Nerveus
Mijn vrouw stapte op weg van haar werk naar het station een kledingwinkel binnen. Haar oog was gevallen een broek in de etalage. Die wilde ze wel.
Het meisje in de winkel deed haar best om mijn vrouw op correcte manier te bedienen. Ze maakte wel een buitengewoon nerveuze indruk. Het meisje natuurlijk, niet mijn vrouw.
Ze was zo nerveus dat mijn vrouw meende haar geruststellend te moeten toespreken. Ze heeft de leeftijd waarop ze het jongvolk aan de hand moet nemen.
Het meisje verontschuldigde zich. Het was haar eerste dag. Mijn vrouw toonde zich van haar beste kant en complimenteerde het meisje met haar behulpzaamheid. En ze besloot twee broeken te kopen.
De verkoopster, blijkbaar opgewonden van zo’n buitenkans op omzet, pakte de broeken met trillende handen in.
Nadat mijn vrouw haar nogmaals een hart onder de riem had gestoken en haar had gecomplimenteerd namen de twee vrouwen afscheid. Het meisje glom. Alles was goed gegaan.
Thuisgekomen pakte mijn vrouw haar nieuwe kledingstukken uit. Tussen de twee broeken vond ze het opschrijfboekje van de verkoopster.
Geluid
Geluid, zeggen sommige radioverslaggevers, spreekt zoveel meer tot de verbeelding dan beeld. Ze knokken een achterhoedegevecht tegen de beeldcultuur.
Geluid is de basis van een goede radioreportage, maar in een tijd van hapklare brokjes informatie is dat een uitstervend fenomeen. Het is onvoorstelbaar moeilijk geluid een eigen verhaal te laten vertellen zoals sommige foto’s een verhaal kunnen vertellen zonder tussenkomst van een schrijver. Ik ben er nooit echt in geslaagd.
Voor mij zijn geluiden wel belangrijke verhalenvertellers. In de jaren negentig was ik in Nicaragua voor een radiodocumentaire. Het verhaal dat ik er over schreef voor de organisatie waarover ik die documentaire heb gemaakt begon als volgt:
De geluiden. De geluiden herinner ik me het meest. Het monotone gezoem van de DC10, de airconditioning die mij in een regelmatig ritme wakker brult, de zinloze claxons, de venters op de markt die hun kelen schor schreeuwen in de hoop dat ze een graantje meepikken van mijn uitpuilende broekzak met cordobas, het gekletter van de hoeven van magere paardjes en de krekels die ‘s avonds al het andere geluid verdringen als een rustgevend medicijn.
Deze gedachten en herinneringen kwamen in mijn hoofd toen ik afgelopen weekend tot diep in de nacht alleen op de bank op het dakterras lag.
Het gelach van vrolijke mensen even verderop vertelde me dat buren een genoeglijke avond hadden met vrienden. Het geschreeuw van jongeren op plein verderop vertelde me dat de jeugdcultuur zich op straat afspeelt. Zonder dat ik het zag, wist ik dat enkele pleinbewoners zich mateloos ergerden. Het zou niet lang meer duren voordat ze de politie zouden bellen.
Het snerpende geluid van de laatste trein vertelde me dat stadsgenoten laat terug kwamen van verre oorden.
Uit het holle geluid van op elkaar kletsende dakpannen concludeerde ik dat de buurtkatten kermis vierden op het dak. In mijn verbeelding zag ik ze rennen.
Ik hoorde het water van de douche klateren bij de buren. Bijna bedtijd. Verderop klonk het geluid van flessen die in kratten werden gezet. Het dinertje was ten einde, de gasten waren vertrokken. Zouden ze vanavond nog de afwas doen of morgenvroeg?
Het werd langzaam stiller. In de verte hoorde ik nog een auto. Wat bleef was het gezoem dat al jaren de klok rond te horen is voor wie het nog horen wil. Meestal wordt het naar de achtergrond gedrongen. Het is het auditieve behang van onze wijk. Maar nu hoorde ik het goed. Het is een soort ver-weg-airco. Misschien van de veevoederfabriek of van het spoor aan de rand van de wijk. Zal ik het eens opzoeken? Ach, waarom?
Je hebt niet altijd vertellers nodig voor een verhaal.
Worteltjes
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Op het bankkantoor waar ik , zestien jaar oud, ging werken ontmoette ik Hans de Haas. Hij was van hetzelfde geboortejaar als ik , had ongeveer dezelfde belangstelling als ik, maar kwam uit een ander Amsterdams milieu – Vondelparkbuurt - dan het eenvoudige – de Pijp – waarin ik ben opgegroeid.
Dat kon je zien aan zijn kleding, dat merkte ik aan de manier waarop hij reageerde op laag geschoolde medewerkers: de vrouwen in de kantine, de mannen van de postkamer. Ik ging met ze om; hij hield ze op afstand. Hij leerde me kanoën, netjes theedrinken in zijn ouderlijk huis en tijdig naar de kapper gaan.
Samen vulden wij het personeelstijdschrift, samen zaten wij in het bestuur van de personeelsvereniging en samen speelden wij tafeltennis en basketball in de sportverenigingen van de bank.
Hans schreef gedichten die hij met een stencilmachine vermenigvuldigde en listig vouwend bundelde tot kleine boekjes die hij voor een halve gulden verkocht.
“Als ik ze zie die mekkerende worteltjes
die blatende koolrapen
dan hinnik ik altijd
een bloemkool om.”
of
De tijd,
een geraamte in het zuur
schuift schurend langs de urenmuur
en vreet minuten en seconden
te laat, te laat.
We gingen ongeveer tegelijk in militaire dienst. Hij bij de landmacht, ik bij de luchtmacht. We werden beiden uitverkoren voor een opleiding tot onderofficier. Hij werd ‘t, ik bleef – door ondisciplinair gedrag – soldaat.
Ongeveer een jaar na afloop van de militaire dienst werden we beiden leerling-journalist. Hans bij De Telegraaf, ik bij Het Vrije Volk. We zagen elkaar niet meer. Eén keer ontmoetten we elkaar in de trein van Zwolle naar Groningen op weg naar de één of andere manifestatie in Noord-Nederland. Ik als verslaggever van – inmiddels -de Zwolsche Courant, hij als financieel-economisch redacteur van De Telegraaf.
Ik werd in 1967 chef stadsredactie van de Nieuwe Apeldoornse Courant en in 1968 chef stadsredactie van het Deventer Dagblad. Hans werd Telegraaf-redacteur in Washington. Ik werd in 1977 redacteur-verslaggever van Omroep Brabant, Hans werd in 1985 hoofdredacteur van De Telegraaf. Hij bleef dat tot 1993 en overleed in 2005.
Ik had hem nog wel even willen spreken over die mekkerende worteltjes.
Vocalies (67)
Belofte maakt schuld: hier is het volgende stukkie over zingen in de praktijk. En ook dit keer zullen we (nog) niet aan zingen toekomen. Ik kom niet controleren hoor, dus ga toch gerust u gang als u de neiging niet kunt onderdrukken. De neiging tegenhouden is al helemaal niet goed voor u en ik wil niks ernstigs op mijn geweten hebben.
Dit keer gaat het over ademhaling. Ik heb er al eens eerder in stukkies losse opmerkingen over gemaakt, hier volgt een beknopte beschrijving van een paar ademoefeningen. Ik beoog andermaal geen volledigheid.
Er waren wel eens leerlingen die opmerkten: het lijkt wel Yoga, of in geval van vrouwen die ooit kinderen hadden gehad: het lijkt wel zwangerschapsgym. Nou dar lijkt het soms ook sterk op. En let op: het is mijn interpretatie van een goede ademhaling, er zijn er talloze meer die het ook goed doen. Allemaal met voor en nadelen; een nadeel is in dit geval dat uw buikspieren wat lui worden als u niet naast mijn oefeningen ook versterkende oefeningen doet die speciaal op uw buikspieren toegesneden zijn. Beste bewijs daarvan is dat ik een beetje een ballon-buikje heb: ik heb namelijk niet genoeg discipline om die spieren separaat onder handen te nemen.
Weer geldt als basisregel: u hebt uw eigen lichaam als instrument: ga er goed mee om. Rook bij voorkeur niet, drink met mate (niet ‘met maten…’), eet gezond en niet te veel, zorg voor 8 uur slaap per nacht en beweeg veel. Met uw geest bemoei ik me niet… veel te complex…
Grofweg zou je je lijf in tweeën kunnen verdelen: de grens ligt in dit geval bij uw middenrif. Alle buikorganen liggen daaronder, uw hart, longen en hersens erboven. Uw middenrifspier is een buitengemeen sterke en grote spier (vandaar dat het zo’n pijn kan doen als je als getrainde zanger de hik krijgt: die spier keert zich dan even tegen je. Na enige training heb je zo’n hikaanval er trouwens gauw onder hoor).
Dat middenrif is cruciaal in mijn theorie: door goed te ademen trekt het de longen mee open, zodat u tot onderaan door kunt ademen (als daar geen teer of andere luie rommel zit tenminste). En het helpt, door het wijd te houden, de tonen rustig te laten klinken, zonder ruis en rare trillingen (ook wel tremolo’s genaamd). Bovendien loopt er door uw middenrif een ader, die later slagader rond uw hart wordt. Als die in een rustig tempo al wat massage krijgt door het kalm afplatten en weer terugveren van het middenrif, krijgt-ie wat training om hoger, rond uw hart, zijn werk beter te kunnen doen. Zangers en blazers worden in de regel oud, omdat hun hart het lang volhoudt.
Nou is het zaak een beetje contact met dat middenrif te krijgen. Moeders weten hoe dat is, dat contact: bij het persen moeten ze namelijk hun middenrif ook afplatten en rustig houden. Maar als u net als ik nooit gebaard hebt, dient u op een andere manier dat contact te zoeken. Als je de hik hebt doet je middenrif raar, een orgasme schijnt via je middenrif te lopen en hevig schokkend verdriet en schrik ook. Nogal een centrale rol dus, voor dat middenrif.
Daar gaat-ie:
1.
Ga op een harde ondergrond liggen en probeer zoveel mogelijk uw rug contact met de grond te laten hebben. Leg een stevig boek op het onderste gedeelte van uw buik (vanaf uw navel naar beneden). Verleg uw aandacht naar het boek. Adem het boek omhoog (u kunt ook met spierkracht het boek omhoog duwen, maar dat is niet de bedoeling). Doe dat in 3 seconden inademend en 3 seconden uitademend, vervolgens 4 seconden in en 4 seconden uit en zo verder tot 8 seconden in en 8 uit. Het vereist wat training om de uitademing rustig over de seconden te verspreiden, zonder schokjes. Hou vol!
2.
Ga staan (of rechtop op een stoel zitten, met uw zitbeenderen stevig tegen de zitting). Leg één hand met gespreide vingers op uw onderbuik (juist, daar waar in oefening 1 dat boek lag) en de andere stevig in uw zij. Adem naar uw handen toe, voel hoe uw onderbuik zich als het ware vult met lucht (da’s natuurlijk niet waar, want in feite is het zo dat uw middenrif afplat en de organen in uw onderbuik samendrukt, al weer zo’n prettig ritme…). Hou contact met uw handen, hou uw buik zo lang mogelijk wijd. Sis op een scherpe ‘s’ de zojuist ingeademde lucht uit. Hou de ‘s’ scherp, als u lucht langs de zijkanten meeblaast, gaat de ‘s’ slissen (zoals tegenwoordig mode is bij sommige radio- en tv-presentatoren: laat u niks wijsmaken, dat is niet goed!) dan ‘verspeelt’u onnodig lucht. Als u de ‘s’ scherp houdt en uw buik zo lang mogelijk wijd, moet het u algauw lukken een ‘s’ van 30 seconden te sissen. Truuc: trek op het allerlaatst uw buik in, dat levert u nog wat extra lucht op. Uw eerste reactie na de oefening moet zijn: inademen, als u nog lucht uitblaast had u die allemaal mooi in ‘s’s om kunnen zetten, alleen hield uw middenrif de spanning niet vol. Dat vereist dus een beetje training, maar er is snel resultaat. Ik heb leerlingen gehad die al na een paar dagen oefenen een ‘s’ konden sissen van zo’n 60 seconden.
3.
Als oefening 2, maar nu gaat u ineens uw buik ‘los’ laten vallen (hij valt er niet af hoor). Dan zou de ‘s’ moeten stoppen. Het is maar dat u de controle houdt…
4.
Als oefening 2, maar nu gaat u steeds kort uw buikspieren ‘laten vallen’ en weer aantrekken, zodat je een korte stotende ‘s’ krijgt. Misschien ontdekt u dat er dan steeds een beetje nieuwe lucht binnenvalt, waardoor u deze oefening eindeloos zou kunnen volhouden. Feitelijk doet u het hijgen van een hond na.
Hou uw omgeving eens een tijdje in de gaten. Wellicht merkt u dat:
- de meeste dieren mooi laag ademen, zodat hun buik op en neer gaat bij het in- en uitademen.
- baby’tjes die nog niet aangeraakt zijn door onze stressvolle maatschappij (en hun stressvolle ouders…) mooi laag ademen. Als ze verschoond worden en plat op hun rug liggen, zie je hun buikje op en neer gaan en niet hun schouders optrekken.
- als mensen hoog gesticuleren, hun adem ook (te) hoog zit.
- tijdens momenten van grote stress of groot verdriet het moeilijk is de adem laag te houden.
- vlak voor het inslapen je ademtempo steeds lager wordt en je niet in slaap kunt vallen als de adem (nog) te hoog zit. Je valt meestal in slaap tussen twee ademhalingen in. Die pauzes kunnen wel oplopen tot 8 à 9 seconden.
- de toonhoogte van de spreekstem daalt als je laag adem haalt. Er wordt namelijk druk vlak onder de stembanden weggenomen. De kunst is die adem laag te houden als je luider gaat spreken en tenslotte…. gaat zingen….
Volgende week over Falstaff en de week erna gaan we lekker verder. Adem ze!
Vijf uur
Het is vrijdagmorgen tien voor vijf. Ik loop het redactielokaal binnen. Meestal ben ik de eerste op dat tijdstip. Nu zit er een collega.
"Ben je er nog of alweer?" vraag ik.
"Nog," zegt hij. "Ik was laat klaar met m'n item en ben blijven zitten om CNN te kijken."
"Want?" vraag ik die sinds gisteravond half elf geen nieuws meer heeft gehoord.
"Michael Jackson is dood," zegt hij.
Dan moet de dag nog beginnen . . .
Ya Boetie!
Madeleine van Toorenburg. Soms heeft een man genoeg aan een naam om warme gevoelens te krijgen. Madeleine is lid van de Tweede Kamer. Dus intelligent. Ze zit in de CDA-fractie. Dus christelijk geëngageerd. Ik ga haar niet googelen. Ik wil de illusie in stand houden.
Madeleine heeft vandaag een wereldidee gelanceerd namens haar fractie. Groepen allochtone jongeren die zich in woonwijken ernstig misdragen, moeten in groepstherapie. De bendeleden worden onder toezicht gezet en gaan met elkaar naar een jeugdinrichting waar ze een half jaar gedragstherapie krijgen. Tegelijkertijd krijgen de gezinnen waaruit ze komen, begeleiding.
Madeleine wil die bendeleden in een rondje opstellen. In het midden zit de therapeut. Dat is een man, want voor Madeleines hebben die bendeleden geen respect.
Zo’n gesprek begint met een ordevoorstel. Nee, een mededeling, het is een ernstige zaak: de petjes moeten af. De mobieltjes waren al bij de ingang van de instelling ingeleverd, dus die hoeven niet uit. De kauwgom moet in de prullenbak en iedereen moet rechtop zitten.
Dan begint de therapeut met het kringgesprek. Hij stelt geen open vragen, maar richt het woord specifiek tot één van de deelnemers. Die voelt zich gebokt, want waarom wordt hij er uitgepikt? Waarom moet hij ten overstaan van zijn matties met de spreekwoordelijke billen bloot? De deelnemer mompelt wat. De matties lachen, de therapeut kijkt hulpeloos rond. Hij verstaat de taal niet en voelt zich een aarsbanaan. De groep ruikt bloed. Het zijn wolven. Ook in gevangenschap. Ze seinen elkaar aan met snelle handbewegingen en skotten de therapeut. De sessie wordt puta madre.
Na een half uur stapt de therapeut op. Zijn tijd is om. Morgen probeert hij het opnieuw.
Zeurpieten
We hebben gisteravond gegeten (en vooral gedronken) met een oud-collega van mijn vrouw. Hij heeft een managementfunctie op de internetafdeling van een landelijke publieke omroep. Halverwege de avond zei hij opeens dat hij een hekel heeft aan journalisten. Hij vond het zeurpieten en zuurpruimen. Ze hebben altijd wat te zeiken, zei hij.
Daar zat ik met mijn goeie gedrag. Gelukkig gold het niet voor mij. Ja, ja, zo gaat het altijd. Nee, hij had het vooral over die krantenjongens.
We discussieerden over het rapport Brinkman en de plannen om de noodlijdende kranten er bovenop te helpen. De internetmanager en ik verschilden van mening. Zijn stelling was dat kranten gewoon commerciële producten zijn die zich maar moeten aanpassen als niemand ze meer koopt.
Ik vind dat kranten zich vooral moeten toeleggen op duiding en achtergrondinformatie zodat we daar kunnen lezen wat het nieuws betekent waarmee we op internet worden overspoeld. Bert Wagendorp schreef daar vanmorgen in de Volkskrant een interessante column over. En voor die belangrijke taak mogen de kranten van mij best extra geld krijgen.
Los daarvan vond ik dat mijn tafelgenoot wel een punt had met zijn kwalificatie van journalisten. Er is al eens wetenschappelijk vastgesteld dat journalisten tot de meest behoudende bevolkingsgroep in het land behoren. Ik denk dat dat vooral geldt voor de krantencollega’s. Mijn ervaringen bij een radio-, TV- en internetbedrijf zijn anders. Daar zijn de journalisten gewend om voor verschillende media tegelijk te werken.
Het valt me op dat zelfs de grootste criticasters onder mijn collega’s het leuk vinden om tijdens een radio-interview een fotootje te maken voor internet. Ik hoor krantencollega’s daar nog wel eens over tekeer gaan. Schande dat zij een foto moeten maken voor internet!
In de marge van de hele discussie las ik in de Volkskrant een interview met Elco Brinkman. Hij kon zich de opwinding van de journalisten wel voorstellen. Heb je een mooi verhaal boven water gekregen, kom je het opeens overal tegen. Volgens Brinkman denkt de verongelijkte journalist dan: “donders, dat had ik toch bedacht?”
Dat snap ik niet, maar misschien ben ik een rare journalist. De kick van een primeur zit ‘m er in dat jij door vasthoudendheid, een toevalligheid of goede relaties als eerste een verhaal kunt brengen. En dat het medium dat jou betaalt dat als eerste kan melden. Mij zal het persoonlijk worst wezen waar dat verhaal daarna opduikt. Ik ben het type journalist dat wil informeren, het liefst op een zo groot mogelijk podium. Och en dat mijn naam daar niet aan hangt vind ik niet zo belangrijk. Het gaat om de boodschap.
Misschien is dat wel het probleem. Bij een verhaal in de krant staat iemands naam. De credits gaan naar de schrijver. In de audio-visuele wereld is dat veel minder. Daar krijgen anchormannen en –vrouwen de schouderklopjes. In die wereld zijn ze gewend achter de schermen hard te werken om vervolgens een ander met de eer te zien strijken. Of denkt u dat Philip Freriks in zijn eentje het acht uur Journaal maakt.
Schisma
Geen paniek! Rustig blijven. Het is helemaal niet erg dat de ChristenUnie en de SGP in het Europarlement niet langer samen in één fractie zitten. Schisma’s horen bij het protestantisme als een bloem bij een bijtje. Ze zijn het gewend om op enig moment elk hun eigen weg te gaan.De CU treedt toe tot een fractie die vrouwen toe staat in de politiek en dat vindt de SGP onverteerbaar.
Dit nieuws is minder dan een voetnoot in de geschiedenis maar op de een of andere manier word ik nog steeds geraakt door berichten over dit soort onchristelijke zaken.
Ik heb twaalf jaar in een gemeente gewoond en als journalist gewerkt waar de dienst mede werd uitgemaakt door de SGP. Ik heb altijd respect getoond voor de negentiende eeuwse standpunten van deze vroede vaderen. Vooral vanuit het standpunt: leven en laten leven waarbij ik meteen moet opmerken dat de liefde van één kant kwam: de mijne.
Nu ik twintig jaar in het roomse broeinest Brabant woon is die liefde voor de zwartekousenmensen bekoeld. En al helemaal omdat ze nog steeds vasthouden aan het achterlijke standpunt dat vrouwen niet in de politiek mogen.
SGP’ers vinden dat vrouwen zich vooral moeten bezighouden met gezinstaken: boodschappen, wassen, stofzuigen, kinderen opvoeden. Ze denken dat God dat zo wil. Ik vraag mij wel eens af of we er in Nederland beter voor zouden staan als we een theocratie volgens de SGP-leer zouden zijn en alle vrouwen aan het aanrecht stonden zodat hun kroost een veilig thuis heeft in plaats van doelloos langs ’s Heren wegen te zwalken.
Zelf denk ik van niet. Al was het maar omdat ik er van overtuigd ben dat de moeders van de Marokkaanse rotjochies ook gewoon de hele dag thuis zijn. En dat helpt niks. Evenmin geloof ik dat de moeders van de Sjonnies en de Anita’s die met flapperende kipfiletarmen op scootertjes door mijn stad rossen op weg zijn naar kantoor. Die zijn meestentijds ook thuis. En hun puistenkopjes worden daar ook niet beter van.
Soms denk ik wel eens dat er niet zo veel verschil is tussen de islam en de SGP als het gaat om de rol van de vrouw. Maar daar hoor je de PVV niet over, want niemand is bang voor mannen en vrouwen met zwarte kousen. Djelebba's en hoofddoekjes zijn veel enger. (By the way als je achterna gezeten wordt dan kun je beter een vent met een jurk dan een vent met kousen achter je aan hebben.)
En kom me niet aan met het standpunt dat de SGP-vrouwen zich schikken. Ook daar is een beweging die tevergeefs probeert de botte geesten te bewerken. En kom me ook niet aan met het verhaal dat de islam vrouwen uithuwelijkt en dat de SGP dat niet doet.
Ik herinner mij nog hoe jaren geleden een predikant in een plaatselijk kerkblad tekeer ging omdat een schaapje uit zijn gemeente kennis had aan een roomse jongen. Er werden geen namen genoemd maar binnen de groep wist iedereen over wie het ging. Is dat niet minstens zo erg, dat je iemand van wie je houdt aan de kant moet zetten onder druk van de gemeenschap, dan dat je met iemand moet trouwen onder druk van je familie?
Het hele verhaal mag dan minder zijn dan een voetnoot in de geschiedenis, bij mij roept het telkens weer een reactie op. Maar dat had u al gemerkt.
Rachid
Een collega gaf me de waargebeurde ingrediënten voor dit verhaaltje.
Een familie in een volksbuurt in een midden-Brabantse gemeente heeft een dochter. Op enig moment kondigde ze aan dat ze een serieuze vriend had.
De aanvankelijke vreugde van de ouders sloeg om toen die vriend een Marokkaan bleek te zijn.
De dochter was verliefd en zette door. De ouders staakten hun verzet en accepteerden dat hun dochter haar Rachid mee naar huis zou nemen.
En zo was het moment gekomen dat Rachid over de drempel van het huis van zijn geliefde stapte en zich keurig voorstelde aan het echtpaar dat hij misschien ooit vader en moeder zou noemen.
Vader had besloten direct piketpaaltjes te slaan. Duidelijkheid boven alles.
Hij keek Rachid streng in de ogen en zei: “Drie dingen. 1. Ik wil hier onder mèn dak gin geflikflooi. 2. Onzen dochter zal never nooit nie een hoofddoek dragen. En 3. Gij hiet bij ons thois gewôn Richard.”
Nieuwe namen
De laatste tijd ben ik op bescheiden schaal een aantal keren in de publiciteit geweest met mijn namenverzameling. Dat heeft fraaie nieuwe namen opgeleverd:
Verhorevoort Ad – leider van de kinderverhoorkamer van de politie Brabant Zuidoost
Hutten – makelaar in Veenendaal
Zwaan – bioloog die in Jeugdjournaal vertelde over zwaan die op fietspad zat te broeden
Wortelboer Didi - Salesmanager bij biologisch handelsbedrijf Naturelle (The Greenery)
Punt, Emma - redacteur en tekstcorrector bij uitgeverij; schreef doctoraal scriptie over het gebruik van de komma.
Smook Ina – caféhoudster van de Boulevard aan het Damsterdiep in Groningen die demonstratief de asbakken weer op de tafels heeft gezet
Bons Leo – vakbondsbons van het CNV
Krekels René – natuurfotograaf
Kunst, mevrouw – cultuurwethouder Nijmegen
Witte, Jozef de - van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding
Porte, Andre de la – woordvoerder Vereniging Eigen Huis
Rouw Heleen – van Requim Uitvaartzorg
Muijs – kaashandel Etten-Leur
Heesters Jan – medewerker Plantenziektekundige dienst
Vocalies (66)
Er is een nieuwe aflevering van Vocalies-podcast. Klik hier. Deze week met Die verkaufte braut en de fantastische tenor Maco Beasley, die als geen ander oude muziek kan vertolken.
Medio vorige week, ik lees mijn mail… en val bijna van mijn stoel. Verdulleme, en ik maar mopperen dat er nooit een hond op mijn website komt. Nu is er iemand geweest. Iemand van het Festival Classique in Den Haag. Ze hebben daar zondag (14 juni) een concert met het Matangi Kwartet en ze willen daar een proefje mee doen en naderhand over dat proefje napraten en debatteren met een panel van ‘deskundologen’ (zoals mijn echtgenoot ze licht smalend altijd noemt in zijn schrijfsels) en één van die deskundologen zou ik moeten zijn.
Ze hadden mijn weblog geplunderd, op zoek naar vragen over klassieke muziek voor een kwisje en toen dachten ze: kom laten we die dame maar eens in dat panel uitnodigen, die vindt wel wat en die roept wel wat. Ik was tot in het diepst van mijn ziel vereerd, dat begrijpt u (!). Iets vinden van klassieke muziek is één ding, maar dat mensen dat dan ook nog willen horen is een tweede.
Affijn, lang verhaal kort: ik zondagmmiddag naar Den Haag. Hartelijk ontvangen in de Haagse Schouwburg. Via de krochten van het gebouw in de artiestenfoyer beland (jawel!) en daar kennis gemaakt met de andere leden van het panel: econoom/socioloog/kunstenaar Hans Abbing, schrijver Christiaan Weijts en pianist Christiaan Kuijvenhoven. Niet het minste gezelschap dus, maar uw stukkies-schrijfster hield zich dapper staande. Pieter Jan Hagens, bekend van AVRO radio (en dus een oud-collega) en tv zou de discussie leiden.
Om vier uur begint het concert: Haydn in jacket, in een uiterst klassiek zaaltje, stoelen op een rij, allemaal bezet met de echte kamermuzieknarren: grijs, rollator (eentje maar hoor…), stokken en de wat jongeren uit de gegoede klasse. Ik grinnik en voeg mij anoniem tussen het publiek, mag naast de knappe jonge pianist zitten (alleen jammer dattie dat zelf ook vond, van dat knap bedoel ik…). Ze spelen prachtig, zeggen verder niets en na het verdiende applaus kondigt Pieter Jan aan dat we onderdeel zijn van een experiment; we gaan voor het tweede deel van het concert naar een andere zaal, alwaar er koffie en thee uitgedeeld wordt, de kwartetleden helpen mee, nu gekleed in leuke, nette kleren en niet meer in dat strenge jacquet. Nu staat Schubert op het programma, dit keer met korte toelichting. En ja hoor, het derde deel is in een popzaaltje, sta-tafels, wijntje, stuk van Turina. Ze spelen de sterren van de hemel, de Matangi’s, mensen nippen wat onwennig aan een wijntje. De socioloog/econoom/kunstenaar van het panel gaat op de grond zitten, al snel gevolgd door nog een paar durfals.
Na de staande ovatie (snapt u de woordspeling?) neemt Pieter Jan het woord en er volgt een levendige discussie. Wie vond welke setting het leukste en waarom en in vervolg daarop: wat moet er veranderen in de concert-praktijk om te zorgen dat ons publiek kan verjongen zonder de ouderen tekort te doen? En hoe beleeft men een concert? Affijn: my finest moment kwam toen het Matangi-meisje vertelde dat ze in het concertgebouw niks tegen het publiek mocht zeggen over het programma. Het stond immers allemaal in het boekje en ze zou met praatsels het publiek beledigen. Ik heb hard ‘schandalig!’ geroepen. Dat u dat maar even weet.
Er was toch een half uurtje lang levendige discussie. Uiteraard wat aan de keurige kant en een beetje een ieder vanuit zijn eigen ikje geredeneerd. Je lost zoiets natuurlijk ook niet op in een achternamiddag in de Haagse Schouwburg, dat snap zelfs ik. Mijn conclusies wil ik u graag vertellen en als u suggesties hebt hoor ik ze ook graag (mits u zich niet voorstelt dat het daarna zo gaat als u zou willen…).
1.
Alle muziektempels open: voor iedereen; ook voor amateurs van enig niveau: exploiteren die gebouwen tot ze bulken van het geluid: in de grote zaal een concert, in de kleine repeteert het plaatselijke koor, in de kelder de popband. En samen projecten doen: classic meets pop. Jippie!!!
2.
Aankomende musici moeten les in hoe ze zich het beste presenteren en hoe ze hun muziekpraktijkje het beste aan de man kunnen brengen.
3.
Concerten presenteren en toegankelijk maken voor ieder publiek, ook voor de muzikaal minder geletterden. De muziek is niet van een elitair groepje, ze is van ons allemaal en heel veel mensen kunnen het mooi vinden, als het maar dichterbij hen gebracht wordt. We moeten van ons eiland af…
Het Matangi Kwartet speelde dus de sterren van de hemel. Googel ze maar eens, ze hebben een eigen website en daar staat alles op wat u weten wilt. Het is echt top tien van Europa hoor, jong als ze zijn. Ik sluit een linkje in van een eerder Festival Classique, waar ze ook al optraden.
Foto's
Voor de liefhebbers: op mijn Flickr-pagina staan de foto's van Venetie en nog een paar van New York.
Daten?
Van een kijker:
Ik heb een vraag aan jullie
Ik kijk altijd tv maar er is een vrouw op de tv En dat wil ik weeten of die vrouw een e-mail adres heeft Ik hoor het wel weer groeten van Joost
Oma Anna
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
Nadat mijn Amsterdamse oma Anna kort na elkaar vier kinderen had gebaard ging opa Dirk ervandoor met een andere vrouw, zijn echtgenote achterlatend zonder inkomen. Daarom moest oma Anna haar kinderen afstaan aan een gesticht op de Veluwe en uiteindelijk aan gastgezinnen.
Oma Anna herstelde zich van de schok, kreeg haar kinderen terug en zag ze uitvliegen op weg naar geluk of misère. Oma Anna vond een nieuwe levenspartner in de persoon van ‘opa’ Koen, een schrale chagrijn die in de hoek van de woonkamer voortdurend aardappels zat te schillen, maar intussen ook een zoon – Jopie – bij oma verwekte.
Aardappels schillen was zijn tweede bijdrage aan het huishouden want oma Anna had alle ruimte in haar ruime huis in de Rivierenbuurt verhuurd aan ‘commensalen’, voornamelijk vrijgezellen voor wie zij het ontbijt, de lunch en het avondeten verzorgde, alsmede de ‘bewassing’.
In de Tweede Wereldoorlog moest oma Anna grote inspanningen leveren om al die magen te vullen want wat hoewel de kostgangers al hun distributiebonnen trouw inleverden was de opbrengst aan ingrediënten zelden voldoende voor de bereiding van de drie gangen-maaltijden die altijd haar trots waren geweest.
Maar toen de nood het hoogst werd geschiedde er een wonder: terwijl overal gas en elektriciteit werden afgesloten bleef bij oma de energie stromen. Daardoor kon zij buren en anderen bij haar laten koken en baden tegen betaling in natura: meel, aardappels, groente, boter, kaas en eieren, gekocht met sieraden of tafelzilver bij boeren of tegen woekerprijzen op de zwarte markt. Zo kwamen oma en haar commensalen door de laatste periode van de oorlogsjaren: de hongerwinter.
Na de oorlog ging opa Koen dood. Zoon Jopie was, op de vlucht voor de dienstplicht in Nederland, naar Amerika vertrokken. Daar werd hij met zijn handel in haarstukjes en pruiken een succesvol zakenman, die zijn moeder voor een lang verblijf liet overkomen. Toen ze terugkwam was ze onherkenbaar. De altijd zorgelijk ogende vrouw was een vrolijke dame geworden, opgepimpt door de Amerikaanse schoonheidsindustrie, met een onmiskenbaar Amerikaans accent in haar Amsterdamse tongval.
Ze pakte haar oude leven weer op tot alle commensalen waren vertrokken en maakte vervolgens kennis met een oude kleermaker, meneer Henri, die zijn werk nog in de klassieke lotushouding deed. Samen verdienden zij de kost met verstelwerk en ze werden, beiden toch in de nadagen van hun leven, zeer verliefd.
Ze hadden wat spaarcentjes en AOW en waren enkele jaren blij en gelukkig. Oma stierf aan een hartstilstand toen zij en meneer Henri samen kinderliedjes stonden te zingen bij het afwassen. Toen het huis was leeggeruimd betrok oom Henri een kamer in een stille straat in oud-zuid waar hij alle dagen bewegingloos aan het raam zat, als een dode plant.
Onvoorstelbaar
Vroeger, als kind, probeerde ik me voor te stellen hoe groot het heelal was. Ik dacht dat dat ophield bij de sterren en dat je dat kon uitrekenen. Maar toen kwam ik er achter dat het heelal na de sterren verder ging en oneindig was. Die oneindigheid deed mij soms duizelen. Er zijn dingen waar je niet over moet nadenken, ze zijn niet te bevatten.
Dat gevoel overviel me ook toen ik, teruggekomen uit Venetië, werd geconfronteerd met de zaak Benno L. De badmeester uit mijn statsie Den Bosch die wordt verdacht van ontucht met kinderen. Niet één keertje, nee vele jaren lang. Gisteravond werd bekend dat hij 98 slachtoffertjes heeft gemaakt. Op zijn computers zijn tienduizenden sexueel getinte foto’s van kinderen gevonden. Door hem zelf gemaakt.
Ik probeer me voor te stellen hoeveel foto’s dat zijn. Tienduizenden? Ik ben een verwoed fotograaf, maar volgens mij heb ik in mijn hele leven nog niet eens tienduizenden foto’s gemaakt. Reken eens uit. Stel dat het er dertigduizend zijn. Dan kun je bijvoorbeeld tien jaar lang elke werkdag tien sexueel getinte foto’s maken.
Ik vraag me af hoe het kan dat die man dat heeft kunnen doen zonder dat ieman argwaan kreeg. Ik durf op straat niet eens een portret van een kind te maken. Voor je het weet word je aangeklaagd. We doen zo hysterisch als het gaat over pedofilie en dit kon ongehinderd door gaan. Er waren wel vermoedens maar die konden niet hard gemaakt worden. Hoezo, niet hard gemaakt worden? Wat is er dan geprobeerd? Nu kan het toch ook. Eén politie-invalletje en de buit was binnen. Ik zal het allemaal wel te simpel zien. Of deugt ons rechtssysteem niet? Er zijn dingen waar je niet over moet nadenken, ze zijn niet te bevatten.
Venezia
Ik ben de afgelopen dagen met twee andere amateurfotografen naar Venetie, Murano en Burano geweest. Ik geef u alvast een impressie. Als alles op flickr staat bent u de eerste die het hoort.









Vocalies (65)
(door Marlies)
Wat zou u ervan zeggen als we deze zomer eens besteden aan wat aspecten van het praktische zingen?
U zou er helemaal niks van zeggen, want ten eerste lezen slechts zeer weinigen mijn schrijfsels en ten tweede reageert u ook al niet of nauwelijks. Dat heeft, behalve dat het mij soms verdrietig stemt, ook voordelen: ik ga gewoon lekker mijn gang, dus ik had bedacht dat we eens een keer gingen hebben over zingen in de praktijk. We gaan willekeurige zaterdagen deze zomer onze aandacht richten op houding, op adem (daar tamboereer ik wel vaker op), op resonans en stembreuken (of de afwezigheid daarvan), op articulatie, affijn, we hebben toch een paar zaterdagen zonder al te veel actualiteit, dus daar kunnen we mooi deze kolommen eens mee vullen….
En vragen staat vrij. Als u iets leest waarvan u denkt: ‘duhhh???’ dan weet u me te vinden. Schelden mag ook…
Ik wilde maar eens beginnen met een lesje houding. Als je zingt moet die houding koninklijk zijn, zonder afstand te scheppen. Denk eraan: een zanger heeft zijn eigen lichaam als instrument. Wees er dus zuinig op, dat bent u het volk verplicht. Geen drankgelagen, of te lange nachtelijke vrijpartijen, of vreetpartijen (hoewel sommige mensen beweren dat een goeie stem ‘in het vet ligt’. Laat u niks wijsmaken: u dient een gezond, alert lijf te hebben als u goed wil zingen en overgewicht is niet gezond.)
Een goeie houding begint bij de voeten. Als er beneden iets fout gaat, wordt dat hoger gecompenseerd door fouten in uw houding. Dus daar gaan we:
1.
Zet uw voeten stevig op de grond met de nadruk op de voorvoet. Zet ze een beetje uit elkaar en wel zover dat u twee steunpunten ervaart. En zo wijd uiteen dat uw bekken ertussen zou passen. Dat betekent dus voor iedereen een verschillende afstand. U zult met mij begrijpen dat het geen gezicht is, om een magere sliert zeer wijdbeens te zien staan, of een korte dikzak met de voetjes bij elkaar, vandaar. Ons lijf kent zijn eigen verhoudingen en die kloppen altijd (lees maar in de Da Vinci Code, daar staat een hele leuke en begrijpelijke verhandeling over de verhoudingen tussen onze verschillende lichaamsdelen).
2.
Dat op de voorvoeten staan moet natuurlijk niet overdreven worden. Ga zo staan dat u onmiddellijk weg zou kunnen lopen. Niet door uw bekken zakken dus, dat ziet er erg lui en onge”interesseerd uit. Als zo’n basishouding eenmaal in uw systeem geslopen is mag u zelf variaties bedenken. Je kunt nl. je voeten ook heel best licht vóór elkaar zetten, dat heeft ook iets heel actiefs en als het in de voordracht nodig is kun je ook best eens lui door je bekken zakken en tegen de vleugel gaan hangen, maar dat moet allemaal gebeuren uit vermogen en niet uit onvermogen.
3.
De knieën mogen niet op slot, laat ze los (en dat is best wennen).
4.
Als je nl. je knieën vastzet heeft dat gevolgen voor de stand van je bekken en dat weer voor je ademvoering enz. enz. Dat betekent dat ook je bekken niet naar achteren mag uitsteken en niet te ver naar voren gekanteld mag zijn. Gewoon, onderkantelen dus. Het handigste is het om het een keer ver achter uit te laten steken, een keer te ver naar voren te laten kantelen en dan uw midden te zoeken, dat uiteraard weer een ander midden is dan dat van de buurman.
5.
Uw schouders trekt u een keer recht omhoog naar uw oorlellen (ik ben soms tamelijk plastisch in mijn benadering, maar het is tenslotte mijn weblog nietwaar?) en laat ze dan via de achterkant naar beneden zakken.
6.
Uw hoofd ‘rust’ op uw nek, met de kin niet te ver naar voren (veel mensen steken hun kin naar voren als ze nerveus of ijverig zijn), maar ook niet te ver terug.
7.
Let erop, dat als u uw armen beweegt in voordracht dat uw schouders laag blijven, trek ze niet mee op, dat is helemaal niet nodig.
8.
Leer voor de spiegel te functioneren en naar uzelf te kijken alsof u een vreemde bent. Objectiviteit ten opzicht van uzelf is dringend nodig. Niet schrikken: alles went, ook uw spiegelbeeld.
Zo, nou staan we: en we hebben nog geen noot gezongen!
Er is een leuk boekje dat ik wel eens hanteer bij mijn lessen (tegenwoordig heet dat coachings trouwens: is twee keer zo duur….): ‘ Houding, adem en keel’ van Bram Balfoort.
U kunt ook eens mooi af gaan zitten kijken hoe jonge professionals het doen (en hoe fout ze het soms doen…), want het Singer of the world-concours is bezig in Cardiff. De BBC heeft vrijwel iedere avond uitzendingen hierover. Let maar eens op (maar vergeet vooral niet te genieten!).
Volgende keer meer!
Actualiteit: behalve het Singer of the World-concours in Cardiif is dit weekend in Den Haag het Festival Classique aan de gang. Ga er naar toe (het wordt mooi weer!) of kijk naar de tv. Er wordt niet veel (niet genoeg) van uitgezonden, maar wel wat!.
Watttuuhhh . . .?
Ik weet het niet meer. Schiet mij maar lek. Sinds mijn broers en ik een paar maanden geleden van de verpleeghuisarts te horen kregen dat onze vader hard achteruit ging, is hij attenter en positiever dan ooit tevoren. Ik heb hem al sinds maanden niet meer horen mopperen. In plaats daarvan fluit hij.
Misschien heeft het te maken met ons verwachtingspatroon, misschien zijn het medicijnen. In ieder geval zijn de bezoekjes geen bezoekingen meer.
Bij het scheiden van de markt zei mijn vader vanmiddag opeens: “O ja . . . das waar ook. Ik begin maandag aan een computercursus.”
Nou kun je van mijn vader veel zeggen, maar niet dat hij onduidelijk praat. Voor de zekerheid vroeg ik hem toch of ik dat wel goed had verstaan. Dat had ik. Ze hadden hem opgegeven. Hij had er wel zin in.
“Dan kunnen we mailen,” zei ik. “Wattuuuhhh . . . .?” vroeg hij.
“Brieven aan mekaar schrijven via de computer,” zei ik.
“Kan dat dan?” vroeg hij. Tja, hoe leg je aan iemand die in zijn leven als postbode tienduizenden brieven heeft bezorgd uit dat zijn vak zo goed als uitgestorven is.
Hoe dan ook, ik heb voor de zekerheid alvast mijn spamfilter in de hoogste staat van paraatheid gezet.
Voorgeschild
Ter voorbereiding op onze trip naar New York (is dat al weer anderhalve maand geleden? Ja dat is alweer anderhalve maand geleden) las ik een aantal boeken van mensen die er gewoond hebben. Onder meer het boek van oud-Volkskrantcorrespondent Jan Tromp.
Hij wijdde nogal uit over het gemak dat de New Yorkers zoeken. Ik wist wel dat in NY alles groter en duurder was, maar dan nog verbaasde het mij dat vooral de rijkere inwoners van New York ogenschijnlijk overal een mannetje of een apparaatje voor hebben.
Wat mij van dat alles het meest is bijgebleven is dat er mensen zijn die nooit meer zelf een appeltje schillen. Die kopen zakjes met voorgeschilde stukjes appel. Om te voorkomen dat die appelstukjes bruin kleuren worden ze ingespoten met een bepaalde stof.
Ik vond dat zo decadent. Bijna onvoorstelbaar zelfs. Typisch iets voor New York. Dat had ik gedacht. Deze week vroeg een collega of ik een appelfrietje wilde. Ze hield me een zakje voor met stukjes appel in de vorm van frietjes. Kant en klaar. Gekocht bij de Burger King, dat dan weer wel.
“Over tien jaar weet geen kind meer dat appels aan bomen groeien,” zei mijn collega.
Waar is de tijd dat ik als jongen van de Betuwse klei met mijn vriendjes en met gevaar voor eigen leven (jawel, ze hadden een hele grote hond) appels ging jatten in de bongerds?
Voorgeschild in zakjes! Decadentie ten top!

Bewust (3)
Nou, nog één keer dan over die namen en dan houden we er weer een poosje mee op.
Naar aanleiding van het onderzoek van Smeets waarover ik gisteren schreef, wilde onze eigenste radioredactie een interviewtje me mij. In hun ogen ben ik namelijk een namenspecialist.
Zo gaat dat in de journalistiek. Als je één keer een itempie maakt over paardenpoep op een fietspad ben je hippisch specialist. Dat komt omdat journalisten van alles iets weten en van niets alles. Dan ben je al gauw een eenoog.
Kortom presentator Maarten Kortlever (u moet 'm eens googelen, leuk jong) wilde wel eens weten wat ik nou van dat onderzoek vond. Niet dat ik prominent in de uitzending kwam. Nee, ik was de softvork, die kun je laten, die kun je doen. Maar laat ik u niet vermoeien met jargon.
Als u het gesprek wilt horen klik dan [hier]
Bewust (2)
Ik kom nog even terug op mij stukje over de namenonderzoeker Smeets (als ik vandaag in dit tempo door ga begint het op twitteren te lijken).
Volgens mij heeft de man volkomen gelijk als hij zegt dat een naam wel degelijk invloed heeft op wat je doet. Want waarom verzamelt iemand met zo'n doodgewone en algemene naam als ik bijzondere namen?
Nou u weer . . .
Stembesturing
Ik heb sinds kort een iPhone. Het was tot nu toe niet zo relevant u daarmee te vervelen. Ik heb ontdekt dat er weinig dingen ter wereld zijn die zo gehypt worden als dit apparaat.
Vandaag heeft iPhone een nieuwe versie gepresenteerd. De freaks speculeerden al weken over die iPhone 3GS. Dat is af en toe vermakelijk om te lezen.
Er zit op die nieuwe niks wat ik zou willen hebben. En als ik zie hoe ze dat met die stembesturing hebben aangepakt dan zeg ik: doe mij een lol . . .
Gepubliceerd: Dinsdag 9 juni 2009
Auteur: Jasper Bakker
Apple gaat vanaf 19 juni een snellere iPhone verkopen. De iPhone 3GS (3G Speed) heeft een kompas ingebouwd en kan video opnemen.
De iPhone 3GS met een snellere processor onthulde Apple maandagavond op zijn ontwikkelaarsbijeenkomst WWDC. Met de nieuwe 3 megapixel camera is het mogelijk video op te nemen met 30 frames per seconde. De gebruiker kan de video op de smartphone zelf al bewerken en uploaden naar YouTube.
Andere nieuwe mogelijkheden zijn stembesturing ("bel Jan de Vries") en een kompas.
Bewust
Er zijn wel eens mensen die aan mij, de verzamelaar van namen gekoppeld aan een beroep, vragen of ik denk dat sommige mensen bewust een beroep kiezen dat bij hun naam past.
Dan zeg ik altijd: dat kan ik me niet voorstellen. Ik zei het laatst nog in twee min of meer officiele interviews over mijn tijdverdrijf.
Maar vanmorgen kwam ik onderstaand bericht tegen. Misschien moet ik mijn mening wel herzien.
NIJMEGEN (ANP) - Dat de Amerikaanse Dennis dentist (tandarts) is
geworden, is meer dan toeval. Evenmin is het geheel toevallig dat
mevrouw Rouw in de uitvaartsector werkt, dat meneer Linde
boswachter werd en dat Michiel een muzikant is die in Munstergeleen
woont.
Dat heeft sociaal-psycholoog Raymond Smeets bewezen in een
onderzoek, waarop hij maandag promoveert aan de Radboud
Universiteit in Nijmegen.
Nomen est omen (de naam is een voorteken), zeiden de Romeinen
al, en dat is nu wetenschappelijk vastgesteld. Mensen die een
positief gevoel over zichzelf hebben, hebben onbewust ook een
voorkeur voor alles wat aan henzelf gekoppeld kan worden, zoals de
letters of betekenis van hun naam en de cijfers van hun
geboortedatum. Deze voorkeur is zo opvallend, dat het hele leven er
door kan zijn beïnvloed, aldus onderzoeker Smeets.
Plagerij
Het verhaal ging zo, maar ik vertel het in door mijzelf gekozen woorden.
Ze wisten dat ze elkaar voor de laatste maal zouden spreken. De bejaarde vrouw en haar hoogbejaarde broer. Vroeger waren de boerengezinnen groot. Soms zat er een generatie tussen de oudste en de jongste.
Ze pakte zijn hand die bewegingloos op het witte laken van het ziekenhuisbed lag. Het was een magere hand.
“Weet je nog dat je mij vroeger met die hand wel eens een draai om de oren gaf,” zei ze lachend. Ze vermeed om in die krachteloze hand te knijpen.
“Weet je dat zeker?” vroeg hij. Hij had moeite om de woorden uit te spreken.
“Reken maar,” zei ze.
Hij trok een grimas die zij herkende als een glimlach.
“En heb ik daar al eens mijn excuses voor aangeboden?” vroeg hij in een door ademnood lang uitgerekte zin.
“Neeuuuhhh . . ,’ zei ze quasi verongelijkt.
“Dan moette d’r ok maor nie meer op rekene,” zei hij. Als hij nog had kunnen lachen dan zou hij het gedaan hebben.
Twee dagen later stierf hij.
Verlakker
(Gastcolumn van Ab Klaassens)
“Jij hier?”, riep de chef-redacteur toen ik mij op de centrale redactie in Amsterdam meldde na een paar weken klussen op de redactie Zaandam van Het Vrije Volk. “Jij hier? Je had godverdomme al in Zwolle moeten zijn.! “
Ik was, zonder het te weten, met ingang van die maandag in oktober van 1958 benoemd tot redacteur-verslaggever voor de Noordwesthoek van Overijssel, de Noordwest Veluwe en de Noordoostpolder, standplaats Zwolle en daarmee was ik ook leerling-journalist af.
In Zwolle moest ik mij melden in het gebouw ‘Proletariërs Aller Landen Verenigt U’ (Palvu). Daar kreeg ik een half uurtje instructie van de man die al snel mijn voorganger zou zijn en de mededeling dat ik die avond , uiterlijk half tien, anderhalve kolom naar de redactie in Amsterdam moest doorbellen over de begrotingsvergadering van de Zwolse gemeenteraad. Zwolle was de geboorteplaats van de toenmalige hoofdredacteur, Klaas Voskuil. “Jouw editie leest-ie het eerst, zodra hij op de krant komt”, riep m’n voorganger me nog toe voor hij ervandoor ging. Geruststellend.
Ik mocht m’n intrek nemen in een hotel alwaar de obers, inmiddels gewend aan tijdelijk inwonende journalisten, alle drankjes boekten als telefoonkosten.
Van een Vrije Volk-redacteur werd verwacht dat hij in raadsverslagen vooral aandacht besteedde aan de woorden van PvdA-politici. Die avond waren de sociaal-democraten nog niet aan het woord geweest toen mijn deadline daar was. Waardoor de volgende ochtend de lezertjes van Het Vrije Volk in Zwolle en omgeving, alsmede de grote baas in Amsterdam konden vernemen wat de oppositie vond van het door de PvdA gedomineerde college van B. en W.
Een jaar later mocht ik in het depot van het Provinciale Overijsselse Museum in Zwolle rondsnuffelen. Ik vond er een oud uithangbord, vermoedelijk van een winkel voor schilder-benodigheden met de tekst: “K. Voskuil, verlakker.”
Ik liet er een foto van maken die ik met een lollig bedoeld onderschrift aanbood voor plaatsing op ‘mijn’ Zwolse pagina. Helaas, socialisten zijn geen humoristen. “We hebben Ab Klaassens leren kennen als een ijverig verslaggever”, meldde mij getuigschrift zuinigjes nadat ik naar een andere krant was vertrokken.
Pufjuf
Al direct toen ik het ochtendblad open sloeg ontsnapte mij een krachtterm. Dat mag best opmerkelijk worden genoemd want normaal vloek ik nooit voor het ontbijt. Maar er was een aanleiding. Op de voorpagina stond namelijk dat puffen tijdens een bevalling niet helpt. En al die mannen die meegaan naar een zwangerschapscursus om samen met hun vrouw (of vriendin natuurlijk) het puffen te oefenen zitten voor lul te hijgen.
Dat is allemaal gebleken uit een Zweeds onderzoek. Nou heb ik het niet zo op deskundologen maar op de een of andere manier is voor mij alles wat uit Scandinavië komt betrouwbaar.
Waarom die krachtterm? Omdat ik na dertig jaar van grote twijfel eindelijk gelijk krijg. Al die jaren heb ik gedacht dat ik gek was. En nu is er dan de bevrijding. Ik had ook een huppeltje kunnen doen vanmorgen. Maar zeg nou zelf: een vent van middelbare leeftijd die in zijn onderbroek door de kamer loopt te huppelen is geen gezicht. Vandaar mijn verbale ontlading.
Bijna 29 jaar geleden ging ik met mijn toenmalige vrouw mee naar zwangerschapcursus om te puffen. Ze was verpleegkundige en had veel bevallingen van anderen meegemaakt. Ze verzekerde mij dat puffen niet werkte, maar dat ze het wel prettig zou vinden als ik mee zou gaan uit solidariteit. Dat deed ik. Ook begin jaren tachtig was je al samen zwanger.
We puften ons suf samen met een heleboel andere stellen van wie de meesten nu vast al grootouder zijn. Het was in de tijd dat ik nog opstandiger was dan nu. Ik kon het niet laten een discussie aan te gaan met de pufjuf. Ik vroeg haar of een vrouw in barensnood werkelijk haar hoofd er zo goed bij zou houden dat er ordentelijk gepuft zou kunnen worden. Laat staan dat een aanstaande vader in al zijn paniek en machteloosheid de regelen der pufkunst zou kunnen toepassen. Als dat watje al niet voortijdig flauw was gevallen.
De juf vond mij vervelend en er ontstond een onaangename sfeer. Met mijn grote bek grapte ik dat ik onze hond wel aan het kraambed zou zetten. Die kon namelijk geweldig ritmisch hijgen. De pufjuf werd woedend. Ze stampte me nog net niet buiten maar de rest van de les werd ik genegeerd.
Ik weet niet of die dame nog actief is in het zwangerschapswezen. En ik weet niet of ze de Volkskrant leest. Maar als dat zo is dan hoop ik dat ze vandaag aan me denkt.
Vocalies (64)
(Door Marlies)
Er is weer een nieuwe aflevering van Vocalies-podcast!!! Klik hier.
Als je al een tijdje in dit heilige vak meedraait denk je toch wel dat zo’n beetje de groten der aarde kent: ik mocht ooit tenor Rolando Villazon interviewen en in mijn dagen bij Radio 4 kwamen de namen van nogal wat celebrety’s langs: Von Otter, Fleming (zowel de zangeres als de pianist, Van Zweden (ooit onder gezongen, ja ja!), Jan Willem de Vriend, in de lift met Ernst Daniel Smid, ach het zijn niet de allergrootsten, maar het waren/zijn stuk voor stuk op hun eigen manier bevlogen en begaafde mensen.
Dat je dan op een verjaardagspartijtje de naam van Marco Beasley voor het eerst moet horen is toch eigenlijk wel iets om een beetje ontdaan van te raken. Het woord verjaardagspartijtje doet overigens geen recht aan de uiterst genoeglijke namiddag die we doorbrachten met de vrienden van een vriendin. Leuke gesprekken, die wat verder gingen dan: ‘wat doe je voor werk? en ‘heb je kinderen’?’ (die laatste vraag schijnt in ’s mensens leven nogal een grote plaats in te nemen, maar dat terzijde…).
Een van de laatste gesprekken ging dus over Marco Beasley. Ik zat een beetje met de samenstelling van de volgende Vocalies in mijn maag (die ging dit keer voor het eerst eens niet van een leien dakje) en besloot zijn naam eens te googelen. Wie weet bracht het me suggesties.
Potverdrie wat een stem en wat een vent… ademloos zat ik het linkje op You tube aan te klikken en nog eens en nog eens. Zo moet ouwe muziek gezongen worden, precies zo organisch en natuurlijk en klinkend alsof het ongeschoold zo tot je komt, recht uit het hart, al het gekunstelde weg. Komt en luistert, gij Monteverdi’s, di Lasso’s, Paisiello’s en Landi’s. Hier is een man die het snapt en uw muziek dichtbij ons brengt. En ook de uitvoerende kant, de Herreweghes, Jacobsen en Kuijken’s. Soms lijkt het wel of u er in al uw ijver op uit bent afstand te scheppen tussen ons en de oude muziek; hier is iemand die alle bruggen slecht en doet wat u allen zou moeten doen: de afstand verkleinen. Ik sluit het linkje onderaan dit stukkie in. En hierna een korte biografie van Beasley.
Laat zijn Engelse naam u niet bedotten: hij is opgegroeid in Napels, zoon van een Engelse vader en Italiaanse moeder, geboren in 1957.
Hij studeerde in Bologna, vooraal de zang uit de renaissance en de barok. Hij ontmoette er Cathy Berberian. Ze stierf te vroeg voor Beasley (en eigenlijk voor ons allemaal, want die vrouw kon wat met haar stem, ongelooflijk; ze had bovendien een prettige gestoordheid die dwars door alle schoolse techniekjes van benepen zangpedagogen heentjoepte).
Ik zit naar hem te kijken en kan inderdaad (zoals recensies ook zeggen), moeilijk uitdrukken wat me zo trekt in die man. Hij is niet knap; hij zou uitstekend passen als slechterik in een film als The da Vinci code. Hij kleedt zich sober, vaak in rood en zwart. De stem heeft geen bijzonder timbre, maar volgt een zo natuurlijke weg, dat je mee moet of je wil of niet. Zijn Italiaans is wat aan de Zuid-Italiaanse kant, soms een beetje lui hangend op medeklinkers, maar daardoor uitstekend te verstaan. En voor zover ik het kan oordelen zingt hij andere talen accentloos. Waarschijnlijk een voordeel van meertalig opgroeien.
Samen met Stefano Rocco en Guido Morini richtte hij het ensemble Accordone op en daar treedt hij het meeste mee op, maar hij staat ook met ‘gewone’ orkesten op het podium en met de meest vreemde samenstellingen aan amateurkoren en –instrumentalisten. En nooit uit de hoogte tegen de mensen waar hij mee werkt.
Voor mij blies hij de oude muziek nieuw leven in. Ik startte mijn zingende leven met het vertolken van oude muziek, maar ging erbij weg, omdat ik het allemaal zo gemanierd en overkeurig vond. Via Beasley wordt een oude liefde wakker. Misschien voor u ook.
Scepsis?
Het leukste is om na een verkiezingsuitslag waarbij de PVV als tweede partij tevoorschijn komt, de analyses te lezen.
De analisten worstelen want de anti-Europese en de pro-Europese partij hebben allebei flink gewonnen. Hoe moet je dat nu duiden? Volgens de vrienden van de Volkskrant heeft de euroscepsis gewonnen.
Alsof de massale winst van de PVV ook maar iets te maken heeft met Euroscepsis. Ik denk dat de PVV ook massaal gewonnen zou hebben als er wijkraadsverkiezingen voor de bloemenbuurt waren gehouden.
Politicoloog Jan Rood verwacht dat de middenpartijen CDA en PvdA nu kritischer worden op Europa om de aansluiting met de PVV niet te verliezen. Ik vond dat vanmorgen al onzin. Wouter Bos heeft dat vanmiddag ook als zodanig afgedaan.
Want het gaat om heel andere dingen. De mensen stemmen massaal op de PVV omdat ze het zat zijn dat puistenkoppen met petjes en Marokkaantjes de baas zijn op straat. Omdat ze het zat zijn dat hun wijk wordt besmeurd met graffiti. Omdat ze genoeg hebben van de grofheid en de verloedering. En omdat de PVV dat haarfijn aanvoelt en net doet alsof zij dat kan oplossen krijgt die partij zoveel stemmen.
Is het op te lossen? Ik ben pessimistisch. Volgens mij kun je het tij alleen maar keren als je die gasten die overlast veroorzaken perspectief biedt zodat ze zich kunnen ontwikkelen tot gewaardeerde medeburgers.
Ja, dat is verdomd moeilijk. Wouter Bos zei vanmiddag: “Bij een complexe wereld hoort een complex verhaal”. Dat is eigenlijk de enige rake analyse.
Saai
Stemmen is voor veel mensen het moment om uitdrukking te geven aan hoop. Hoop op een beter bestaan, hoop op andere leiders. De aard van de hoop hangt nauw samen met de plek waar je woont.
In Nederland met z’n veelpartijenstelsel weet je dat er compromissen gesloten moeten worden om te kunnen regeren. De belangrijkste hoop is dan dat jouw partij een beetje invloed kan uitoefenen. Behalve natuurlijk als je op het CDA stemt. Dan hoef je alleen maar te hopen dat die rooien van de SP ook dit keer buiten de deur worden gehouden.
In veel bananenrepublieken hoop je dat je ongeschonden terug komt van een gang naar de stembus en dat er bij thuiskomst nog genoeg water is om die vieze inkt van je vingertoppen te wassen.
Maar wat moet je hopen bij zoiets saais als Europese verkiezingen? Europa is belangrijk maar het spreekt zo weinig tot de verbeelding. En de stemwijzer loodste mij alweer naar de PvdA. Net als altijd.
Als weblogger hoop je dan maar dat er in het stembureau iets geks gebeurt waardoor je ten minste een leuk verhaaltje kunt schrijven. Ik hoop natuurlijk ook dat het volk zich niet massaal tot Geert Wilders bekeert, maar die hoop is net zo ijdel als het Gouden Kalf van wakker Nederland zelf.
Ik hoopte dus dat de voorzitter van het stembureau iets opmerkelijks zou zeggen of dat een van haar secondanten een kop koffie zou omstoten. Of dat de punt van het rode potlood zou afbreken omdat ik mijn voorkeur al te krachtdadig kenbaar wilde maken. Of iets anders grappigs.
Niks van dat alles. Het ging gesmeerd zonder een onvertogen woord. Bah, zelfs het stemmen op het Europarlement is saai.
Jargon, de oplossing
De oplossing van de vraag in het logje hieronder is als volgt:
Deze week had ik een vergadering over het wel en wee van onze buurt. Omdat daarin ook het NS-station ligt is er altijd een vertegenwoordiger van NS (’t kan ook Prorail zijn, ik hou dat niet uit elkaar) aanwezig. Die bezigde de woorden fietskwakkers en chichos.
Fietskwakkers, u raadt het al, zijn mensen die hun fiets niet in de daarvoor bestemde rekken plaatsen maar ‘m ergens neerkwakken.
Chichos is iets ingewikkelder. Wij krijgen op enige moment allemaal te maken met de OV-kaart. Die moet u voor een paaltje houden als u het perron betreedt en als u het perron verlaat. Zo’n paaltje heet een chicho in het NS-jargon. Althans van die meneer in de vergadering. Het staat voor check in- check-out.
Ach weet u wat het is? Over een paar jaar weet u niet beter. In de winter vertraging door ijzel, in het voorjaar vertraging vanwege uitgelopen onderhoud, in de zomer vertraging door uitzettende rails, in de herfst vertraging door vallende bladeren en het hele jaar door vertraging vanwege haperende chichos.
Jargon
Weet u welke organisatie zich van het volgende jargon bedient: fietskwakkers en chicho’s?
Yolanthe
Nadat ik een paar weken geleden eventjes de paria van de redactie was omdat ik geen gezicht had bij Yolanthe (die van Jan Smit) besloot ik om toch het privé-nieuws in de Telegraaf te gaan volgen. Je moet mee kunnen praten.
Zo las ik vandaag dat die Yolanthe en Wesley Sneijder samen de nacht hadden doorgebracht. Op zich hoeft dat niks te betekenen, maar nu ik weet wie Yolanthe is kan ik mij niet voorstellen dat de voetballer bij het betreden van de hotelkamer een hamstringblessure voorwendde.
Bij het stukje stonden een paar kleine advertenties, tegenwoordig Ads van google geheten. Op zo'n moment denk ik. Jan Smit zal daar toch niet wakker van liggen . . .

Toine
Europese politiek saai? Dan kent u Toine Manders niet. Hij is verreweg de leukste Brabantse Europarlementariër. Lid van de VVD. (Ik verdenk hem er van dat hij die partij alleen maar als vehikel gebruikt voor de grote Toine Mandersshow.)
Toine timmert enorm aan de weg. Onze omroep meldt elke scheet die de man laat vliegen. Dat moet wel want hij is in het corps van grijze muizen de enige die de Europese politiek smoel geeft.
Hij maakt zich vooral druk om dingen die u en ik herkennen. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat het trompetgeschal waarmee de Brabander zich altijd aankondigt in interviews wel eens wil verschrompelen tot het geluid van een gedempt piccolootje. Maar goed, dan is hij in ieder geval doorgedrongen in de ether. Toine is een gehaaide sodemieter.
Afgelopen weekend trok hij van leer tegen het feit dat er boven Nederland op zondag geen reclamevliegtuigjes mogen vliegen. Dat is verboden in verband met de zondagsrust.
Toine heeft een heel verhaal nodig om uit te leggen wat hij daar van vindt. Hij gaat natuurlijk niet roepen dat christenen op moeten houden hun wil op te leggen aan de miljoenen Nederlanders die na de doordeweekse belrondes van de callcentra op zondag wel eens een andere vorm van reclame willen. Nee, nadat Mark Rutte zich de toorn van de joden op de hals haalde, kijkt Toine wel uit om zich op het gladde religieuze ijs te begeven.
Hij heeft het over gelijke behandeling van sportvliegers en reclamevliegers. Verbied alles of niks, zegt Toine. En als er iets is waar christenen gevoelig voor zijn is het: gelijke monniken, gelijke kappen. Gehaaide sodemieter die Toine. Als hij deze week buiten de Europese boot valt zou ik hem lijsttrekker van de VVD in Nederland maken.
Dan komt er hopelijk ook een eind aan dat achterlijke verbod op reclamevliegen op zondag. Ik kan niet wachten totdat ik vanaf mijn dakterras op mijn vrije zondag kan genieten van een zwerm vrolijk over elkaar buitelende reclamevliegtuigjes. Getooid met slepen waarin de plaatselijke middenstand mij met verfijnde middenstandspoezie probeert te verleiden mijn goede boek, waar ik door de herrie toch mijn aandacht niet meer bij kan houden. aan de kant te leggen en mij naar het winkelcentrum te spoeden . . .
Ik zou zeggen: Toine laat ze vliegen . . .
Cadeau
Er was een onverwacht cadeau voor het jarige stroomopwaarts. Mijn oud-collega Ab Klaassens greep de gelegenheid aan te zwichten voor mijn vraag om zijn verhalen bij mij te publiceren. Hij gaat onregelmatig voor dit weblog schrijven.
Ab en ik hebben een jaar of tien samengewerkt bij Omroep Brabant. Zo’n elf jaar geleden ging hij met pensioen. Een paar maanden geleden kwamen we elkaar weer op het spoor.
De laatste jaren van zijn werkend leven bracht Ab door op het archief. Vanachter de glazen afscheiding beschouwde hij de wereld op zijn eigen erudiete manier, zoals alleen door de wol geverfde journalisten dat kunnen.
Hij was ook het geweten van de regionale journalistiek en zijn fenomenale taalkennis zette hij in om ons voor al te grote uitglijders te behoeden. Sommige jongeren vonden hem vervelend. Dat is de generatie radiojournalisten die zegt: wie boeit het nou dat ik “ik wordt” schrijf, niemand die het hoort. Ab was van mening dat slordigheid in de taal uiteindelijk leidt tot algeheel verval van de journalistiek. Ik zeg het hem graag na.
Na ons hernieuwde contact mailden we en we aten een hapje. Af en toe stuurde Ab en column mee. Hij had het vak nog niet verleerd. Hij was ook nog steeds die man die mij vilein wees op taalgebreken op stroomopwaarts. Ik doe er mijn voordeel mee.
Op een dag bekende hij me dat ik hem had geïnspireerd weer te gaan schrijven nadat hij jarenlang als bijklussend pensionado vooral de schrijfsels van anderen in rij en gelid had gezet.
Ik nodigde hem uit om zijn stukjes bij mij te publiceren. Ik vind het namelijk doodzonde dat die verhalen onder het stof blijven. Toen ontdekte ik de bescheiden kant aan de collega die nooit schroomde om iemand onder uit de zak te geven.
Vandaar dat het even duurde voordat hij zichzelf goed genoeg vond om te zwichten. Vanaf vandaag dus bijdragen over journalistiek zoals die niet meer bestaat. En over heel veel andere dingen.
We hebben afgesproken dat ze onregelmatig verschijnen. Geen druk, geen heilig moeten. Er komt ook geen aparte rubrieksnaam, zoals Vocalies. En misschien stopt het ook wel naar vijf keer. Ik zie wel, ik ben allang blij dat de oude meester zijn stiel heeft hervonden.
Vandaag de eerste bijdrage:
* * *
Mammoetwet
Middelbare scholen bestaan niet meer. Middelbare opleidingen wel. Dat komt door de invoering van de mammoetwet, op 1 augustus 1968, ruim veertig jaar geleden. Op die dag werd ‘de middelbare school’ van de kaart geveegd. Vanaf dat moment was alles tussen het lager onderwijs en het hoger onderwijs ‘voortgezet onderwijs’.
Op die gedenkwaardige dag van 1 augustus 1968 vroeg mijn redactiechef of ik, voor het Deventer Dagblad, iets kon verzinnen om de invoering van de mammoetwet een plaatselijk/regionaal tintje te geven.
Bijna om de hoek van de redactielokalen vond je het gebouw van het Alexander Hegiusgymnasium, met een indrukwekkend bordes. En aan de rand van het stadscentrum stonden de tenten van een Frans circus; met een olifantennummer. Kan een olifant doorgaan voor een mammoet? Ach waarom niet.
Naar het circus. Kan ik twee olifanten lenen voor een fotosessie op het bordes van het Alexander Hegiusgymnasium? Twee kon niet, maar wel de hele groep: twaalf stuks. Goed, doen we. Wel even naar de politie, want de stoet moest door de nauwe straatjes van de binnenstad. Eén politieagent ging de stoet op de fiets vooraf. En één oppasser van het circus liep mee aan de staart van de stoet.. De verslaggever zelf leidde de kudde : hand op de rug, slurf in de hand en zo vervolgens: staart in slurf, staart in slurf enzovoort.
Aan weerskanten van het schoolbordes zes olifanten: allez hup: op de achterpoten, voorpoten en slurfjes omhoog. Foto’s gemaakt, veertien Deventer kruidkoeken gekocht om de artiesten, alsmede de oppasser en de politieman te belonen en terug naar de circusstallen. Met wederom slurf in hand, staart in slurf enzovoort . Daarom roep ik altijd iets wat volgens de SGP niet mag als ze ‘t op de radio hebben over ‘de middelbare school’.
Ab Klaassens
