9968 euri

Wat een ophef vandaag in onze contreien. Politiechef Mirjam Barendse van het korps Brabant-Noord verdient bijna 10.000 (zegge: tienduizend) euro in de maand. En dat terwijl het korps geen rooie cent heeft om over mijn veiligheid te waken.

Eerlijk gezegd kan het mij niet schelen hoeveel iemand verdient, ik denk altijd dat hij of zij het wel waard zal zijn. En zeg nou zelf mevrouw de korpschef heeft een hondenbaan. Ze moet elke morgen honderden dienders, die gelijk dampende paarden in de startblokken staan om de orde te handhaven, beteugelen en terugsturen naar hun bureau alwaar ze formulieren moeten invullen. Als je elke dag de ambitie van mensen die uit pure menslievendheid voor een gevaarlijk beroep hebben gekozen moet temperen, heb je het niet makkelijk.

Dan is het ook vrij logisch dat mevrouw Barendse maar drie dagen in de week werkt voor die 9968 euri. Mens, je bent woensdagavond total loss van de aanblik van al die teleurgestelde politiesnoetjes.

Ze blijft maar een half jaar, want ze is interim. Daarna komt er weer een vaste korpschef. Hopelijk houdt mevrouw Barendse het vol om die onmenselijk taak in drie dagen te doen. Dan heeft ze bewezen dat die nieuwe dat ook kan en bespaar je op den duur geld. Kan die volwaardige korpschef mooi twee dagen in de week bonnen uitdelen. Het lijkt mij geweldig bekeurd te worden door een man of vrouw met gouden tressen.

Het mooiste zou het natuurlijk zijn als zo iemand veel jonger is dan jijzelf (in mijn geval is dat vaak zo). Dan kun je, terwijl je braaf wacht tot deze superdiender uitgestunteld is met het bonnenboekje, langs je neus weg vragen: zeg jongeman weet uw vader wel dat u met zijn carnavalspak over straat loopt.

Alle gekheid op een stokje. Die dure interim is nodig omdat de korpsbeheerder tijd nodig heeft een gekwalificeerde vrouw of allochtoon te vinden. Dat moet van minister Ter Horst. De tijd dat onze politie werd aangestuurd door blanke mannen is voorbij. En dat mag dus wat extra’s kosten. Ik zeg maar zo: gelukkig het volk dat woont in een land dat niet op een dubbeltje meer of minder kijkt als het er om gaat vrouwen en allochtonen op te stoten in de vaart der volkeren. En zeurpieten die klagen over het feit dat de politie geen cent te makken heeft om op straat te zijn hou je altijd.








Probleemjongeren

Er is weer eens gedonder over een reisje dat moeilijke jongeren maken in de hoop dat ze als beter mens terugkeren en wij er geen last meer van hebben. Sommigen noemen dit soort tripjes snoepreisjes.

Dit keer gaat het over kansarme jongeren die op kosten van de staat stage gaan lopen in New York. Mijn ochtendblad schreef dat de Amsterdamse deelraad De Baarsjes, die initiatienemer is, deze stage een unieke ervaring noemt. Uit eigen beleving kan bevestigen dat een bezoek aan New York zonder overdrijving een unieke ervaring genoemd kan worden. Ik was er in april en zeg nou zelf: heeft u sinds die tijd nog last van mij gehad?

Het kost welgeteld 25duizend euro om 12 van die kansarme jongeren iets te bieden waar zij en de maatschappij beter van kunnen worden. Er zijn dagen dat ik zo’n bedrag niet in de portemonnee heb, maar ik vind het geen geld. Ik ben voor het project. Laat doen, laat doen . . .

Als die jongeren werkelijk zo erg zijn als de PVV wil doen geloven dan moet je eens uitrekenen wat je bespaart aan handhavingkosten als die 12 jongeren een tijdje uit ons straatbeeld verdwenen zijn. Sterker nog: al die agenten kunnen zich gedurende hun afwezigheid gaan bezighouden met hun corebussiness zoals het uitschrijven van bonnen voor fietsen zonder achterlicht waardoor ze die 25duizend euro gemakkelijk terugverdienen. Er is dus sprake van een win-win-situatie.

Maar er is iets anders dat ik graag wil inbrengen in de discussie. Onze omroep heeft een aantal maanden geleden de onkostenlijst van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant opgevraagd. Het was in de tijd dat – naar aanleiding van de Britse bonnetjesaffaire – ook Nederlandse journalisten wilden weten of er in ons land misbruik werd gemaakt.

Ik heb die lijst doorgespit. Een eerlijk is eerlijk, onze provinciale bazen doen geen gekke dingen. Reden voor ons om er geen ophef over te maken. Het enige dat mij opviel was dat de gedeputeerden in anderhalf jaar tijd een slordige 70 mille hebben uitgegeven aan studiereizen all over the World.

Daar zeg ik niks van, want Brabant is geen eiland en het is een goede zaak dat onze bazen en bazinnen hun licht elders opsteken zodat wij er profijt van hebben. Maar het blijft een hoop geld. Het is gemiddeld tienduizend euro de man, terwijl we niet eens last van ze hebben. Zet dat eens af tegen die 25duizend voor 12 lastige jongeren.

Maar inmiddels zijn de Commissaris van de Koningin en twee gedeputeerden vertrokken. We hebben daar als inwoners dus geen plezier meer van. (Ik vraag me overigens af of zij ook studiekosten moeten terugbetalen als ze voortijdig vertrekken, net als de gemiddelde werknemer die op kosten van de baas een peperdure cursus mag volgen.) Dus zo bekeken zeg ik: geef die arme jongens uit De Baarsjes ook een kans zich te bekwamen. Van hen weten we vrijwel zeker dat ze niet vroegtijdig vertrekken.








Vocalies (89)

(Door Marlies)

Er is een nieuwe Vocalies-radiopodcast. klik hier.

Voor de tweede keer op rij wordt een eerder geschreven en klaarliggend stukkie achterhaald door de actualiteit. Da's een goed ding! De stukkies over 'Rach 3' (ik ga lekker niet uitleggen wat die wat cryptische titel betekent) en Purcell houdt u tegoed. U krijgt ze in tijden dat het wat rustiger is en die tijden komen eraan met Sint en Kerst in het vooruitzicht.

Ik las in de Volkskrant van vrijdag 27 november een hartekreet van Roland de Beer over de stemmen van Radio 4. Ik besloot het hieronder te publiceren. Het bewijst dat ik minstens een punt had en heb met mijn mening over de presentatie op Radio4, nu en in het verleden.

Het bewijst dat er weinig veranderd is in de bijna twee jaar dat ik er niet meer werk en het bewijst dat, zolang ze in Hilversum het beleid laten bepalen door mensen die het verschil tussen een tongval en een spraakgebrek niet kennen, die er alleen op uit zijn de status quo te handhaven (omdat zij daarin de baas zijn) en die een vijf-sterrenkoelkast, een fossiel en een warm mens van vlees en bloed niet uit elkaar kunnen houden, er weinig zal veranderen.

Jammer voor ons en gelukkig voor hen zijn er weinig goede alternatieven, zodat ik knarsentandend zal blijven luisteren en zal blijven proberen te genieten van die presentatoren en samenstellingen die het wel begrepen hebben.

Sterkte meneer Roland de Beer en wie weet kunnen we samen een mini-omroepje beginnen, buiten de Hilversumse 'golden circle'.








Stilte

Ik zat in een stiltecoupé. Ik reis graag in een stiltecoupé. Je kunt er meestal rustiger lezen of dommelen dan in een ander treinstel. Rustiger, niet in stilte, want ik heb nog nooit meegemaakt dat het in een stiltecoupé stil was. Er is altijd ruis.

Ik heb niet het lef om de rumoerigen op hun plaats te wijzen. Wie willens en wetens de stilte doorbreekt zal zich zeker niet door mij de les laten lezen. De brutalen hebben de halve coupé.

Vandaag leek de stiltecoupé een vismarkt. Even verderop, waar de deur tussen de eerste en de tweede klas was, had een Spaanssprekende familie acht stoelen bezet. Ze spraken luid. Hun kinderen renden krijsend door het gangpad.

Naast mij zaten drie boerinnen die zoals bleek uit hun verhalen ergens uit de polders bij Rotterdam kwamen. Ze ratelden er vrolijk op los. Ik had ergens anders kunnen gaan zitten, maar het was druk in de trein en waarom zou ik lood inwisselen voor oud ijzer.

Op het eindstation verzuchtte één van de Zuid-Hollandse dames dat die Spanjaarden wel erg luidruchtig waren. Maar ze begreep het wel, want die konden natuurlijk niet lezen dat wij in een stiltecoupé hadden gereisd. “Ze zouden dat ook in het Engels moeten opschrijven,” zei ze.

Ik kon het niet laten, wees op het raam en zei: “welke taal denkt u dat silence is?”

“Ach, nou zie ik het,” zei ze, “’t staat er in het Engels.”

“En in het Nederlands,” zei ik, “maar dat kunt u blijkbaar ook niet lezen.” Ik voelde me slecht.

De dames mopperden wat over mijn cynisme, maar ze lieten hun jolige boerinnenstemming niet bederven. Bovendien moesten ze op zoek naar hun aansluitende trein. En u weet welk een paniek zich dan van onervaren reizigers meester kan maken. Ik wist waar hun trein stond, maar ik hield me stil.








