Boek

Ik had het gewoon niet moeten doen. Het lag er zo duimendik bovenop dat het de cultivering van een hype was. En toch trapte ik er in. Tja, als de beste boekenzaak van jouw stad pallets vol met dat ene boek uitstalt dan moet het wel goed zijn. Toch?

Een tijdje geleden kocht ik “Schaduw van de Wind” van Carlos Ruiz Zafón. Ook leuk voor jou, zei ik tegen mijn vrouw die gek ik op magisch-realistische boeken. We bleken het al te hebben en ze had het al gelezen. Mijn vrouw leest veel, ik hou dat niet allemaal bij.

Ik vond het een mooi boek. Geen hoogstandje zoals Marquez en Saramago ze maken, maar gewoon een onderhoudend boek. En met mij hebben nog eens 700.000 Nederlanders en Vlamingen genoeglijke uurtjes aan dit boek beleefd. Althans dat staat op de achterflap. Om nog maar te zwijgen van de lyrische recensies.

Een dikke maand geleden werd de opvolger van dat boek tot aan het plafond opgetast in de plaatselijke boekhandel. “Het Spel van de Engel” heet dat. Ik wilde nog wel een paar genoeglijke uurtjes beleven dus ik schafte het aan.

Wat een butboek is dat zeg. Ik ben tot ongeveer halverwege gekomen en heb het toen weggelegd. Het is een slap aftreksel van het eerste boek en bij tijd en wijle lees je scènes die je het gevoel geven dat je weer in dat eerste boek zit. Een hype is het, dat tweede boek, niks anders.

Toen het met een ruimhartig gebaar aan mijn vrouw schonk weerde ze het af. Ik dacht al dat het meer van hetzelfde zou zijn, zei ze. Daarom had zij het niet gekocht.

Moraal van het verhaal: ik moet met mijn vrouw over boeken praten voordat ik ze koop.








Lachje

Ik mag graag af en toe de knuppel in het journalistieke papegaaienhok gooien. Vooral als ik zie dat vakgenoten of hun vertegenwoordigers zichzelf of het vak buitenproportioneel opblazen.

Neem nou de kwestie van de vakantiefoto’s van ons kroonprinselijke gezinnetje. Het journaille en het gezinnetje spreken af dat de familie tijdens vakanties met rust wordt gelaten. In ruil daarvoor mogen de media een paar uurtjes met z’n honderden dezelfde foto’s maken van de kroonprinselijke familie op het strand. Los van het feit dat het geldverspilling is zoveel mensen precies hetzelfde werk te laten doen, is het een fijne afspraak. Iedereen blij.

En dan gaat vervolgens het persbureau AP toch stiekem foto’s maken in Argentinië. Waarom? Omdat er geld mee te verdienen is. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat die fotograaf daar in de bosjes zichzelf een waakhond van de democratie waande. Kroonprins boos en de rechter geeft hem gelijk. Dat lijkt me volkomen terecht.

En wat lees ik nu. AP is teleurgesteld. Het vonnis kent onvoldoende gewicht toe aan het belang van het recht op informatie in een democratische samenleving.

Het recht op informatie in een democratische samenleving hangt dus samen met een paar stiekeme vakantiefotootjes van het kroonprinselijk paar op een Argentijnse skihelling? Daar moet ik heel hard om lachen. Een democratische samenleving is gestoeld op afspraken die mensen met elkaar maken. En vooral met het respecteren van die afspraken. Het is heel goed dat PWA het fotopersbureau daar nog eens aan herinnert.

En dan wordt ook nog hoogleraar Dommering geciteerd. Die zegt dat de foto’s die de vakantiebestemming onthullen wel degelijk nieuws zijn omdat de prins vooraf niet wilde vertellen waar de reis heen ging.

Maar heel Nederland wist al lang dat PWA c.s. naar Argentinië zouden gaan. Want wie goed had opgelet bij de interview na de strandscène had gezien dat bij de stelling van de journalist dat de familie naar Argentinië zou gaan, de Prins geheimzinnig lachte en zoiets zei als: dat zijn uw woorden.

Elke weldenkende journalist en burger van een klein kneuterig democratisch land weet toch dat we hier onder elkaar zijn en dat non-verbaal gedrag en halve woorden tot de poldergebruiken behoren. En dat zo’n lachje en zo’n opmerking gewoon ja betekent.








Vocalies (76)

Voor podcasts en alle artikelen van Vocalies klik hier.

Vandaag in 1897 werd de Deense tenor Helge Anton Rosenvinge-Hansen (later Roswaenge) geboren in Kopenhagen. Hij begon pas op ltere leeftijd met zingen, want eerst studeerde hij chemie in zijn geboortestad. Hij leerde vooral zichzelf zingen; wat zou je ook met al die pedagogen… als je bovendien getrouwd bent met een sopraan die je in de gaten kan houden (je stem dan bedoel ik hè). Het was ook zijn vrouw die het eerste concert arrangeerde met haarzelf natuurlijk in een prominente gastrol, gelijk had ze.
Kleine rolletjes in kleine theaters volgden; de stem bleef niet onopgemerkt: in 1921 debuteerde Roswaenge in Bazel in de rol van Don José in Carmen. Hij was de volgende jaren steeds in Duits-talige theaters aan het werk.

Van 1932 tot 1939 trad hij regelmatig op in Salzburg. Hij werd een specialist in het Duits-talige repertoire en hij zong alle stijlen: Verdi, Wagner, Strauss, Bizet. Hij werd bekend als ‘de knecht van de hoge D’ (ik las ook ergens ‘de Deen met de hoge D’, ook leuk): briljante, bijna stalen hoge tonen, gecombineerd met een perfecte dictie van het Duits.

Kort na de tweede wereldoorlog werd hij gedeporteerd naar Rusland. Na zijn vrijlating settelde hij zich in Wenen, maar niet als zanger, maar als chemisch ingenieur. Het bloed kroop echter uiteraard waar het niet kon gaan en in 1949 pakte hij zijn carrière weer op: voor het gemak maar meteen aan de beide operahuizen in Wenen èn hij zong niet onverdienstelijk operette: vooral de rol van Prins Sou Sou in Franz Lehar’s Das Land des Lächelns bracht hem succes.

Er was een klein nadeeltje aan Roswaenge: hij zong geen Italiaans. En in de loop van de vijftiger jaren werd het steeds meer de gewoonte operarollen te zingen in de taal waarin ze geschreven waren. Een goeie ontwikkeling als je het mij vraagt. Momenteel studeer ik aan Carmen en onder de oorspronkelijke Franse tekst staat een zingbare vertaling in het Engels waar je de haren van te berge rijzen. En de Habanera heb ik één keer in het Duits gezongen, maar dan ook maar één keer. Het werkt niet in een andere taal dan die waarin de componist het bedacht heeft. Wat te zeggen van ‘Ja die Liebe hat bunte Flügel’ tegen de oorspronkelijke zin ‘L’ amour est un oiseau rebelle’. Jeuk krijg ik ervan en nu het voor de centen niet meer hoeft vertik ik het ook langer om concessies te doen aan wat ik denk dat de componist heeft willen zeggen.

Terug naar Roswaenge: doordat hij geen Italiaans zong liepen de aanbiedingen snel terug. Er was nog een verovering van Amerika in de zin van concerten in Carnegie Hall en Madison Square Garden in 1963 en 1964. Kort daarna trok hij zich terug en wijde zich aan het lesgeven. Hij stierf in München in 1972.

In het filmpje een opname in het Duits van ‘Le postillon de Longjumeau’ met de fameuze hoge D!



Nog even een naschrift dat niks met Roswaenge te maken heeft, maar alles met klassieke muziek: zondag de 30ste augustus is dirigent Jaap van Zweden de laatste zomergast. Ik ga kijken en vooral naar de film die hij heeft uitgezocht: een documentaire met als onderwerp wat voor invloed klassieke muziek op het brein heeft.
Kijken!!!








Beijing

Een jaar of 15 geleden interviewde ik een socioloog met het oog op een radioserie over Brabant in 2050. Het gesprek met hem ging over sociale verbanden. Hij was niet pessimistisch over individualisering. Volgens hem zou internet tot nieuwe en mogelijk zelfs interessantere contacten leiden. Dat was toen een revolutionaire gedachte. Hij was een denker, ik een eenvoudig journalist dus is was sceptisch over zijn filosofie.

Maar de man heeft gelijk gekregen. Ik merk zelf dat naast mijn “normale’ vrienden- en kennissenkring een virtuele kring is ontstaan die zeker zo interessant is. Vooral sinds ik een weblog heb en weblogs volg heb ik contact met mensen die ik anders vrijwel zeker nooit gekend zou hebben. De meesten heb ik nooit gezien, maar het voelt wel zo. Van sommigen weet ik net zo veel als van mensen die ik af en toe gewoon kan aanraken.

Ik ga naar Beijing. Dat is inderdaad een abrupte overgang, maar zo ging het ook met mijn besluit om te gaan, Van het ene op het andere moment.

Ik ga over een tijdje een weekje logeren bij Rob. Hij woont in Beijing. U kent hem vast wel van Achterob. Zo niet, dan wordt het tijd. Ik ken hem ook van zijn weblog. Hij hoort bij die categorie nieuwe interessante virtuele contacten. Rob en ik waren wat aan het reageren op elkaars weblogs en opeens lag daar die uitnodiging. Ik moest maar eens zelf komen kijken dat Beijing iets anders is dan Den Bosch, waar de belangrijkste chinese invloed bestaat uit restaurant Fat Kee.

Ik nam de uitnodiging met beide handen aan, want hoe vaak krijgt de mens zulke kansen. De kans om zo’n stad te verkennen met adviezen van een bewoner in de zak. En de kans om een gewaardeerde socioloog te bewijzen dat hij gelijk heeft gekregen.








Krokodil

Om klokslag vier uur stapte ik het stadskantoor van de gemeente ’s-Hertogenbosch in. Ik moest mijn oude paspoort inleveren en een nieuw meenemen. Een handelingetje van niks.

Ik was de enige klant, achter de balie zaten drie dames wat voor zich uit te staren. Desondanks liep ik eerst naar de volgnummertjesautomaat. Die was buiten werking.

Dus stapte ik zonder bonnetje op de eerste dame af en vertelde waarom ik kwam. Of ik een volgnummer had. Had ik niet, apparaat was buiten werking.

Zonder bonnetje geen paspoort. Dan moest ik een bonnetje bij de receptioniste voor in de hal halen.

Sjok, sjok, ik naar de receptioniste. Had ik een afspraak? Nee, want die meneer van vorige week had gezegd dat dat niet nodig was.

Tja, zei de receptioniste, dat geldt tot twee uur. Daarna is een afspraak vereist. Of ze een afspraak moest maken. Ik dacht van wel en ze noteerde mijn naam.

Ik had geluk, zei ze, er was toevallig vandaag nog een gaatje. Over 25 minuten. Ik kon mijn lachen niet meer inhouden. Ze werd boos. Mevrouw, zei ik, er is helemaal niemand in het stadskantoor. Er zitten drie van uw collega’s duimen te draaien en ik moet 25 minuten wachten voordat ik mijn paspoort kan omruilen?

Ja, zei de paarse krokodil.

Ik lag dubbel. Maar mevrouw, zei ik, dat paspoort ligt hier 20 meter vandaan. Dat is toch zo gepakt.

Ze duwde mij nummer 319 in de hand en vervolgde het gesprek met haar collega.

Sjok. Sjok, ik terug naar de balie. Alle loketten waren vandaag niet verder gekomen dan 280, dus ik zette mij lijdzaam neer in afwachting van nummer 319.

De zoemer! Loket 5 sprong in één keer van 280 naar 319. Yes, Yes!! Exact om 16.06 uur stond ik buiten. Maar zonder de paarse krokodil had dat 16.03 kunnen zijn. Over vijf jaar ga ik voor die recordtijd. Met afspraak natuurlijk.








Laura

Voor mij is het nu al dé nieuwsfoto van 2009. De 13-jarige Laura op de bank tussen haar trots grijnzende vader en een advocaat. Op de voorgrond zien we een batterij microfoons van het journaille. Hoewel we ze niet zien weten we dat zich daarachter een legertje fotografen, cameramensen en schrijvende journalisten in rij en gelid heeft opgesteld.

Laura wil in haar eentje om de wereld zeilen en zo een record vestigen als jongste solozeiler. Haar ouders vinden het prima. Althans vader. Moeder houdt zich afzijdig.
De officiële instanties hebben bedenkingen tegen het plan van Laura. Ze moet naar school; zo’n soloreis is gevaarlijk en het is slecht voor haar puberale ontwikkeling.

Kijk, dat zijn de verhalen waar de journalistiek warm voor loopt. En terecht want het is een heel bijzonder verhaal. Ik ben benieuwd of al die collega’s Laura en haar vader stoer vinden of dat ze vinden dat zo’n kind tegen zichzelf beschermd moet worden. Ik vind het gedrag van de ouders van Laura onverantwoord. Dat u weet bij welk zeilkamp ik hoor.

Als de kwestie Laura is uitgewoed heb ik wel een ander onderwerpje voor de collega’s die zich het lot aantrekken van 13-jarigen. In Bos en Lommer, de 3de Hambaken, de Kruidenbuurt en al die andere wijken wonen veel Jeffrey’s en Mohammed’s van 13 jaar die elke nacht op de woelige baren van hun stad zeilen zonder ouderlijk toezicht.

Ik kan niet wachten op de foto’s van zo’n knulletje geflankeerd door z’n vader en een hulpverlener die worden bevraagd over het voornemen van zoonlief van 13 om vanavond weer in z’n eentje de krochten van de stad in te trekken.








Rolletje

Een collega “snoefde” dat hij een rolletje heeft in onze dramaserie Wolfseinde. Met Tanja Jess. Dat u niet denkt dat het niks is. Het is ook niet zomaar een rolletje. Nee, eentje met tekst. De TV-verslaggever speelt zichzelf dus dat zal hem gemakkelijk af gaan. Hij kan als geen andere een karikatuur van zichzelf neerzetten. Geloof me, het is een geboren acteur.

Het doet mij denken aan een rolletje dat ik ooit speelde in een stuk op de middelbare school. Het is 40 jaar geleden. We speelden het Laatste Avondmaal na. Ik was één van de minder bekende apostelen, dus u begrijpt dat er voor mij geen reden is te snoeven.

Weken en weken oefenden we. Tijdens de bewuste uitvoering zaten we allemaal gespannen aan de dis, wachtend op het moment dat de Romeinen de hoofdrolspeler kwamen afvoeren. Dat was niet alleen visueel het meeste interessante stuk van het drama, het was ook het moment waarop wij, discipelen, voor het voetlicht kwamen.

Want wij discipelen moesten, al naar gelang de hiërarchie, de gebeurtenis waarvan zij zojuist getuige waren becommentariëren. Uit de tekst kon je de solidariteit van elk van ons aan de Heiland afmeten. Wie zijn tekst had opgezegd mocht via de zijkant van het toneel naar de cola en chips. Afhankelijk van de snelheid waarmee dat gebeurde kon je weer afleiden wie meer om brood dan om spelen gaf.

Ik kon het langst in stilte mijn tekst repeteren want ik was de laatste die af mocht. Zeg maar op het moment dat alle toeschouwers ook al richting versnaperingen waren.

En toen was het moment daar. Ik sprak de woorden die ik al weken had gerepeteerd: “Als iedereen weg gaat ga ik ook maar.” Het kwam er in één keer uit.

Toen ik het verhaal aan de acterende TV-verslaggever vertelde keek hij mij meewarig aan. “Knap,” zei hij, “dat je die tekst na zoveel jaar nog weet.”








Yok problem

(Gastcolumn van Ab Klaassens)

Op wandeltocht in Oost-Turkije, ergens in de buurt van Gölbasi, belandde mijn reisgezelschap na een steile klim op een plateau met een klein tentendorp. De bewoners, kennelijk nomaden, wachtten ons op met bekers ayran, een frisse yoghurtdrank. Ze gingen ons voor naar een tent waar we in kleermakerszit mochten plaatsnemen op tapijten. We kregen geitenkaas, geitenyoghurt, geitenmelk en plat brood, aangedragen door jonge dames die verlegen lachten en zich snel uit de voeten maakten.

Daar zaten we dan, een man of acht uit Nederland en de kennelijke leider van de nomadenfamilie, bovenop die berg, met stijve benen op een kleedje van geitenwol.. Eén van vrouwen in ons gezelschap sprak een paar woorden Turks, maar de hoofdman was van een andere taal, misschien Koerdisch of iets anders. ‘Yok Turkisch’ kwam er nog uit en ‘yok’ - dat wisten we inmiddels – staat voor ontkenning: nee, geen en niet.

Veel conversatie was er dus niet, wel veel consternatie toen één van de leden van ons gezelschap de hoofdman zijn Zwitserse zakmes met 32 functies cadeau deed.

Bij de klim was ik uitgegleden over los gesteente, waarbij ik een knie had geblesseerd. Ik durfde de afdaling niet aan. Met gebaren maakte ik duidelijk dat ik vervoer zocht voor de tocht naar beneden. ‘Yok problem’ zei de hoofdman en hij riep iemand bij zich die bleek te beschikken over een motor met zijspan. Toen de afdaling begon voelde ik me letterlijk een bakkenist want het zijspan was een gladstalen teiltje met niks anders dan een tapijtje dat ik achter m’n rug kon klemmen. De afdaling ging in razende vaart over zo smalle paden dat ik, naar beneden kijkend langs de rechterzijde van mijn bakkie, alleen maar leegte zag.

“Yok problem”, riep mijn chauffeur geruststellend en nam virtioos sturend nog maar eens een bloedstollende bocht. Aan de voet van de berg zette de motorcoureur zijn voertuig aan de kant. Hij waste zijn handen, voeten en gezicht met water uit een beek, haalde het kleedje uit m’n bakkie, rolde het uit, prevelde staand enkele gebeden en wierp zich ter aarde, het hoofd gericht op het oosten. Toen hij was opgestaan nodigde hij mij uit zijn kleedje te gebruiken voor mijn rituelen.

Ik maakte een afwerend gebaar.

“Christian?” vroeg de man.

“Yok“, antwoordde ik naar waarheid.

“Jewish?”

Ik schudde ontkennend mijn hoofd.

”Nog andere smaken?”, zag ik hem denken

Hij zag ze niet..

“Yok problem”, zei hij nog maar eens en bracht me in razende vaart naar m’n hotel waar we afscheid namen als vrienden voor het leven.








Vocalies (75)

(Door Marlies)

Er is een nieuwe podcast met vocale klassieke muziek. Voor aflevering 32 klik hier


We naderen het einde van dit mini-cyclusje over het praktische zingen. Deze week iets over stemtypen en het bijbehorende repertoire, over 14 dagen iets over vocalen en waar ze te plaatsen en ik wil graag afsluiten met ‘do’s and don’ts’ van de concertpraktijk. Daarna gaan we weer ‘gewoon’ stukkies schrijven over de klassieke actualiteit en over dooie componisten en zo… tenslotte duurt de zomer niet eeuwig.

Voor dit stukkie heb ik even Theo Willemze uit de kast gehaald. Ik had niet meer alle stemtypen in mijn hoofd en hij heeft er in zijn boek ‘Algemene muziekleer’ een handig overzichtje van opgenomen, ergens achterin het boek. Het is een uiterst compleet (voor zover ik dat kan beoordelen) en handzaam boek, dat van Willemze. Hij besteedt niet al te veel aandacht aan vocale klassieke muziek, maar wat erin staat snijdt hout. Ik zal u aan het einde van deze zomer ook nog een lijstje verstrekken van de boeken die ik ken over zingen. Het is ook een heel apart vak, die menselijke stem, omdat ze zo dicht bij de ziel ligt en zo gecompliceerd in elkaar zit. Aan de andere kant moeten we er ook niet te moeilijk over doen: alle muziek begint bij de menselijke stem en als u in huis tijdens het rommelen uzelf er ineens op betrapt dat u een melodietje loopt te hummelen, kan dat de basis vormen voor meer en meer bestudeerd vocaal bezig zijn. Laten we er vooral geen cult van maken, dat gebeurt al genoeg.

Nou dan, voor mannen van laag naar hoog (ik noem alleen de meest gangbare stemtypen op):
- Basso buffo, lage bas, met komisch karakter. Vooral geschikt voor opera (Falstaff uit ‘Die Lustigen Weiber von Windsor’ en uit de gelijknamige Verdi-opera);
- Basse noble (ik heb ook wel ooit gelezen: basso profondo), de serieuze variant van de lage bas: Sarastro uit Mozart’s ‘Die Zauberflöte’ en Phillippo uit ‘Don Carlo’ van Verdi; een van de meest hartverscheurende bas-aria’s die ik ken zit in Don Carlo: ‘Ella giammai m’amo’.
- Bas-bariton: overgangstype van bas naar tenor. Door een Duitse zangprofessor wel een gekscherend: ‘der Übergang von Tenor zum Menschen’ genoemd. Hij was overigens zelf een bas-bariton en een verdomd goeie ook. Iago in Verdi’s ‘Otello’. Don Giovanni in Mozart’s gelijknamige opera.
- Spiel-bariton, lage maar niet te zware bariton. Feri in ‘Die Czardasfürstin’ van Emmerich Kalman.
- Tenor buffo: niet erg hoge tenor, kan veel repertoire aan, vooral in operette. Is vaak de komische noot (Menelaus in ‘La belle Hélène’ van Jacques Offenbach) en vaak een betere acteur dan zanger.

Grappig trouwens, zo las ik ook in Willemze, dat de namen voor de verschillende stemtypen dwars door alle talen gaan…
- Heldentenor: de gevierde jongens die vaak resonantie hebben waar hun hersens zitten en die kunnen tetteren tot grote hoogten. De laatste jaren wordt het beter, maar vroeger leken ze het alleen van de hoge c’s te moeten hebben. Acteren ho maar en corrigeerbaar qua tempo en volume, zeer zelden. Het wordt beter… er zijn een paar hele goeie op de markt tegenwoordig, die hun talen spreken, handelbaar zijn en om zich heen beginnen te kijken, jawel…
Alle Verdi-tenoren, Wagner-brullers en de Hertog in ‘Eine Nacht in Venedig’ van Johann Strauss. Een nadeel blijven ze houden, die tenoren: ze zijn over het algemeen zo klein van stuk. Ik had een goeie en slimme en aardige tegenspeler in ‘Die Czardasfúrstin’. Hij was alleen een kop kleiner dan ik en bij omhelzingen belandde zijn neus meestal tussen mijn borsten. Nou deed-ie het er ook om, maar we waren wel tijdens uitvoeringen ook bezig dat lengteverschil niet al te belachelijk te laten lijken. Hetgeen niet altijd lukte en op dramatische momenten wel eens onnodig gegrinnik uit de zaal oogstte.
- Lyrische tenor: wendbaar en licht en hoog. Buitengewoon geschikt voor Lied (mits-ie er de hersens voor heeft). Fritz Wunderlich: nooit ge-evenaard. Alle Mozart-opera’s.

De dames:
- Contra-alt, het laagste wat er is, donker van kleur. Veel oratorium en oude muziek. Nathalie Stuzmann bijvoorbeeld. Is niet veel repertoire voor geschreven, reden waarom ze wel eens het tenor-lied-repertoire jatten. Vind ik maar niks, volgens mij is bijvoorbeeld ‘Die Winterreise’ van Schubert echt voor een man geschreven en als ik dat dan hoor door een vrouw klopt er iets niet.
- Alt: iets hoger en iets lichter van kleur dan de contra-alt. Alt-Rhapsodie van Brahms (dus)
- Mezzo-sopraan (door de eerder genoemde Duitse zangprofessor ooit uitgescholden als ‘sopranen die te lui zijn om hoog te zingen’. Carmen. Onze eigen Tania Kross. Ook heel bruikbaar in jazz en lichte muziek, mits ze hun ‘operastem’ niet opzetten…
- De lyrische sopraan, wendbaar, grote hoogte, vaak wat koud-blauw en schel van kleur. De gravin in ‘Le nozze di Figaro’ van Mozart, Verdi’s lichtere rollen. Massenet’s lichtere rollen (Margerite in ‘Faust’?)
- De lyrico spinto. Wat zwaarder dan de lyrische, wat voller van toon en dramatischer. Ik op mijn best reken mijzelf graag tot de lyrico spinto, maar de zangpedagogen die ik had waren het er niet altijd over eens.
- De dramatische sopraan: de hoofdrollen Verdi’s opera’s. Wagner-sopranen. Vaak dragonders van wijven, met een EE-cup en dito geluid.
- De coloratuur mezzo-sopraan en de counter-tenor vormen een categorie apart… Bartoli is zo’n coloratuur mezzo. Van haar in het filmpje de ruzie tussen twee winden; in die aria komt haar coloratuur het beste tot zijn recht. Ik vind het spectaculair!

En die counter/tenoren doen eigenlijk iets tegennatuurlijks. Ik schreef in deze rubriek al eens iets over de countertenor-der-countertenoren: Farinelli. Hij was castraat. Tegenwoordig blijven de bakstenen in de kast, als u begrijpt wat ik bedoel, maar je wil het repertoire toch laten horen, dus laat je een man zijn strottenhoofd extra kantelen, zodat hij het geheel een octaaf hoger en vrijwel vibratoloos kan zingen. Ik ken weinig mooie: Sytse Buwalda als hij niet de rel-nicht uithangt en David Russell om er toch maar eens twee te noemen.

Huiswerk voor over twee weken (grapje...): alle bovengenoemde aria’s en zangers opsnorren en beluisteren en mij vertellen waarom u het met mijn indeling eens bent of waarom juist niet. Tenslotte is het maar een indeling…








Griep

Het wordt menens bij onze firma . . . . .








Zelfde tijd . . . .

. . . . . andere avond.



woensdag




donderdag








Hittekat








Makelaar

Nee, het zijn niet de politici die verantwoordelijk zijn voor ons welbehagen. Ze zouden willen dat ze zoveel invloed hebben. Ons welbevinden wordt bepaald door bankiers (geldt voor iedereen), religieuze leiders (geldt voor gelovigen), modeontwerpers (vrouwen) en de internationale voetbalbond FIFA (mannen).

De FIFA is voor ons mannen (althans de voetbalminnende mannen) van grote invloed. Als de FIFA bepaalt dat André Ooijer vanwege een akkefietje in het verleden donderdag niet mee mag doen en PSV zou als gevolg daarvan uit de Europese competitie worden geknikkerd, dan ben ik tot eind mei niet te genieten. Ik stel het maar even zwart-wit opdat u begrijpt wat ik bedoel.

De FIFA heeft nu bepaald dat met ingang van 2010 iedereen voetbalmakelaar kan worden. Je hoeft er geen licentie meer voor te hebben. Ik dacht eerst dat het een grapje was, maar de FIFA maakt geen grapjes.

Nou heb ik het eerlijk gezegd niet zo op voetbalmakelaars, ook wel zaakwaarnemers genoemd. Ze handelen in mensen en dat stuit me tegen de borst. Toch denk ik dat veel makelaars te goeder trouw zijn. Ze verdienen hemeltergend veel geld aan transfers, maar ze voorkomen ook dat hun pupillen in handen van de echte maffia vallen. Voetbalmakelaars zijn de minst slechte keus.

Zolang voetbalmakelaars een licentie hebben, kun je ze controleren. Het is een beetje als met het Nederlandse gedoogbeleid: knijp een oogje dicht en hou het beheersbaar.

Zodra je dat beroep los laat, is ook de beer los. Elke gek kan dan met jeugdspelertjes gaan leuren.

Ik durf nu al te stellen dat dankzij de FIFA binnenkort weer boten vol getalenteerde, jeugdige voetballers over de wereld zullen varen. Het enige verschil met tweehonderd jaar geleden is dat ze niet zelf hoeven roeien.








Nieuwe namen

Vandaag weer wat nieuwe namen, die ik tegen kwam en die mij werden toegezonden. Wat niet in mijn lijst hoort maar wat ik u niet wil onthouden is een geboorteadvertentie waar iemand mij op wees. De tweeling wordt Xam en Max genoemd. Dat vind ik een mooie vondst.

Hilde den Aantrekker – manager bij kledingmerk Converse

Rudy van den Hoofdakker – psycholoog

De Visser – palingvisser in Moerdijk

R.A. Hakse – tandarts in Oirschot

Ben Wettervogel – weerman ZDF

Lowie de Krijger – militair

De Kam – eigenaar kappersgroothandel in Eindhoven

Theo Potjes – eigenaar van een restaurant

Dokter Beulen – huisarts te Nijmegen

Nigel Droog – schoonspringer

Stoorvogel – medewerker Luchtmacht

Sabine Uitslag – Tweede Kamerlid

Jorinus van der Wiel – bekend wielrenner in de jaren twintig

Dhr. Vogels – leidde protestactie bij pluimveeslachterij in Mierlo

Ad Toet – directeur Koninklijk Nederlands Vervoer

Sylvana en Gieljan de Backer – promotors van de echte Bossche koek

De Kraker – chirurg in Roosendaal








Berry

(Gastcolumn van Ab Klaassens)

De nieuwe redacteur-verslaggever van het sociaal-democratisch dagblad Het Vrije Volk, standplaats Zwolle, was, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, heel anders dan de enigszins dorre Pvda-leden die tot dan het redactielokaal in het gebouw Proletariers Aller Landen Verenigd U, hadden bevolkt.

Berry Zandscholten heette de nieuwe; een flamboyante figuur die met zijn van een domineesweduwe gekochte Mercedes-cabriolet uit 1935 veel opzien baarde, mede omdat hij daarin, behalve zijn opschrijfboekje, meestal een begeerlijke dame uit het plaatselijk uitgaansleven vervoerde.

Berry dikte het doorgaans onbeduidende nieuws uit Zwolle en omgeving aan met grote woorden en grafische hulpmiddelen, zodat de democratisch-socialisten die hun rode dagblad trouw waren gebleven danig in de war raakten door vette koppen boven nieuws van niks.

Bij de nadering van nieuwe gemeenteraadsverkiezingen koos Berry voor een lang interview met de lijstaanvoerder van de PvdA in Zwolle, een gortdroge accountant en wethouder: Arie Nooter.

De man lag al enkele jaren onder vuur van 'Stadsprater' een anonieme figuur met een zeer kritische rubriek op de voorpagina van een huis-aan-huis verspreid weekblad.

Berry plaatste zijn interview met de PvdA-lijstaanvoerder onder de pagina-brede kop: ” Arie Nooter blaast Zwolle nieuw leven in.” Voor 'stadsprater' was dat een voorzet voor open doel. Arie Nooter was wekenlang “Arie de blazer”.

Met Berry en met 'stadsprater' liep het niet goed af.

Op weg naar Deventer, met de mooiste meid van Zwolle aan zijn zijde, volgde Berry de oude, bochtige dijk langs de IJssel. Toen hij wilde laten zien wat hij in het dashboardkastje van zijn oldtimer bewaardde moest hij het contactsleuteltje gebruiken om het kastje te openen.

Helaas: ook die oude auto´s hadden al een stuurslot, waardoor de auto rechtdoor ging op een plek waar naar links sturen beter was geweest. Berry verloor een mooie auto en het respect van een verovering maar solliciteerde met succes bij De Telegraaf waar hij zich jarenlang bezig hield met verslag doen van motorrijden in mul zand.

Wie 'stadsprater' was werd uiteindelijk ontdekt door de toenmalige burgemeester van Zwolle, Hans Roelen. Het was de man met wie ik jarenlang had samengewerkt: mijn chef stadsredactie van de Zwolsche Courant.








Oom

Mijn oom is overleden. Hij is 88 geworden. Oom was de laatst nog levende broer van mijn moeder. Met zijn verscheiden is de generatie voor mij aan moeders kant verdwenen. Een paar maanden geleden ben ik nog bij oom en tante op bezoek geweest. Daarvoor had ik ze tien jaar niet gesproken. Mijn generatie is onthecht.

Waarom ik opeens op bezoek ging? Misschien wilde ik nog één keer iets van die oude tijd beleven. Ik weet het niet. Ik voelde me schuldig omdat ik al die jaren daarvoor nooit iets van me had laten horen. Oom en tante waren er niet minder hartelijk om. Ik werd als een verloren neef binnen gehaald.

Oom was een aparte in de familie. Hij liet zich van alle familieleden het minst zien. Mijn kinderoren vingen flarden op van gesprekken over een jappenkamp en een syndroom waaraan oom zou lijden. Misschien is het waar. Misschien ook niet. Er gingen zoveel verhalen rond in de familie.

Oom was ook degene die als eerste een exotische vrouw in onze familie introduceerde. Hij bracht tante mee toen hij uit Indie terugkeerde. Toen ik haar onlangs ontmoette na tien jaar was ze niets veranderd. Ze was grijs maar nog even kwiek en ondernemend als vroeger toen ze nog dat prachtige ravenzwarte haar had.

Ze was eigenlijk onze liefste tante. Jammer dat ze weinig op bezoek kwam en dat het contact verwaterde op het moment dat ik de waarheden en verzinsels in het familiecircuit van elkaar begon te onderscheiden.

Gisteren zijn we naar de crematie van oom geweest. Tante rende met haar tengere tachtigjarige lijf van de een naar de ander nog voordat wij naar haar konden gaan om onze deelneming te betuigen. Wat een sterk vrouw.

Ik zag ook na zoveel jaar haar kinderen terug, mijn neef en nicht. Ze waren er minder goed aan toe. Neef kampt al jaren met zijn psyche. Mijn nicht is nauwelijks ouder dan ik, maar ze begint haar geheugen te verliezen.

Toen ik haar daar breekbaar en verdrietig zag staan dacht ik aan de tijd dat ik als jongen van het dorp op haar Amsterdamse kamertje in de P.L. Takstraat zat en zij mij iets heel bijzonders liet horen op haar pick-up. Inagadavida. Althans met dat woord maakte ik de volgende dag indruk op de dorpsschool. Ze was mooi, mijn nicht. Een halfbloedje, zoals wij dat toen noemden. Je kon er mee over straat in ons dorp. Ze is nog steeds mooi. Het stemde me verdrietig dat ze door die vreselijke ziekte is getroffen. Zo jong nog.

En natuurlijk liep ik neef C. tegen het lijf. Neef C. die zich nooit iets aan de familie gelegen heeft laten liggen maar die toch telkens opduikt. Bloedband denk ik. Ondanks dat hij bijna gepensioneerd is, is hij nog steeds dat Amsterdamse lefgozertje. Of hij me wel eens had verteld dat hij met Anita Meyer in de Privé had gestaan. Ik herinnerde me dat verhaal vaag. Ik zat toch bij Omroep Eindhoven? Nou, dan wist ik wel wat het was om aan die gasten van Privé overgeleverd te zijn.

Neef C. was degene de tijdens de nazit zijn nieuwbakken vrouw adressen liet uitwisselen. Er moest een familiereünie komen van neven en nichten. Hij zat jaren in de amusementswereld en woonde in de buurt van Volendam. Dan begreep ik wel wie er in zijn adresboekje stonden. . Dus ik verwacht dat die reünie de meest spannende familiesage wordt aan onze groeven. Zo’n kwestie waarover onze kindskinderen tijdens de nazit met koffie en cake heftig discussiëren. Heeft neef C. de familie nu wel of niet aan Jantje Smit voorgesteld . . . . .








Vocalies (74)

(Door Marlies)

Servus is ter ziele; wat er nog van over is, gaat barbecue-end (wat een merkwaardig woord) ten onder en vervolgens op in een nieuw opgerichte musical-vereniging.

Ja duh, zult u zeggen, waarom moeten wij dat weten? Zo’n pruts-operette-vereniginkje ergens in het Brabantse, bestond nog geen dertig jaar, was niet een toppertje (hoewel ze behoorlijk partij gaven in hun hoogtij-dagen), timmerde de laatste jaren nauwelijks aan de weg, behalve dan als speeltje van de voorlaatste voorzitter… nogmaals, waarom moeten wij dat weten?

Waarschijnlijk zit het mij zo dwars omdat het betekent dat het toch al geteisterde genre operette weer een voorvechter verloren heeft. En het had volgens mij niet gehoeven. In haar hoogtijdagen telde Servus zo’n zestig leden en die schrokken er niet voor terug ook de zwaardere operettes aan te pakken. Koorbezetting door amateurs; solistenbezetting door (semi)professionals werd er hard gewerkt en veel gelachen: eigen kostuums, eigen decors… begeleiding zoeken (soms in geslaagd, soms minder). Ik werkte aan een paar operettes mee en leerde er veel. En o, wat hebben we een plezier en leuke avonden gehad. Veel van mijn anekdotes die in deze annalen opduiken stammen uit mijn Servusjaren.

Servus had een voorzitter die een van mijn beste vrienden werd. Hij slalomde langs conflicten met regisseurs, dirigenten en solisten, peuterde centen en ‘bijdragen in natura’ los bij de middenstand in Waalwijk en omgeving; was er altijd achter de schermen en bracht de vereniging naar een hoogte die ze eigenlijk net niet haalde, maar hij hield ze op hun tenen en dat was nodig om te overleven.

Na zijn hersen-infarct moest hij knarsetandend toezien hoe de vereniging speelbal werd van iemand die niet de diplomatie en het doorzettingsvermogen had van zijn ouwe voorzitter. Langzaam, maar oer-zeker gleed Servus af, via de middenklasse naar de afgrond. Injecties met een goed orkest uit zusterstad Katowice mochten niet baten; legden eerder het afglijden pijnlijk bloot en tenslotte won de musical. De ouwe knarren werden te oud en boden niet genoeg weerstand aan de adepten van ‘Idols’, ‘So you wanna be a popstar’,’Holland’s got talent’ en ‘Op zoek naar Joseph’s en Evita’s’. Hou me te goede: niks tegen musical, in tegendeel, maar het is wel zijn eigen genre en moet van operette afblijven. Een musicalzanger is nog geen operettezanger (heeft het zelden in zich verenigd) en denken dat die twee verenigbaar zijn is een misvatting die er mede toe geleid heeft dat Servus nu exit is.

De dierbare vriend overleed plotseling, ruim een jaar geleden en heeft gelukkig de ergste afglijding niet meer meegemaakt. Was-ie er nog maar, dan begonnen we samen een nieuwe club. Ter gelegenheid van zijn uitvaart zong ik Die Letzte Rose uit Martha en de grote aria uit Der Zigeunerbaron, een tijdje mijn handelsmerk: Saffi op blote voeten…

Wij wisten toen al: met Jan sterft ook Servus, al deed Servus er nog ruim een jaar over.

Toch: dank voor alle plezier dat we samen hadden, de mooie producties die we samen deden, de kratjes bier die we samen soldaat maakten en de broodjes kroket die we verorberden tijdens de pauzes van repetities.
En inderdaad: ‘Sag beim Abschied, leise Servus…’

In het filmpje de grote aria uit Der Zigeunerbaron, die over vriendschap gaat. Er hoort nog een kleine anekdote bij, die ik bij deze maar opdraag aan de oud-voorzitter: hij heeft er zich een kriek om gelachen: in de finale van het tweede bedrijf zal Saffi met haar Barinkay trouwen. Daartoe had ik een prachtige bruidsjurk aan, waarvan, omdat ik me snel om moest kunnen kleden, de rok met klittenband aan het lijfje vastzat. Omdat ik zo statisch geladen was als ehhhh… een batterij, had ik een kort onderrokje aan, om te zorgen dat de bruidjurk niet aan mijn benen kleefde. Affijn, u kunt het misschien raden. Bij het opkomen staat iemand achter mij op de zoom van de rok en ik loop door. De rok blijft op het toneel liggen en ik zing de hele finale in het korte onderrokje en het prachtige bovenlijfje, met vol licht er van onderen op vanuit de rand van het toneel. Ik vergeet nooit meer de blik van de dirigent toen hij mijn eerste inzet aan moest geven… Hij zwaaide door en ik zong door en ik meen me te herinneren dat juist die finale de beste werd van alle uitvoeringen.








Brief van Ali (36)

Beste mensen,

Is nou geen tijd meer voor grappen te maken over Mexicaanse griep. Vandaag baas van fabriek heeft geschreven e-mail. Is grote lijst met maatregelen, jij kan bijna niet onthouden zoveel. Is fijn baas gaat alles regelen en wij worden niet ziek.

In eerste plaats is binnenkort afgelopen met groepen bezoekers. Is te gevaarlijk veel mensen in fabriek. Bezoekers alleen mag wel, zij moeten handen was met speciaal apparaat in hal. Is met desinfetiezeep.

Wij mogen niet meer handen schudden. Mensen met computer zij krijgen schoonmaakspulletjes. Als zij naar huis gaan zij moeten inspuiten toetsenbord en muisje schoonmaken. Huisbaas Piet hij zegt is zeker bezuiniging van schoonmaakpersoneel. Maar is nu echt geen tijd voor grappen. Want schoonmaakmeisjes krijgen extra druk met schoonmaken van trapleuningen en deurklinken.

En belangrijkste is ook wij moeten niet samen scholen. In kantine wij moeten afstand houden. Wij moeten niet allemaal tegelijk aan lange tafel eten want jij krijgt misschien griep.

Piet zegt ik krijg Spaans benauwd van Mexicaanse groep maar hij snapt niet probleem is ernstig voor mensen in fabriek.

Iemand zegt er komt streep voor receptiebalie zodat mensen één meter afblijven van dames van telefoon. Is jammer want soms is leuk beetje hangen aan balie voor grapjes met de dames. Maar misschien is alles tijdelijk.

Ik schrijf deze brief en u weet nu wat is belangrijk om gezond te blijven. Misschien u kan ook uw eigen baas vragen goed voor te bereiden. In ons fabriek liggen folders met alle informatie. U kan ook zelf aanvragen. Zijn gele folders. Bij regering zij weten wel wat u bedoelt als u belt

Goed gezond gewenst,

Ali Yildiz








Hand

Een collega kwam vanmorgen met uitgestoken hand op mij af. We hebben een broze relatie, dan sla je zo’n gebaar niet af.

Jarenlang hebben we op voet van oorlog geleefd. Sinds een jaar is dat omgeslagen. Ik weet niet hoe dat zo gekomen is, waarschijnlijk zijn we mild geworden nu we allebei de vijftig zijn gepasseerd en we beseffen dat onze generatie journalisten (hoewel ik zelf tegenwoordig liever spreek van contentfabrieks-arbeiders) elkaar moet vasthouden om overeind te blijven in het geweld van dieren- en shownieuws.

Dan is zo’n spontane hand een mooi gebaar. Vanmiddag hoorde ik hem vertellen dat zijn gezin aan de tamiflu is omdat zijn zoon Mexicaanse griep heeft.

Ik troost me met de gedachte dat vijftigers minder vatbaar zijn voor die ziekte. Maar mocht deze website binnenkort gesloten worden “wegens omstandigheden” dan weet u waar dat door komt.








Filmpje

Hoe langer ik er over nadenk, hoe gekker ik het vind. Sterker nog, ik raak er meer en meer van overtuigd dat er iets niet klopt in dit land. Wat zeg ik? De politie kan zich langzamerhand wel helemaal terugtrekken in de kantoorkolossen om zich daar dan toch in ieder geval de vingers blauw te tiepen aan processen-verbaal.

Een paar dagen geleden stond er op GeenStijl een filmpje van een jongeman die probeerde de achterkant van het station in Hilversum te slopen alsmede enkele kaartjesautomaten en fietsen.

Iemand filmde dit bijzondere tijdverdrijf en zette dat filmpje op Dumpert.nl/GeenStijl. Ik vond het een schokkend filmpje. Je weet dat er tegenwoordig meer idioten buiten het hek wonen dan er binnen, maar wennen doe je daar niet aan.
Drie maten van deze knaap keken toe, eentje hielp hem zelfs een handje.

Een paar dagen na het verschijnen van het filmpje meldde de betreffende filmheld zich bij de plaatselijke woutenkiet. Hij had doorgekregen dat hij wereldwijd te kakken stond en dat er ongetwijfeld jacht op hem gemaakt zou worden. Schijnbaar had hij het geld niet om naar Brazilie te vluchten.

Ik ben tegen een volksgericht, maar met deze vorm heb ik vrede. GeenStijl als effectieve tegenhanger van Opsporing verzocht, dat mag ik wel. Tenslotte kan de politie niet overal te gelijk zijn en dan zijn een paar extra handjes, oren en ogen welkom. En zeg nou zelf: je kan zo’n filmpje toch beter naar GeenStijl sturen dan netjes verpakt aanbieden op het politiebureau. Daar komt het onderop een stapel waarvan iedereen weet dat zelfs een politieman te paard er niet overheen kan kijken.

Toch is er iets dat mij bovenmatig intrigeert en me dus al dagen bezighoudt. Het filmpje duurde welgeteld vier hele minuten. Dat betekent dus dat iemand vier volle minuten op z’n gemak heeft staan filmen met vrijwel zeker in het achterhoofd dat hij/zij daarmee geweldig zou gaan scoren op internet. Stel je voor dat diezelfde persoon na 30 seconden in plaats van filmen de politie zou hebben gebeld. En stel dat die binnen twee minuten ter plaatse zou zijn geweest (tenslotte is Hilversum een dorp) dan zou dat anderhalve minuut schade hebben voorkomen.

Maar blijkbaar is het vertrouwen in de politie in dit land zo ver gedaald dat iemand denkt dat een filmpje op Dumpert of GeenStijl meer effect sorteert dan 112 bellen. Als ik bij de politie zou werken, zou ik mij eens ernstig achter de oren krabben.








Forel

(Gastcolumn van Ab Klaassens)

Werkend voor een democratisch-socialistisch dagblad in Arnhem moest ik, ergens in 1970 of '71 , tijdens een verkiezingsactie op één middag naar het bezoek van de Pvda-kandidaat Hans v.d.Doel aan een volkswijk (Klarendal) en naar het deftige Rijnhotel voor een persgesprek met CHU-kandidaat Berend Jan Udink, toen minister in het kabinet Biesheuvel.

Ik kwam te laat aan in het Rijnhotel, waarop Udink me uitnodigde om een vorkje met hem mee te prikken. We kwamen in een apart zaaltje terecht en kruisten ons bestek vlak naast een aquarium met levende forellen.

Toen Udink druk pratend een antwoord bedacht op mijn - uiteraard - scherpe vragen verkoos een forel de vrijheid en landde bovenop Udinks 'pasteitje à la reine'. Zonder zijn woordenstroom te onderbreken pakte Udink het spartelende beest op gooide hem terug in z'n hok. Alsof 't dagelijks werk was.

Even dacht ik....'stressbestendige minister'. Maar dat hoor je niet te denken als je voor Het Vrije Volk werkt.








Vocalies (73)

(Door Marlies)


Er is een nieuwe radiopodcast van Vocalies! De 31ste. Klik hier.

Vandaag gaat het over registerbreuken. Tsja, moeilijk onderwerp. Maar als je gezegd hebt dat je het erover zult hebben moet je dat ook doen. Dus waag ik een poging, in de hoop dat u er wijzer van wordt en niet dat het meer vragen oproept dan het beantwoordt.

Als je zingt tap je uit drie verschillende vaatjes: eentje staat voor je borstregister, eentje voor het middenregister eentje tapt uit het kopregister. Je hebt nog mensen die daar bovenop over een fluitregister kunnen beschikken, maar daar hebben wij gewone stervelingen meestal geen beschikking over. Meestal is het strottenhoofd van die mensen ineens even gekanteld, omdat ze iets geks met hun stem aan het doen waren en hadden ze ineens een aantal tonen in de hoogte erbij. Als je die truuc nog een keer kunt uithalen, kun je met zo’n fluitregister aardig gekke dingen doen.

Je borstregister loopt (vanuit de piano gedacht) van d-groot naar d-klein. Het midden van d-klein naar d-1 en het kopregister van d-2 naar d-3. Allemaal ongeveer hè, want muziek is geen exacte wetenschap.

Nu ik Carmen studeer kom ik in een ander register terecht dan waar mijn eerste sopraan zich normaliter in beweegt. Meer in de laagte en meer rond het gebied waar de stemovergang van het borstregister naar het middenregister zit. Dat betekent opnieuw uitvinden waar de beste schakelplek zit en proberen dat schakelen zo soepel mogelijk te laten verlopen. Omdat dat soepel schakelen voor de stem(banden) beter is en voor de toehoorder mooier. Als de muziek erom vraagt kun je besluiten het schakelen wel duidelijk te laten horen. Je krijgt dan een rauwer effect wat bij Carmen wel een functie kan hebben (mijn ouwe hoofdvakdocent aan het conservatorium krijgt nu kippenvel als hij dit leest), maar wat wel gevaarlijker is: je stembanden verdragen maar zoveel lompigheid en de toehoorder kun je niet steeds met al die emotie om de oren blijven slaan, daar wordt-ie moe en chagrijnig van.

En ook de kleur moet wat veranderen: waar het vroeger veel helblauw en knalrood was moet het nu meer in tinten bruin, paars en donkerrood. Leuk om te ontdekken, maar ik moet u eerlijk bekennen dat ik een nieuwe conditie op moet bouwen en dat het in het begin wel eens tot hesigheid en kuchen leidde… Het gaat inmiddels beter, dank u…

Goeie smaak en doseringskunst komt hier van pas (en zin voor lijfsbehoud natuurlijk, als je het zaakje naar de gallemiesen zingt ben je sowieso uitgezongen).

De plaatsen op de toonladder (haal weer even het toetsenbord van de piano voor de geest) waar die schakeling plaatsvindt is mede representatief voor wat voor stemtype u hebt. Hoe hoger het stemtype, hoe hoger het punt waarop u schakelt naar een volgend register. Een alt zal ongeveer een terts lager omschakelen dan een sopraan (ken u het nog vollegen???).

Bij de een loopt dat schakelen overigens veel soepeler dan bij de ander. Er zijn er die er onbewust overheen zingen en als ik dat hoor zegen ik hen in gedachten en begin er niet over…. Je zou ze maar es bewust kunnen maken en dan gaan ze er problemen over maken en zangers zijn al gecompliceerd genoeg. En van het borstregister naar het middenregister schakelen is vaak hoorbaarder en lastiger soepel te doen dan van het middenregister naar het kopregister. Jongens en meisjes die ‘belten’ gebruiken dat kopregister trouwens nauwelijks en blèren door op het middenregister totdat de stem zegt: toedeledoki, nou doe je het verder maar zelf. En dan gaan ze de klassieke pedagogen bellen en help roepen (tenminste als ze nog een geluid kunnen uitbrengen…) en dan zijn ze boos dat ze niet à la minuut geholpen worden.

Hoe vindt u nou uit waar die registerbreuk zit?
U doet even iets wat in principe niet goed is voor de stembanden: zing een harde klank è, die u zo laag mogelijk laat beginnen en zing die als een sirene naar boven. Je komt dan al snel op een punt waarop de stembanden op zijn strakst staan en loslaten om vervolgens opnieuw aan te gaan spannen. Dat punt hoor je, er is een soort (jodel)klik. Jodelaars doen niet anders dan hun stembanden die klik steeds laten maken. Niet zelf gaan rommelen met dat jodelen, want dat is een vak apart. Het punt waarop die klik te horen is, is het punt waarop de stem schakelt van borst- naar middenregister.

Hetzelfde kun je doen voor de schakeling van midden naar hoog. Maak er een lelijke, harde vlakke è van, dan is het het duidelijkst. Doe het niet te vaak achter elkaar. Het is best moeilijk te horen, waar het punt is, als je zelf luid aan het zingen bent. Gewoon morgen nog effe proberen, niet tot in den treuren doorgaan, want dan wordt het letterlijk in den treuren.
De beide punten waar de stem ‘overspringt’ naar het volgende register, gecombineerd met de kleur van de stem en het gebied waar-ie het meeste straalt, maakt u tot heldentenor, spielbariton, lyrische sopraan, contra-alt of noem nog maar eens meer van die gedrochten-namen op… Er zijn natuurlijk heel veel mengvormen.

Hoe oefen je nou het soepel laten lopen van die overgangen? Hier komt de theorie van de communicerende vaten om de hoek kijken. Je mengt wat van het een bij het ander en laat zo de stem soepel naar zijn volgende register glijden. Begin daartoe een dalende kwint te zingen, die ongeveer een terts boven de breuk begint en daalt tot een terts onder de breuk. Eerst neuriënd, later op een vocaal die makkelijk voor u is, dan op eentje die wat lastiger is. Doe hetzelfde stijgend. Luister goed en objectief naar uzelf, zing nooit te luid. Pas als het lekker loopt gaat u wat meer gas geven. Zoek in het repertoire waar u zingt uit op welke noot u schakelt, dat kan per aria verschillen. Het is nooit exact hetzelfde punt, want zoals ik al eerder opmerkte: muziek is geen exacte wetenschap. En maak het allemaal niet te emotioneel en gewelddadig: dat kan ook de moord voor uw stembanden betekenen.

Op die stemtypen en het bijbehorende repertoire gaan we een volgende keer verder in…

In het filmpje stemkunstenares Greetje Bijma,die heel goed kan spelen met registers. Ze praat er ook tamelijk consistent over. Als je haar soms hoort denk je, die is knettergek, maar volgens mij weet ze heel goed wat ze doet…








Raar

Raar eigenlijk: enerzijds staan we toe dat de hele dag een autootje door de stad rijdt om coffeeshops voortdurend van kleine handelsvoorraden te voorzien; anderzijds ontwikkelen we beleid om luchtvervuiling tegen te gaan en de stad autoluw te maken.

Eigenlijk vind ik het zelf ook te warm voor zulke gedachten.








Cabaret

Ik krijg steeds meer aversie tegen communicatiemedewerkers en PR-tiepjes. Het is een beetje als met vliegen. Als er één om je hoofd zoemt dan kun je dat nog wel hebben, maar als er een zwerm op je neerdaalt, wordt het vervelend.

Zo is het ook met communicatiedeskundigen. Vroeger sprong er nog wel eens eentje koddig van links naar rechts om een journalist de doorgang te beletten, tegenwoordig staan ze strategisch opgesteld gelijk een grimmig peloton ME’ers.

Op elke journalist in Nederland zijn nu drie communicatiemedewerkers. De meesten zijn alleen maar een doorgeefluik van vragen. Ze doen me denken aan een Oost-Europese schoenenwinkel waar ik dertig jaar geleden was. Eén meisje deed de deur open, één haalde de schoenen, één rekende af, één deed ze in een doos en één deed de doos in een zak.

De PR-tiepjes zijn vooral ingehuurd om boodschappen van de baas door te geven. En slecht nieuws moet vooral goed ingepakt worden. Onder de public relationsmensen zijn ware kunstenaars. Vanmorgen trof ik een schoolvoorbeeld aan. Hulde! Lees het stukje even. Het kost wat tijd maar dan heb je communicatiecabaret van hoog niveau.

Koninklijke Wegener heeft in het eerste halfjaar van 2009 door stringente kostenmaatregelen adequaat tegenwicht kunnen bieden aan de gevolgen van de economische crisis. Alle bedrijfsonderdelen reageerden pro-actief op de marktontwikkelingen. De advertentieomzet stond zwaar onder druk en daalde met EUR 46,5 miljoen (23,6%) ten opzichte van de eerste helft 2008.

Deze daling wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door minder personeelsadvertenties (EUR 28,6 miljoen). Dankzij snel doorgevoerde kostenbesparende maatregelen daalde het bedrijfsresultaat voor bijzondere posten met EUR 14,6 miljoen (35,8%) ten opzichte van het eerste halfjaar 2008. Per eind juni verbeterde de financiële positie door een hoger eigen vermogen als gevolg van de gerealiseerde netto winst en een verlaging van de netto schuldpositie.

De totale opbrengsten bedroegen in de eerste helft van 2009 EUR 309,4 miljoen ten opzichte van EUR 355,5 miljoen in dezelfde periode van 2008, een daling van 13,0%. Deze neergang werd vrijwel geheel veroorzaakt door een daling van de advertentieomzet, bij zowel de dagbladen als de huis-aan-huiskranten. De kosten werden teruggedrongen, mede door een vermindering van de personele bezetting, in totaal voor bijzondere posten met 10,0%. Het bedrijfsresultaat voor bijzondere posten bedroeg EUR 26,1 miljoen tegenover EUR 40,7 miljoen in dezelfde periode van 2008.

De netto winst is met 4,9% licht gedaald ten opzichte van dezelfde periode in 2008. In het eerste halfjaar 2009 waren er nauwelijks bijzondere posten, terwijl deze in dezelfde periode van 2008 nog EUR 15,3 miljoen bedroegen. De bijzondere posten 2009 hebben betrekking op financieringslasten en in 2008 betroffen deze met name reorganisatie-voorzieningen en afvloeiingsregelingen








Risico

Ik heb het verhaal gehoord van iemand die ik vertrouw, dus ik durf het hier wel te vertellen.

De drie jonge mannen zaten op een terras op de Markt in Eindhoven. Een ober nam de bestelling op. Er gleed een glas met een restje thee van zijn dienblad. De ober kon het glas op tijd grijpen maar hij kon niet voorkomen dat de thee op de broek van één van de drie mannen terecht kwam.

De ober beende weg. Een collega bracht even later de bestelling. De drie mannen hadden er op gerekend dat de knoeiende ober een doekje ging halen, maar dat was niet zo. Ze reclameerden bij zijn collega. Ze moesten niet zeuren, zei hij, dat is het risico als je op een terras gaat zitten. Hij draaide om en liep weg.

Eén van de mannen pikte het niet. Hij ging de horecagelegenheid binnen en sprak de eigenaar aan. Vriendelijk, dat wel in de hoop dat hij de onhandigheid en de brutaliteit van het personeel verrekend zou zien met tenminste één gratis consumptie voor het slachtoffer.

De baas keek hem indringend aan. Of hij wel goed bij zijn hoofd was. Wie op een terras gaat zitten loopt nou eenmaal risico’s, zei hij. Net als zijn ober.

De drie mannen zijn daarna vertrokken. Zonder een fooi te geven.








Graag gedaan

De man die me belde had een zwaar Noord-Hollands accent. Logisch, hij woonde daar.

De Noordhollander had op de digitale televisie naar onze omroep gekeken. Dat deed hij nooit, maar zijn vriendin was nou toch ergens bij betrokken geraakt in Brabant en dat wilde hij wel terugzien. We hadden hem zwaar teleurgesteld, want het voorval was niet in het nieuws geweest.

Mensen die zo met de deur in huis vallen laat ik meestal bij het begin beginnen.

Het zat zo. De man had zijn vriendin gebeld. Die woont in een Brabantse gemeente. Ze had hem verteld dat ze weinig tijd had omdat haar straat was afgezet door de politie. Er liepen mannen met helmen en kogelvrije vesten. Ze mocht alleen haar hond ophalen en daarna moest ze ergens anders onderdak zoeken.

En nou had de man graag op Omroep Brabant willen zien wat er was gebeurd.

Nee, hij wist niet in welke straat zijn vriendin woonde. Nee, dat was niet gek want hij kende haar pas een paar maanden. Via internet, meneer. Nee, hij kende haar nog niet zo goed om zeker te weten of haar verhaal klopte.

Voor de zekerheid belde ik de politie. Die wisten van niks. Echt niet.

Ik belde de man om hem te vertellen dat het verhaal waarschijnlijk niet klopte.

Dat dacht hij wel, want hij vertrouwde zijn nieuwbakken relatie niet zo.

Dus toen ik dat verhaal hoorde, zei de man, heb ik eerst zelf de politie gebeld, maar die wisten van niks. Toen heb ik voor de zekerheid jullie gebeld. Nu weet ik het zeker dat ze niet te vertrouwen is. Die gaat er dus uit.

Ik wist niet zeker of het gepast zou zijn om "graag gedaan" te zeggen dus ik zei maar niks.








Spiegel

“Kijk,” zei mijn vader, ‘ze heeft haar hoofddoek afgelegd.”

Afleggen is definitief, zoals ook het lichaam van een overledene wordt afgelegd. Maar misschien is dat wel dialect uit de streek waar we geboren zijn.

In de huiskamer van het verpleeghuis liep een mooie vrouw. Zwarte bijeengebonden krullen, een vlotte lichte jeansbroek en een rood geruit houthakkershemd.

“Hoezo, ze heeft haar hoofddoek afgelegd,’ vroeg ik.

Sinds wij weten dat mijn vader een beginnende vasculaire dementie heeft is hij alerter en opgewekter dan ooit. Wij daarentegen twijfelen meer dan ooit aan wat mijn vader zegt. Wij zijn gek, denk ik.

Hij vertelde dat de betreffende schoonheid hetzelfde meisje was dat tot voor kort als een ingesnoerde moslima door het leven ging. Ze had alles afgelegd, zei mijn vader. Hij bedoelde het hele geloof.

We steggelden even over zijn vermeende vergissing. Vermeend door ons, niet door hem. Omdat hij vol hield ging ik richting het meisje om haar eens diep in de donkere ogen te kijken. En toen zag ik dat het inderdaad het meisje was waar mijn vader het over had. Hij is niet gek.

“Dan is er een prachtige vrouw onder die hoofddoek vandaan gekomen,” zei ik.

“’t Is ook een goeie meid,” zei mijn vader respectvol.

Ik vertelde het verhaal aan een collega, waarbij ik – en dat moet ik ruiterlijk toegeven – de prachtige vrouw verving door lekker ding. Ach u weet hoe dat gaat met jongens onder elkaar.

“Kijk,” zei mijn collega, “daarom dragen die vrouwen hoofddoeken en boerka’s. Zodat mannen als jij niet op dergelijke gedachten komen.”

In de spiegel die hij me voorhield zag ik een weinig florissant evenbeeld.








78 toeren

(Gastcolumn van Ab Klaassens)

Voor de Tweede Wereldoorlog speelden mijn ouders elke zaterdagavond kaart met het echtpaar P. Ze woonden in de Tolstraat in Amsterdam, vlak bij de Amstel en ook dichtbij de diamantslijperij van Ascher waar meneer P. zijn brood verdiende. Ze waren joods.

Toen ze in 1942 ‘weg moesten’- zoals dat toen eufemistisch heette - gaf het echtpaar mijn ouders wat huisraad, linnengoed en een collectie grammofoonplaten (groot formaat, 78 toeren) in bewaring, alsmede een grammofoon met wisselaar. We mochten die grammofoon wel gebruiken van meneer P.. En die platen…ach ‘t gaf niet als er eens eentje brak. Hij zou wel nieuwe kopen als hij terug was.

Het was allemaal klassieke muziek en opera. Ik vond er als kleine jongen niks aan, maar ben ‘t toch langzaamaan gaan waarderen. Ik herinner me vooral Beniamino Gigli, een tenor die altijd klonk alsof hij in een diepe grot stond te zingen.

Nu, meer dan een halve eeuw later zet ik wel eens een CD op met opera-aria’s. Dan denk ik aan Gigli van wie ik nooit meer iets heb gehoord. Ook niet van meneer en mevrouw P.








Vocalies (72)

(Door Marlies)

1 augustus 1752: wonderlijke herrijzing van de komische een-acte-opera ‘La Serva Padrona’. In eerste instantie werd het niks met die komische opera. Het was ook niet een zelfstandige opera: ze diende als intermezzo in een andere opera, een serieuze, van Giovanni Battista Pergolesi. Het publiek vond het eerst maar niks (waarschijnlijk heeft dat aan de opera seria gelegen waar La Serva onderdeel van was) en dus verdween ‘La Serva’ van het toneel.

Maar ineens ontdekte het publiek deze sprankelende komische opera opnieuw, werd ze zelfstandig opgevoerd en begon ze aan een zegetocht die tot vandaag duurt. Want het thema (sorry ge-emancipeerde vrouwen) is nog steeds actueel: de keukenmeid palmt haar baas in en wordt op slinkse wijze de baas in huis, niet alleen over het andere personeel maar vooral over haar baas.

De première was op 28 augustus 1733 in Napels, de ‘opleving’ op 1 augustus 1752 in Parijs.

Het is een prima opera om uit te voeren: je hebt een goeie bas nodig en een goeie sopraan. Die hebben beiden een huzarenaria, dus komen lekker aan hun trekken. De derde rol is een niet sprekende en niet zingende rol, zelfs de toneelknecht kun je hiervoor gebruiken...

Het geheel duurt 45 minuten, dus als het je smaak niet is ben je binnen een uur weer buiten.

De plot is simpel: Uberto, een oudere vrijgezel is boos op zijn meid Serpina, want die heeft hem zijn chocola nog niet gebracht. Serpina is sowieso nogal buiten haar boekje aan het gaan, want als Uberto vraagt om zijn hoed en jas omdat hij uit wil gaan verbiedt ze hem doodleuk het huis te verlaten. Uberto verzoekt zijn knecht hierop een vrouw voor hem te zoeken, zodat hij zich van Serpina (waarom zou dat mens nou toch zo heten…?) kan bevrijden.

Serpina haalt vervolgens de knecht over Uberto in de val te lokken: hij moet met haar trouwen en niet met een andere vrouw. Ze voert tenslotte de vermomde knecht ten tonele en doet hem voor als een militair met wie ze zal trouwen. De militair eist wel een bruidsschat van Uberto of Uberto moet zelf maar met Serpina trouwen. Uberto trapt erin: hij besluit dan maar met Serpina te trouwen. De twee kunnen het niet over hun hart verkrijgen hem echt te bedonderen en ze onthullen hun streek. Uberto realiseert zich dat hij eigenlijk al die tijd al van Serpina hield en besluit ondanks de streken die ze heeft haar te accepteren als zijn echtgenote.
Happy end.

La Serva Padrona werd het archetype voor komische opera in die jaren: Mozart heeft ernaar gekeken toen hij zijn keukenmeidenrollen schreef, en Johann Strauss moet er wel naar gekeken hebben toen hij zijn Adèle (in Die Fledermaus) bedacht, kan niet anders.

In het filmpje de grote aria van Serpina, uitstekend gezongen en geacteerd (en goed geregisseerd dat zie je zo…)





Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed