Boek
Ik had het gewoon niet moeten doen. Het lag er zo duimendik bovenop dat het de cultivering van een hype was. En toch trapte ik er in. Tja, als de beste boekenzaak van jouw stad pallets vol met dat ene boek uitstalt dan moet het wel goed zijn. Toch?
Een tijdje geleden kocht ik “Schaduw van de Wind” van Carlos Ruiz Zafón. Ook leuk voor jou, zei ik tegen mijn vrouw die gek ik op magisch-realistische boeken. We bleken het al te hebben en ze had het al gelezen. Mijn vrouw leest veel, ik hou dat niet allemaal bij.
Ik vond het een mooi boek. Geen hoogstandje zoals Marquez en Saramago ze maken, maar gewoon een onderhoudend boek. En met mij hebben nog eens 700.000 Nederlanders en Vlamingen genoeglijke uurtjes aan dit boek beleefd. Althans dat staat op de achterflap. Om nog maar te zwijgen van de lyrische recensies.
Een dikke maand geleden werd de opvolger van dat boek tot aan het plafond opgetast in de plaatselijke boekhandel. “Het Spel van de Engel” heet dat. Ik wilde nog wel een paar genoeglijke uurtjes beleven dus ik schafte het aan.
Wat een butboek is dat zeg. Ik ben tot ongeveer halverwege gekomen en heb het toen weggelegd. Het is een slap aftreksel van het eerste boek en bij tijd en wijle lees je scènes die je het gevoel geven dat je weer in dat eerste boek zit. Een hype is het, dat tweede boek, niks anders.
Toen het met een ruimhartig gebaar aan mijn vrouw schonk weerde ze het af. Ik dacht al dat het meer van hetzelfde zou zijn, zei ze. Daarom had zij het niet gekocht.
Moraal van het verhaal: ik moet met mijn vrouw over boeken praten voordat ik ze koop.
Lachje
Ik mag graag af en toe de knuppel in het journalistieke papegaaienhok gooien. Vooral als ik zie dat vakgenoten of hun vertegenwoordigers zichzelf of het vak buitenproportioneel opblazen.
Neem nou de kwestie van de vakantiefoto’s van ons kroonprinselijke gezinnetje. Het journaille en het gezinnetje spreken af dat de familie tijdens vakanties met rust wordt gelaten. In ruil daarvoor mogen de media een paar uurtjes met z’n honderden dezelfde foto’s maken van de kroonprinselijke familie op het strand. Los van het feit dat het geldverspilling is zoveel mensen precies hetzelfde werk te laten doen, is het een fijne afspraak. Iedereen blij.
En dan gaat vervolgens het persbureau AP toch stiekem foto’s maken in Argentinië. Waarom? Omdat er geld mee te verdienen is. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat die fotograaf daar in de bosjes zichzelf een waakhond van de democratie waande. Kroonprins boos en de rechter geeft hem gelijk. Dat lijkt me volkomen terecht.
En wat lees ik nu. AP is teleurgesteld. Het vonnis kent onvoldoende gewicht toe aan het belang van het recht op informatie in een democratische samenleving.
Het recht op informatie in een democratische samenleving hangt dus samen met een paar stiekeme vakantiefotootjes van het kroonprinselijk paar op een Argentijnse skihelling? Daar moet ik heel hard om lachen. Een democratische samenleving is gestoeld op afspraken die mensen met elkaar maken. En vooral met het respecteren van die afspraken. Het is heel goed dat PWA het fotopersbureau daar nog eens aan herinnert.
En dan wordt ook nog hoogleraar Dommering geciteerd. Die zegt dat de foto’s die de vakantiebestemming onthullen wel degelijk nieuws zijn omdat de prins vooraf niet wilde vertellen waar de reis heen ging.
Maar heel Nederland wist al lang dat PWA c.s. naar Argentinië zouden gaan. Want wie goed had opgelet bij de interview na de strandscène had gezien dat bij de stelling van de journalist dat de familie naar Argentinië zou gaan, de Prins geheimzinnig lachte en zoiets zei als: dat zijn uw woorden.
Elke weldenkende journalist en burger van een klein kneuterig democratisch land weet toch dat we hier onder elkaar zijn en dat non-verbaal gedrag en halve woorden tot de poldergebruiken behoren. En dat zo’n lachje en zo’n opmerking gewoon ja betekent.
Vocalies (76)
Voor podcasts en alle artikelen van Vocalies klik hier.
Vandaag in 1897 werd de Deense tenor Helge Anton Rosenvinge-Hansen (later Roswaenge) geboren in Kopenhagen. Hij begon pas op ltere leeftijd met zingen, want eerst studeerde hij chemie in zijn geboortestad. Hij leerde vooral zichzelf zingen; wat zou je ook met al die pedagogen… als je bovendien getrouwd bent met een sopraan die je in de gaten kan houden (je stem dan bedoel ik hè). Het was ook zijn vrouw die het eerste concert arrangeerde met haarzelf natuurlijk in een prominente gastrol, gelijk had ze.
Kleine rolletjes in kleine theaters volgden; de stem bleef niet onopgemerkt: in 1921 debuteerde Roswaenge in Bazel in de rol van Don José in Carmen. Hij was de volgende jaren steeds in Duits-talige theaters aan het werk.
Van 1932 tot 1939 trad hij regelmatig op in Salzburg. Hij werd een specialist in het Duits-talige repertoire en hij zong alle stijlen: Verdi, Wagner, Strauss, Bizet. Hij werd bekend als ‘de knecht van de hoge D’ (ik las ook ergens ‘de Deen met de hoge D’, ook leuk): briljante, bijna stalen hoge tonen, gecombineerd met een perfecte dictie van het Duits.
Kort na de tweede wereldoorlog werd hij gedeporteerd naar Rusland. Na zijn vrijlating settelde hij zich in Wenen, maar niet als zanger, maar als chemisch ingenieur. Het bloed kroop echter uiteraard waar het niet kon gaan en in 1949 pakte hij zijn carrière weer op: voor het gemak maar meteen aan de beide operahuizen in Wenen èn hij zong niet onverdienstelijk operette: vooral de rol van Prins Sou Sou in Franz Lehar’s Das Land des Lächelns bracht hem succes.
Er was een klein nadeeltje aan Roswaenge: hij zong geen Italiaans. En in de loop van de vijftiger jaren werd het steeds meer de gewoonte operarollen te zingen in de taal waarin ze geschreven waren. Een goeie ontwikkeling als je het mij vraagt. Momenteel studeer ik aan Carmen en onder de oorspronkelijke Franse tekst staat een zingbare vertaling in het Engels waar je de haren van te berge rijzen. En de Habanera heb ik één keer in het Duits gezongen, maar dan ook maar één keer. Het werkt niet in een andere taal dan die waarin de componist het bedacht heeft. Wat te zeggen van ‘Ja die Liebe hat bunte Flügel’ tegen de oorspronkelijke zin ‘L’ amour est un oiseau rebelle’. Jeuk krijg ik ervan en nu het voor de centen niet meer hoeft vertik ik het ook langer om concessies te doen aan wat ik denk dat de componist heeft willen zeggen.
Terug naar Roswaenge: doordat hij geen Italiaans zong liepen de aanbiedingen snel terug. Er was nog een verovering van Amerika in de zin van concerten in Carnegie Hall en Madison Square Garden in 1963 en 1964. Kort daarna trok hij zich terug en wijde zich aan het lesgeven. Hij stierf in München in 1972.
In het filmpje een opname in het Duits van ‘Le postillon de Longjumeau’ met de fameuze hoge D!
Nog even een naschrift dat niks met Roswaenge te maken heeft, maar alles met klassieke muziek: zondag de 30ste augustus is dirigent Jaap van Zweden de laatste zomergast. Ik ga kijken en vooral naar de film die hij heeft uitgezocht: een documentaire met als onderwerp wat voor invloed klassieke muziek op het brein heeft.
Kijken!!!
Beijing
Een jaar of 15 geleden interviewde ik een socioloog met het oog op een radioserie over Brabant in 2050. Het gesprek met hem ging over sociale verbanden. Hij was niet pessimistisch over individualisering. Volgens hem zou internet tot nieuwe en mogelijk zelfs interessantere contacten leiden. Dat was toen een revolutionaire gedachte. Hij was een denker, ik een eenvoudig journalist dus is was sceptisch over zijn filosofie.
Maar de man heeft gelijk gekregen. Ik merk zelf dat naast mijn “normale’ vrienden- en kennissenkring een virtuele kring is ontstaan die zeker zo interessant is. Vooral sinds ik een weblog heb en weblogs volg heb ik contact met mensen die ik anders vrijwel zeker nooit gekend zou hebben. De meesten heb ik nooit gezien, maar het voelt wel zo. Van sommigen weet ik net zo veel als van mensen die ik af en toe gewoon kan aanraken.
Ik ga naar Beijing. Dat is inderdaad een abrupte overgang, maar zo ging het ook met mijn besluit om te gaan, Van het ene op het andere moment.
Ik ga over een tijdje een weekje logeren bij Rob. Hij woont in Beijing. U kent hem vast wel van Achterob. Zo niet, dan wordt het tijd. Ik ken hem ook van zijn weblog. Hij hoort bij die categorie nieuwe interessante virtuele contacten. Rob en ik waren wat aan het reageren op elkaars weblogs en opeens lag daar die uitnodiging. Ik moest maar eens zelf komen kijken dat Beijing iets anders is dan Den Bosch, waar de belangrijkste chinese invloed bestaat uit restaurant Fat Kee.
Ik nam de uitnodiging met beide handen aan, want hoe vaak krijgt de mens zulke kansen. De kans om zo’n stad te verkennen met adviezen van een bewoner in de zak. En de kans om een gewaardeerde socioloog te bewijzen dat hij gelijk heeft gekregen.
Krokodil
Om klokslag vier uur stapte ik het stadskantoor van de gemeente ’s-Hertogenbosch in. Ik moest mijn oude paspoort inleveren en een nieuw meenemen. Een handelingetje van niks.
Ik was de enige klant, achter de balie zaten drie dames wat voor zich uit te staren. Desondanks liep ik eerst naar de volgnummertjesautomaat. Die was buiten werking.
Dus stapte ik zonder bonnetje op de eerste dame af en vertelde waarom ik kwam. Of ik een volgnummer had. Had ik niet, apparaat was buiten werking.
Zonder bonnetje geen paspoort. Dan moest ik een bonnetje bij de receptioniste voor in de hal halen.
Sjok, sjok, ik naar de receptioniste. Had ik een afspraak? Nee, want die meneer van vorige week had gezegd dat dat niet nodig was.
Tja, zei de receptioniste, dat geldt tot twee uur. Daarna is een afspraak vereist. Of ze een afspraak moest maken. Ik dacht van wel en ze noteerde mijn naam.
Ik had geluk, zei ze, er was toevallig vandaag nog een gaatje. Over 25 minuten. Ik kon mijn lachen niet meer inhouden. Ze werd boos. Mevrouw, zei ik, er is helemaal niemand in het stadskantoor. Er zitten drie van uw collega’s duimen te draaien en ik moet 25 minuten wachten voordat ik mijn paspoort kan omruilen?
Ja, zei de paarse krokodil.
Ik lag dubbel. Maar mevrouw, zei ik, dat paspoort ligt hier 20 meter vandaan. Dat is toch zo gepakt.
Ze duwde mij nummer 319 in de hand en vervolgde het gesprek met haar collega.
Sjok. Sjok, ik terug naar de balie. Alle loketten waren vandaag niet verder gekomen dan 280, dus ik zette mij lijdzaam neer in afwachting van nummer 319.
De zoemer! Loket 5 sprong in één keer van 280 naar 319. Yes, Yes!! Exact om 16.06 uur stond ik buiten. Maar zonder de paarse krokodil had dat 16.03 kunnen zijn. Over vijf jaar ga ik voor die recordtijd. Met afspraak natuurlijk.
Laura
Voor mij is het nu al dé nieuwsfoto van 2009. De 13-jarige Laura op de bank tussen haar trots grijnzende vader en een advocaat. Op de voorgrond zien we een batterij microfoons van het journaille. Hoewel we ze niet zien weten we dat zich daarachter een legertje fotografen, cameramensen en schrijvende journalisten in rij en gelid heeft opgesteld.
Laura wil in haar eentje om de wereld zeilen en zo een record vestigen als jongste solozeiler. Haar ouders vinden het prima. Althans vader. Moeder houdt zich afzijdig.
De officiële instanties hebben bedenkingen tegen het plan van Laura. Ze moet naar school; zo’n soloreis is gevaarlijk en het is slecht voor haar puberale ontwikkeling.
Kijk, dat zijn de verhalen waar de journalistiek warm voor loopt. En terecht want het is een heel bijzonder verhaal. Ik ben benieuwd of al die collega’s Laura en haar vader stoer vinden of dat ze vinden dat zo’n kind tegen zichzelf beschermd moet worden. Ik vind het gedrag van de ouders van Laura onverantwoord. Dat u weet bij welk zeilkamp ik hoor.
Als de kwestie Laura is uitgewoed heb ik wel een ander onderwerpje voor de collega’s die zich het lot aantrekken van 13-jarigen. In Bos en Lommer, de 3de Hambaken, de Kruidenbuurt en al die andere wijken wonen veel Jeffrey’s en Mohammed’s van 13 jaar die elke nacht op de woelige baren van hun stad zeilen zonder ouderlijk toezicht.
Ik kan niet wachten op de foto’s van zo’n knulletje geflankeerd door z’n vader en een hulpverlener die worden bevraagd over het voornemen van zoonlief van 13 om vanavond weer in z’n eentje de krochten van de stad in te trekken.
Rolletje
Een collega “snoefde” dat hij een rolletje heeft in onze dramaserie Wolfseinde. Met Tanja Jess. Dat u niet denkt dat het niks is. Het is ook niet zomaar een rolletje. Nee, eentje met tekst. De TV-verslaggever speelt zichzelf dus dat zal hem gemakkelijk af gaan. Hij kan als geen andere een karikatuur van zichzelf neerzetten. Geloof me, het is een geboren acteur.
Het doet mij denken aan een rolletje dat ik ooit speelde in een stuk op de middelbare school. Het is 40 jaar geleden. We speelden het Laatste Avondmaal na. Ik was één van de minder bekende apostelen, dus u begrijpt dat er voor mij geen reden is te snoeven.
Weken en weken oefenden we. Tijdens de bewuste uitvoering zaten we allemaal gespannen aan de dis, wachtend op het moment dat de Romeinen de hoofdrolspeler kwamen afvoeren. Dat was niet alleen visueel het meeste interessante stuk van het drama, het was ook het moment waarop wij, discipelen, voor het voetlicht kwamen.
Want wij discipelen moesten, al naar gelang de hiërarchie, de gebeurtenis waarvan zij zojuist getuige waren becommentariëren. Uit de tekst kon je de solidariteit van elk van ons aan de Heiland afmeten. Wie zijn tekst had opgezegd mocht via de zijkant van het toneel naar de cola en chips. Afhankelijk van de snelheid waarmee dat gebeurde kon je weer afleiden wie meer om brood dan om spelen gaf.
Ik kon het langst in stilte mijn tekst repeteren want ik was de laatste die af mocht. Zeg maar op het moment dat alle toeschouwers ook al richting versnaperingen waren.
En toen was het moment daar. Ik sprak de woorden die ik al weken had gerepeteerd: “Als iedereen weg gaat ga ik ook maar.” Het kwam er in één keer uit.
Toen ik het verhaal aan de acterende TV-verslaggever vertelde keek hij mij meewarig aan. “Knap,” zei hij, “dat je die tekst na zoveel jaar nog weet.”
Yok problem
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Op wandeltocht in Oost-Turkije, ergens in de buurt van Gölbasi, belandde mijn reisgezelschap na een steile klim op een plateau met een klein tentendorp. De bewoners, kennelijk nomaden, wachtten ons op met bekers ayran, een frisse yoghurtdrank. Ze gingen ons voor naar een tent waar we in kleermakerszit mochten plaatsnemen op tapijten. We kregen geitenkaas, geitenyoghurt, geitenmelk en plat brood, aangedragen door jonge dames die verlegen lachten en zich snel uit de voeten maakten.
Daar zaten we dan, een man of acht uit Nederland en de kennelijke leider van de nomadenfamilie, bovenop die berg, met stijve benen op een kleedje van geitenwol.. Eén van vrouwen in ons gezelschap sprak een paar woorden Turks, maar de hoofdman was van een andere taal, misschien Koerdisch of iets anders. ‘Yok Turkisch’ kwam er nog uit en ‘yok’ - dat wisten we inmiddels – staat voor ontkenning: nee, geen en niet.
Veel conversatie was er dus niet, wel veel consternatie toen één van de leden van ons gezelschap de hoofdman zijn Zwitserse zakmes met 32 functies cadeau deed.
Bij de klim was ik uitgegleden over los gesteente, waarbij ik een knie had geblesseerd. Ik durfde de afdaling niet aan. Met gebaren maakte ik duidelijk dat ik vervoer zocht voor de tocht naar beneden. ‘Yok problem’ zei de hoofdman en hij riep iemand bij zich die bleek te beschikken over een motor met zijspan. Toen de afdaling begon voelde ik me letterlijk een bakkenist want het zijspan was een gladstalen teiltje met niks anders dan een tapijtje dat ik achter m’n rug kon klemmen. De afdaling ging in razende vaart over zo smalle paden dat ik, naar beneden kijkend langs de rechterzijde van mijn bakkie, alleen maar leegte zag.
“Yok problem”, riep mijn chauffeur geruststellend en nam virtioos sturend nog maar eens een bloedstollende bocht. Aan de voet van de berg zette de motorcoureur zijn voertuig aan de kant. Hij waste zijn handen, voeten en gezicht met water uit een beek, haalde het kleedje uit m’n bakkie, rolde het uit, prevelde staand enkele gebeden en wierp zich ter aarde, het hoofd gericht op het oosten. Toen hij was opgestaan nodigde hij mij uit zijn kleedje te gebruiken voor mijn rituelen.
Ik maakte een afwerend gebaar.
“Christian?” vroeg de man.
“Yok“, antwoordde ik naar waarheid.
“Jewish?”
Ik schudde ontkennend mijn hoofd.
”Nog andere smaken?”, zag ik hem denken
Hij zag ze niet..
“Yok problem”, zei hij nog maar eens en bracht me in razende vaart naar m’n hotel waar we afscheid namen als vrienden voor het leven.
Vocalies (75)
(Door Marlies)
Er is een nieuwe podcast met vocale klassieke muziek. Voor aflevering 32 klik hier
We naderen het einde van dit mini-cyclusje over het praktische zingen. Deze week iets over stemtypen en het bijbehorende repertoire, over 14 dagen iets over vocalen en waar ze te plaatsen en ik wil graag afsluiten met ‘do’s and don’ts’ van de concertpraktijk. Daarna gaan we weer ‘gewoon’ stukkies schrijven over de klassieke actualiteit en over dooie componisten en zo… tenslotte duurt de zomer niet eeuwig.
Voor dit stukkie heb ik even Theo Willemze uit de kast gehaald. Ik had niet meer alle stemtypen in mijn hoofd en hij heeft er in zijn boek ‘Algemene muziekleer’ een handig overzichtje van opgenomen, ergens achterin het boek. Het is een uiterst compleet (voor zover ik dat kan beoordelen) en handzaam boek, dat van Willemze. Hij besteedt niet al te veel aandacht aan vocale klassieke muziek, maar wat erin staat snijdt hout. Ik zal u aan het einde van deze zomer ook nog een lijstje verstrekken van de boeken die ik ken over zingen. Het is ook een heel apart vak, die menselijke stem, omdat ze zo dicht bij de ziel ligt en zo gecompliceerd in elkaar zit. Aan de andere kant moeten we er ook niet te moeilijk over doen: alle muziek begint bij de menselijke stem en als u in huis tijdens het rommelen uzelf er ineens op betrapt dat u een melodietje loopt te hummelen, kan dat de basis vormen voor meer en meer bestudeerd vocaal bezig zijn. Laten we er vooral geen cult van maken, dat gebeurt al genoeg.
Nou dan, voor mannen van laag naar hoog (ik noem alleen de meest gangbare stemtypen op):
- Basso buffo, lage bas, met komisch karakter. Vooral geschikt voor opera (Falstaff uit ‘Die Lustigen Weiber von Windsor’ en uit de gelijknamige Verdi-opera);
- Basse noble (ik heb ook wel ooit gelezen: basso profondo), de serieuze variant van de lage bas: Sarastro uit Mozart’s ‘Die Zauberflöte’ en Phillippo uit ‘Don Carlo’ van Verdi; een van de meest hartverscheurende bas-aria’s die ik ken zit in Don Carlo: ‘Ella giammai m’amo’.
- Bas-bariton: overgangstype van bas naar tenor. Door een Duitse zangprofessor wel een gekscherend: ‘der Übergang von Tenor zum Menschen’ genoemd. Hij was overigens zelf een bas-bariton en een verdomd goeie ook. Iago in Verdi’s ‘Otello’. Don Giovanni in Mozart’s gelijknamige opera.
- Spiel-bariton, lage maar niet te zware bariton. Feri in ‘Die Czardasfürstin’ van Emmerich Kalman.
- Tenor buffo: niet erg hoge tenor, kan veel repertoire aan, vooral in operette. Is vaak de komische noot (Menelaus in ‘La belle Hélène’ van Jacques Offenbach) en vaak een betere acteur dan zanger.
Grappig trouwens, zo las ik ook in Willemze, dat de namen voor de verschillende stemtypen dwars door alle talen gaan…
- Heldentenor: de gevierde jongens die vaak resonantie hebben waar hun hersens zitten en die kunnen tetteren tot grote hoogten. De laatste jaren wordt het beter, maar vroeger leken ze het alleen van de hoge c’s te moeten hebben. Acteren ho maar en corrigeerbaar qua tempo en volume, zeer zelden. Het wordt beter… er zijn een paar hele goeie op de markt tegenwoordig, die hun talen spreken, handelbaar zijn en om zich heen beginnen te kijken, jawel…
Alle Verdi-tenoren, Wagner-brullers en de Hertog in ‘Eine Nacht in Venedig’ van Johann Strauss. Een nadeel blijven ze houden, die tenoren: ze zijn over het algemeen zo klein van stuk. Ik had een goeie en slimme en aardige tegenspeler in ‘Die Czardasfúrstin’. Hij was alleen een kop kleiner dan ik en bij omhelzingen belandde zijn neus meestal tussen mijn borsten. Nou deed-ie het er ook om, maar we waren wel tijdens uitvoeringen ook bezig dat lengteverschil niet al te belachelijk te laten lijken. Hetgeen niet altijd lukte en op dramatische momenten wel eens onnodig gegrinnik uit de zaal oogstte.
- Lyrische tenor: wendbaar en licht en hoog. Buitengewoon geschikt voor Lied (mits-ie er de hersens voor heeft). Fritz Wunderlich: nooit ge-evenaard. Alle Mozart-opera’s.
De dames:
- Contra-alt, het laagste wat er is, donker van kleur. Veel oratorium en oude muziek. Nathalie Stuzmann bijvoorbeeld. Is niet veel repertoire voor geschreven, reden waarom ze wel eens het tenor-lied-repertoire jatten. Vind ik maar niks, volgens mij is bijvoorbeeld ‘Die Winterreise’ van Schubert echt voor een man geschreven en als ik dat dan hoor door een vrouw klopt er iets niet.
- Alt: iets hoger en iets lichter van kleur dan de contra-alt. Alt-Rhapsodie van Brahms (dus)
- Mezzo-sopraan (door de eerder genoemde Duitse zangprofessor ooit uitgescholden als ‘sopranen die te lui zijn om hoog te zingen’. Carmen. Onze eigen Tania Kross. Ook heel bruikbaar in jazz en lichte muziek, mits ze hun ‘operastem’ niet opzetten…
- De lyrische sopraan, wendbaar, grote hoogte, vaak wat koud-blauw en schel van kleur. De gravin in ‘Le nozze di Figaro’ van Mozart, Verdi’s lichtere rollen. Massenet’s lichtere rollen (Margerite in ‘Faust’?)
- De lyrico spinto. Wat zwaarder dan de lyrische, wat voller van toon en dramatischer. Ik op mijn best reken mijzelf graag tot de lyrico spinto, maar de zangpedagogen die ik had waren het er niet altijd over eens.
- De dramatische sopraan: de hoofdrollen Verdi’s opera’s. Wagner-sopranen. Vaak dragonders van wijven, met een EE-cup en dito geluid.
- De coloratuur mezzo-sopraan en de counter-tenor vormen een categorie apart… Bartoli is zo’n coloratuur mezzo. Van haar in het filmpje de ruzie tussen twee winden; in die aria komt haar coloratuur het beste tot zijn recht. Ik vind het spectaculair!
En die counter/tenoren doen eigenlijk iets tegennatuurlijks. Ik schreef in deze rubriek al eens iets over de countertenor-der-countertenoren: Farinelli. Hij was castraat. Tegenwoordig blijven de bakstenen in de kast, als u begrijpt wat ik bedoel, maar je wil het repertoire toch laten horen, dus laat je een man zijn strottenhoofd extra kantelen, zodat hij het geheel een octaaf hoger en vrijwel vibratoloos kan zingen. Ik ken weinig mooie: Sytse Buwalda als hij niet de rel-nicht uithangt en David Russell om er toch maar eens twee te noemen.
Huiswerk voor over twee weken (grapje...): alle bovengenoemde aria’s en zangers opsnorren en beluisteren en mij vertellen waarom u het met mijn indeling eens bent of waarom juist niet. Tenslotte is het maar een indeling…
Griep
Het wordt menens bij onze firma . . . . .

Zelfde tijd . . . .
. . . . . andere avond.

woensdag

donderdag
Hittekat