Solliciteren

(Gastcolumn van Ab Klaassens)


“U wilt dus bij ons bedrijf receptioniste worden?”

”Absoluut!”

“Heb ik uit uw brief goed begrepen dat u niet meer dan twee jaar Havo heeft? “

Perfect.“

“...en dat u daarna vier jaar niks heeft uitgevoerd?”

“Exact.“

“Kunt u zich voorstellen dat ik twijfel aan uw ambities?”

“Absoluut.”

“Dit is uw eerste sollicitatie, ja?

“Oké.”

“Waarom nu opeens? “

“Je moet, zeg maar...toch iets...”

“Iets doen!”

“Precies.”

“U heeft geen zin in verder leren.?'

“Helemaal goed.

“Ik vrees dat er voor u geen plaats is in onze organisatie.”

“Maakt niet uit.”








Tofik

Heb ik u eigenlijk al eens verteld dat ik een paar maanden geleden ben opgehouden met het lezen van artikelen over integratie en moslims? Ik word daar zo moe van. Niet van moslims of integratie, nee, van de verhalen.

Heerlijk, geen gezeur meer over wat er allemaal mis is met integratie en moslims. Bovendien slaag ik er nu in de Volkskrant helemaal uit te lezen tijdens het treinen ’t Scheelt echt als je kolommen kunt over slaan.

Op mijn werk verdedig ik nog wel braaf onderwerpen over integratie en moslims maar ik zeg er nu bij dat ik ze zeau vorige eeuw vind. Ik sta in deze kwestie op het standpunt: leef en laat leven. Klaar. Ik weet dat het simpel klinkt, maar als je 35 jaar journalist bent dan heb een werkzaam leven vol verhalen over integratie achter de rug. En we zijn geen ruk opgeschoten.

Ik voelde me wel een beetje schuldig. Alsof het lot van minderbedeelde allochtonen mij plotseling niets meer kon schelen. Niks is minder waar. Ik zet me in voor de Weekendschool die probeert vooral allochtone kinderen vooruit te helpen. Dat is geweldig, vooral omdat die kids hoop geven en omdat daar het woord integratie niet valt. We werken lekker zonder gezeur.

Gisteren zag ik opeens bij P&W Tofik Dibi. Ik ben geen fan van zijn partij GroenLinks, maar zijn manifest “Zeau 2001” was mij uit het hart gegrepen. Ik kan er wel over uitweiden maar zo mooi als hij het zelf heeft opgeschreven kan ik dat niet. Ga naar het manifest en teken dat. En hou op met zeuren over integratie en moslims.








Pendelen

“Zeg, jij hebt een gouden kettinkje om hè?” vroeg mijn collega.

Ik wilde haar antwoorden dat we toch hadden afgesproken dat ze die wetenschap geheim zou houden, maar ze keek zo ernstig dat ik het niet waagde die flauwe kantoorgrap te maken. Bovendien zei ze meteen dat ze dat had gezien toen ze achter me langs liep.

Of ze dat kettinkje even mocht lenen. Een vrouw die een mannenkettinkje komt lenen, zegt u maar eens dat wij in de provincie niet geëmancipeerd zijn.

Ik was niet eens verbaasd over de vraag van mijn collega. Ze werkt bij de Tv-redactie en die vraagt de gekste dingen in bruikleen. Meestal hebben ze die spullen nodig (of mensen die kinderlokker willen spelen) om te filmen voor één of ander item. Alles voor het beeld hè . . .

“Komt mijn kettinkje op TV?” vroeg ik.

Dat bleek niet zo te zijn. Ze wilde het hebben om daarmee het geslacht van een foetus in het lichaam van een andere collega te pendelen. Ik wilde haar antwoorden dat ik mijn kostbare, in Italië gekochte kleinood alleen ter beschikking wilde stellen als ik zelf boven die blote buik mocht pendelen, maar mijn collega keek nog steeds serieus en ook deze flauwe kantoorgrap slikte ik op tijd in.

Na tien minuten kwamen de meiden terug. “Ik ben er uit, “ zei mijn pendelende collega, “volgens mij wordt het een meisje”.

Mijn zwangere collega glimlachte. Zij weet of het een jongen of een meisje wordt maar dat wil ze niet zeggen.

Dat respecteer ik, maar ik was wel nieuwsgierig waarom er dan gependeld moest worden. Het bleek dat de collega die mijn kettinkje had geleend meent dat ze de gave van het pendelen heeft. Dat wil ze nu uittesten en als de score goed is, wil ze er grof geld mee gaan verdienen.

Daar zou ik niet blij mee zijn, 't is een heel gepruts om elke keer dat kettinkje af te doen.








Reunie

Telkens als de ooms en tantes vroeger een dag bij mijn ouders op bezoek waren geweest vonden pa en ma vergeten spullen. Een tas naast de bank, een jas aan de kapstok. Soms ging tien minuten later de bel. De oom of tante die per ongeluk iets had achtergelaten had dat gemerkt nog voordat ze met de wagen het dorp uit waren en het nog de moeite was om te draaien. Vaker duurde het maanden voordat ze elkaar weer zagen en mijn ouders de achtergebleven shawl, jas of zonnebril terug konden geven.

De oogst aan gevonden voorwerpen na onze neven- en nichtenreünie van gisteren bestond uit een compactcamera en een leesbril. Het onomstotelijk bewijs dat onze generatie in staat is tradities in ere te houden.


De reunie was een avond vol gesprekken aan de keukentafel, die voor de gelegenheid van hoofdkwartier van onze relatie was gepromoveerd tot hoofdkwartier van ons familieberaad. Slecht één neef meldde zich kort te voren af. Hij is bij de Rotterdamse brandweer en daar waren zoveel zieken dat hij een piketdienst moest overnemen. Het is hem vergeven. Het vervult me met trots een neef te hebben die er in geslaagd is elke jongensdroom te verwezenlijken.

Een enkele gast had ik al tientallen jaren niet meer gezien. We zijn allemaal grijs geworden (de oudste was 70, de jongste 45). Het was spannend omdat ik me tevoren heb afgevraagd of we elkaar iets te vertellen zouden hebben. Het is in feite maar een dun draadje dat ons bindt. Nadat onze ouders één voor één waren gestorven en wij de oudste tak aan de stamboom zijn, zijn we allemaal onze eigen richting in gegroeid.

We hebben veel gepraat en niet alleen over vroeger. Natuurlijk kwamen er wat verhalen langs over tantes en ooms, over onze opa en oma, maar op een uitzondering na hing niemand aan het verleden. We spraken over nu, over reizen die we hebben gemaakt, over de situatie in de wereld, over alledaagse dingen. We spraken over de generatie na ons, onze kinderen die nog meer dan wijzelf onthecht zijn van de familie. En die nog meer dan wij hun eigen leven leiden en daarmee elk sociologisch onderzoek bevestigen dat structuren veranderen.

Het was eigenlijk een heel gemiddelde familie, gisteravond aan onze keukentafel. Een familie met grote en kleine pijntjes, een familie die ups en downs kent en gekend heeft. Vanmorgen, toen mijn lief en ik ons door de afwas worstelden en de avond nog eens doorspraken kwamen we tot een eensluidende conclusie: we hebben een aardige familie. We zien uit naar een volgend samenzijn. Al was het maar dat we dan de vergeten spullen terug kunnen geven.








Vocalies (88)

(Door Marlies)

Had ik een leuk stukkie voorbereid over de dood van Henry Purcell (voor zover je een leuk stukkie over iemands dood kunt schrijven), omdat zijn sterfdag op de 21ste november was, zie ik ’s avonds in een van de leukere uitzendingen van mijn favoriete programma ‘De wereld draait door’ dat het over zang en stemmen gaat. Het was me een vocaal programma!.

Als de VARA het tijdig had doorgehad had ze er vast iets uitgehaald, want in Hilverdorp zijn ze niet zo van de vocale muziek. Bij de roep om meer vocaal op Radio 4 was ik ook al een roepende in de woestijn. Dus besloot ik ervan te genieten zolang het duurde. Stel je voor: 13 Ciske de Rat’s, die hun tophit ‘Ik voel me zo verdomd alllllleen!!!’ zongen, componist Louis Andriessen, die vocaal denkend componeert en als muze eerst Cathy Berberian had en later een ander zeer vocaal ingesteld typje, en als klap op de vuurpijl (ahem…) Gerard Joling, die fan is van dragonderstem Shirley Bassey en haar nieuwe cd kwam aanprijzen. Dat iemand als Gerard Joling ooit deze rubrieken haalt is natuurlijk sowieso al opmerkelijk. Nou daar moet je als Vocalies iets van vinden, vindt u niet?

Dus u houdt Purcell te goed, dooier dan dood kan tenslotte niet…

Ik ga het rijtje maar eens af.

Heerlijk die 13 schoffies… wel randstedelijk voorgeprogrammeerd, maar toch. Scherpe g-en dikke l-en, maar soms past dat en is dat leuk. En ze gaan natuurlijk allemaal de muziek in, op die ene na die een dierenwinkel gaat openen en waarschijnlijk in zijn eentje gelukkiger wordt dan de rest samen, maar ja, het bloed kruipt soms waar het niet gaan kan.
En nog geen eentje waarvan de stem al gebroken was, dus brulden ze met zijn dertienen lekker tegen het hoge midden aan: ‘die mij altijd beschermen zouwen….’ De zaal kreeg ineens een snik in de stem.

