Vurige tong
Het is vandaag op de kop af vijf jaar geleden dat ik de impulsieve gedachten die ik via mijn te vurige tong de wereld in slingerde ging kanaliseren in het weblog stroomopwaarts.
Het eerste lustrum grijp ik aan voor een moment van bezinning. Wat heeft het me gebracht? Twee dingen. U, die een nieuwe kring van virtuele bekenden vormt. En rust.
Veel weblogs sterven een te vroege dood omdat de makers geen rust hebben om dagelijks te schrijven. Ik heb het niet over inspiratie. Die heb ik ook niet altijd. Dan sla ik over. U heeft ook zonder mij een leven. Het heilig vuur van moeten is mij als weblogger vreemd. Ik mag en dat is goed.
Rust? Omdat het kanaliseren van mijn gedachten op virtueel papier mij bedachtzamer en genuanceerder heeft gemaakt. Ik ben minder een flapuit. Geloof ik me, ik kon lomp zijn.
Dat is minder geworden zich ik dagelijks nadenk over hoe ik mijn gedachten netjes kan opschrijven en die niet al tevoren prijs geef. Een journalist bazuint z’n nieuws niet rond voordat hij er zelf mee kan scoren. Dat leidt tot minder aanvaringen, ruzies en crises. Dat geeft rust. Mensen vinden mij tegenwoordig zelfs aardiger.
Kortom, ik adviseer u ook te schrijven. Je wordt beter pruimbaar voor je omgeving. O ja: en doet dan dan met een beetje humor en veel zelfspot. Dat helpt ook.
Vocalies (63)
(Door Marlies)
Venetie, oktober 2008. Ik ga het verhaal nu toch maar es vertellen. Kort geleden nog eens in enige samenhang aan twee vriendinnen verteld, dus nu kan het wel…
Venetië, oktober 2008 dus…. We komen (mijn 2 hartsvriendinnen en ik) per shuttlebus aan op de Piazzale Roma, de enige plek in Venetië waar bussen en auto’s nog mogen komen. Het is een uur of tien ’s avonds. De Vaporetti staken, dus per boot naar ons hotel vlakbij de Rialto-brug is uitgesloten. Het zal weer es niet… We besluiten te lopen en de vriendin die het beste is in kaartlezen wenkt al ongeduldig, ‘hierlangs….’; ik sta nog te hyperen omdat ik zo blij ben er weer te zijn; ik bewaar goeie herinneringen aan Venetië.
Een half uurtje later rollen we ons hotel binnen, meteen gevonden, hetgeen in Venetië een prestatie op zich is: erg verdwalen kun je er niet, maar meteen je doel bereiken is bijna nooit aan de orde. We gooien onze bagage in het ons toegewezen bezemhok en rammelen de trap weer af: het is een mooie, zwoele oktober-avond en veel te vroeg om naar bed te gaan.
We zitten een meter of vijftig van de Rialtobrug af en daar aan het Canal Grande lonken de terrasjes. Langs de zijkant van een restaurant dalen we in de richting van het water. In het restaurant hoor ik gezang en als vanzelf spits ik mijn oren: is dat niet…? Ja het is: ‘Nessun Dorma’ uit Tosca van grote vriend Giacomo Puccini (en Giacomo met het accent op de eerste lettergreep, vrienden van Radio 4, niet ‘sjakòwmow’ zoals ik deze week hoorde).
Ik vertraag mijn pas en luister effe echt: de stem is wat ouder, maar heeft ooit heel mooi kunnen zingen en fors ook. De laatste uithaal krijg ik ook nog in het zicht mee: de man staat, met fototoestel op de buik aan de kop van een lange tafel te zingen. Hij haalt de laatste hoge toon met gratie en er volgt luid applaus. Ik hoor felicitaties in het Duits van de tafelheren en trek daar mijn verkeerde conclusie. De vriendinnen hebben hun pas ook ingehouden, op mij wachtend: als die van Geurts klassieke muziek hoort vertraagt ze nou eenmaal haar pas, dat hoort bij haar, ze zijn geduldig…
Ik land naast hen op het terras, spreek mijn eerste drie Italiaanse woorden van die vakantie (‘tre Spritz prego’) en leg uit dat dat zo-even de grote aria uit Tosca was. De vriendinnen knikken: zal wel…
Als we getoast hebben op de vier mooie dagen die voor ons liggen gaat er naast ons een grote man met fototoestel op de buik zitten. Ik kijk: hé, da’s die man van daarnet. Ik maak mijn volgende fout en spreek hem aan: ‘Sie haben wunderschön gesungen, haben Sie studiert?’.
Hij kijkt terug en zijn ogen schieten vuur: ‘Sono Veneziano, e ho mai studiato, mai!’
Mijn hart slaat over, ik en mijn grote mond ook (en mijn eeuwige behoefte om te koketteren met mijn talenknobbel). De vriendinnen kijken me vragend aan: zij verstaan Duits, maar geen Italiaans, maar merken wel dat hij boos is en niet zo’n beetje ook. Tijdens mijn vertaling aan hen heb ik tijd om te schakelen van Duits, via Nederlands, naar Italiaans: ‘Hij is Veneziaan en geen Duitser en het ergste wat je een Italiaan aan kunt doen is hem uitmaken voor Duitser en hij heeft nooit zang gestudeerd… o, ik en mijn grote mond!’ (zij kennen en accepteren mijn zwakheden).
k wend mij tot en hem en zeg in mijn beste Italiaans: ‘Ik wilde niet onbeleefd zijn, neemt u mij niet kwalijk, ik hoorde Duits spreken en dacht dat u bij het gezelschap hoorde..’ en dan om hem af te leiden van zijn boosheid, ‘dat was toch de grote aria uit Tosca van maestro Puccini, is het niet?’
Hij trapt in de val (mannen!) en bromt ‘si, si, si…’
Ik: ‘ik ken de andere aria, Vissi d’Arte, die heb ik wel eens gezongen…’ en ik hummel de eerste paar maten van het recitatief.
Hij haakt aan, nu helemaal ‘om’ en souffleert de rest van het recitatief. Ik denk, nou vooruit dan maar, ga rechtop zitten en zet wat meer geluid. Met hulp van zijn voorzeggen zing ik de hele aria uit, inclusief snik aan het eind. Hij heeft me ongeveer in de goeie toonsoort voorgezongen en dat betekent dat de hoogste noot een bes is en deze bes komt daar dichtbij, Hij knalt over het water aan de andere kant van het Canal Grande tegen de gevel en schrijft daar voor mij persoonlijk historie: een hoge bes, voluit en gelukt, aan het water in Venetie, in zulk gezelschap, wauw!
Pas als de laatste noot is weggestorven zie ik wat het gevolg van de aria is: op de Rialtobrug staan toeristen stil, de ober staat halverwege het terras met een dienblad vol glazen, aan de overkant van het water applaudisseren er mensen en de vriendinnen zitten perplex en ontroerd in hun stoel. De eerst boze ‘collega’ stromen de tranen over de wangen, hij gooit zijn rieten stoeltje aan de kant en komt met gespreide armen op mij af en terwijl ik nog sta na te sidderen (of u het gelooft of niet: ik doe zoiets hoogst, hoogst zelden) word ik geknuffeld en voel ik zijn tranen tegen mijn wang.
Eeuwige roem is mijn deel, in ieder geval voor zolang de avond duurt: mensen komen me een hand geven en ‘mijn’ Veneziaan is niet meer van mijn zijde weg te slaan. De vriendinnen weten weer eens met wie ze ook al weer op stap waren (een loslippige, lyrsiche, eerste sopraan) -grapje meiden, grapje- en de toon voor de vakantie is gezet: het worden vier perfecte dagen. Bij de herinnering terwijl ik dit typ zit ik nog te glimlachen… dat ik dat durfde….
In het filmpje een opname van Kiri te Kanawa. Vissi d'Arte was al eens eerder onderwerp in deze rubrieken, maar ik wilde u de aria niet onthouden.
Pavlov
Soms vraag ik mij wel eens af wie nou wie in de maling neemt. Zodra ik ’s morgens vroeg of ’s avonds na mijn werk in de eetkamer/keuken komen geven Poes&Broer aan dat ze onmiddellijk willen eten. Zelfs als hun etensbakken nog voldoende gevuld zijn.
Trouw geef ik gehoor aan hun opdracht. Om nog iets van mijn eigen waardigheid te bewaren rammel ik soms alleen met de etensbakjes. Het geluid is voldoende om ze gretig te doen aanvallen.
Het lijkt er op dat zij per se willen dat ik op hun eerste gemiauw onmiddellijk actie onderneem. Het maakt niet uit welke actie, ze willen macht over mij.
Ik daarentegen koester me met de gedachte dat ze zo onderdanig zijn dat ze alleen maar wensen te eten als ik een handeling heb verricht en daarmee impliciet toestemming heb gegeven voor de aanval op de bakken.
Ik weet het niet meer . . . . Ik denk dat ik ze maar eens ga vertellen dat Ivan Pavlov zijn proeven met een hond deed.
Mark
Mark Rutte. Ik heb weinig over hem geschreven in mijn loggend bestaan. Dat betekent dat hij voor mij nauwelijks van betekenis is. Ik zie Mark Rutte vooral als een tussenpaus die een partij leidt die nooit de mijne zal worden zolang ze alles aan de vrije markt willen overlaten. Of beter gezegd: aan de goden willen overleveren.
Ik heb Mark Rutte wel af en toe zien stuntelen. Het maakte mij niet uit. Het kenmerk van een tussenpaus is dat zijn aanwezigheid een pauzeact is. Je kunt er naar kijken, je kunt ondertussen ook een biertje gaan halen. Ik ga altijd een biertje halen.
Vanmorgen schrok ik op toen ik hier en daar las dat Mark Rutte vindt dat de vrijheid van meningsuiting zo ver moet gaan dat mensen de Holocaust mogen ontkennen.
Logisch dat Mark dat zegt. Hij is een liberaal. Rutte vindt mensen die de moord op 6 miljoen joden ontkennen verachtelijk volk. Het gaat hem er alleen maar om dat je het moet kunnen zeggen. Want volgens Mark Rutte moet een mens alles kunnen zeggen. Ik heb hem er niet over gehoord, maar als ik hier de majesteit in verband breng met een zeker beroep dan denk ik dat Mark anders piept.
Toch heeft Rutte gelijk. Een mens moet alles kunnen zeggen. Allerlei joodse organisaties klommen meteen in de hoogste boom. Dat doen ze altijd als hun recht op eeuwig lijden in het gedrang komt. Bovendien, zo las ik, zouden de opmerkingen van Mark Rutte tot Jodenhaat kunnen leiden. Tuurlijk, als zo’n onbeduidende politicus zoiets zegt ga ik onmiddellijk de joden haten. Logisch toch?
Sorry dat ik een beetje cynisch ben, maar ik heb onlangs weer een staaltje meegemaakt. Mijn neef die via een theaterstuk probeert zijn gruwelijke leven als NSB-kind een plek te geven kwam na afloop van een voorstelling in gesprek met een joodse mevrouw. Ze was naar de voorstelling gekomen omdat ze wilde leren. Ze stelde voor dat mijn neef mee zou gaan naar de joodse vrouwenvereniging waar ze lid van is. Hij wilde wel. Zij kreeg bij haar vriendinnen geen poot aan de grond. Integendeel. Ze werd nog net niet met pek overgoten omdat ze naar de voorstelling was geweest.
Terug naar de verdachte zelf, de jonge liberaal. Hij heeft een punt als hij zegt dat je alles moet kunnen zeggen. Maar het voorbeeld dat hij gebruikte was ronduit dom. De spellingscorrector maakt niet voor niks automatisch een hoofdletter H als ik Holocaust tik. Er zijn dingen waar je geen discussiepunt van maakt. De Holocaust staat daarbij met stip bovenaan sinds kort op de hielen gezeten door Mohammed.
Soms kun je beter nadenken over wat je niet hoeft te zeggen dan over wat je moet kunnen zeggen. Als je dat niet begrijpt dan ben je zelfs als tussenpaus geen knip voor de neus waard. Het wordt tijd dat dat jong een verstandige vrouw krijgt.
Schep
De melding repte van een brand op het station in Oss na een treinincident. Vier telefoontjes later (van brandweer naar NS-Zuid naar hoofdkantoor NS naar Prorail) vertelde de mevrouw van Prorail dat het niks bijzonders was.
“We hadden een smeulende dwarsligger,” zei ze.
“Oh,” zei ik, “die hebben wij hier zo veel. Hoe lossen jullie dat op?”
“Een flinke schep zand er over,” lachte de dame.
Ik dankte haar hartelijk voor de tip.
Vrienden
De kruitdampen zijn opgetrokken. Mijn provinciestadje heeft een demonstratie van de Nederlandse Volksunie overleefd. Alle gearresteerden op één na zijn huiswaarts gezonden zoals dat in politiejargon heet.
Ik heb niets van de demonstratie gezien omdat ik zaterdag niet in de stad was. Jammer, want ik had er ongetwijfeld interessante foto’s kunnen maken.
De NVU had de bijeenkomst georganiseerd als protest tegen wat ze het casinokapitalisme noemen. Wij noemen dat de graaicultuur. Ik vind het een bedenkelijk club die NVU. Ze sympathiseren mij wat al te uitbundig met de nazi’s. Omdat ik de indruk heb dat het een marginaal groepje is roept het bij mij vooral een reactie op van: och gut . . . . U zult me wel naïef vinden.
De arrestanten waren geen NVU’ers. Nee, dat waren de tegenstrevers uit links radicale hoek. Die begonnen onmiddellijk te matten bij het zien van de eerste rechts-extremist. Ik begrijp niet dat mensen die zichzelf profileren als tegenstanders van neo-nazi’s zich zo laten gaan met als gevolg dat de aandacht voor de demonstratie nog dagen nasuddert.
Op hun websites doen beide kampen vandaag verslag van hun treffen. Als je dat leest dan begrijp je wie er vrienden maakt bij de politie en wie niet.
Links schrijft:
Rond 13.00 uur die dag verzamelden zich een vijftigtal leden van de fascistische NVU achter het station van 's-Hertogenbosch. Omringd door een cordon van politieagenten - lopend, op de fiets, te paard, in ME-wagens en in intimiderende gevechtskleding. Er waren eveneens vele tientallen agenten in burger actief (zogeheten "stillen") die middels "oortjes" in verbinding stonden met de ME-commandowagen.
Terwijl de fascisten - en als je dit een te zware term vind dan raad ik je aan eens op de NVU-website te gaan kijken en te lezen hoe zij SS-oorlogsmisdadigers verheerlijken, terwijl die fascisten dus volop de gelegenheid kregen onder bescherming van een dikke haag Debiele Eenheid hun spreekkoren te roepen werden de tegendemonstranten ernstig gehinderd in het uiten van hun grondwettelijke vrijheid van mening. Er werden lukraak mensen aangehouden, vaak met zeer grof geweld.
Rechts schrijft:
Onze politiecontact persoon Dhr. Turnhout was een oude bekende te noemen, want al twee keer eerder heeft de NVU met deze contactpersoon samengewerkt in Oss. Nu is de politie een lerende organisatie en tijdens deze demonstratie was goed te zien dat wij de ervaringen en adviezen doorgegeven in het overleg, het politieapparaat verfijnd heeft en dat zij deze omgezet heeft in concrete daden. Het ophalen en begeleiden van en naar de perrons bij aankomst en vertrek van de demonstranten was verruit beter geregeld dan bijvoorbeeld bij de laatste demonstratie in Amersfoort op 21 februari jl.
Ach, oordeelt u zelf.
Brabander
Hoe lang is het geleden dat ik een kerkdienst bijwoonde? Mijn laatste protestantse kerkdienst moet begin negentiger jaren zijn geweest. Daarna was ik incidenteel bij een rooms-katholieke mis als mijn vrouw er een rol vervulde als zangeres.
Gisteravond zong ze met een projectkoor in een kerk in een driestratendorp. Ik begaf mij onder de kerkgangers omdat mij na afloop bij één van de bassen thuis een afterparty was beloofd. En u weet uit de stukken van Vocalies dat bassen rondborstige mensen zijn die niet op spijs en drank beknibbelen.
Ik schoof in de kerk aan in één van de zijbanken. Onopvallend, want ik hoorde er niet bij. Mijn journalistieke leven heeft mij gehard in het lot van buitenstaander dus ik voelde mij niet ongemakkelijk.
De forse kerk was goed gevuld. Om mij heen hoorde ik trouwe kerkgangers mompelen dat dat vooral te danken was aan het projectkoor. Ik had mij voorgenomen mij op mijn gemak te blijven voelen.
Het is waar wat ze zeggen: de meeste kerkgangers zijn grijs. Voor het begin van de eucharistieviering dwaalden mijn gedachten af naar de tijd dat ik zelf nog een rol speelde in kerk. Ik verbaasde me er over dat er nog zoveel mensen wekelijks de gang maken om een uur lang een god te aanbidden.
Op zo’n moment slaat de twijfel in mijn hart toe. Zijn zij gek of ben ik gek omdat ik dat leven de rug heb toegekeerd? De mensen om mij heen leken mij redelijk denkende en aardige mensen. Met veel levenservaring bovendien.
Toen begon het koor en kwamen de pastoor en zijn gevolg van achter de kerk in lopen. In de verte hoorde ik tromgeroffel dat ik even niet kon plaatsen. Tot ik in het kielzog van de voorgangers de het plaatselijke gilde letterlijk binnen zag schuiven. De vaandels hoog.
Ik kon er niks aan doen maar mijn gemoed schoot vol. Dit was het land waarin ik leef. Ik voelde mij zowaar voor het eerst in twintig jaar Brabander.
Vocalies (62)
(Door Marlies)
Er is een nieuwe Vocalies-podcast. Klik hier.
Soms neemt het leven je zodanig mee op de koppen van haar golven dat het ineens donderdagochtend is en je je realiseert: verrek, ik heb nog niks voor zaterdag. Zaterdag is mijn Vocalies-dag moet u weten… dan komt één keer in de 14 dagen de volgende aflevering van Vocalies erop en dan schrijf ik mijn stukkie, dat ook te gast is op Stroomopwaarts.com.
Deze week was zo’n week. Als ik dit schrijf is het donderdagochtend, Hemelvaart, de buurt slaapt nog, mijn onbijtje is op en ik zit te surfen op internet en te dwalen door mijn eigen annalen, want IK HEB NOG NIKS VOOR ZATERDAG!!!!!
Dwalend door de Classical Almanac kom ik de naam van bariton Horst Gunter tegen, geboren in 1913. Verrek denk ik (alweer, sorry…), zou die nog leven? Ik heb hem één keer kort ontmoet, bij zangpedagoog Grietje Oudenampsen (ook stokoud, en dat zeg ik met eerbied…) en toen was-ie al niet meer piep, hoewel nog in uitstekende conditie. Ja, hij leeft nog, voor zover ik dat kan vaststellen, er is niet heel veel over hem te vinden, behalve dan dat hij op 23 mei (en dat is het op het moment dat ik mijn stukkie publiceer) jarig is, hij wordt dan 96, potverdrie.
Er zijn tegenwoordig van die leuke nonsens-theoriën dat je maar ‘drie handen schudden’ van president Obama verwijderd bent. Nou Horst Gunter heb ik ooit de hand geschud in de zangpraktijk van Grietje Oudenampsen en zelfs een kort ademhalingslesje van gehad en die man staat toch maar mooi in de Classical Almanac.
Misschien een mooi gelegenheid om een tipje van de sluier van mijn zang-cv op te lichten. Ik begon al op de lagere school, in het koortje van meester Van der Thiel, had al meteen ambities, maar zijn eigen kinderen zongen ook niet onverdienstelijk en die mochten natuurlijk solo, de man was ook maar een mens. Ik was niet altijd tactisch in mijn verongelijkt zijn over zoveel onrechtvaardigheid. Ik kon het immers beter? Op de middelbare school kwam ik beter uit de verf en mocht ik hier en daar al wat zingen. Een coupletje solo staat nog op een lp (je weet wel kinderen, zo’n grote zwarte vinyl-schijf waar muziek uitkomt als je er een naald op zet en er een box op aansluit…).
Na de middelbare school was het kuiken een eigengereid hennetje geworden en ging ik op kamers wonen. Een objectieve vriend hoorde me zingen en stuurde me naar mijn eerste zangpedagoog, die altijd met één hand in de lucht (omdat-ie dacht mijn volume daarmee tegen te houden) en de andere aan de piano lesgaf. De man zat hopeloos vast in zijn eigen gefrustreerde persoonlijkheid en ik was er na 8 maanden weg en had mijn eerste pedagogen-les geleerd: niet remmen, maar stimuleren.
Ik kwam bij een echte diva (tenminste dat wilde ze zijn). Die remde bepaalt niet, maar zag ook niet toe op een correcte ademhaling. Na een jaar was de stem zo fors behandeld dat ik niet meer zonder meeklinkende lucht kon zingen en in bepaalde regionen kraaien-vals zong. Mijn keuze voor een andere pedagoog viel niet in goeie aarde en da’s zacht uitgedrukt: de hele regio werd opgeroepen mij te boycotten. Ha ha, met als enig gevolg dat ik leerde hoe hard het vak kon zijn, maar er een paar zeer vervullende vriendschappen aan overhield. Als mensen bij je blijven in tijden van crisis weet je wat ze waard zijn en da’s ook een mooie les.
En toen kwam Grietje Oudenampsen, toen al in de zestig. Ze keerde me in een uur binnenstebuiten en kwam hoofdschuddend tot de conclusie dat ze de zoveelste leerling voor zich had die wel materiaal had, maar niet wist hoe de motor om dat geheel te ondersteunen en te sturen bediend moest worden. Ik begon vooraan… een harde les. Onverstoorbaar, de tranen in mijn ogen negerend liet ze me stoppen als ze zag dat ik verkeerd inademde, nog vóórdat ik maar één noot gezongen had. Ik hield vol en jankte naar huis terug, de eerste tien lessen lang.
En toen kwam de ommekeer: de controle kwam terug en ik leerde mijn instrument beheersen. Ik ben nu vijftig en dat is niet te horen. De hoogte is er nog en als ik stem eenmaal in het gareel geschopt heb doe-t-ie nog steeds wat ik wil en weet-ie snaren te beroeren bij toehoorders, waarvan ze zelf dachten dat die niet (meer) beroerbaar waren. De adem-discipline heeft me door veel crises heen gesleept en zal me bij de laatste projecten solo ook nog gaan helpen.
En Horst Gunter, die vandaag 96 wordt heeft daaraan bijgedragen. Hier zijn oefeningetje.
- ga rechtop staan (of zitten)
- leg één hand op uw onderbuik en zet de andere stevig (met gespreide vingers) in uw zij
- haal diep adem en wel zodanig dat u voelt dat uw buikwand en zijwand tegen de binnenkant van uw hand drukt EN HOU ZE DAAR
- zing korte, stotende nootjes (staccato-nootjes noemen wij die een heel ander soort nootjes dan borrelnootjes…) in een loopje van do-re-mi-fa-sol op ha ha ha ha ha en denk daarbij de h weg. Ga niet te hoog of te laag zitten, verder maakt de toonhoogte niet uit.
- na enige training houdt u dat heel lang vol, want als je goed staccato zingt komt er steeds net genoeg lucht binnen (tussen de noten door) om het volgende nootje te kunnen zingen. En die reserve voorraad lucht om het geheel te ondersteunen die hebt u net ingeademd en die HOUD U LAAG!!!
Het traint onder andere het middenrif en dat is een belangrijke spier: als die goed blijft word je heel oud, vraag maar Horst Gunter en Grietje Oudenampsen.
Filteren
We hadden een interessant gesprek, mijn zoon en ik. We spreken elkaar niet vaak maar als we aan de keukentafel zitten en een borrel drinken zijn het goeie momenten.
Hij is half zo oud als ik. Een andere generatie dus maar ik merk dat we toch vaak op dezelfde lijn zitten. Soms vind hij zelfs dezelfde muziek mooi als ik. Ik herken veel dingen van mezelf in hem.
Hij is serieus en denkt veel over de dingen na. Als hij iets onder handen heeft probeert hij zich er zoveel mogelijk in te verdiepen. Niet door middel van zware studies maar door zelf links en rechts informatie te vergaren.
Zo heb ik het eigenlijk ook altijd gedaan. Nou ja, er is wel een verschil. Toen ik zo oud was als hij en kennis wilde verzamelen bestond er nog geen internet. Ik gooide er dus nog wel eens een cursusje tegenaan. Altijd kort want ik hou niet van lange studies. Hij verzamelt veel kennis van internet.
We spraken over de enorme hoeveelheid informatie die er de laatste decennia over ons uitgestort wordt. Voor hem is dat van meet af aan een deel van zijn leven geweest. Voor mij was de personal computer een totaal nieuw blikveld op de wereld.
Mijn zoon zei dat hij had gemerkt dat er veel onvolledige en verkeerde informatie verspreid wordt en dat mensen daardoor volledig op het verkeerde been kunnen worden gezet. Vooral als die verkeerde informatie een eigen leven gaat leiden. Ik kon dat als journalist alleen maar beamen. We kennen allemaal de knipselmappia.
Het grootste probleem, zei hij, was toch vooral om uit die brij datgene te pakken wat van belang is en de rest als ballast overboord te gooien.
We kwamen tot de conclusie dat een mens nog maar één ding hoeft te kunnen om zich staande te kunnen houden: filteren. Maar toen was het al heel laat.
Poes

Piraten
Cowboytje. Wij speelden vroeger altijd cowboytje. De strijd begon al bij de rolverdeling. Je moest er namelijk voor zorgen dat jij niet bij de Indianen werd ingedeeld. Dan was je de klos.
Die verloren namelijk altijd en als je bij de eerste slachoffers zat, dan kon het maar zo gebeuren dat je de hele dag met een touw om je enkels in de schuur van de familie Van Maanen opgesloten zat in plaats van schietend door de brandgangen van onze wijk te trekken.
Wij speelden nooit piraatje. Er waren namelijk geen piraten op televisie dus die waren niet echt. Dat waren sprookjesfiguren. Die speelde je niet. Dat was kinderachtig.
Eén keer was ik piraat. Het was op een Koninginnedag, ergens begin jaren zestig. We liepen met de hele klas mee in de optocht, verkleed als zeerovers.

We lazen wel boeken over piraten, dus daar lag het niet aan. Piraten waren leuk. Ze hadden hoofddoeken op en een lap voor hun oog. En een oorbel. Dat hoorde. Ze roofden goud en diamanten en die verstopten ze dan in grotten bij de zee. Daarna gingen ze rum drinken.
Mooie mannen die piraten. En omdat ze toch niet echt bestonden hoefde je er niet bang voor te zijn.
Totdat een paar jaar geleden opeens schepen werden gekaapt bij Somalië. Er bestonden nondedju wel piraten. Arme zwarte mannen die met gevaar voor eigen leven pakten wat ze pakken konden om voor zichzelf en hun dorp een beter leven te krijgen.
Ze deden dat heel voortvarend want ik heb wel eens gelezen dat er complete dorpen langs de Somalische kust zijn waar iedereen in een Mercedes rijdt. Persoonlijk lijkt mij dan dat die piraten een beetje zijn doorgeslagen in hun hebzucht. Ja, zeg nou zelf. Als je met z’n allen in zo’n klein rotbootje kruipt kun je ook carpoolen.
En nu worden er een paar piraten berecht in Nederland. Het zijn blije guppen. Ze hebben gezegd dat ze het hier fantastisch hebben. Een beter onderkomen dan ze thuis hadden en een toilet op de kamer. Ik geloof zelfs dat er bij zijn die nog nooit een water closet hadden gezien.
Ze willen hier blijven en ze willen zelfs hun familie over laten komen. Piraten met een gezin? Daarmee vallen ze voor mij toch een beetje door de mand.
Droompaar
Het nieuws werd zojuist bekend. De Wegener-kranten maakten er dit van:
Jan Smit en Yolanthe Cabau van Kasbergen zijn uit elkaar. De twee vormden tweeënhalf jaar lang een droompaar, maar nu is het sprookje voorbij. Dat heeft het management van de zanger en de tv-presentatrice/actrice dinsdag bekendgemaakt.
Ik vroeg me af wie er van droomt om een leuke meid of een leuke vent aan de haak te slaan om vervolgens jaren achtervolgd te worden door paparazzi. Wie droomt er van om na ongetwijfeld veel verdrietige gesprekken tot de conclusie te komen dat je die leuke spetter moet laten gaan omdat je toch niet bij elkaar past. Om dat dan vervolgens door het management bekend te laten maken.
Ik niet.
Mama
André is een geluksvogel. Ik weet niet wie hij is, maar er is een vrouw in zijn leven die hem met raad ter zijde staat. Ze zat gisteren in dezelfde treincoupé als ik.
Via de telefoon probeerde ze André te helpen. Ik heb geen idee wat de relatie tussen de twee was. Vermoedelijk broer en zus, want zij had het steeds nadrukkelijk over mama. Ze sprak mama uit zoals deftige Haagse lieden dat doen. Met de nadruk op de laatste lettergreep
André moest begrijpen dat mama bijna nooit negatief is. Integendeel zelfs. Mama is een positief ingesteld mens. Dus als mama zich negatief uitlaat dan is er iets aan de hand.
Desondanks moest André zich er niet te veel door uit het veld laten slaan. Mama zou wel bijdraaien naar verloop van tijd. Waar het toch vooral om ging was dat André zijn gevoel volgde. Dat hij deed wat goed was in zijn ogen.
Ik denk dat André met een niet welgevallige huwelijkskandidaat bij Mama was aangekomen.
Op de terugreis belandde ik achter twee Gooise Meiden.
Ze spraken over een gezamenlijke kennis die ze geen van beide erg hoog hadden zitten. De bekritiseerde dame in kwestie gedroeg zich vreemd en verontschuldigde zich dan door te zeggen dat ze een moeilijke jeugd had gehad.
Belachlijk, zei het ene Gooise Meisje. Wie heeft er nou in Nederland een moeilijke jeugd .
Het andere Gooise Meisje was het daar mee. Een moeilijke jeugd was meer iets voor mensen in arme landen.
Nou ja behalve dan, zei de eerste, als je wordt geslagen door je oudejjjjs.
Ik hoopte stilletjes dat Mama André de roede zou besparen . . .
New York

