Twittermaand
Onze baas heeft augustus uitgeroepen tot Twittermaand. Twitter is hier ook officieel doorgebroken en een bedrijf dat informatie verschaffen als doel heeft moet mee. Gelijk heeft de baas. Tot het moment dat Twitter wordt weggespoeld door Google Wave.
Maar ik moest denken aan het moment dat alle journalisten de wijken in werden gejaagd met de opdracht om te luisteren naar het volk zonder te begrijpen hoe die voxpop te duiden. Misschien daarom gaat de baas ons in augustus in 21 hapklare brokjes uitleggen wat we met Twitter kunnen.
Het is een enerverende tijd.
Ik las een interview met Mecom-baas Montgomery. Hij is eigenaar van veel regionale dagbladen. Lees even mee: Nog twee jaar en bij Wegener en Media Groep Limburg werken geen journalisten meer maar contentmanagers. De redactievloer is zo goed als leeg. Iedereen is elders digitaal aan de slag. En de hoofdredacteur noemen we dan contentdirector, zegt David Montgomery, topman van eigenaar Mecom.
Toen ik krantenjournalist werd was dat omdat ik dacht dat ik invloed kon uitoefenen, de wereld kon verbeteren, het volk kon verheffen. Echt waar. Veel journalisten van mijn leeftijd dachten dat.
De uitgeverij waar ik begin jaren tachtig werkte experimenteerde toen al met kabelkrant en lokale televisie. Ze waren vooruitstrevend. Wij krantenjongens vonden het prachtig. We wilden ons nieuws kwijt, linksom of rechtsom. Wij hadden journalistiek verheven tot levenshouding en waren niet getrouwd met één medium.
Nu we een eeuwwisseling verder zijn, zijn de podia waarop een journalist met zijn verhalen kan acteren legio. Toch zijn er nog collega’s met koudwatervrees. Jammer. Het moet toch de natte droom van elke journalist zijn om zijn nieuws a la minute te verspreiden.
Het enige waar ik mij echt zorgen over maak is dat de snelheid ten koste gaat van de kwaliteit. En dan heb ik het niet over tikfouten of onvolledigheid. Ik doel op halve waarheden en feitelijke onjuistheden die onder een zelfopgelegde tijdsdruk de wereld in worden geslingerd.
Nog niet zo lang geleden meldde onze eigen afdeling internet wereldwijd dat volgens geruchten een ziekenhuis in brand stond. Dat was niet waar. De tijd om te checken werd niet genomen. Hoe journalisten in de toekomst ook werken, laat ze in ieder een betrouwbaar filter blijven.
Toch is er nog hoop zolang de Montgomery's van deze wereld journalisten niet alleen maar verwijten dat ze niet begrijpen dat tijden veranderen. Journalisten zijn een behoudend volk maar ze zijn niet blind. De Montgomery's moeten begrijpen dat het goed en objectief informeren van mensen belangrijk is voor een democratie. Nieuws als louter entertainment en als opvulling van de tijd tussen de reclamebrokken is de dood in de pot. Daarom mogen de Montgomery's wat mij betreft over de vorm gaan, de inhoud moeten ze aan journalistieke professionals over laten.
Wie het hele verhaal met Montgomery wil lezen klikt hier.
Curieus
Dit staat op de buitenkant van het sigarendoosje:

Dit staat er op het papiertje in het sigarendoosje:

Bevestiging (2)
Schreef ik gisteren over mijn emailverkeer met de gemeente Den Bosch, kom ik vandaag in het Eindhovens Dagblad het onderstaande artikeltje tegen. Het kan dus altijd gekker.
Ambtenaar is weg: uw e-mail wordt weggegooid
door Yolanda de Koster EINDHOVEN – Nu de vakanties massaal zijn begonnen, is het zaak om de afwezigheidsmelding op ieders e-mailadres in te stellen. Dat gaat niet in alle gevallen goed, zo bleek recent uit een e-mail die Eindhovenaar Schilderman van de gemeente kreeg.
Schilderman heeft een klacht bij de gemeente neergelegd over de verkeerssituatie op de Genneperweg. Deze is keurig in behandeling genomen door een ambtenaar.
Toen Schilderman echter reageerde op een mail over de kwestie van de behandelend ambtenaar, kreeg hij tot zijn onaangename verrassing het volgende mailtje terug: „17 augustus ben ik weer aanwezig. Uw bericht wordt niet gelezen en direct verwijderd. Indien u wenst dat ik uw bericht in behandeling neem, stuurt u het dan na 17 augustus nogmaals. Hartelijke groeten.”
Bevestiging
Ik heb op 16 juli een mail gestuurd naar de gemeentelijke afdeling stadstoezicht waarin ik een vraag stelde.
Op 23 juli had ik nog niet eens een ontvangstbevestiging, dus ik stuurde een mail met de vraag of mijn mail van 15 juli wel aangekomen was.
Nog diezelfde dag kreeg ik antwoord. Mijn mail was niet aangekomen. Of ik ‘m opnieuw kon sturen.
Dat heb ik gedaan.
Vrijwel per kerende post kreeg ik een ontvangstbevestiging. Bij bestudering bleek dat een reactie te zijn op de eerste mail. Omdat het vakantie is, schreef de dame, kon het wel een paar weken duren voordat ik antwoord op mijn vraag zou krijgen, Ik was al blij dat ik in de gemeentelijke pijplijn zat. Binnen is binnen . . .
Op 27 juli kreeg ik opnieuw een ontvangstbevestiging. Die had betrekking op mijn tweede mail. Deze dame schreef dat ik nog deze week antwoord zou krijgen.
Helaas kwam er een paar minuten later een mail overheen waarin diezelfde dame schreef dat ze had gezien dat ik al eerder een ontvangstbevestiging had gekregen op mijn eerste mail en dat ik haar antwoord als niet geschreven moest beschouwen.
Samengevat: we hebben een bevestiging van een mail die nooit aangekomen is en een intrekking van een bevestiging van een mail die wel aangekomen is omdat de ontvangst van een niet aangekomen mail al bevestigd was.
Denkt u dat ik ooit antwoord krijg op mij vraag?
Royaal
Een royale schoeffel. Het bestaat. Of beter gezegd: ze bestaat. Want een royale schoeffel is een meisje.
Ik leerde het woord van een vriendin die opgegroeid is in de Peel. Royale schoeffel is dus Peellands. Ze gebruikte het woord afgelopen weekend toen we op een terras in het aller-zuidoostelijke puntje van Limburg zaten.
De serveerster was er één van het soort: ik ga mijn klanten gelukkig maken. Ze was voorkomend, aardig, snel, grappig, behulpzaam. Kortom alles waar je bij de gemiddelde hedendaagse serveerster niet meer om hoeft te komen.
“Dat is nog eens een royale schoeffel,” zei onze vriendin.
Dus mocht u zo’n serveerster een compliment willen maken dan weet u nu wat u moet zeggen. Zorg wel dat u een tesnuzzik bij u heeft voor het geval ze het verkeerd opvat en u een bloedneus slaat.
Heuvelland
We hebben de afgelopen dagen in het Zuidlimburgse heuvelland gelopen.








Vocalies (71)
(Door Marlies)
In dit vierde zomerstukkie over zang gaan we het over holtes hebben. Over niets dus; over liever over niets met iets erom heen, zoals mijn breedsprakige vader vroeger een gat wenste te definiëren (overigens is hij op zijn 78ste nog steeds een uitstekend zanger; ik heb het van geen vreemden; de breedsprakigheid, noch de zangstem).
Die holtes zitten in uw hoofd en in mindere mate aan de voorkant onder uw sleutelbeen. Probeer maar eens: leg uw hand op uw borst, een beetje tegen uw sleutelbeenderen aan en zoem maar eens een lage toon. Probeer nu eens die trillingen meer te laten worden en op het moment dat u voelt dat ze stevig zijn (die trillingen bedoel ik) laat u uw mond open vallen: een mooie lage borsttoon is het gevolg, op ‘a’ of ’uh’.
Onder uw oogkassen zitten holtes (die kunnen zo lekker vollopen als u verkouden bent), uw voorhoofdsholte is tamelijk bekend: als je daar ontstoken slijm krijgt ben je nog niet jarig, zanger of niet: vreselijke hoofdpijn is het gevolg en je bent er niet zomaar vanaf, voordat dat zieke slijm weg is gaat er wel een weekje overheen. Bij je slapen zitten holtes en delen van je schedel zijn geloof ik ook hol. Kaakholtes, neusholtes alles wat ruimte heeft moet gaan resoneren: resonantieruimtes!
En wat is nou de bedoeling van al die holle praat: die holtes moeten meeklinken bij het zingen. Mee resoneren, zeggen ze ook wel eens. Het geeft de tonen warmte en volheid. U zoekt de holtes op door te neuriën en in de tussentijd een kauwende beweging te maken. Niet luid, gewoon een beetje zachtjes voor je heen zoemen, onder het afwassen of strijken bijvoorbeeld (een zanger leeft nou eenmaal altijd met zijn stem). Nogmaals als u het gevonden hebt, het ideale holtetje, laat u uw kaak zakken en huppekee: een toon! En nadat u ze op één vocaal gevonden hebt, gaat u op zoek naar de andere. Hou de lippen bij het neuriën los op elkaar en ze zullen mee gaan trillen (een wat kriebelig, maar niet onaangenaam gevoel). Laat voorzichtig de onder- en boventanden elkaar raken en u zult schrikken van het effect: het lijkt wel een tandartsboor.
Hoe meer holtes er mee klinken hoe prettiger de stem klinkt voor andere oren.
Er is een hilarisch stukkie van Anna Russell, die het heeft over tenoren; vrij vertaald: zij hebben resonantieruimtes waar hun hersenen zouden moeten zitten. Vandaar al die prachtige stemmen en de uitdrukking ’dumm, dummer, Tenor’…
Als u nou die lekkere zoemtonen gevonden hebt, ga dan eerst eens wat lager en daarna wat hoger zingen (kijk uit waar u dat doet overigens: ik heb vroeger eens toonladders geoefend op de fiets en werd al gauw voor de wijk-gek aangezien. Een van de mede-koorleden had me in een onbewaakt moment gehoord en zij sprak op de eerstvolgende repetities hoofdschuddend en in onvervalst Brabants ‘gij zingt ook overal, gij….’).
Doe maar lekker thuis, onder het huishouden, of in het bos, als u eerst rondgekeken hebt of er niemand in de buurt is. Ontdek wanneer de resonantieruimtes ophouden met meeklinken, leg uw hand over uw voorhoofd en op de ander plekken waar die ruimtes moeten meeklinken. Probeer het gebiedje waarin de ruimtes mee blijven klinken uit te bouwen. Allemaal niet te luid: als het lekker gaat, langzaam wat luider. Het lijkt wel wat op het Boedhistische chanten: dat ‘ohmmm…’ is niet voor niks ‘ohmmm’. In veel, nee in alle zang zit helende kracht. En als je flink verkouden bent wil het gezoem wel eens helpen wat snot los te laten trillen. Alles wat je weg krijgt zonder chemische troep is meegenomen, toch???
Veel heling toegewenst. Over twee weken over registerbreuken, of de afwezigheid daarvan.
Nobody
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Geen hond kende hij in het provinciestadje waar hij, op een éénmanspost, de belangen van een krant moest dienen. De omgeving was troosteloos. De regen gutste langs de gebroken afvoerpijpen van de monumentale kerk, eenderde van het historische stadscentrum stond te verkrotten en hij voelde argwaan tegen elk nieuw gezicht waar hij ook kwam. Z’n kantoor in een mottig vereniginggebouw rook naar lysol en bood uitzicht op struikgewas met gebruikte condooms, wapperend in de wind.
Een artiestenechtpaar, zij zangeres, hij tekenaar, op zoek naar een gezellige huisgenoot, bood hem een ruime kamer. Toen hij duidelijk maakte dat hij z’n eigen potje wilde koken timmerde de tekenaar met vaardige hand een keukentje in een diepe kast. Ver weg in het grote huis liet de zangeres haar toonladders galmen.
Dwalend door de stad passeerde hij de etalage van een dierenwinkel waar een hamster zijn aandacht trok omdat het beestje, als ‘t op z’n achterpootjes stond, hem deed denken aan z’n chef. In een opwelling kocht hij het diertje en een kooi.
Dat het een meisje was bleek op een ochtend doordat ze een stel jongen had geworpen die ze stond op te vreten, zoals mensen een handje pinda’s nuttigen.
Het kunstenaarsechtpaar groeide uit elkaar, vermoedelijk omdat de tekenaar minder man was dan de haar begeleidende pianisten. Zodat hun huurder, als hij niet hoefde te werken, alleen op die kamer zat met een boek en die hamster als gezelschap. Dan draaide hij maar weer z’n enige plaatje : een singeltje van blueszanger Josh White. Hij zette de hamster op de spindel en herkende in haar wederom zijn chef, deze keer draaiend in een mallemolen. ‘Nobody wants you when you’r down and out’ bezong Josh White klagend over armoe en eenzaamheid.
Brief van Ali (35)
Geacht parlementair Lid meneer Wilders,
Vandaag ik lees in computer uw partij vraagt wat kosten en baten zijn van allochtoonse mensen.
Eerst ik dacht u wilde ons huishoudboekje zien, maar collega op fabriek zei u wil weten wat wij van Staat krijgen wat Staat voor allochtoonse mensen moet betalen.
Is moeilijk en niet moeilijk. Wij krijgen niks van Staat alleen van baas van fabriek. Wij betalen wel belasting aan Staat.
Moeilijk is uitrekenen wat alle Nederlandse mensen van ons krijgen. Weet alleen ongeveer van huisbaas waar ik vroeger woonde. Hij had veel baat.
Wij woonden van ongeveer 1970 tot 1980 in pension met allochtoonse werknemers maar wij heten toen nog buitenlandse arbeiders. Was voordat ik trouwde met mevrouw Yildiz (u begrijpt zij had toen nog andere naam van haar vader.)
Eerste tien jaar wij verdienden ongeveer duizend gulden per maand in slachterij. Wij betaalden 400 gulden aan huisbaas met gas en water en ook licht. Was één peertje voor elke kamer en ook nog in hal, maar dat was altijd kapot.
Wij woonden met zeven mensen in driekamerhuis. U kunt uitrekenen huisbaas had 2800 gulden per maand baten. Was iets minder door kosten van huis, maar huisbaas deed niet veel dus was misschien 500 gulden per jaar voor kapotte lekkage.
Dan u kunt zelf uitrekenen wat huisbaas in tien jaar heeft gekregen.
U kunt huis niet meer zien. Het was huis langs drukke weg die later breder werd gemaakt. Huisbaas heeft toen huis verkocht aan gemeente. Wij vonden jammer voor huisbaas maar hij moest lachen dus wij denken hij was niet verdrietig.
Als u wilt vragen aan huisbaas naar baten u kunt naar hem toe. Ik weet niet adres, maar vanaf balkon van ons flat u kunt zien zijn villa. Is grote witte villa bij bos met zwembad. Ik kan aanwijzen als u komt thee staat altijd klaar. Ook met koekje, dat is grapje van Hollandse mensen hahaha.
Nu ik hoop ik heb u geholpen met onderzoek.
Groeten,
Ali Yildiz
Bashen
In mijn ochtendblad is een discussie gaande over het bashen van politici. Utrechts burgemeester Aleid Wolfsen zwengelde de kwestie aan. Hij vindt dat het afgelopen moet zijn met het bashen. De krant zocht er meningen bij. Conclusie: het bashen van hoogmogenden is van alle tijden. Zohoooo . . . .
Ik hou er niet van politici aan te vallen louter en alleen omdat het politici zijn. Ik ga er van uit dat de gemiddelde politicus/ca het goed meent. Of het nou Geert Wilders, Agnes Kant of Alexander Pechthold is, ze zijn er elk op hun eigen manier oprecht van overtuigd dat ze de mensheid een dienst bewijzen.
Het enige dat ik sommige volksvertegenwoordigers verwijt is, dat ze net doen alsof ze niet door hebben dat wij ze door hebben. Dat vind ik kinderachtig.
Neem nou de politici in mijn eigen stad Den Bosch. Daar komen hostels voor psychiatrisch gestoorde verslaafden. De gemeenteraad was er voor dat die in woonwijken zouden komen omdat die stakkerds moeten integreren.
U begrijpt het. Niemand wil zo’n hostel in de buurt. Den Bosch is een stad vol ruig volk dus het protest kwam als een storm over de politiek. De populisten in de gemeenteraad draaiden meteen als een blad aan de boom om. Ze hadden niet op zoveel tegenstand gerekend, zeiden ze.
En dat argument moeten wij geloven? Dan vraag je je toch in alle oprechtheid af of die politici echt denken dat wij zo dom zijn, terwijl vorig jaar nog een beoogd hostel in Den Bosch in brand vloog.
De kroon spant nu VVD’er Jan Hoskam. Ik ken hem als een intelligente politicus die bovendien gezegend is met zelfspot en relativeringsvermogen. Hij was één van de eersten die door wilde gaan met de hostels met als argument: we moeten ons niet bij het eerste zuchtje tegenwind uit het veld laten staan.
Maar wat lees ik nou vanmorgen? De liberaal begint terugtrekkende bewegingen te maken. Hij wist niet dat die psychiatrisch verslaafden drugsverslaafden waren. Hij dacht dat het alcoholverslaafden waren. En hij wist ook niet dat die mensen de straat op mogen. Tja, waarom moeten ze anders in een woonwijk?
Hoskam is daarmee de enige Bosschenaar die het niet heeft begrepen. Zou hij nou werkelijk denken dat het volk zo dom is dat het dat verhaal gelooft. Kijk, een politcus bashen gaat mij te ver, maar ik vind wel dat je ze af en toe symbolisch een trap onder hun kont mag geven. Al is het maar uit liefde.
Vrijheid
Onze eigenste Brabantse deputé Onno Hoes huilt op Twitter. Hij begrijpt niet dat mensen niet begrijpen dat er een verschil is tussen het aankopen van een filmpje van een beveiligingscamera en het plaatsen van een microfoon in een privéhuis.
Voor wie dit belangrijkste Brabantse nieuws van vorige week niet heeft gevolgd, een korte samenvatting. BNN reikt prijs uit aan Albert Verlinde van RTL Boulevard. Daarin was een microfoontje verstopt waarmee Albert en zijn man Onno werden afgeluisterd. BNN wilde dat uitzenden maar het paar voorkwam dat met een kort geding.
En nu zijn er mensen die lekker puuuhhh roepen tegen Albert Verlinde. De celebhunter die zelf bejaagd wordt krijgt niet alleen maar steunbetuigingen. Er zijn mensen die besmuikt lachen om zo’n koekje van eigen deeg.
Maar dat is het natuurlijk niet. Juridisch is er een heel verschil tussen het feit dat Albert voor zijn programma Boulevard voor veel geld een filmpje koopt waarop te zien is dat Yolanthe en Wesley elkaar kussen in een parkeergarage en het plaatsen van afluisterapparatuur in de privéwoning van Verlinde.
Moreel vind ik beide acties weliswaar van een heel andere orde maar even verwerpelijk. Hoes is lid van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Ik concentreer me even op de tweede V, die van vrijheid. Vrijheid wil voor mij zeggen dat ik binnen de wettelijke grenzen kan doen wat ik wil zonder dat mijn gedrag in een TV-programma te grabbel wordt gegooid. En al helemaal niet als beelden van mijn gedrag, die daar helemaal niet voor bedoeld zijn, stiekem worden doorverkocht aan iemand die donders goed weet dat dat filmpje hem helemaal niet toebehoort.
Wat is het verschil tussen de aankoop van zo’n gestolen filmpje en de aankoop van een gestolen fiets? Dat eerste heet entertainment, dat tweede heling. In het eerste geval ga je vrijuit, in het tweede geval draai je de bak ik.
Ik vind het prima dat Hoes opkomt voor zijn partner. Ik zeg altijd maar zo: een vent die niet voor zijn man op komt is geen vent. Maar ik begrijp niet, dat hij niet begrijpt, dat er mensen zijn die niet alles leuk vinden wat Albert doet. Hij zou het komende reces eens kunnen gebruiken om met Albert te brainstormen over wat belangrijker is: dat mensen in vrijheid kunnen leven zonder dat dat op televisie komt? Of dat iedereen de vrijheid moet hebben om andermans leven op straat te gooien? Als de heren dat gaan doen tijdens een gezellig dinertje wil ik (just for the sake of discussion) wel aanschuiven, want het blijven natuurlijk gewoon gezellige Brabantse mannen . . .
Brief van Ali (34)
Beste mensen,
U dacht zeker is Ali dood of terug naar die Turkei. Is half jaar geleden van laatste brief. Nee, alles gaat goed en wij gaan nooit meer terug. Maar was drukke tijd van economiecrisis. Veel mensen in fabriek waren ontslagen maar ik niet. Wij moeten met paar mensen nu heel hard werken. Gaat alweer beetje beter.
Is toch weer brief want ik lees in krant van groot probleem. Niet in Nederland want alles is goed met ons. Maar probleem in Spanje. Daar zijn overvallen op jonge Marokkaanse jongens uit Nederland. Zij gaan met dure auto naar geboorteland van ouders en dan zij worden langs autosnelweg overvallen.
Vroeger er waren geen overvallen op allochtoonse mensen uit Nederland. Wij gingen altijd met oude bus naar die Turkei of Marokko. Was grappig met koelkast op dak en bloemengordijntjes. Wij hadden niks voor overvallers.
Maar nou tweede generatie heeft dure auto’s bij elkaar gespaard en zij hebben wel geld. Ik zie jongens wel eens overdag bij station. Zij hebben Audi, Mercedes en BMW. En zij wachten daar samen. Ik weet niet waarom. Misschien zij hebben altijd nachtdienst. Dan jij verdien veel geld voor auto.
Is wel stoer zo’n grote auto. Wij van eerste generatie hadden geen auto. Later wij hadden oude auto’s met roest. Daarmee jij kon geen indruk maken op Nederlandse meisjes. Jongens in BMW kunnen wel indruk maken op Nederlandse meisjes, maar zij moeten later toch trouwen met meisje van eigen cultuur dus waarom jij zal indruk maken.
Maar ja, zo zijn alle jongens ook Nederlandse jongens. Zij willen allemaal stoer doen voor meisjes en zij weten niet dat meeste meisjes helemaal niet onder indruk zijn. Alleen kleinere jongens vinden grote jongens met Mercedes stoer. Maar waarom jij wil stoer zijn voor andere jongens. Marokkaanse jongens zijn toch hetero. Is ingewikkeld vraag.
En nou overvallers in Spanje zij hebben oog laten vallen op auto’s van die jongens en ook op hun spullen.
Ik denk is groot Europees probleem en europees parlement moet aanpakken. Ik denk ik stuur deze brief ook naar meneer Van Camp. Hij is van Tweede Kamer naar parlement in Brussel gegaan. Hij heeft motor en weet wat is om vrij over wegen te rijden. Misschien hij kan parlementvragen stellen over overvallen.
Groeten van
Ali Yildiz
Vocalies (70)
(Door Marlies)
Het dertigste radio podcastprogramma is er. Klik hier.
Vandaag in 1821 werd Michelle Ferdinande Pauline García geboren. Een allround muzikale vrouw. Ze had wel alles mee: haar vader de Spaanse tenor Manuel del Pópulo Vicente García, haar oudere zuster de wereldberoemde mezzo-sopraan Maria Malibran (Cecilia Bartoli heeft een mooie cd gemaakt met liederen van Maria Malibran), haar moeder een geduldige en liefdevolle piano- en zanglerares, tsja, als je dan geen carrière maakt….
Als klein kind reisde ze met haar familie naar London en New York (en daar was je in die tijd niet zomaar). Zowat het hele gezin trad in New York op in de eerste uitvoering daar van Mozart’s Don Giovanni. Toen ze een jaar of zes was, sprak ze al vloeiend Spaans, Frans, Engels en Italiaans, pfoe…
Als ze elf is sterft haar vader plotseling, haar moeder neemt zijn rol als docent over en ze gaat steeds meer zingen en steeds minder piano spelen. Omdat ze behalve het zingen en bespelen van de piano ook de nodige theorie-lessen kreeg, werd het mogelijk op latere leeftijd nog te gaan componeren ook. Het moet een intelligente, hoogbegaafde dames geweest zijn, deze Viardot.
Ze trekt me aan omdat ze zo eigengereid was . In die tijd niet makkelijk voor een vrouw en al helemaal niet binnen de muziek. Ze was de muze van een aantal belangrijke componisten van die tijd: Chopin wijdt Mazurka’s aan haar; George Sand baseert de helding uit een van haar boeken op het leven van Pauline en Camille Saint-Saëns wijdt zijn Samson et Dalilah aan haar, om er maar eens een paar te noemen.
In 1836 sterft haar wereldberoemde zus, nog maar 28 jaar oud. Pauline wordt professioneel zangeres, met een enorm bereik, een uitstekende zangtechniek en, voor zo’n jonge vrouw: een verbluffende passie op het toneel. In tegenstelling tot haar zus was Pauline geen schoonheid: eerder bijna lelijk. Toch krijgt ze het publiek aan haar voeten; het beste bewijs dat ware schoonheid van binnen zit.
Ik herken daar wel wat in: zelf bepaald geen schoonheid stond ik eens naast een ravissante en goede sopraan een concert te zingen. Iemand uit het publiek zei naderhand dat ze had gezien hoe er bij de schoonheid veel minder veranderde en doorstraalde dan bij mij tijdens het zingen; er viel bij mij zingend immers een wereld te winnen… Het is het dierbaarste compliment dat ik ooit kreeg.
Terug naar Pauline: ze trouwt op haar achttiende met Louis Viardot, ongeveer 21 jaar ouder. Hij wijdde zijn leven en zijn carrière aan haar en was haar stabiele rots in de branding. Haar kinderen hadden ook muzikale carrières: zoon Paul werd violist, dochter Louise componist en schrijfster en nog twee jongere dochters beiden zangeres. Haar gelukkige huwelijksleven weerhoudt haar er niet van vriendschappen te sluiten met andere mannen. In verschillende bronnen wordt overigens gesuggereerd dat ze verhoudingen zou hebben gehad met die mannen, in andere bronnen beweert men dat het slechts om platonische liefdes gaat. We zullen nooit weten hoe het precies zat.
Ze had een lange en vervullende carrière als zangeres en besloot op tijd te stoppen (in 1863). Heel af en toe liet ze zich overhalen om nog eens iets te zingen (in Brahms’s Altrapsodie bijvoorbeeld), maar ze wijdde zich na haar ‘pensionering’ steeds meer aan het componeren.
Haar man sterft in 1883, zijzelf op negenentachtig-jarige leeftijd in 1910. Ze ligt begraven op het Montmartre-kerkhof in Parijs.
Wat een vrouw!
In het filmpje Cecilia Bartoli in een wereldberoemd concert in het prachtige theatertje in Vincenza. Let op de pianist: Jean Yves Thibaudet, niet zomaar eentje!
Met mezelf
Ze komen steeds minder vaak voor, de periodes dat ik mezelf bij m’n kladden moet pakken en tegen mezelf moet zeggen: stel je niet zo aan.
Maar ik voel dat het nu tijd wordt voor een ernstig gesprek met mezelf. Het chagrijn slaat weer toe. Het is een opeenstapeling van kleine dingen. Ik ga me bijvoorbeeld steeds meer ergeren aan de overlast van coffeeshopbezoekers in onze straat.
Neem nou gisteren. Ik zie dat een passagier van een auto voor onze deur troep uit de auto flikkert. Ik blijf beleefd, vraag hem of hij dat nog nodig heeft en zo niet of ik het dan in de vuilnisbak mag gooien. En passant vertel ik hem dat het vervelend is dat hij onze buurt vervuilt.
Vervolgens stapt de bestuurder met veel misbaar uit en vraagt “wat ik moet”. Ik zie dat zijn ogen uitpuilen dus ik weet hoe laat het is en besluit waardig weg te lopen.
Onwillekeurig vreet dat soort dingen aan me. Het druist in tegen mijn gevoel van rechtvaardigheid. Wij proberen met z’n allen de buurt leefbaar te houden en dagelijks worden we daarin tegengewerkt door een stel klootzakken dat altijd vrijuit gaan.
Op het werk is het de laatste tijd net iets te vaak voorgekomen dat onderwerpen die mijn collega en ik aandroegen tussen wal en schip raakten. Totdat andere media er mee aan de haal gingen en bij ons iedereen vond dat “wij er ook niet omheen konden”.
Van die dingen dus. Ik ben er het type niet naar om er mijn schouders over op te halen. Ik heb nou eenmaal een bepaalde innerlijke gedrevenheid die ik niet kan beteugelen. En ik wil nooit, maar dan ook nooit in een situatie van onverschilligheid terecht komen. Voor het weet flikker ik mijn afval ook bij anderen voor de deur.
Tijd voor bezinning dus want ik ga nog lang niet op vakantie. Ach, het komt zoals altijd wel weer goed. Ik moet het evenwicht hervinden tussen de ernst van de dingen die om mij heen gebeuren en de mate waarinik mij daaraan erger. Nu ik het van me afgeschreven heb voelt het al wat beter. ik ga m'n spullen pakken en m'n baas een paar uur vervelen . . .
Rekenen
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Twee meisjes, type Schoevers-opleiding, wachten bij de Turkse slager/groenteman/kruidenier op hun bestelling: drie broodjes geroosterd vlees met groente en tomaten- en knoflooksaus. De Turkse winkelier verpakt de bestelling in drie zakjes; in elk zakje twee doosje saus. “Negen euro” zegt de winkelier als het op afrekenen aankomt. “Hoe veel is dat per broodje?”, vraagt het meisje dat afrekent.
De aankopen bij de supermarkt kosten € 38,75. Ik betaal met briefjes van twintig, tien en vijf plus muntjes van twee en één euro en van 3x twintig cent, één van tien cent en één van vijf cent. Het meisje aan de kassa vraagt mij vriendelijk of ik met briefjes van twintig of één van vijftig wil betalen want zij kan mijn verzameling papier- en muntgeld niet optellen.
De rekening van de drankjes op het terras bedraagt elf euro. Ik geef een briefje van vijftig, leg er twee euro bij en zeg de jeugdige terraskellnerin dat ze twaalf euro moet rekenen. “Hoe veel moet ik dan teruggeven?”, vraagt ze.
Ik kijk op TV naar een tenniswedstrijd in het tournooi van Roland Garros in Parijs. In een fel duel bereiken de spelers een rally van 23 slagen.”Dat is dan 23 keer héén en weer.”zegt NOS-verslaggever Marcella Mesker.
Er is iets niet goed gegaan in het rekenonderwijs.
Moord en doodslag
ik pik niet vaak iets van andere webloggers, maar ik kwam bij Gelkinghe iets tegen dat ik graag wil delen met hen die hem niet lezen.
Wij journalisten klagen vaak dat de luisteraars en kijkers alleen maar in moord en doodslag zijn geinteresseerd. Maar blijkens dat logje is er in honderd jaar niks veranderd.
ik heb er erg van genoten. Klik hier
Oorlog
Ik ben journalist maar ik heb geen perskaart. Dat komt omdat in de tijd van de bakelieten telefoon perskaarten voor bureauredacteuren zijn afgeschaft. Bezuinigingsmaatregel denk ik. Alleen verslaggevers in de frontlinie hebben een perskaart.
Nou had een bureauredacteur vroeger ook geen perskaart nodig. Wat moest hij op een rampterrein zonder opname-apparatuur? Maar de tijden zijn veranderd. Elke Jan Lul kan tegenwoordig met een mobieltje live op zender of foto’s mailen. Een bureauredacteur ook.
Dus toen de jaarlijkse mail kwam om je aan te melden voor een nieuwe perskaart zei ik tegen de organisator van deze papieren rompslomp: wat nu als de binnenstad van Den Bosch buiten kantoortijd afbrandt? Dan kan ik er als één van de eersten bij zijn maar dan word ik door het gezag weggestuurd omdat ik geen perskaart heb.
De organisator was meteen overtuigd dus deze week heb ik een pasfoto en een kopie paspoort ingeleverd bij het directiesecretariaat die de rompslomp afhandelt. Ik ben nu in afwachting van dat geplastificeerde kaartje dat mij een journalistieke identiteit verschaft.
Nee, daarmee is dit verhaal niet klaar. Het ergste komt nog.
Gisteravond toog ik zoals elke maand op de fiets naar het stadskantoor van Den Bosch om de gemeenteraad te verslaan. Tot mijn verrassing was het hek van de fietsenstalling dicht. Gebeurt nooit. Omdat er al eens een fiets van mij gejat is bij het stadskantoor schoot ik een mij bekende bode aan die bereid was het hek te openen. Nog voordat hij op de knop kon drukken greep een andere, mij onbekende bode in.
Het gemeentehuis bleek in staat van oorlog omdat er (overigens heel vredelievende) tegenstanders van hostels in huis waren. Alleen raadsleden mochten vandaag hun fiets binnen zetten.
De eerste bode nam het voor me op, de tweede bleef weigeren. Hun baas werd er bij gehaald om de knoop door te hakken. Die vertelde me dat ik alleen binnen mocht als ik een perskaart kon tonen. Ik dacht nog: leuk, een ambtenaar met humor. Maar hij was niet grappig en wuifde mij hautain weg. Dat moet je bij mij niet doen want dan word ik heel vervelend. Ik dus bakkeleien, maar de baas van de bodes was het type “geef hem de macht, marcheren maar, de laarzen staan al klaar” (Jekkers bedankt). Daar kun je niet mee praten.
Ik ben toen heel rustig naar buiten gegaan en ben in het kielzog van een mij welgezind raadslid alsnog de fietsenstalling binnen kunnen gaan.
Kijk, daarom is een perskaart voor een journalist heel belangrijk. Om je fiets te kunnen stallen bij het stadskantoor in ’s-Hertogenbosch.
Ik hoop eerlijk gezegd dat ik hem ook nooit ergens anders voor hoef te gebruiken, bijvoorbeeld omdat er echt oorlog is op het stadskantoor van de gemeente ’s-Hertogenbosch.
P&B
Mijn vrouw vindt het knap dat ik elke dag een stukje kan schrijven. Ach schat, zeg ik dan, jij kunt elk moment van de dag een hoge C zingen. Ieder z'n gave.
Ze vindt het wel jammer dat ik zo weinig over Poes&Broer schrijf.
P&B liggen de hele dag met hun volgevreten lijven op een kussentje. Zodra ik in het zicht kom drijven ze mij naar hun etensbakken. Daarna draperen ze hun kilo's op mijn schoot zodat ik mij uren lang niet kan verroeren. Moe van het aandacht geven ga ik slapen.
Dan begint het avontuurlijke nachtleven van P&B. Ze beleven doldrieste dingen op de daken van de omliggende huizen. Maar ja, daar ben ik niet bij.
Zo. Vrouw tevreden. Ik tevreden. Want zo gaat dat in het huwelijk van een poezenvader en een poezenmoeder.
Tiplijn
Kroegpraat is gevaarlijke praat. Ongeremdheid leidt soms tot onzin of grootspraak Maar soms vertelt iemand een geloofwaardig verhaal dat niet waar kan zijn. Zulke verhalen bestaan.
Vrijdag vertelde iemand mij in de kroeg dat politiemensen soms zelf de anonieme tiplijn bellen. Bijvoorbeeld om een zaak los te trekken die dreigt vast te lopen.
Ik geloofde het meteen. In de eerste plaats vanwege de bron en in de tweede plaats omdat ik me niet kan voorstellen dat politiemensen dat niet doen.
Stel je voor, je bent rechercheur en je hebt weken of maanden je gezin verwaarloosd om een zaak rond te krijgen. Net op het laatste moment mis je dat laatste flinterdunne stukje bewijs om iemand op te pakken of een huiszoeking te kunnen doen.
Je bent zeker van je zaak maar je weet dat jouw zekerheid een andere is dan wettelijk en overtuigend bewijs. Dan is de verleiding om de anonieme kliklijn te bellen groot.
Omdat je weet dat jouw collega’s niet zomaar uitrukken pak je het slinks aan. Je laat ook een collega bellen die in hetzelfde schuitje zit en eventueel ook nog je vrouw, want die wil jou ook wel weer eens een avond thuis. Drie tips over één zaak moet de politiemachine toch in werking stellen. Ik denk dat ik het zo zou doen als ik bij de politie werkte.
Aanvankelijk heb ik het verhaal in mijn hoofd opgeslagen, voor het geval dat. Wie schetst mijn verbazing toen ik nog geen 24 uur later las dat een echtpaar uit Valkenswaard via een gerechtelijke procedure de identiteit van een anonieme beller wil achterhalen. Kort samengevat: politie doet inval in huis echtpaar na anonieme tip over drugs. Politie haalt alles overhoop maar vindt geen spoor van bewijs. Echtpaar is wel gestigmatiseerd.
Toen ik dat las moest ik ineens aan die kroegpraat denken.
Nach Purmerend
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Toen in de oorlogsjaren van 1940-45 de hongerwinter aanbrak was ik elf jaar. Mijn taak in het huishouden was: zorgen voor brandstof. Op een voormalig stationsterrein zeefde ik grond hopend op ooit gemorste steenkool.
Na een dag graven en zeven in bittere kou had ik soms een handje vol. Met m’n zaagje uit het gereedschapskistje voor kinderen schuimde ik de stadsranden van Amsterdam af, op zoek naar dorre takken. Omdat ik niet de enige was waren de dorre takken gauw op, en uiteindelijk de jonge bomen. Daarna de houten blokjes tussen de tramrails en vervolgens alles wat kon branden in de huizen die joodse medelanders hadden moeten verlaten.
Langs de Amstel stonden houten wegwijzers die de bezetter daar had geplaatst. Eikenhouten palen met daaraan vastgespijkerd gele, zwartomrande richtingwijzers met teksten als ‘Zum Ortskommandantur” en “Nach Purmerend”.
Ik haalde ze allemaal om met m’n speelgoedzaagje. Op klaarlichte dag. Thuis hakte en zaagde ik het hout ik stukjes voor het kleine noodkacheltje waarop m’n moeder schrale maaltijden bereidde en waaraan we ons warmden.
Het was geen daad van verzet.
Vocalies (69)
We gaan zingen! He he, eindelijk. Nou ja zingen, we gaan inzingen! Da’s nog niet zomaar hetzelfde, want vooral inzingen moet met beleid gebeuren. Uw stembanden zijn gemiddeld een halve centimeter breed en zo’n anderhalve centimeter lang en het zijn spieren (!). Spiertjes dus en die dien je met omzichtigheid tegemoet te treden. Je stuurt tenslotte een club godenzonen ook niet het voetbalveld op voor een wedstrijd zonder warming up. Zelfs (of juist) al hebben ze zoveel gekost dat er een halve economie op draait. Nou dan. Wees er dus voorzichtig mee.
Als u stijgende tonen zingt rekken uw stembanden op, zingt u dalend dan laten ze steeds losser. Een diepe bas die een uiterst lage toon zingt (zoals bijvoorbeeld in ‘In diesen heil’gen Hallen’ uit Mozart’s Zauberflöte) moet de kunst verstaan zijn stembanden helemaal los te laten bengelen met behoud van de ademsteun waar we het in eerdere lesjes al eens over hadden. Dat valt nog niet mee.
En een sopraan die een aria met een hoge luide (let op hè: zangers zingen nooit ‘hard’ ze zingen ‘luid’) b of c eindigt heeft haar stembanden tot het uiterste aangespannen. (Om de f-III te zingen die in de aria van de Königin der Nacht voorkomt is weer een andere vaardigheid nodig, maar daarover misschien ooit op een ander moment meer.)
Uw stembanden hangen als een soort hangmatje voor en achter aangehecht in uw strottenhoofd, naast elkaar en voor en achter bij elkaar komend. Zingt u stijgend dan gaat dat strottenhoofd uit elkaar en krijgen uw stembanden de gelegenheid aan te spannen. Zingt u dalend dan gaan voor- en achterkant van het strottenhoofd iets naar elkaar toe om zo het ‘hangmatje’ dieper te laten doorbuigen.
Keel- en oorartsen zouden griezelen als ze deze uiterst gesimplificeerde uitleg lazen, maar ik wil het zo plastisch mogelijk uitleggen. Ik ben soms liever eerlijk dan tactisch… Het enige dat u moet doen is zorgen dat (mits er niks anatomisch mis is en uw ademhaling goed functioneert) uw hangmatje laten doen wat het moet doen: aanspannen en weer loslaten.
Begin dus uw inzingoefeningen in het midden van uw stembereik en nooit, nooit, nooit luid: ergens rond de midden-g op de piano. Zing eerst dalende oefeningen, tot uw de maximale laagte bereikt hebt. Een eenmaal warm gezongen stem ‘haalt’ de laagte die ze in het begin haalt later niet meer. En nog zo’n waarheid als een koe: als je je hoogte wil uitbreiden, moet je meer in de laagte oefenen. Na een dalende reeks (kan me niet schelen op welke klank, zoek die klank die u lekker vindt: begin trouwens liever neuriënd en dan met bijvoorbeeld de vocaal a (niet de kale a maar een beetje de Brabantse, met een bietje o erin; ik vind de ie lekker, maar ach, ik ben maar een mening), gaat u voorzichtig diezelfde dalende reeks steeds een halve toon hoger beginnen.
Deel twee van uw zingoefening begint op diezelfde g en maakt nu een loopje naar boven: bijvoorbeeld g,a,b,c,d (do re mi fa sol in relatieve benamingen). Rustig omhoog ,niet tot het allerhoogste, maar tot daar waar u zich moet gaan inspannen.
Deel drie: we maken even de ademspieren los en alert: leg uw hand in uw zij en zing (weer rond het midden) een stijgende majeur-drieklank (do mi sol mi so), staccato, dat wil zeggen met schuddend middenrif. Rustig an en langzaam een beetje luider.
Deel vier: we maken even de tong en de lippen los: zing datzelfde dalende loopje van in het begin maar nu op bra, bra, bra, bro, bru, sta, sto, stu, kla, klo, klu en wees maar inventief met de rest van het alfabet. Met een rollende r natuurlijk. Die zit er overigens niet bij iedereen op, is soms aan te leren, maar niet altijd. Als het velletje onder je tong te ver vast zit en je tong in de breedte beter functioneert dan in de lengte lukt een tong-r niet. Heel vaak is-ie te trainen door korte d-d-d-d-d-tjes te zingen met je tong tegen je voortanden. Soms is een duidelijke huig-r (in het Frans, luister naar Aznavour!) te preferen. Brouw-r-en alleen in het Engels. Nooit op zijn Goois, woest word ik als ik ‘m hoor……!!!
Zing nooit te lang in. Vijf minuten is lang zat. Ik ken een beroemde zang-professor in Salzburg die in zijn dagen zijn leerlingen uit kamertjes sleurde als-ie ze in hoorde zingen en vooral als-ie ze te lang en te hoog en te luid hoorde inzingen.
Ik geloof evenmin in te lang inzingen. Als je een hele dag gewoon gepraat hebt is inzingen veel minder lang nodig, dan wanneer je ’s morgens voor dag en dauw een mis moet zingen. Ik stond jaren achtereen op tweede kerstdag om half zeven op, om in te zingen en vervolgens om negen uur de eerste mis te zingen. De enige betaling was overigens het feit dat het eerste jaar er geen hond in de kerk zat en vanaf het derde jaar de kerk meer dan voor de helft gevuld was (ik lijk wel gek ook, trouwens… achteraf bezien).
Ik ken collega’s die met een ariaatje inzingen, zo’n Mozart-dingske, dat niet te hoog en niet te laag gaat en lekker veel dictie vereist (bijvoorbeeld Susanna uit Le Nozze di Figaro, zie het filmpje). Of een liedje uit een zangmethode (daar kun je trouwens ook vellen over vol schrijven, over de zin en onzin van zangmethodes).
Natuurlijk ook hier weer geen volledigheid, dat kan niet, zonder bijvoorbeeld beeld of tekeningen van wat je strottenhoofd doet als je stijgend of dalend zingt.
Blijf erop letten: zingen moet een lichamelijk welbehagen zijn en blijven.
Er zijn talloze leuke boekjes met leuke inzingertjes. Bijvoorbeeld ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ en dergelijke juweeltjes. Volksliedjes lenen zich goed als inzingertje en overdag-hummertjes en de kinderliedjes die uw kroost mee naar huis nemen (als ze op school tenminste nog aandacht besteden aan zoiets ouwerwets als zingen…) en reclame-deuntjes en en en….
Tot in les 4: dan ga ik u doorzagen over resonantie. Zoek maar alvast op!
Golf
Eerst waren wij correct linkse jongeren. We knuffelden alle buitenlanders, ook al waren hun eetgewoontes niet de onze.
We zagen wel dat de aanpassing aan onze cultuur te wensen over liet, maar wij waren voor integratie met behoud van eigen identiteit dus wij begrepen het allemaal.
We hoorden de verhalen over Marokkaantjes en maakten ons zorgen maar zochten de schuld bij het falende overheidsbeleid. Zij kregen niet genoeg kansen.
En opeens was daar de intellectuele Pim met in zijn kielzog het volk. De opinie kantelde. Wij streden tegen de onwelgevoeglijke meningen die op elke straathoek te horen waren.
Totdat we bedachten dat het volk een factor van betekenis was. Met hezelfde gemak als waarmee we de buitenlanders knuffelden, knuffelden we het volk. Ook al rookte dat zware shag.
We waren zelfs een beetje opgelucht dat we opeens samen met dat volk voorzichtig ons hart konden luchten in naam de goede zaak, namelijk de verheffing van dat volk.
En toen kwam Geert en zagen we hoe snel zaken kunnen escaleren. Zo hadden we het niet bedoeld. Ons tegengeluid was niet sterk genoeg omdat we krediet hadden verspeeld.
Guusje ter Horst en Thomas van der Dunk hebben deze week een poging gedaan om het tij te keren. Ze vinden dat de linkse kerk een tegengeluid moet laten horen. De krachten moet bundelen zelfs, zoals we dat ook deden in de jaren zeventig en tachtig. En het volk? Het volk moet ophouden met zeiken. Kijk, dat is taal dat het volk begrijpt.
Wat moet ik nu? Ik vind al lang dat het volk niet zo moet zeiken. Maar is het nu al de tijd dat te zeggen?
Kunnen we dat al zeggen op het moment dat een handjevol Marokkaantjes de baas is op straat? Kunnen we dat al zeggen zolang onze ouders maar één keer per week mogen douchen in het verpleeghuis? Kunnen we dat al zeggen terwijl ons onderwijs organisatorisch nog steeds een puinhoop is?
Ik denk dat het nog te vroeg is om mee te surfen op een nieuwe golf.
Buurmeisje

Robuust
Het gaat mij niet aan anderen te bekritiseren om taalfouten zolang ik zelf niet vlekkeloos Nederlands schrijf. Maar soms kom ik dingen tegen waarvan ik denk . . . Nou ja, u snapt wel wat ik denk.
De gemeente Den Bosch stuurde een persbericht. De wethouder had diploma’s uitgereikt aan schoolverlaters die terug waren geleid (zo staat het er echt) naar school en die uiteindelijk een havodiploma hadden gehaald. En dan schrijft de gemeente: We zijn trots op hun!
Stuur die ambtenaar ook terug naar de schoolbanken . . .
Over ambtenaren gesproken. Ik las vandaag in een stuk van de gemeente Helmond:
De ambitie is om een robuuste bijdrage te leveren aan het verduurzamen van de voedselproductieketen door het stimuleren en faciliteren van marktgedreven innovaties in food processing systemen. Dit moet uiteindelijk de innovatieagenda bepalen om de stap te zetten naar een Centre for Dutch Food Systems.
Zoiets noemen wij een zapmomentje.
Schwammerl
Soms krijg je zomaar mooie dingen aangereikt. Mijn medeschrijver op dit weblog Ab Klaassens vertoefde een wijle in een Frankisch pension.
Daar hing aan de wand een gedicht dat de eigenaresse Sibylle had geschreven voor haar Bernd, toen hij zestig werd. in de streektaal. Ze heeft er een hoogduitse vertaling bij gedaan.
Ab nam beide versies mee en liet ze me lezen. We kwamen samen tot de conclusie dat het wel een heel mooie liefdesverklaring is en dat de wereld er kennis van moet nemen.
Füe mein Moo ze sein 60.
Manchmoll
bedroacht iech diech
wenns da unnen altn Radio reparierst
oude die Näjmaschin üelst
weens da widde amoll dei Werkzeuch ümräumst
oude en Stoarnkastn wejddefest machst
wenns da zefrüh alles noo sein Ploatz ruckst aufn Tiesch
die Kaffejhejfela, die Bruet, deina Tablettn
doann öscht kosta die Zeitung lejs
wenns da ganz rueta Backn krigst bein Blaudern
walls da ann die Meinung souch mußt
dä wuu widde amoll übe die Ärbetsluesn und Ausländer schimpft
wenns da im Gaddn auf deine Benk sitzt
die wuu die Voarre nuch gemacht hott
und mitn Fernglous jejds Vöuchela beouboachst
und ganz bei diech bist
doann merk iechs
mei Herz macht ann Hupfe
und iech denk
Schwammerl, iech mouch diech, ganz sehr
Für meinen Mann zu seinem 60. Geburtstag
Manchmal
schaue ich dir zu
wenn du unseren alten Radio reparierst
oder die Nähmaschine ölst
wenn du wieder einmal dein Werkzeug umräumst
oder das Vogelhäuschen wetterfest machst
wenn du am Morgen alles an seinen Platz rückst
deine Kaffeetasse, dein Brot, deine Tabletten
dann erst kannst du deine Zeitung lesen
wenn du ganz rote Wangen bekommst
weil du jemandem deine Meinung sagen musst
der wieder einmal über die Arbeitslosen und Ausländer schimpft
wenn du im Garten auf deiner Bank sitzt
die dein Vater noch gebaut hat
und mit dem Fernglas jeden Vogel beobachtest
und ganz bei dir bist
dann spüre ich es
mein Herz macht einen Sprung
und ich denke
Schwammerl, ich mag dich, ganz sehr
José
Mijn baas vond dat nieuwsgaarders moeten twitteren. Ik wil niet. Je moet. Moet ik dan elke scheet die ik laat op twitter zetten? Je begrijpt er niets van. Je moet mensen die twitteren gaan volgen. Daar zit soms nieuws in. Wie dan? De politieverslaggeefster van de krant. Maar die meldt alleen maar dingen die ik al weet of ze schrijft dat ze iets weet en het nog niet kan vertellen omdat de concurrentie mee leest. Doe nou maar, je moet met je tijd mee gaan. Ik help je wel een account te maken. Ja, maar ik heb helemaal geen tijd om te twitteren. Dat kost geen tijd. Dat doe je even tussendoor. Ja maar tussendoor wil ik een boek lezen. Je leest toch geen boek als je aan het werk bent. Dus ik kan twitteren in de baas z’n tijd. Ja, tuurlijk. Mooi, twitteren in de baas z’n tijd. Dan ga ik ook maar meteen berichtjes rond sturen. Nieuwtjes die anders een half uur blijven liggen op een stapel met nog meer nieuwtjes. Ha, ha, ha. Kiespijn baas? Ha, ha ha. Hup account maken. Er is al een Jan de Vries aan het twitteren. Dat is de story of my life bij elk account dat ik wil maken. Bedenk dan iets anders. Janhdevries. Ha, die doet het. Vooruit met de twittergeit.
In de trein heb ik weer een boek gelezen. Van José Saramago. Maar dat had u uit de bovenstaande volstrekt mislukte poging hem te imiteren, allang begrepen.
Alle gekheid op een stokje, zo’n fenomeen heeft natuurlijk ongekende mogelijkheden. Ik denk graag groot en meeslepend, vooral als het te warm is om te slapen. Kijk, vroeger had onze omroep een uitgebreid correspondentennetwerk: postbodes, leraren (vooral leraren), huisvrouwen, kantoorklerken, melkboeren. Dat is allemaal weggesaneerd.
Als je Twitter slim aanpakt kun je hele nieuwe community’s met tipgevers opbouwen. Dan moet je wel een aantal journalisten de ruimte geven om het nieuws via Twitter te verspreiden zodat het aantrekkelijk wordt voor de volgers. En je moet ze de ruimte geven een beetje uit de school te klappen, want het volk wil toch ook achter de schermen van zo’n mediabedrijf kijken.
Je moet dat natuurlijk wel laten doen door mensen die leuk kunnen schrijven en verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Nou ja, dat bedoel ik . . . .
Maar misschien doet mijn firma dat allang en zijn ze vergeten dat aan mij te vertellen omdat ze denken dat ik daar te oud voor ben.
Sint Piet
E. is dood. Hij is 77 jaar geworden. De voormalige echtgenoot van mijn vrouw belde om het nieuws te vertellen. Hij had nog sporadisch contact met E. Wij waren hem al een tijd uit het oog verloren.
E. was getrouwd met L. Zij overleed tien jaar geleden. Het echtpaar behoorde tot de kennissenkring van mijn vrouw. Ik heb E. en L. slechts een keer of vier ontmoet, maar toen ik gisteren nadacht over het verscheiden van L. realiseerde ik me dat ze wel een enorme invloed op me hebben gehad. Misschien wel meer dan ik me realiseer. Het was dan ook een bijzonder stel.
L. was als kind getroffen door polio. Ze zat in een rolstoel. Mijn vrouw kende haar van de universiteit waar ze beiden hebben gewerkt op het bestuurssecretariaat. E. was wetenschappelijk medewerker op diezelfde universiteit. Als u een beeld wilt hebben van L. dan moet u denken aan het typetje Duitse Leraar van Van Kooten en De Bie. Ten voeten uit.
Nadat Marlies en ik elkaar aan de haak hadden geslagen nam ze me mee naar E. en L. Het was sowieso een periode van kennis maken en ook een beetje laten keuren. Er was nog een reden om naar de bungalow van E. en L. te gaan. Hun vermaarde kookkunst. L. was een rijdende culinaire encyclopedie.
Door haar handicap kon ze zelf niet meer koken. Ze zat altijd op de grens tussen de woonkamer en de grote open keuken. Ze onderhield de gasten en ze dicteerde E. welke handelingen hij moest verrichten om een onvergetelijke maaltijd te bereiden.
Ondertussen nuttigden ze beiden een flesje Sint Piet. Dat heette anders, maar omdat Sint Piet zo’n begrip was heb ik geen notie van de werkelijke naam van deze sloeberwijn uit de supermarkt.
Ik hoor u denken: een hele fles wijn per persoon tijdens het koken? Brandt er dan niks aan? Nee, hoor. Ze waren het gewend, want ook voor het koken werd er al een flesje weggesloeberd. Evenals tijdens het diner en erna. Het is dat er binnenhuis geen rijverbod geldt voor rolstoelen . . .
Na het eerste bezoek hadden mijn vrouw en L. natuurlijk telefonisch contact om mij te evalueren. L., die alleen op haar rolstoel een rem had, wond er geen doekjes om: aardige man maar wel een somber type. Het was de aanbidster van Sint Piet die de legendarische woorden sprak: “Hij zou wat meer joie de vivre . . . moeten hebben.”
En dat heb ik in mijn oren geknoopt. Proost!
Hoofdredacteur
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Onder de titel van het provinciale dagblad stond de naam van de hoofdredacteur duidelijk vermeld. Maar hij was het etiket op een fles waarvan hij de inhoud nauwelijks kende. De man had zijn wortels niet in de journalistiek. Nooit had hij, als verslaggever met zijn poten in de modder gestaan, nooit had hij een raadsvergadering bezocht. De directie van de uitgever had hem benoemd omdat hij, als diplomaat, wel eens een aardig artikel had geschreven en bovendien een uiterst beminnelijk man was.
Die avond was de stadsverslaggever bezig met zijn verhaal over de vergadering van de gemeenteraad. Het was al na middernacht toen hij gelal en gestommel hoorde op de trap naar de redactielokalen. Daar kwam de hoofdredacteur, als een zak meel overeind gehouden door twee maten uit de societeit ‘De Hereniging’. Zij brachten hem naar zijn kantoor. alwaar hij gesouffleerd door zijn vrienden het hoofdredactioneel commentaar op de wereldgebeurtenissen componeerde.
Nadat het gezelschap was vertrokken belde de chef redactie van zijn huisadres met de vraag of de stadsverslaggever naar de zetterij wilde gaan om het commentaar op te zoeken.. De stadsverslaggever las de chef-redactie voor wat de hoofdredacteur had geproduceerd: een cocktail van meningen uit andere bladen, overgoten met een borreltafelsausje.
“In de prullemand ermee”, beval de chef-redactie.
De volgende ochtend leidde de hoofdredacteur de redactievergadering, Fris geschoren en beminnelijk glimlachend keek hij zijn ondergeschikten aan. En…dames en heren: “Waarover zullen we het eens hebben in ons hoofdredactioneel commentaar?”
Vocalies (68)
(Door Marlies)
Er is ook een nieuwe vocalies-podcast. Klik hier
Woensdag 8 juli is er weer een openluchtopera op de Parade in Den Bosch. Wees erbij als u kunt. Het wordt een hoogstandje dit keer: Falstaff van Giuseppe Verdi. Opdat u voorbereid bent hieronder wat informatie
Falstaff was Verdi’s laatste opera. Hij schreef ‘m toen-ie hoogbejaard, boven de tachtig, was. En dat kun je niet horen, integendeel…opmerkelijk fris klinkt-ie, een beetje ondeugend, en vooral: hoorbaar is dat de oude meester zichzelf uitstekend kon relativeren, iets wat (hoog)bejaarden vaak moeilijk kunnen.
Het slotkwartet ‘Tutto nel mondo è burlar’ (vrij vertaald ‘de hele wereld is een grap’) is legendarisch moeilijk, heel knap gecomponeerd en sprankelend, een genot om naar te luisteren…
Falstaff is gebaseerd op een toneelstuk van William Shakespeare. Het gaat over huwelijkstrouw, of liever over de afwezigheid daarvan. Dankbaar onderwerp voor een komische opera.
De oude, dikke, onaantrekkelijke Falstaff is van plan om Alice Ford en Meg Page te verleiden. Die zijn beiden getrouwd, maar daar zit Falstaff niet mee. Alice en Meg zijn goede vriendinnen en houden elkaar op de hoogte van hun (liefdes)leven en ze besluiten hem een lesje te leren.
Vervolgens ontstaat er een keten van misverstanden die u maar even zelf op de Parade moet gaan bekijken (nou even… de opera duurt de volle 4 actes, ik denk toch wel gauw een uurtje of drie…). Ik vertel u alleen maar dat het allemaal goed komt en dat Falstaff zijn immorele gedrag inziet. Of hij vervolgens zijn leven betert is niet bekend.
Otto Nicolai schreef overigens ook een opera met hetzelfde thema en dat is ook een goeie. Helemaal leuk is het natuurlijk beide opera’s te bekijken of te beluisteren vóórdat u naar de Parade vertrekt. Dan kunt u echt genieten, omdat u dan de grappen beter aan ziet komen.
Bij het Theater aan de Parade kunt u een picknickmand bestellen. Wees er op tijd bij, want volgens mij gaan ze als zoete broodjes over de toonbank. Van vorige jaren is bekend dat de Bosschenaren (die een tamelijke grote waffel hebben, hoed u!) al ’s middags vanaf een uur of twee de Parade bevolken met stoeltjes, bankjes, eten en drinken (en niet zonder alcohol hoor… echt niet). Ik was er vorige jaar (te laat) toen ze Rossini’s Barbier van Sevilla uitvoerden. Ik moest toen staan en hield dat ongeveer anderhalve acte vol. Heb er nog een stukkie over geschreven. Het is net het leven zelf, die buitenopera’s. Ik ben er dit jaar niet; ik wens u een heerlijke avond toe. Hopelijk dit jaar zonder gillende sirene’s van brandweerauto’s. Het leven is al lawaaierig genoeg…
In het filmpje een prachtige uitvoering, zowel qua zang als qua enscenering van het beroemd, beruchte slotstuk. Alles in het leven is een grap!
Gewoon

Als ik dan zo'n kop zie op Teletekst dan ben ik blij dat mijn collega en ik gewoon Janssen en De Vries heten.
P.S. Volgens Irene is dit het 2000ste stukje op Stroomopwaarts. En dat klopt, zo is mij inmiddels uit de statistieken gebleken. Ik blijf bescheiden.