Louis Andriessen is binnenkort in Carnegie Composer of the year (of the week, soms gaat het in Amerika sneller dan wij denken). Hij schrijft zingbare muziek (ik heb wel eens een koorstuk van hem meegezongen) en is een beminnelijke man van deze tijd. Hij verloor kortgeleden zijn vrouw en was kort na haar dood eregast in het Concertgebouw. Ik zag het verdriet in zijn ogen. En nu, enige tijd later gaat het hem langzaam beter en vind hij zijn oude sprankel terug. Hij heeft verfrissende ideeën over hedendaags klassieke muziek en heeft zijn sporen in Nederland ruimschoots verdiend. Ik gun hem een mooie tijd in New York. Het is daar leuk voor cultuur-beminners.

En last but not least Sjraar Joling. Onze eigen popi-jopi-counter-tenor. Ik heb wel een boon voor hem: relnicht en herrieschopper, maar met wat meer innerlijke beschaving dan andere relnichten in het bizznizz. Hij is helemaal idolaat van Shirley Bassey, en daar ben ik ook fan van (ik ben van veel mensen fan, had u dat al gemerkt?). Oma en Dame Bassey is op haar 72ste nog steeds niet weg te denken van de grote podia en Joling merkte terecht op dat ze stembanden van rubber moet hebben, want ze zingt al jaren de barsten in plafonds en lijkt er maar niet genoeg van te krijgen. Bovendien is ze aardig en vrijwel kurenloos (zeker vergeleken bij collega-diva’s als La Streisand, La Houston en La Cher… om maar es een paar dames op leeftijd te noemen).

Joling is countertenor, ik zou hem wel eens iets klassieks willen horen zingen, als-ie dat zou kunnen bevatten, want in die bovenkamer van hem is volgens mij vooral plaats voor de strijd om meer haar en minder voor hersens.
Countertenor? Nauwelijks behandeld in ons zomerklasje, dus nu nog even: een aantal mannelijke zangers hebben het vermogen hun strottenhoofd te laten kantelen en dan gaan de stembanden in een zodanige stand dat ze er ineens bijna anderhalf octaaf bij krijgen en wat vrouwelijker gaan klinken. In de donkere dagen van een paar eeuwen geleden werden jongens-sopraantjes wel eens ontmand, omdat men dacht dat de stem dan behouden bleef en niet ging ‘breken’. Dat was om veel redenen een misrekening. Ten eerste bleek het geen garantie voor het behoud van de stem. Ten tweede werden die jongetjes buitengewoon ongelukkig en dientengevolge een kruis voor zichzelf en hun omgeving en ten derde konden ze zich niet voortplanten: dus mooie stemmen voort zien leven in nazaten was er ook al niet bij. Ten vierde waren de operatie en de bijwerkingen en gevolgen zo link dat er algauw allerlei complicaties optraden waardoor ze voortijdig aan een ongelukkig einde kwamen.

De laatste castraat stierf in de twintiger jaren van de vorige eeuw; er zijn opnames van, maar die klinken op een wasrol zo schril dat er geen oordeel over geveld kan worden. De film Farinelli (hier al eens besproken) geeft een aardig beeld, maar je krijgt ook intens medelijden met de man.

Countertenoren halen hetzelfde bereik, maar klinken veel ‘gezonder’ en zijn in het volle bezit van hun mannelijke vermogens. Wijdverbreid vooroordeel dat ze allemaal homofiel zouden zijn kan ik hier ontzenuwen, het is niet waar. Ze hebben het wel lastig, want moeten een bepaald genre muziek instuderen dat om de donder niet makkelijk is. Daarbij moeten ze er heel goed op letten dat hun strottenhoofd vooral in de lagere regionen niet ‘terugkantelt’ want dan schieten ze in de baritonale klank. Counters zijn vaak baritons, wanneer ze zonder gekanteld strottenhoofd zingen en dan hebben ze vaak geen geweldig timbre, een beetje vlak en gewoontjes. Pas als ze in hun counter-techniekje schieten begint de stem te stralen.

Nou, om een beetje bij te komen van zoveel actualiteit in het filmpje een opname van countertenor David DQ Lee, die het Cardiff Singer of the World concours van wat extra peper voorzag met zijn optreden. Zo kun je je countertechniek ook gebruiken!
Affijn google maar eens ‘countenor’, je komt de gekste dingen tegen!








Balkenende

Ha! Het spel is op de wagen. Balkenende wordt geen president van Europa en nu buitelen commentatoren over elkaar heen om de vraag te beantwoorden of Balkenende aangeschoten wild is. Of hij nog wel minister-president van ons kikkerklandje kan en wil zijn? Of zijn collega-ministers hem nog wel serieus nemen omdat hij een ander ambt ambieerde?

Ik vind het een interessante discussie omdat ik er wel iets persoonlijks in herken. Een jaar tien geleden kwam mijn droombaan langs. Ik solliciteerde. Niet omdat ik het werk dat ik toen deed niet leuk vond maar omdat een droombaan zelden langs komt.

En verdomd, ik kwam een eind in de procedure.

Tot de hoofdredacteur van het blad waar ik heel graag voor wilde schrijven, mij op zondagavond opbelde. Hij wilde mij persoonlijk vertellen dat de commissie voor een andere kandidaat had gekozen. Hij belde mij zelf op omdat hij mij wilde vertellen dat iedereen mij eigenlijk de beste vond, maar het feit dat ik al zo lang voor de radio werkte en niet meer had geschreven had uiteindelijk de doorslag gegeven. Ik was gesneuveld met één stem te veel tegen.

Ik kon er mee leven. Was ik beschadigd? Welnee, alleen een beetje teleurgesteld. Ging ik daarna met tegenzin naar mijn werk? Welnee, ik vond mijn werk niet minder leuk. Hebben de collega’s die wisten dat ik had gesolliciteerd mij behandeld als een overloper? Welnee, er was veel te veel werk om bij dat soort persoonlijke dingen stil te staan.

Ik snap wel dat het van een andere orde is als iedereen schrijft dat je president van Europa wilt worden, maar als Balkenende vandaag rondbazuint dat hij met evenveel enthousiasme verder werkt aan het herstel van Nederland, dan geloof ik hem. Of hij dat goed doet is een andere vraag, maar daar gaat het hier nu niet over.

Er is volgens mij een heel andere vraag waar wij ons druk over moeten maken. Ik zou hem zo willen stellen: heeft u een stembiljet ingevuld voor de nieuwe Europese president? Ikke niet. Maar misschien heb ik iets gemist omdat ik in China was, waar het niet echt gebruikelijk is dat leiders door het volk worden gekozen.








Neee!!!!

“Met mevrouw xxxxx van de Wethouder Van Eupenschool”


“Goedenmiddag u spreekt met Jan de Vries van Omroep Bra . . . . “.


“O, NEEEEE Hé NIET NOG EEN TELEVISIEPLOEG!!!!!!”



Mevrouw wist precies waar ik over belde. Op haar school was een geval van hepatitis A geconstateerd en alle kinderen zouden ingeënt worden. Ik wilde graag weten of de school er erg onder leed. Ja, dat soort vragen stellen is een vak. Het heet journalistiek. Wordt leuk betaald, moet u ook eens proberen.

Het viel mee. Volgens de mevrouw maakte het journaille er meer heisa van dan de school. De TV-ploeg die al was geweest was van de regionale krant. Die hebben tegenwoordig ook TV-ploegen. En maar schelden op onze RTV-verslaggevers die af en toe ook een fotootje maken.

Hepatits A, zo had ik al uitgezocht, is geelzucht. Ik heb het zelf als kind gehad. Vreselijk, ik moest zes weken rookvlees eten. Getverdegetver . . . . Sinds die tijd eet ik alleen maar jam of pindakaas op brood.

Ik begreep die mevrouw wel toen ze zei dat het volgens haar allemaal wel mee viel. Ze was helemaal gerustgesteld toen ik haar vertelde dat je er tenminste 54 mee kunt worden.

We hebben uiteindelijk de TV-ploeg op stal gehouden en er een berichtje van gemaakt. En een weblogje, want dat gaat in één moeite door.








Lollig

Stelt u zich voor: u moet op een doordeweekse avond in mijn provinciehoofdstadje zijn. Bijvoorbeeld om een kanon af te schieten zodat u kunt bewijzen dat daarmee op een doordeweekse dag in mijn provinciehoofdstadje geen enkele schade aangericht kan worden.


Het is november, vroeg donker en het regent. U parkeert uw auto in een verlaten straat en gaat op zoek naar een parkeermeter. Na honderd meter ontdekt u dat de meter de andere kant op staat.


U werpt uw geld in het apparaat en plotseling hoort u achter u iemand keihard roepen dat u uw waardevolle spullen uit de auto moet halen. De onbekende vertelt nog veel meer maar dat hoort u niet, want uw zenuwstelsel staat op instorten. Toen u naar de parkeermeter liep was er immers in geen velden of wegen een sterveling te bekennen in de van regen glimmende straat.


Net voordat u bezwijkt ontdekt u dat het de parkeermeter is die u de les leest. Het is een preventieve actie van de gemeente om te voorkomen dat u, gast van de stad, bij terugkeer uw auto leeggeroofd vindt. Dat gebeurt namelijk nogal eens in mijn provinciehoofdstadje. We scoren goed op de lijst van steden met de meeste auto-inbraken. Er is zelfs speciaal beleid voor ontwikkeld om dat tegen te gaan. Sprekende parkeermeters dus. Lollig.


Nu we nog slechts een week of twee verwijderd zijn van het Heerlijk Avondje, is het standaardbandje in die meters vervangen. U wordt nu toegezongen. Op de wijs van Sinterklaas Kapoentje vraagt een boevenstem zich af wat hij in uw autootje vindt. Een laptop en een dure zonnebril. Of u die er maar als de sodemieter uit wilt halen.


Dus als u de komende week op een doordeweekse avond in een door god verlaten straat in mijn provinciehoofdstadje een parkeerkaartje trekt blijf dan kalm. Die vent die dat infantiele liedje zingt is de parkeermeter.








Unfriend

Ik las vandaag een mooi verhaal in de Volkskrant over Rob Trip, de nieuwe anchorman van het NOS-Journaal en ik voelde verwantschap. Niet als journalist. Ik kan niet in de schaduw staan van Rob Trip.

Ik voelde verwantschap als mens. Rob Trip houdt niet van feestjes en poeha. Inhoud gaat voor hem boven uiterlijk vertoon. Hij heeft weinig echte vrienden. Uit zijn schooltijd is met moeite één persoon opgespoord die zijn vriendje was. Trip’s vrouw is zijn beste vriend.

Ik herken me daar in, maar misschien zijn er mensen in mijn omgeving die daar heel anders over denken. Mijn zelfkennis hoeft niet per se te stroken met het beeld dat anderen van mij hebben.


Sinds mensen dankzij Hyves vrienden aan zich rijgen als gekleurde kralen aan een ketting gebruik ik het woord vriend vaker want vooral jonge mensen kennen het als een verzamelnaam. Die kennen het onderscheid tussen een bekende, een kennis en een vriend niet.


Mensen wisselen van virtuele vrienden zoals ze van onderbroek wisselen. En daarom kon het gebeuren dat in Amerika het woord 'Unfriend' is uitgeroepen tot het woord van het jaar. Het betekent dat je iemand, die als vriend op je sociale netwerksite als Hyves of Facebook staat, verwijdert.

Ik heb als puber een keer de vriendschap met een jongen opgezegd. Hij was depressief en overwoog voortdurend zelfmoord te plegen. Nachten hebben we daarover gesproken maar ik was te jong om te begrijpen wat hij mij niet kon uitleggen. Ik werd er neerslachtig van en vertelde hem dat ik hem niet meer wilde zien. Zijn vader kwam ’s avonds aan de deur om een lans te breken voor zijn zoon. Ik hield voet bij stuk.


Jaren later kwam hij uit de kast en begreep ik wat hem zo lang zo depressief maakte: onbeantwoorde gevoelens. Omdat hij jarenlang mijn enige echte vriend was geweest knoopten we de contacten weer aan. Maar het was niet meer zoals vroeger. Uiteindelijk was voor hem een onbenulligheid genoeg om de vriendschap met mij definitief te verbreken. Dat is een jaar of twintig geleden.

We hebben nog brieven over en weer geschreven, maar de breuk bleek niet te lijmen. Waarschijnlijk tot groot verdriet van beiden hebben elkaar nooit meer gezien.

To unfriend somebody is soms meer dan een druk op een knop.








Crailo

(gastcolumn van Ab Klaassens)

In de jaren 1953/54 was ik dienstplichtig soldaat bij de Koninklijke Luchtmacht. Luttele jaren later moesten mijn jaargenoten en ik opdraven voor herhalingsoefeningen, die geen herhaling bleken te zijn, want we moesten nieuwe kunstjes leren. Branden blussen, voor als de Russen kwamen.

In kamp Crailo – nabij Hilversum – kreeg ik een opleiding tot brandweerman samen met lotgenoten van dezelfde jaargang die zich in andere disciplines moesten bekwamen, zoals medische hulp en puinruimen. We waren lid geworden van de ‘mobiele colonne’, een nieuwe legereenheid die, als de communisten hun raketten hadden losgelaten op ons kleine land, moest zien te redden wat er nog te redden was.

De beroepsmilitairen die ons moesten instrueren vertoonden evenveel mankementen als de apparatuur waarmee wij in de praktijk moesten oefenen. Niks deed ‘t. Het cynisme sloeg toe bij de mannen die hun baan of eigen bedrijf hadden moeten inruilen voor enkele weken volstrekte ledigheid.

Ik trof er mijn oude vriend Kees, die z’n gitaar had meegebracht. In mijn hoofd zoemde een gospel van een kerkkoor uit het zuiden van de V.S, een koor van Afro-Amerikanen, gehoord bij een collega: “Gimmi that old time religion.” Op een verloren avond na een verloren dag zong ik vriend Kees voor wat ik me van dat lied herinnerde en schreef er een paar regels tekst bij over onze nieuwe ervaringen bij het leger. Kees pakte de melodie op en we zongen de eerste regels van onze tekst op een slaapzaal met veertig bedden. Anderen kwamen erbij, we verzonnen er steeds meer tekst bij; iemand schreef de groeiende teksten op een schoolbord. Een ander schreef ze over, zette ze in het verlofweekend op stencil en verspreidde de tekst de volgende maandag in zeer ruime oplage over het kampement. De tekst was niet complimenteus voor de leiding van de onderneming.

Tegen het middaguur kregen alle dienstplichtigen het bevel zich te melden in de grootste zaal op kamp Crailo. Daar betrad de hoogste baas van de opleiding, een kolonel, een verhoog. Hij sprak van subversieve teksten, aantasting van het gezag, belediging van meerderen overtreding van de krijgswetten en nog het een en ander tot vriend Kees opstond, mij aanwees en riep: “Hij en ik, we hebben ‘t samen gedaan!”

De kolonel riep de twee zondaren bij zich en liet de anderen inrukken. We volgden hem, in zijn maat mee-marcherend naar zijn kantoor, waar hij ons vermanend toesprak en dreigde met zware straffen als wij ons nog eens aan het gezag zouden vergrijpen. En nou ingerukt, als de bliksem! Toen we opgelucht de deur openden riep de kolonel ons terug………”Mannen: haal als de wiederweerga die gitaar; ik wil ’t nou wel eens zelf horen, dat verdomde lied!"'








Recessie

We zijn sinds vorige week officieel uit de recessie. Ja. ja . . . . officieel. Ik ben zo verbrabantst dat ik juich met mijn handen in mijn zakken. Dan kan ik altijd nog terug als blijkt dat straks de werkloosheidscijfers ons land in een collectieve neerslachtigheid drukt.

De Volkskrant hield zaterdag ook een flinke slag om de arm. Maar er was ook iets in het artikel dat mij vrolijk maakte. En waarbij ik dacht: heb ik met die vijf Unox-rookworsten die ik voor Achterob mee naar Beijing nam toch mijn steentje aan het herstel bijgedragen.








Vocalies (87)

(door Marlies)


Er is een nieuwe podcast met vocale klassieke muziek. Klik hier.

14 november 2009. Vandaag in 1926 werd Leonie Rysanek geboren. Wie is zij, zult u zich afvragen. Nou, een van de beste sopranen van haar tijd. Ze is niet zo bekend, Leonie, ook ik had nog niet van haar gehoord, maar toen ik ooit tijdens mijn werk bij de AVRO de keuze had tussen een opname van Rysanek en een opname van Callas, glimlachte mijn toenmalige baas fijntjes en schoof de Callas-cd terzijde.

‘Nooit van gehoord zeker hè?’ zei hij…’Rysanek…’ (ik weet nog dat hij haar naam correct uitsprak: Ruuzanek, in plaats van Riezanek). Ik moest ontkennend het hoofd schudden. Hij grijnsde en raadde me aan maar eens goed naar haar te luisteren: ik wou toch zo graag een lyrico spinto zijn of worden: nou van Rysanek viel dan veel te leren.

Tijdens de zanglesjes van afgelopen zomer hadden we het al eens over stemtypen en de voor en tegens ervan. Rysanek bewoog zich ergens tussen het stemvak van de lyrico spinto en de dramatische sopraan. Dat stelde haar in staat het bij de knoert-hoge tonen van Richard Strauss op de been te blijven en gaf haar de kracht duivelse rollen als lady Macbeth en Sieglinde zonder aantoonbare moeite uit te zingen en morgenavond weer fris op het podium te staan… avond aan avond, in The Met, in Wenen, en in iedere grote Europese stad met een flink operahuis.

Voor rollen als Lady Macbeth (een rol die mij net als Carmen enorm fascineert, maar die ik nooit zal zingen) moet je lelijk durven zijn en durven zingen en je duistere kanten aanspreken. Veel interessanter dan de wat dociele, ‘hangerige’ slachtoffer-rollen in veel opera’s (met de rug van het handje tegen het voorhoofd en vooral gekweld en moeilijk kijken). Nee dan Lady Macbeth: die ziet het bloed van haar slachtoffers aan haar handen, probeert het eraf te wassen en denkt dat het niet lukt en wordt tenslotte knettergek (verdiend overigens, want ze drijft haar omgeving tot bloederige ellende in haar zucht naar macht). Geweldig om te proberen of je dat ook kunt zonder je motor (je zangtechniek) te oversturen…

Dus: hulde aan Leonie Rysanek, die in 1998 overleed aan kanker, die in haar slottijd aan The Met al geconstateerd was. Ze was daarom slechts korte tijd ‘leidster’ van het Weens Festival, een erebaan die ze kort na haar ‘pensionering’ kreeg en die ze met verve vervulde. Gewoon doorgaan hè, die sopranen, gewoon tot het gaatje, omdat je simpelweg vindt dat dat moet; geen flauwekul, zingen!

Ik wilde nog een uitgebreidere biografie opnemen, maar realiseer me dat het bovenstaande genoeg is, daarom hieronder het linkje naar You tube, waarin de dames Callas en Rysanek beiden een aria uit Macbeth zingen. U mag zelf oordelen: wie wint? Als er al sprake is van winnen natuurlijk. Neem in uw overwegingen mee: de opname-data en het verschil in timbre. Callas zingt op haar kapitaal, Rysanek op de rente ervan. Voorop staat dat u ervan mag genieten!








Beijing (6 en slot)

vrijdag 6 november

De smog heeft de stad helemaal ingepakt. (De leiding van Rob’s school zou later vandaag besluiten dat de kinderen niet naar buiten mochten.). De temperatuur is opgelopen naar 17 graden, dat is 20 graden meer dan op de dag waarop ik aan kwam. Morgen, zo is de voorspelling, wordt het nog warmer. Extreem hoor. Vijf dagen geleden liep ik nog met een dikke jas te vernikkelen van de kou, nu kan ik in een T-shirt de stad in.


Voor vandaag had ik geen vastomlijnd plan. Ik wilde graag gaan dwalen en vastleggen wat voor mijn camera kwam. Als startpunt had ik de voormalige Baoguo-tempel gekozen waar nu een vlooienmarkt is met kitsch uit de tijd van de Culturele Revolutie.


Omdat die tempel niet in mijn Taxi-boekje stond, liet ik mij afzetten bij een attractie in de buurt. Met de kaart in de hand ging ik richting markt. Wat ik fout deed weet ik niet, maar ik verdwaalde. En dat was meteen het moment waarop ik voor het eerst de ongemakken ondervond van het feit dat ik geen Chinese tekens kan lezen en niemand op straat Engels spreekt of leest. Ik heb het geprobeerd maar er viel mij slechts onbegrip ten deel. En dan zul je altijd zien dat je op zo’n moment niet op het Chinese woord voor vlooienmarkt komt . . .


Maar goed, het maakte niet uit. Mijn wandeling bracht mij in een hutong waar een markt aan de gang was. En ik stuitte op wat ik zelf achteraf één van de mooiste beelden vind: de kapsalon.


Om toch wat structuur in mijn zwerftocht te krijgen besloot ik een wandeling te volgen uit mijn National Geographic reisgids. Die begon een paar kilometer verderop. Op weg daar naar toe kwam ik door de koopgoot van Beijing. Een hypermoderne straat met westerse winkels. Hij liep parallel aan een oude winkelstraat in een hutong die al grotendeels was afgebroken. Om het gevoel van contrast te krijgen liep ik afwisselend een stuk door beide straten.


Ik heb gegeten in een heel klein restaurantje in de hutong. De jongen die me binnenlokte sprak een paar woorden Engels. Bij het weggaan vroeg hij me waar ik vandaan kwam. Hij kende Holland, hij had er gewandeld. Toen ik hem vroeg waar hij was geweest, haakte hij af. Dat was te veel Engels.


Uren en uren heb ik daarna gelopen en ik begon mijn voeten te voelen. Vijf dagen lopen begon z’n tol te eisen. Tegen vieren was de pijp leeg en hield ik een taxi aan. Het was mooi geweest met het gezwerf door Beijing.


Ik liet me in de pub op de kruk naast Rob zakken. Het was onze laatste keer samen en dat gaf mij een weemoedig gevoel. We spoelden het snel weg en we gingen op pad naar een buitengewoon luxe hotpotrestaurant waar DD al op ons zat te wachten. Het was maar goed dat we vroeg waren want een uur na onze komst stond er buiten een lange rij om in dit drie verdiepingen hoge restaurant te mogen eten. En terecht, het was er weer meer dan voortreffelijk voor een prijs waarvan ik dacht: hoe kunnen ze het er voor maken?


We liepen we naar The Village. Was de koopgoot van vanmiddag al een openbaring, The Village is zo mogelijk nog mooier. Het is een hele grote mall met superdeluxe winkels. Rob werd er aangesproken door een verslaggeefster van een Amerikaans televisiestation die een reportage maakte in aanloop naar de komst van Obama naar China. Ik had al gemerkt dat mensen daar vol verwachting naar uitkijken.


We vielen binnen in een Belgisch café met veel Belgische bieren. Alsof ik thuis was. Een bijzondere plek voor Rob en DD omdat ze elkaar daar ontmoet hebben. De avond was nog jong. DD besloot naar huis te gaan, de danscompetitie was op weg naar een ontknoping. Rob en ik gingen terug naar de stamkroeg. We vielen met de neus in de boter. Een Chinees in een strak pak deelde kwistig Jägermeisters uit.


We dronken nog een paar glazen bier, die langzaam naar ons hoofd stegen. Daar aan de bar hadden we een intensief gesprek over onze beider relaties en we kwamen we tot de conclusie dat we het goed hebben getroffen.


Laat op de avond hief Rob het glas. “Dit is je laatste bier in China,” zei hij. De volgende ochtend wilde ik dat hij gelijk had gehad.


TOT SLOT:


Een paar dagen voordat ik naar Beijing ging schreef Rob op zijn weblog dat hij het gevoel had dat een figuur uit een boek tot leven kwam omdat we elkaar alleen maar van internet kenden. Bij ons afscheid op zaterdagmorgen sprak hij de prachtige woorden dat het boek weer gesloten werd. Ik zal er nog vaak in bladeren.




















Beijing (5)

donderdag 5 november


DD had gisteravond goed nieuws. De radiatoren in huis waren een beetje warm. De Chinese overheid had met het oog op de kleine koudegolf besloten de kolencentrales eerder dan 15 november op te starten. De temperatuur buiten ging alweer als een komeet omhoog, maar als de gestaalde kaders in China eenmaal hebben besloten dat de kachels aan gaan dan gaan de kachels aan.

Vandaag werd ik geconfronteerd met de keerzijde van dat geluk. Vanuit mijn slaapkamerraam zag ik een dikke mist die volgens mijn ervaren gastheren smog was. Er hing een gele waas over de stad en buiten rook het naar het kolenhok uit mijn jeugd. Uit de kraan kwam eerst helemaal geen water en later bruine drab.

Ik had een bezoek aan het Zomerpaleis gepland. Dat was – na de Muur – mijn verste rit. DD voorspelde me dat mij dat om en nabij de 13 euro zou gaan kosten. Hij pakte de kaart en legde me uit dat ik beter met de metro kon gaan. Zijn vinger gleed over de map: dit stukje eerst met de bus naar het metrostation, dan met de metro hier naar toe en dan het laatste stukje met de taxi naar het Zomerpaleis. Veel goedkoper.

Uuuuuh ja . . . . het werd dus de taxi, want laten we eerlijk zijn, wat is 13 euro om een stad met de omvang van de provincie Utrecht te doorkruisen? In Nederland kom ik voor dat geld niet eens van de ene naar de andere kant van Den Bosch.

Bij het Zomerpaleis bleek het allemaal erg mee te vallen met de prijs. Het was maar zes euro. Taxi’s in Beijing zijn spotgoedkoop, ongeveer een euro instaptarief en daarna 20 cent per kilometer. Dat is een fijne regeling in een stad waar het verkeer regelmatig stil staat.

De smog werd steeds hardnekkiger, vooral boven het enorme Kunmingmeer bij het Zomerpaleis. Ook hier zag ik, behalve indrukwekkende gebouwen en tempels, veel dansende mensen. Op de brug met de 17 bogen waren vliegeraars bezig.

Ik heb er de hele dag rondgezworven en veel gezien waarvan u zult zeggen: leuk maar ik had er bij moeten zijn. Daarom laat ik de foto’s maar spreken.

Het was wel op deze plek waar ik opnieuw de zegeningen heb geteld van het alleen zijn. Het was zo heerlijk om in mijn eigen tempo en in mijn eigen richting te kunnen zwerven. En de tijd te kunnen nemen om mensen en situaties te observeren zonder reisgenoten op te houden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het wel een prettige gedachte was dat ik ’s avonds over mijn ervaringen kon vertellen aan mijn gastheren.

’s Avonds hebben Rob, DD en ik gegeten in een Japans buffetrestaurant waar je bij binnenkomst en vertrek door het voltallige personeel vrolijk werd toegeschreeuwd. Ik moest er maar rekening mee houden, zeiden ze, dat het dit keer een duur etentje zou worden.


Tot nu toe had ik in de buurtrestaurants voor zes euro meer dan voortreffelijk gegeten en gedronken. Rob en DD hadden niet overdreven. De rekening was 15 euro per persoon. Ik moet er wel bij zeggen dat ik voor dat bedrag onbeperkt de meest bijzondere Japanse gerechten heb kunnen eten. Ach, alles is betrekkelijk . . .

Het is een mooi moment u te vertellen hoe wij onze avonden doorbrachten. U dacht natuurlijk dat wij avond aan avond aan de bar hingen. Nee, wij keken na het eten braaf naar de voorrondes van de nationale danskampioenschappen die dagelijks urenlang op de Tv werden uitgezonden. DD heeft de dansacademie gedaan (hij heeft meegedanst tijdens die spectaculaire openingsfestiviteiten van de Olympische Spelen) dus hij is een gewaardeerde commentator.

Die danskampioenschappen moet u niet onderschatten. Het is niet zoiets als dancing with the stars. In China is het een serieuze tak van sport. Ik had me eerder die week al verbaasd over sprongen die één van DD’s favoriete deelnemers maakte. Het leek op vliegen.

DD had ons beloofd deze avond te tonen hoe je kunt vliegen. We vroegen of tafels en stoelen aan de kant moesten, maar dat hoefde niet. Rob’s partner vertelde dat er op de academie een speciale klas is waar op die bijzondere kunst getraind wordt. Om aan te tonen hoe dat dan gaat maakte hij een handstand tegen de muur en een koprol met gestrekt been (dat zal wel een officiële naam hebben maar zo zag het er uit).

Dat leek ons een fluitje van een cent. Ik, die gast in huis was, liet Rob beleefd voor gaan om als eerste zijn lijf ondersteboven tegen de muur te draperen. DD schrok zich rot. Dat was niet de bedoeling.

Hij haastte zich te zeggen dat wij hem verkeerd hadden begrepen. Wat hij nu had gedaan deed de klas twee jaar lang, dag in dag uit. Dan pas zijn je spieren zo getraind dat je kunt vliegen.

Ach zo . . . . We besloten niet te vliegen.


P.S.: Ik ben u nog een antwoord schuldig op de pubquizvraag van gisteren. Amerikaanse autofabrikanten vertonen hun reclamespots ook in landen waar links gereden wordt. De films worden dan gespiegeld en dat kan alleen als de letters op de kentekenplaten er gespiegeld hetzelfde uit zien.
















Beijing (4)

woensdag 4 november

Ik ben een bevoorrecht mens. Dit jaar was ik in New York en in Beijing, twee wereldsteden die tot de verbeelding spreken. De verleiding is groot om de diaplaatjes over elkaar te leggen. Maar ik waag me daar niet aan omdat ik in beide steden niet meer dan een oppervlakkig inkijkje heb gehad. Bovendien vind ik New York en Beijing aparte grootheden.

Toch was er vandaag een moment dat ik sterk aan New York moest denken. Het meest bijzondere van die stad vond ik Central Park, dat ik wel eens een mensenzoo heb genoemd omdat alle schakeringen van ons ras daar op een paar vierkante kilometer te zien zijn.

Ook het park rond de Tempel van de Hemel in Beijing is zo’n verzamelplek van mensen die rust zoeken, hun creativiteit de vrije loop willen laten, die kaart willen spelen en die willen dansen. Het verschil met Central Park was dat de verscheidenheid aan mensen in het park van Tian Tan vandaag te verwaarlozen was: het waren allemaal Chinezen en een handjevol Europeanen en Amerikanen.

Lopend door het park werd ik aangetrokken door het geluid van huqin’s, tweesnarige violen. Op bankjes rondom een stukje dat was bestraat zaten oudere mannen op die instrumenten te spelen. Oudere dames haakten af en toe aan om de tekst bij de muziek te zingen. Althans, dat denk ik want ik kon het niet verstaan. Omdat het geluid van één huqin al een aanslag op mijn trommelvliezen is hield ik het niet zo lang vol. De heren speelden namelijk allemaal een ander deuntje. Het was kattengejank.

Verderop in het park traden zangers en zangeressen op en hadden jongens geluidsinstallaties op steekwagentjes neergezet zodat iedereen die dat wilde naar hartenlust kon dansen. Ook dat geluid was zo hemeltergend dat het mij niet verstandig leek je daar al te lang aan bloot te stellen.

Zelfs de Opera van Peking was present om met mensen te dansen en zo klanten voor de voorstellingen te werven.

Ondanks de herrie links en rechts gingen van het park en de schitterende vijftiende eeuwse tempel rust uit. Dus kon ik de Silkmarket aan want als je je vrouw een week in de steek laat moet ik van mezelf wel met een cadeautje thuis komen.

De Silkmarket is een enorm en heel modern warenhuis met kraampjes. En het is niet mijn ding. Binnen een kwartier was ik zo vaak door verkopers besprongen en meegetrokken dat ik gillend naar buiten ben gevlucht. (Het cadeautje heb ik later ergens anders gekocht, dat u niet denkt dat ik met lege handen thuis kwam.) Geloof me, dat ligt niet aan de Silkmarket, dat ligt aan mij. Ga er gerust heen en laat u voor een prikkie een mooi pak aanmeten of koop een DVD’tje voor een euro maar val mij er niet meer mee lastig.

Buiten was ik omringd door het hedendaagse Beijing, het gedeelte dat qua uiterlijk ook aan New York doet denken. Torenhoge, hypermoderne glazen kantoorgebouwen en hotels staan er zij aan zij. Soms staan ze helemaal solitair te midden van een paar hutongs, als een dreigend teken dat ook die omringende oude wijken binnen afzienbare tijd ten prooi zullen vallen aan staal en glas.

Hoogtepunt vond ik het gebouw van de Chinese Staatstelevisie de CCTV naar een ontwerp van Rem Koolhaas. Helaas was het nog steeds omringd door een metershoge schutting (Chinezen doen niet aan lullige schuttinkjes) omdat op hetzelfde terrein een hotel werd afgebroken. Dat vloog tijdens de Nieuwjaarswisseling in brand.

’s Avonds nam Rob mij mee naar een ander café waar elke woensdag de pubquiz wordt gespeeld. Het internationale publiek vormt dan gelegenheidsteams die tien vragen uit verschillende categorieën moesten beantwoorden ten overstaan van de rest van de clientèle.

Ons team kreeg de naam kakkerlakken. Terecht bleek aan het eind van de avond, want we werden door onze opponenten geplet. Maar wat wil je als Nederlander als je een vraag krijgt als: waarom gebruiken Amerikaanse autofabrikanten in hun reclamespotjes uitsluitend kentekens met de letters W, V, O, A, H, I, M, T, U en de cijfers 0 en 8? Denk er rustig over na, als u er niet uit komt geef ik u morgen het antwoord.









Tempel van de Hemel










CCTV-toren








Beijing (3)

Dinsdag 3 november

Het weer werd steeds beter. De temperatuur steeg langzaam naar 7 graden en het bleef helder. Daarom had ik besloten vandaag de stad uit te gaan naar de Chinese Muur want het kan toch niet zo zijn dat je negen uur vliegt en dan thuis komt zonder in de voetsporen van de groten der aarde te zijn getreden.

Rob had en familielid van zijn werkster bereid gevonden mij een dag mee te nemen. Heerlijk, een eigen chauffeur. Volgens de werkster sprak de man Engels, maar verder dan no sorry kwam hij niet. (Later bleek dat deze man de oorspronkelijke chauffeur verving, maar dat terzijde.) Geen probleem. Ik stapte naast hem in de auto om vervolgens twee uur in stilte door te brengen. Geloof me, na vijf minuten ben je gewend aan een zwijgende Chinees.

De rit naar de Muur ging over redelijk rustige, brede tweebaanswegen. En daar ontdekte ik iets dat het autorijdende deel van ons volk zou kunnen redden van zijn collectieve stress. Naast elk stoplicht hing een digitale klok die aftelde hoe lang je nog voor rood licht stond. Geloof me, daar word je héééél rustig van . . .

Ik had er voor gekozen niet naar het toeristische Badaling te gaan maar naar Mutianyu. Daar stonden gelukkig maar honderd kraampjes met goedbedoelde muk waaronder T-shirts waarmee ik thuis kon bewijzen dat ik op The Great Wall was geweest.

Een kabelbaan bracht mij naar boven. Ik zat in een gondeltje waarop stond dat daarmee de zevende Lama van Tibet naar beneden was gegaan. Ik was even bang dat dat op alle gondeltjes zou staan, maar, echt waar, het stond alleen op mijn gondeltje.

Ik voelde me vereerd, maar iets knaagde er, want het leek mij onwaarschijnlijk dat de Dalai Lama op hetzelfde Chinese gondelbankje had gezeten als ik. (Ik moet natuurlijk zeggen dat ik op hetzelfde bankje had gezeten als de Dalai Lama.) Bij navraag bleek het dan ook een andere Lama te zijn. Een door China erkende Lama. Dan moet het een spugende zijn geweest.

De Muur lag aan mijn voeten en strekte zich links en rechts van mij uit, ver weg de bergen in. Ik werd er stil van.

Ik besloot naar links te gaan op weg naar het hoogste punt dat vanaf Mutianyu zichtbaar was. Een groot gevoel van geluk overviel me toen ik in de voetsporen van “een” Bill Clinton over de muur dwars door de bergen liep.

Op de kantelen en aan de schaduwkant lag nog wat sneeuw die de wandeling nog spectaculairder maakte.

Mijn stemming sloeg om toen ik één van de torentjes uit kwam en aan de andere kant op een steile afdaling stuitte die vol bevroren sneeuw lag en dus spiegelglad was. Ik aarzelde toen ik zag dat sommige mensen halverwege vertwijfeld rondkeken en niet meer voor- of achteruit konden.

Een jong Frans stel vroeg of ik een strategie had. Die had ik niet. Ik vertelde de twee dat ik er over dacht mij blind van de helling te storten. Zij maakte zich zorgen, misschien zou ik verongelukken. Wat is er mooier, zei ik, dan eenzaam te sterven op The Great Wall.

Ze verklaarde me ter plekke voor gek en ze besloot dat het beter was elkaar te helpen deze hindernis te nemen. En zo ontstond een Frans-Nederlandse sneeuwexpeditie op een Chinese Muur die ons veilig naar de top bracht.

Terug deed ik het alleen, mezelf soms omhoog trekkend aan kleine gaten in de muur. Het was een helse tocht maar ik troostte me met de gedachte dat weinig mensen zo’n verhaal kunnen vertellen.

Terug in Rob’s appartement heb ik mijn doorgezwete kleren uitgetrokken en heb ik me opgefrist . Daarna ben ik te voet naar “onze” stamkroeg gegaan. Deze wandeling, die je normaal in twintig minuten doet, heb ik in ruim een uur afgelegd omdat ik af en toe op een straathoek ben gaan zitten om mij te verbazen over het verkeer.

Zo rustig beschouwend zag ik wat ik zelf al had ervaren: voetgangers en fietsers zijn volgevrij. Zebrapaden zijn te vergelijken met een kermistent waar het publiek met een buks op voorbij trekkende konijnen kan schieten. Want in Beijing hoeven auto’s die afslaan niet voor rood licht te wachten. Waar bij ons afslaand verkeer voorrang moet geven, raast het in Beijing gewoon door.


In de kroeg ontmoette ik Michael, een Amerikaan die voor een Chinees Tv-productiebureau werkt. Hij maakte vooral entertainmentprogramma’s maar nu zat hij een beetje stuk omdat het bureau allemaal nieuwe baasjes had die allemaal iets anders wilden. Eigenlijk was hij op zoek naar een nieuw concept waarmee hij zijn naam kon vestigen.

Ik vertelde hem dat wij in Nederland iets heel bijzonders hebben: Boer zoekt vrouw. Hij raakte enthousiast toen ik hem vertelde hoe de formule werkt. Dat vond ik op zich al een prestatie van mezelf want ik ben de enige Nederlander die het programma nog nooit heeft gezien en alleen van de verhalen kent. Maar de Carlsberg maakte mij overmoedig.

Rob speelde het spel voortreffelijk mee. Boer zoekt vrouw, dat was zijn redding, verzekerde hij de Amerikaanse producent. Net op het moment dat wij degenen zouden zijn die China enthousiast zouden krijgen voor Boer zoekt vrouw trok Michael een bedenkelijk gezicht. Hij realiseerde zich plotseling wat Rob en ik zo angstvallig probeerden te verzwijgen. Chinese vrouwen hebben geen romantisch beeld van het landleven.

(wordt vervolgd)



De Muur bij Mutianyu








voor de toeristen




straatbeelden













Beijing (2)

Maandag 2 november

Waar begint een man die zichzelf alleen los laat in Beijing? Chinese karakters kon ik niet lezen en met het Engels van de Chinezen is het ondanks de Olympische Spelen beroerd gesteld. Taxichauffeurs die Engels spreken? Veel verder dan okay komen ze niet. Ik neem het ze niet kwalijk. Waarom Engels leren als je zoveel mensen om je heen hebt om in je moerstaal tegenaan te lullen?

Goddank had Rob een Taxiboekje dat al heel snel het belangrijkste attribuut in mijn zak werd. In het boekje staan alle bestemmingen, die een doorsnee-toerist zou kunnen bezoeken, in het Chinees en in het Engels vermeld. Je hoeft het alleen maar aan te wijzen en de taxichauffeur brengt je er voor een paar euro naar toe.

Het fijne van dat boekje is dat het niet uit maakt of je verdwaalt. Je houdt gewoon een taxi aan, wijst in je boekje en vort met de geit.

Maar goed, die alleengaande man begon dus daar waar elke binnenlandse en buitenlandse toerist begint: Op het Plein van de Hemelse Vrede en de Verboden Stad.

Het doet iets met je als je op dat plein staat. Ik probeerde me voor te stellen waar de wereldberoemde tankman stond toen hij jaren geleden met z’n tasje een tank probeerde tegen te houden. Het is toch historische grond. Rob vertelde me later dat China alles doet om dat gedenkwaardige moment uit ieders geheugen en van internet te wissen.

Deze morgen lag het plein er vredig bij. De ijzige koude van zondag was verdreven door een lekker novemberzonnetje. Het was maar een graad of drie, maar het was kraakhelder. Het plein was al helemaal sneeuwvrij. Alleen op de grasperkjes lag nog een restje. Chinezen verdrongen zich om hun kinderen in die bruine drab te fotograferen.

Het Plein dus met z’n nationale vlag, de plek waar voorzitter Mao ligt begraven en dat het bestuurscentrum is van een natie die qua omvang en complexiteit mijn verbeelding te boven gaat.

Op deze maandagmorgen was het vooral een steriele plek met hier en daar een plukje Chinese toeristen. Op het plein stond een enorme videowall die de beelden toonden van de viering van het 60-jarig bestaan in oktober. Op de stoep zaten oude mannen met glimmende ogen naar de pracht en praal te kijken. Ik schoof even aan en eerlijk is eerlijk: de Chinezen weten hoe ze een volksmassa moeten dirigeren.

Ik trok de verboden stad in. Ondanks dat het een doorsnee novembermaandag was, was het er druk. Veel Chinezen liepen met mij op. Of andersom natuurlijk. Daar in de Verboden Stad wende ik aan het eindeloze gerochel en gespuug. Daar wende ik er ook aan dat groepen Chinezen heel lomp zijn. Ze denderen blindelings achter een mevrouw of meneer met een vlaggetje en een megafoon aan en ze houden nergens rekening mee. Zeker niet met een Nederlandse toerist die zich heeft voorgenomen op z’n dooie akkertje door één van hun belangrijkste toeristische attracties te trekken. Ach, ’t is lands wijs lands eer zullen we maar zeggen.

Daar staat tegenover dat ontelbare blauwe mannetjes en vrouwtjes de stad schoonhouden. Verborgen werkloosheid hoorde ik iemand zeggen. Ik zou willen dat het bestuur van mijn eigen stad de werkloosheid op die manier verborg. Ze kunnen er nog wat leren die provinciale Nederlandse dorpsbestuurders die af en toe op kosten van de gemeenschap naar China gaan om handelsmissies te leiden. Alsof Chinezen begrijpen waarom er in Nederland twaalf commissarissen van de koningin zijn die mee moeten reizen terwijl zij vooral geïnteresseerd zijn in de vraag hoe ze een moderne melkveehouderij kunnen opzetten.

Maar ik dwaal af, hoewel, was ik niet in mijn eentje in Beijing om ongestoord te kunnen dwalen? Om zonder last of ruggespraak – zoals dat zo mooi heet – mijn eigen route en tijd te kunnen bepalen? En was ik niet in mijn eentje omdat ik dan de hutongs in kon zonder dat er iemand in mijn buurt zich afvroeg of dat nou wel verstandig was.

Voor wie het niet weet: hutongs zijn de oude wijken van Beijing met de smalle straatjes en de levendige handel. Ze liggen her en der verspreid door de stad. De overheid is ze in rap tempo aan het vervangen door nieuwbouw.
In Nederland zouden we het achterbuurten noemen, maar dwalend door de hutongs had ik het gevoel dat je die kleine compacte gemeenschappen met hun gezamenlijke wijktoiletten tekort deed met die aanduiding.

De andere kant van de pracht en praal van een stad heeft altijd een enorme aantrekkingskracht op mij gehad. Die kant vertelt mij meer over de geschiedenis van een leefgemeenschap dan welk boek ook. Al was het maar omdat je daar het leven van alledag kunt ruiken. In de hutongs van Beijing moet je dat overigens letterlijk nemen.

De eerste stappen die ik in de Shijin Huayuan Hutong zette deed ik met enige schroom. Het voelde een beetje als aapjes kijken en ik vroeg me af of het veilig was. Rob had mij verzekerd dat ik zonder gevaar door die wijkjes kon zwerven. En riksjarijdster, die hardnekkig probeerde mij in haar vervoermiddel te krijgen voor een rondrit door de hutongs, schudde meewarig haar hoofd toen ik haar uitlegde dat ik te voet wilde. Op mijn eigen manier en in mijn eigen tempo. “Many people death alone in hutong,” zei ze, niet wetend dat ze voor mij de uitdaging groter maakte en daarmee de kans op een klantje in haar fietsbakkie verspeelde.

De geuren, de kleuren en de geluiden in die kleine volkswijken waren een belevenis. Ik heb me geen moment onveilig gevoeld, hooguit vreemd omdat ik de enige westerling was. Fotograferen was geen probleem. Sterker nog, er was niemand die zich iets van mijn aanwezigheid aan trok. Ze zullen wel gedacht hebben: daar heb je er weer één . . .

Later in de stamkroeg vertelde ik over mijn ervaringen. De mening van de clientèle, die al lang in China woont, was eenduidig: je bent veilig in een onvrij land.

(wordt vervolgd. Meer foto's van de tweede dag op mijn Flickr-pagina)


Verboden Stad




Verboden Stad




Verboden Stad





Wangzhima hutong, H1N1, is dat niet?




Gangcha Hutong








Beijing (1)

Zondag 1 november.

Het eerste dat ik van Beijing zag was niets. De piloot had het vliegtuig in een wattendeken geparkeerd. Acht uur daarvoor was ik begonnen in het boek “De stad der blinden” van José Saramago. Daarin worden mensen opeens blind en ze komen terecht in een ondoordringbare melkwitte wereld in plaats van een zwarte duisternis. Zo voelde het heel even toen ik uit het vliegtuigraampje keek.

Via de intercom vertelde de gezagvoerder dat het sneeuwde. Een paar dagen daarvoor hadden de mensen in Beijing nog in hemdsmouwen gelopen. Zelfs het weer waarschuwde me dat ik in een land van contrasten terecht was gekomen.

In de aankomsthal herkende ik Rob meteen. Hij toornde niet alleen boven de mensen uit, hij hield ook een bordje met “Stroomopwaarts” omhoog. Twee mensen die elkaar slechts van de verhalen kennen ontmoetten elkaar stroomopwaarts. Dus toen wij handen schudden schoot mij niets anders te binnen dan:
“Mr. Livingstone, I presume?”

Het tweede contrast: de lange rustig bewegende Rob en zijn veel kleinere, springerige partner DD. Mijn gastheren.

We dronken koffie in hun appartement dat voor een week mijn thuis zou zijn en we maakten plannen. Diezelfde zondagmiddag, alsof er geen jetlag bestaat, nam Rob mij mee naar zijn lievelingsplek: de Lamatempel. Daarmee werden mijn eerste indrukken van het oude China gevestigd.

We ploeterden door de sneeuw langs dit monument. Het viel me op dat veel jonge mensen toegewijd hun wierook brandden en in aanbidding neerknielden voor de imposante Boeddhabeelden.

Het was koud, ijskoud. De temperatuur was gezakt naar een paar graden onder het vriespunt. Een harde wind joeg de gevoelstemperatuur verder omlaag.

Van de Lamatempel schuifelden we naar de Confuciustempel. De sneeuw, voor zover niet al opgeruimd door ontelbare veegploegen, zorgde wel voor een sprookjesachtige sfeer.

Uiteindelijk belandden we voor de eerste keer samen in de Irish Volunteer (IV’s) de stamkroeg waarover Rob op zijn eigen weblog zoveel heeft geschreven. Het voelde snel als een tweede thuis dankzij de vaste medewerkers die mij binnenhaalden als een vriend en omdat een journalist van nature snel thuis is op een plek waar mensen met verhalen samenkomen rond een tap die er voor zorgt dat die verhalen boeiender en spannender worden naarmate hij harder vloeit.

De kou ging niet meer uit ons lijf, de drank ten spijt. Zelfs binnen hielden we onze dikke jassen aan. De Chinese overheid, die een hele strikte uitleg geeft aan het begrip centrale verwarming, had vastgesteld dat all kachels pas 15 november zouden branden.

Om warm te worden besloten we gedrieën in een hotpot-restaurant te gaan eten. Het is de Chinese variant op fonduen. Hot staat in dit geval voor spicy en dan bedoel ik ook spicy. Na twee keer je vlees in de hotste variant van de pot gedoopt te hebben zijn onmiddellijk alle mogelijke griepbaccillen in je lijf gedood. Gelukkig was er voor mij een milde variant. Niet van de griep maar van de pot natuurlijk.

Ik probeerde voor het eerst van mijn leven met stokjes te eten. Het werd een drama. Het enige positieve was dat ik het van binnen warmer en warmer kreeg van schaamte over mijn gestuntel. Iedereen lachte om mij, dacht ik. Toen er uiteindelijk meer eten naast mijn bord lag dan er op en ik al plannen maakte de volgende morgen in het geniep mijn honger te stillen bij een McDonalds grepen mijn gastheren in. DD zei iets tegen de serveerster en even later prikte ik opgelucht letterlijk en figuurlijk een vorkje mee.

Toen kon ik me ook op mijn omgeving concentreren. Die was lichtelijk verbijsterend. Het was een rommelig restaurant waar mensen servetten en sigarettenpeuken op de grond gooiden. Er werd zelfs gerocheld en gespuugd op de vloer. Ik huiverde.

Later leerde ik dat de eerste rochel die je hoort de ergste is.

(wordt vervolgd, meer foto’s van de eerste dag op mijn Flickr-pagina)



Wierookbranden bij de Lamatempel




In aanbidding voor Boeddha





Confucius




Confuciustempel




Confuciustempel








Vocalies (86)

Omdat de winter eraan komt, omdat het afgelopen week Allerzielen was, omdat de bladeren vallen èn omdat mijn laatste vakantietje voor dit jaar erop zit ben ik een wat melancholische stemming. Vandaar dit stukkie over een van de mooiste liederen ooit: ‘Allerseelen’ van Richard Strauss. Ik heb het nooit kunnen zingen zonder de emoties weg te houden, dus nooit uit durven voeren. Als je zulke liederen in concert zingt, dien je boven de materie te staan en het eerst wat er verstikt raakt als er tranen dwars zitten is de stem, dus zangers hebben het lastig. Een pianist kan snikkend misschien nog wel de toetsen vinden denk ik (of beledig ik nou het ras?), maar voor zangers wordt het gauw een rare vertoning. Ziel en stem liggen dicht bij elkaar en dat is enerzijds een kwaliteit, anderzijds vereist het enige afstand, anders zing je jezelf te gronde.
Eerst maar even de tekst en een (eigen, vrije) vertaling:

Stell auf den Tisch die duftenden Reseden, die letzten roten Astern trag herbei.
Und laß uns wieder von der Liebe reden, wie einst im Mai.
Gib mir die Hand, daß ich sie heimlich drücke,
Und wen man’s sieht, mir ist es einerlei.
Gib mir nur einen deiner süßen Blicke, wie einst im Mai. :|

Es blüht und duftet heut auf jedem Grabe, ein Tag im Jahr ist ja den Toten frei;
Komm an mein Herz, daß ich dich wieder habe, wie einst im Mai, wie einst im Mai.

Zet de geurende reseda op tafel, zet er de laatste rode asters bij.
En laat ons weer over de liefde spreken, zoals toen in mei
Geef me je hand dat ik ‘m stilletjes kan drukken
En mocht iemand het zien, dan kan me dat niet schelen.
Geef me nog eens een van die lieve blikken van je, zoals toen in mei

De graven bloeien en geuren vandaag, één dag per jaar zijn de doden vrij
Kom aan mijn hart, dat ik je even terug heb, net als toen in mei.

Het is een beetje terugverlangen naar de lente toen je geliefde er nog was en de natuur vol belofte. Even is minstens de geest van die geliefde weer bij je, hetzelfde gevoel als je hebt wanneer je aan gestorven geliefden denkt op een kerkhof. En voor die ene dag per jaar vleien de geesten van gestorven zich even neer in je hart. Mooi he? Zelf een interpretatie van het lied verzonnen.

‘Allerseelen’ is het laatste van de 8 liederen die samen de cyclus ‘Opus 10 Acht Gedichte’ vormen, op teksten van Hermann von Gilm. Strauss componeerde deze liederen al op zijn 21ste. Ze waren meteen populair, misschien wel door hun warme en volwassen toon (warmte zonder sentimenteel te zijn en volwassen zonder aanmatiging, overigens). Strauss droeg ‘Allerseelen’ op aan een van de zangers aan de Münchner Hofoper, Heinrich Vogl.

Door de toonsoortwisselingen is ‘Allerseelen’ in het begin lastig zuiver te zingen. Het schuift nogal eens naar een toonsoort die je niet direct verwacht. Dat werd in Strauss zijn tijd meer en meer mode. Toch, als je het eenmaal te pakken hebt, zing je het lied nooit meer onzuiver. De piano-begeleiding dwingt tot luisteren waar de pianist is en wachten op hem/haar en als je dat geduld in je zenuwen op kunt brengen wordt het mooi. Het lied moet ook niet gehaast gezongen worden, al mag het niet trekken. Ook zo’n gave: het juiste tempo kiezen zodat het niet larmoyant wordt. Als je een goede ademhalingstechniek hebt mag je op je lijf vertrouwen: wat jij als één frase kunt zingen, is de basis voor het tempo. Werkt bij vrijwel alle componisten goed, behalve bij duveltje Mozart, want die zou het aan zijn reet roesten hoeveel een zanger in één adem kon zingen; je hebt je maar aan zijn lange lijnen te onderwerpen (tip: gewoon bijsnappen als het nodig is en daarbij kijken alsof het zo hoort).
Ik zou mijn Allerseelen op willen dragen aan de muzikale vrienden, die me me de afgelopen jaren ontvielen, door het leven of door de dood, ik ga ze niet bij name noemen, het rijtje wordt al aardig lang als je boven de vijftig komt.

Het was nog niet makkelijk om een goed you-tube linkje te vinden. Jessye Norman doet het veel te langzaam. Zij wil alleen maar demonstreren dat ze een lange adem heeft. Zie hierboven mijn verhandeling over ademhaling die organisch moet zijn. Bij het zingen gaat het er niet om te demonstreren wat je technisch kunt, maar om een evenwichtige interpretatie over te brengen. Rosalind Plowright maakt een potje van de tekst, als ze Duits zou begrijpen zou ze dit soort fouten niet maken. Er is een leuke, maar amateuristische opname van Ian McEuen, prachtig timbre die jongen, maar nog wat wild za’k maar zeggen. Uiteindelijk gekozen voor Kiri te Kanawa, uitstekend, werkelijk uitstekend begeleid door dirigent Georg Solti, die mee-ademt en snapt waar het om gaat.





Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed