik mijn collega’s ook schuldig, evenals mijn publiek.

Toch moeten er manieren zijn om die druk te leren weerstaan. En terwijl ik tussen kerst en oud en nieuw even vrij was (onverwacht) en wat rust in mijn bestaan bouwde en op mijn gemak Vocaliesen zat samen te stellen en om stukkies vooruit te schrijven (het wordt straks druk en ik ben een control-freak: alles moet op tijd klaar en naast Carmen moet het ‘normale leven ook doorgaan), schoot ineens Maria João Pires me te binnen. Die kan met druk omgaan, blokkeert er niet door, weet spanning om te zetten in resultaat.

Wellicht kennen de pianisten onder u het filmpje. Ik had het op You tube in een vloek en een zucht gevonden: er is een repetitie aan de gang, met publiek in de grote zaal van het Concertgebouw onder leiding van maestro Riccardo Chailly, toen nog dirigent van het KCO. Het orkest zet het eerste stuk in en Pires schrikt zich te pletter: dat was niet wat ze afgesproken hadden, voor haar neus ligt een heel ander stuk…. Wanhopige kijkt ze naar de dirigent met een blik die maar een ding wil zeggen ‘Stop!!!’

Chailly is druk met het orkest dat de noten na lange tijd weer ziet en merkt in eerste instantie niks. Maar iets van de straling dringt door, hij kijkt opzij en ziet niet wat hij gedacht had te zien: een rustige, afwachtende, zuverlässige Maria. Er volgt een gesiste conversatie, die in dit exemplaar is ondertiteld, dus u mag zelf kijken. Dan zie je Pires in zichzelf keren en zoeken naar een oplossing in een schijnbaar uitzichtloze situatie, ze graaft in haar enorme geheugen en zoekt en vindt de partituur… in haar hoofd.

En tegen de tijd dat haar eerste noten klinken weet ze dat het goed komt. Zonder te blokkeren weet ze haar angsten om te zetten in productiviteit. Ik vind dat van een grootheid die de Britse kroonjuwelen benadert, wat zeg ik: overstijgt. Het maakt haar tot een betere muzikant dan veel van haar soortgenoten. Hoe doet die vrouw dat? Dat zou ik toch zo graag willen weten.

Armoei

Ik las vandaag een prachtige stelling in het nieuwe beleidsplan van NOS-hoofdredacteur Hans Laroes: “Niet de wil, maar de wereld van ons publiek leidt ons”.
Die zou op een tegeltje moeten en boven het bed van elke journalist gespijkerd moeten worden. Desnoods moet daarvoor de uitklapfoto van Patricia Paay wijken.

Er staan nog veel meer boeiende zaken in die notitie en daar zou u als consument van één van de meest gezaghebbende nieuwsleveranciers in Nederland best eens kennis van kunnen nemen. Ik doe hier effe een linkje.

Het is in ons vak een voortdurende discussie: hoe ver ga je om het publiek te pleasen. Er zijn journalistieke bazen die vooral hechten aan de mening van het volk uit angst dat dat volk naar de concurrentie stapt. Niet elk mediabedrijf heeft zo’n kijkcijferkanon als het NOS-Journaal.

Daar staat tegenover dat ik op Twitter steeds vaker journalisten tegen kom die het publiek vragen wat ze moeten vragen. Tv-coryfee Tijs van den Brink twitterde vanmorgen: Vandaag naar Den Haag om de minister-president te interviewen. Maar waarover?

Dan denk ik: als je dat niet weet, kies dan een ander vak, ga met je redactie om tafel of ga de minister-president niet interviewen.

Gelukkig voor Tijs kreeg hij meteen een heleboel ideeën die hij als volgt bundelde: Dank voor alle suggesties! Culemborg, IJsland, economie, strooizout, Bos die z'n handschoenen uit doet met deze kou, het komt helemaal goed.

Deze manier van werken zal wel uitgelegd worden als burgerparticipatie. Ik vind het journalistieke armoei.

P.S. Dit verhaaltje heb ik helemaal zelf bedacht.

De eend

In de journalistiek heb ik twee dingen geleerd. Als je schrijft over woonwagenbewoners of jagers dan kun je op heftige reacties rekenen. Woonwagenbewoners en jagers hangen onmiddellijk luid krijsend aan de telefoon zodra er iets is gepubliceerd (in ons geval uitgezonden) dat niet in hun straatje past.

Woonwagenbewoners spreken meestal recht vanuit hun hart en dankzij het vocabulaire dat ze bezigen hoef je nooit te gissen naar de bedoeling van hun woorden. Hun woedeaanval eindigt steevast met de opmerking dat je voorlopig maar uit de buurt moet blijven.

Jagers bedienen zich van een heel ander idioom. Op een soms geaffecteerde manier vegen ze je zalvend de mantel uit met de bedoeling duidelijk te maken dat de jacht een nobele bezigheid is die louter de instandhouding van het natuurlijk evenwicht tot doel heeft. De tirade-op-stand eindigt steevast met een uitnodiging zelf eens mee te gaan op jacht.

Woonwagenbewoners en jagers voelen zich altijd door iedereen onbegrepen terwijl zij toch de enigen zijn die het goed voor hebben met de wereld.

Gisteren heeft de provincie Noord-Brabant een jachtverbod afgekondigd op wilde eenden. Omdat veel water en wallenkanten zijn bevroren kunnen deze gevederden zich niet verstoppen zodra een jager zijn door vorst en Jägermeister rood geworden gok door het riet steekt. Bovendien is er te weinig eten en zijn de vrolijke kwakers verzwakt.

En onze provinciebestuurders zijn van mening dat ook een eend een kans moet hebben. Je kunt ook zeggen: mooi dat die eenden kansloos zijn zoveel te sneller kunnen de jagers het natuurlijk evenwicht herstellen. Of is jagen dan toch een sport waarbij teams van jagers en eenden na een gedegen warming-up elkaar de vlerken schudden om vervolgens op basis van voor iedereen gelijke spelregels de arena te betreden?

Ik zal het wel weer niet begrijpen.

Slagboom

(gastcolumn van Ab Klaassens)

Nadat ik in de eerste drie maanden van mijn dienstplichtig soldaat zijn had leren schieten en gehoorzamen stuurde de Koninklijke Luchtmacht mij naar Schiphol. Daar, in de verkeerstoren, begon mijn opleiding tot militair verkeersleidingsassistent. Mijn aandacht werd alleen verlangd als er een militaire vliegmachine landde of aan een tocht begon.

Omdat dit maar enkele keren in de week gebeurde had ik zeeën van tijd voor mijn grote liefde van destijds: de Russische klassieken. Dat waren meestal dikke pillen van boeken, met lange beschrijvingen van zeer trage gebeurtenissen, precies in het ritme van het leven waartoe de krijgsmacht mij in die tijd dwong.

Ik was gelegerd in een klein kampje aan de rand van het Amsterdamse bos, samen met een kleine groep dienstplichtigen en een paar beroepsmilitairen. Ik kan mij niet herinneren dat zij meer deden dan aanwezig zijn voorzover hun privé-bezigheden dat toelieten.

Evenals mijn lotgenoten stond ik ’s morgens op wanneer ik wilde en fietste dan maar eens, met een dik boek onder mijn jack, naar de verkeerstoren. Om op het Schipholterrein te komen moest ik een steile helling af, die eindigde bij een slagboom. Altijd reed ik met hoge snelheid omlaag en gebruikte ik mijn terugtraprem om slippend tot stilstand te komen tot vlakbij de slagboom.

Tot de dag waarop de terugtraprem weigerde. Met grote snelheid vloog ik met mijn borst tegen en vervolgens over de slagboom. Maar ik bleef ongedeerd; het dikke boek onder mijn jack had me gered. De schrijver: Maxim Gorki. De titel: De Moeder.

Winters







Onderbreking

“Waarom”, vroeg de vrouw in ons stamcafé, “waarom is het interrumperen en interruptie?”

Nou worden er in ons café wel vaker gekke vragen gesteld, maar deze leidde tot een stilte, slechts verstoord door Edith Piaf die zong dat ze nergens spijt van had.

Een aantal mensen trok het lodderige gezicht in de plooi in een poging de vragenstelster met grote ogen aan te staren.

“Waarom”, vervolgde de vrouw, “ is bij interruptie plotseling die m verdwenen?”

De bezoekers hadden de tijd van staren gebruikt om een antwoord te bedenken. Niemand wilde voor dom worden versleten. De antwoorden vlogen door het lokaal maar geen er van overtuigde de vrouw. Mij ook niet trouwens. Ik vond de hele discussie sowieso k*t met interrumperen.

De enige die nog het meest begrijpelijk antwoord gaf was de vrouw die volgens goed Brabants gebruik zei: “omdat het nou eenmaal zo is. Ik zeg toch ook: ik doe interrumperen.” Ongewild was ze er een nieuw taalkundig debat mee begonnen.

De barman was inmiddels met zijn koele hoofd in één van de drie dikke van Dale’s gedoken die tussen de glazen achter de toog staan. Hij verhief zijn stem en roep. “Dames en heren, mag ik even de aandacht.”

Op gezag van het woordenboek legde hij ons uit dat interrumperen onderbreken betekent en dat interruptie hetzelfde is als in de rede vallen. Hijzelf verbond daar de conclusie aan dat er hier sprake is van twee verschillende begrippen die dus derhalve losmakelijk met elkaar verbonden waren.

De dame die de vraag in ons midden had geworpen was tevreden. Haar probleem was opgelost. De rest van de debaters gunde haar deze overwinning die impliciet de eigen afgang voorkwam en leste de dorst die de heftige discussie had opgewekt.
Iemand mompelde: “maar coitus interruptus is toch onderbreken. Dat is nou niet bepaald in de rede vallen.”

Maar dat hoorde niemand want de dame die duidelijk naar ons stamcafe was gekomen om daar wijsheid op te doen riep hard: “waarom wordt de punt-komma nauwelijks meer gebruikt?”

Beheersbaar

Journalisten, schrijvers, columnisten, webloggers en alle andere mensen die een pen kunnen vasthouden danwel met twee of meer vingers kunnen typen, zijn het er nu al over eens. Het woord van 2010 is “beheersbaar”.

Overal zie je dat woord dezer dagen terug. Dat komt omdat iemand (Aboutaleb?) als eerste heeft gezegd dat de nieuwjaarsrelletjes beheersbaar waren. Daarna papegaaide minister Ter Horst dat na en vervolgens was er een nieuw begrip geboren: beheersbaar.

Wat is dat eigenlijk, beheersbaar? Al ver voor het papegaaiencircus het nieuwe woord begon te verspreiden, schreef ik er over. Het was op 7 oktober van het vorig jaar. Beschouw deze herhaling van het stukje dat ik toen schreef maar als mijn bijdrage aan de poll om dit woord te nomineren. Het begrip zou in 2020 wel eens hoog kunnen scoren in de terugblik op het tweede decennium van deze eeuw.

Gedogen zit zo diep in onze genen dat we het daar eigenlijk niet eens meer over hoeven hebben. Het nieuwe begrip is beheersen. Het is belangrijk dat problemen die soms worden veroorzaakt door het gedoogbeleid beheersbaar zijn. Logisch, want het één is onlosmakelijk met het ander verbonden. Zonder beheersing geen gedoogsituatie.

Ik noem het voorbeeld van “onze” buurtcoffeeshop. Die wordt gedoogd, maar levert af en toe problemen op. Steeds weer krijgen klagende buurtgenoten te horen dat dat heel vervelend is, maar dat de situatie beheersbaar is. Dat wil zeggen dat de problemen zich afspelen in een overzichtelijk gebied. Dat is belangrijk voor handhavers, dat ze overzicht hebben. Ze kunnen de problemen niet oplossen maar wel overzien. En wat is er voor overheidsdienaren mooier dan dat ze problemen op andermans plek kunnen overzien.

Vocalies (94)

(Door Marlies)

Carmen-Journaal



Maandag 28 december 2009. Kerst is voorbij (gelukkig), de donkerste, kortste dag van het seizoen ligt alweer een week achter ons en hoewel de dagen nog niet veel langer zijn: we gaan weer in een opgaande lijn, niet meer in een neergaande.

Op het pleintje vóór de voormalige Azijnfabriek in ons goeie ouwe Den Bosch verzamelt zich een klein kleumend clubje: poppenspeler/regisseur Jan Smeets, pianist/dirigent Carl van Cuyck en ondergetekende, mezzo-sopraan tegenwoordig (staat er op de flyers) en schrijfster van dit stukkie.

Mijn hart klopt in mijn keel van louter verwachting en aangename spanning: vandaag gaan de puzzelstukjes in elkaar vallen: een ieder heeft in wisselende samenstelling, maar nooit allemaal bij elkaar het zijne/hare zitten oefenen en vandaag doen we het voor het eerst met zijn allen. Als Jeanne de Vaan zich dan nog bij ons voegt en de beheerder van de Azijnfabriek de poort open en het koffiezet-apparaat aan heeft gezet kunnen we aan de slag: Carmen volgens Carmen gaat een volgende fase in.

In de loop van de ochtend volgt het decor en de pers komt langs voor een foto en een eerste stukkie in de krant. De mensen van het productiebureau rennen binnen en er weer uit, op zoek naar worstenbroodjes voor de hongerige pianist. De poppen komen uit de koffer waar ik ze gisterenavond met bloedend hart ingedaan heb: ik was gewend geraakt aan hun alles- en niets-ziende blik, terwijl ze in ons redactie-kamertje aan de kastdeuren hingen te hangen tot ze tot leven kwamen. Nu moeten ze terug naar hun schepper om de laatste aanpassingen te ondergaan.

Terwijl er met het decor gerommeld wordt (lampje hangt te laag; klemmetjes zijn te stroef, maar het wordt een prachtig decor) nemen pianist Carl en ik de losse endjes nog een keer door. Je ploetert thuis met behulp van CD’s, maar dan weet je niet hoe goed je je partijen kent en kun je je eigen tempo niet aanhouden. Dat kan nu wel. En het lukt.

Stukje bij beetje breien we de losse draden tot een geheel en de overtuiging groeit: we hebben een bijzonder krachtige formule in handen. Goed: de flamenco is nog niet helemaal flamenco en de teksten rammelen en de spelers hebben hier en daar moeite de poppen te laten doen wat de bedoeling is, maar het mechaniek van de betovering van opera komt in beweging.

Ik vind het allemaal geweldig: omdat ieder zijn eigen specialisme meebrengt hoeven we niet te wachten op teutende koren (sorry lieve mensen!) en rammelende orkesten (alweer: sorry lieve mensen), maar kan het tempo hoog blijven en snappen we snel van elkaar wat we willen en bedoelen. En hoewel we hard zijn tegen elkaar en geen tijd verspillen aan diplomatiek ge-ouwehoer weten we ook: het gaat om de muziek en het spel en er wordt nooit op de persoon of onder de gordel gespeeld. Ik ben ’s middags om half vier bekaf maar zit tevreden achter mijn (enorme!) borrel na te genieten van de dag: het wordt goed, het wordt vast goed!

IJstijd

Als over honderd jaar onze achterkleinkinderen van maart tot november aan het strand bij Amersfoort kunnen liggen . . .

Als over honderd jaar onze achterkleinkinderen boompjewissel spelen onder de palmen op de Parade in Den Bosch . . .

Als over honderd jaar het Oudhollands Wintermuseum z’n tienmiljoenste bezoeker verwelkomt . . .

dan hebben we altijd nog de foto’s van de laatste kleine ijstijd aan het eind van het eerste decennium van wat dan de vorige eeuw was.



P.S. Het is een overblijfsel van het blok ijs dat ik uit de regenton heb gebikt.

Powered by Pivot - 1.40.5: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed