Er is weer zoveel actueels te melden dat u mijn verhaal over de geboorte van Gioacchino Rossini (die vandaag in 1792 geboren is) tegoed houdt tot een later datum. Mijn lief zit bovenop het nieuws en als hij daarin een leuk item tegenkomt voor mij, bestookt hij me met informatie. Een beetje hebt u dus deze stukkies ook aan hem te danken.
Het Koninklijk Concertgebouw Orkest timmert aan de weg. Ze zullen wel moeten, want in deze tijden van crises en vergrijzing mot je wat om nieuw publiek aan je te binden. Heel erg vernieuwend van zichzelf zijn ze daar niet in Amsterdam, dus ik kan me voorstellen dat de machinerie op weg naar modernisering krakend en piepend in beweging aan het komen is. Ik kan me bij die arrogantie ook wel wat voorstellen trouwens: je hebt een van de beste orkesten van Europa, wat zeg ik, ter wereld in je gebouw, je hebt een beeld van een akoestiek en een pracht van een gebouw. De Nederlandse Publieke omroep wringt zich in bochten om alles wat er in je tent gebeurt te verslaan. Je ligt midden in Amsterdam, makkelijk bereikbaar (nou ja makkelijk: parkeren in de buurt kost een godsvermogen, maar er stoppen wel een paar trams en metrolijnen vlak in de buurt) . Waarom zou je je druk maken?
Nou, omdat de kleur grijze hoofden steeds heftiger aanwezig is in de zalen (de jeugd van tegenwoordig is nou niet de hoofdmoot van de concertgebouwbezoekers), omdat de subsidies afnemen in deze moeilijke tijden en omdat de nieuwe media het luisteren naar muziek steeds beter maken, zonder dat je in een concertzaal gaat zitten…. Om maar eens een paar argumenten te noemen. Dus gaan ze daar es wat op verzinnen:
Voor het eerst in de geschiedenis zal de huidige chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouw-orkest op 25 december niet de kerstmatinee leiden. Dit jaar zal niet Janssons, maar Bernard Haitink de kerstmatinee leiden. Haitink was eerder een kwart eeuw lang de vaste dirigent van het KCO. Niet direct een maatregel in de zin van verjonging, maar wel in de zin van populariteit. Ondanks zijn hoge leeftijd is Haitink in begenadigd en bevlogen dirigent, als staat-ie niet bekend als makkelijk. Ik ben benieuwd. Bovendien brengt het KCO het komende seizoen vier wereldpremières, negen Nederlandse premières en tien werken die de musici nog niet eerder hebben gespeeld. Bikkelen dus voor de jongens van het KCO. Ik sla expres een beetje een populistisch toontje aan, want het KCO staat ook al niet bekend om zijn toegankelijkheid. Als alle ellende van deze tijd al een positieve kant heeft dan is dat dat de klassieke musici van hun voetstuk af moeten komen en af moeten dalen naar het gewone leven. Niks mis mee, wellicht brengt het ons dichter bij elkaar….
Daar zal violiste Janine Janssen zeker aan bijdragen, aan dat dichter bij elkaar: die gaat tijdens een concert in het Concertgebouw met het Mahler Chamber Orchestra het orkest leiden vanaf de concertmeestersstoel en tijdens een kinderconcert op Tweede Pinksterdag gaat ze de dialoog aan met de muzikale clown Aleksey Igudesman. Kijk, dat zet zoden aan de dijk: kunnen de kleinkinderen mooi met opa en oma mee naar het concertgebouw….
Nou heb ik alleen nog ruimte voor het volgende: Placido Domingo heeft de Birgit Nilsonprijs gewonnen. 1 miljoen dollar, godbetert… Ik volgde in Salzburg een Masterclass, stond aan een standje ansichtkaarten te kopen en wie stond er naast mij een krantje te scoren: juist, Placido himself. Mijn adem stokte (en dat gebeurt niet gauw, als je zangeres bent….). Ik heb vriendelijk gelachen en…. niks gezegd.
En: op 16 april gaat in Dordrecht een opera in wereldpremière: De waterman. Maar daarover later meer…
Marijke
Een mens kan soms voor onmogelijke vragen komen te staan. Bijvoorbeeld: wat is Marijke Helwegen?
Marijke Helwegen was gisteren te zien in ons TV-Journaal. Ze was de publiekstrekker op het feest ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Bijenkorf in Eindhoven.
U weet, dat als een persoon wordt geïnterviewd er twee titels in beeld verschijnen. In de bovenste staat de naam van de betreffende geluksvogel en daaronder staat zijn of haar functie.
Nu moet u weten dat in de functiebalk standaard het woord functie staat. Verslaggevers moeten dat woord weghalen en de functie invullen. Bijvoorbeeld: politiewoordvoerder of burgemeester van Eindhoven.
Soms vergeet een verslaggever dat en kijkt de samensteller er overheen. Ik zag bijvoorbeeld pas tijdens de live-uitzending in de regiekamer dat Marijke Helwegen onder haar naam “functie” had staan.
Of dat een reden was, vroeg de regisseur, om de uitzending te repareren. Nut en offer afwegende vond ik van niet.
Er ontstond wat discussie over die beslissing. Wat is Marijke Helwegen eigenlijk, vroeg een technicus. Het bleef akelig stil in de regieruimte. Er werden wat pogingen gedaan, maar geen enkele dekte de lading van het Botoxwonder.
Iedereen keek naar mij. “Being Marijke Helwegen is een functie. Dus de titel klopt. We repareren niet”, zei ik Daar kregen ze geen speld tussen.
Day after
The day after een vliegtuigramp (of willekeurig welke andere ramp) begint tegenwoordig vaak met een wedstrijdverslag. Welk medium was het eerst en wie deed het goed of slecht? Traditioneel krijgt de publieke omroep onder uit de zak ten gunste van de commerciële. Krantenjournalisten kunnen niet verkroppen dat wij wel en zij niet gesubsidieerd worden. En sinds Twitter ook tot de nieuwsmedia wordt gerekend, dingt dat ook mee naar een ereplaats.
U zou denken dat voor een journalist de vraag wie als eerste . . . een belangrijke vraag is. Soms. Een primeur waar een journalist tijden aan gewerkt heeft is mooi. Ik gun het mijn ergste concurrent. Maar als er iets gebeurt dat meteen door honderden mensen wordt gezien is het toch helemaal niet interessant om te schrijven wie het eerste was. De twee kolommen die mijn ochtendblad daar vanmorgen aan wijdde vond ik een kwaliteitskrant onwaardig.
Natuurlijk is Twitter onverslaanbaar en een heel goed middel om snel dingen te signaleren. Daar ding ik ook niet op af, integendeel, maar ik vind het vreselijk als journalisten over rampenverslaggeving gaan schrijven alsof het een wedstrijd is.
Ik vind in dit verband de woorden van hoogleraar Valerie Frissen interessant, hoewel het natuurlijk ook wel weer een open deur is. Zij stelt dat journalisten niet beschaamd hoeven zijn als ze ingehaald worden door Twitter. “Twitter heeft een signaleringsfunctie, maar er zal een behoefte blijven aan professionele journalisten die de feiten checken en het nieuws duiden,'' zei ze tegen het ANP. Frissen noemt Twitter juist een goede aanvulling voor journalisten: ,,Je bent gek als je het als journalist niet gebruikt.''
Ik vraag mij wel af of journalisten die er een wedstrijd van maken beseffen wat er van hun audio-visuele collega’s wordt gevraagd.
Ik heb het een aantal keren meegemaakt, bijvoorbeeld bij de Herculesramp. Je wilt de mensen zo snel en volledig mogelijk informeren, terwijl er vooral de eerste twee uur eigenlijk geen betrouwbare informatie is. Je moet het hebben van collega’s in het veld die meestal niet dicht genoeg bij de plaats van het ongeval kunnen komen.
Los daarvan begint er een enorm telefoonverkeer op gang te komen van mensen die jou bellen omdat ze denken dat ze dan meer informatie krijgen dan wanneer ze naar TV-kijken of radio luisteren. En wat te denken van al die goedbedoelende mensen die bellen met informatie die varieert van aannemelijk tot volslagen nonsens. Alleen om dat te checken heb je al een batterij bureauredacteuren nodig.
Je kunt altijd telefoonlijnen open gooien en al die mensen in de uitzending hun verhaal laten doen, maar dan loop je het risico dat de meest wilde verhalen een eigen leven gaan leiden en jij uiteindelijk de schuld krijgt. Juist in dit soort gevallen heb je als medium een zware verantwoordelijkheid. Betrouwbaarheid is van het grootste belang.
Je bent erg afhankelijk van officiële instanties en hun woordvoerders. En zoals elke rampenoefening steeds weer aantoont: de hulpverleners zijn meestal wel adequaat bezig, maar steevast blijkt het aan de communicatie (onderling en naar buiten) te schorten.
De hedendaagse wereld is dichtgetimmerd met HBO-afgestudeerde communicatiemedewerkers maar hij is er niet beter op geworden. In geval van een ramp heb je alleen maar meer mensen die officieel verklaren dat ze niks kunnen of mogen zeggen. Ze worden vooral gebruikt om de deur dicht te houden.
En al die tijd dat jij bezig bent informatie te verzamelen en/of te verifiëren en door die muur van tegenhouders probeert te breken, zitten er tienduizenden mensen amechtig voor de buis of de radio omdat ze alles willen weten. En wel meteen! Die hebben lak aan jouw verantwoordelijkheidsgevoel.
Het gevolg is dus dat je noodgedwongen herhaalt en herhaalt. Waar overigens op zich niks mis mee is, want er schakelen steeds weer nieuwe mensen in.
En dan hebben de communicantjes opeens bedacht dat er een persconferentie moet komen zodat ze al die om nieuws schreeuwende journalisten in één keer kunnen bedienen. Er is nog niks te vertellen, maar ja, je moet de hongerige honden een kluif toewerpen. Dat zijn dan de beelden waarop deftige dames en heren vertellen dat ze het ook allemaal nog niet weten.
Geloof me, het verslaan van een ramp vergt het uiterste van journalisten, maar er is geen grotere kater als collega’s jouw inspanningen de volgende dag reduceren tot een wedstrijd.
Eindelijk . . .
. . . erkenning. P&B staan in een grotemensenkrant.
Beschaafd
Ik was een jaar of 20 toen ik mijn eerste raadsvergadering versloeg. Een broekie aan de zijlijn bij een spel tussen toen nog alleen maar heren in donkere pakken. Er werden nog dikke bolknaks gerookt.
Na een paar keer mocht ik na afloop mee een borrel drinken. Soms werden dat meerdere borrels en ik leerde, naarmate de avond vorderde, de regels achter het spel.
De jaren vorderden en ik raakte steeds meer verslingerd aan de jenever en de lokale politiek. Overigens niet noodzakelijkerwijs in combinatie.
Dankzij al die vergaderingen en daaropvolgende cafébezoeken ontdekte ik dat mensen die elkaar in de raadszaal op leven en dood bestookten na afloop gemoedelijk het glas konden heffen. Totdat ook in onze politieke arena’s de populisten de agenda’s bepaalden was het vooral een kwestie van beschaafd vechten. Er werd zelden op de man gespeeld, laat staan op de vrouw.
Ik moest er aan denken nu burgemeester Hulman van Den Helder weg moet omdat hij zijn wethouders onvolledig heeft geïnformeerd over zijn inkomsten. Hij kreeg een vergoeding voor dubbele woonlasten, waarop hij eigenlijk geen recht had.
Er is een hoop gedonder over geweest en het was al weken geleden duidelijk dat de positie van de burgemeester onhoudbaar was.
Nu lees ik dat de gemeenteraad op een nette manier van Hulman af wil. De deal is dat hij zelf ontslag neemt en dat de gemeente dan zijn huis in Julianadorp overneemt.
Een VVD’er noemde dit een win-winsituatie. Immers: de gemeente hoeft geen wachtgeld te betalen. En op het CV van Hulman komt niet te staan dat hij ontslagen is. Na maanden van beschuldigingen over en weer heet dit nu een nette manier om de zaak op te lossen. Zo gaat dat als mensen beschaafd vechten. Dan zijn er geen verliezers.
Merel
Vanmorgen om 6.03 uur hoorde ik een merel uitbundig zingen. Er is op dit moment geen mooier geluid dan een zingende merel. Het gezang kondigt voor mij de overgang aan van de grauwe winter naar het voorjaar.
Merels zijn geweldige zangers. Mijn vrouw beweert dat merels tonen kunnen nafluiten. Zij kan het weten. Ze zegt soms “collega’ tegen een zingende merel. Ik adoreer mijn vrouw en bewonder haar zangstem, maar zo’n opmerking vind ik aanmatigend. Ik ben Onno Bosma niet.
Jammer dat de kinderen van die merel over een paar maanden weer als vederloze, bloederige hoopjes in onze keuken liggen terwijl het bloed langs de ramen druipt en twee paar kattenogen mij er van proberen te overtuigen dat zij ook werden overvallen door dit slagveld.
Onno
Ik heb de carnavalsdagen gebruikt om het dagboek van de gevallen minister Ella Vogelaar en haar man Onno Bosma te lezen (u dacht toch niet echt dat ik . . . Nee, kom op, u kent me . . .).
Het kostte moeite, ik geef het toe. Dat lag vooral aan de stijl. Ella vertelde Onno ’s morgens om half zes in bed haar gedachten en belevenissen en die schreef hij dan nauwgezet op. In het boek vertelt de “man-van” het verhaal dan weer aan zijn vrouw. Dat betekent dat hij het voortdurend over jij-deed-dit en jij-dacht-dat heeft. Wat een vreselijke stijlfiguur. Hij zou er als oud-journalist voor op z'n donder moeten krijgen.
Misschien komt het wel daardoor dat ik heb moeten knokken tegen de gedachte dat deze man een blinde adoratie voor zijn vrouw heeft waardoor hij nooit een objectief of relativerend boek zou kunnen schrijven.
Uiteindelijk vond ik het wel een interessant boek. Als je door het literaire geploeter heen prikt krijg je een weinig florissante inkijk in de Haagse keuken. Het eerste deel van het boek is vooral een beschrijving van de manier waarop Ella Vogelaar probeert om Wouter Bos geld af te troggelen voor haar wijkbeleid. Daarover waren in de kabinetsformatie geen afspraken gemaakt maar Ella dacht dat wel goed zou komen. Dat bleek een nogal naïeve gedachte te zijn. Ze moet er echt hard voor knokken.
Het boek wordt pas echt interessant als de wrijvingen tussen Vogelaar en haar partijbaas Bos tot verhitte discussies leiden. Vogelaar is de moeder van de naar haar genoemde wijken en die worden toch voor een belangrijk deel bewoond door allochtonen. Ze neemt het op voor die mensen en dat strookt niet helemaal met de nieuwe flinksheid van haar partij, die met de hete adem van PVV en Verdonk in de nek plotseling niet meer zo politiek correct links is als weleer.
Terwijl Ella, aldus haar aanbidder Bosma, door de werkers in het veld op handen wordt gedragen begint de partijtop haar los te weken. De media pikken dat graag op en vergroten daar waar mogelijk de meningsverschillen. En zo ontstaat een vicieuze cirkel die Ella uiteindelijk haar kop kost.
Ik ben er van overtuigd dat de adoratie van haar man ook na haar val is blijven bestaan en dat hij haar, net als tijdens haar 20 maanden ministerschap, zal blijven steunen. Laat ik niet merken dat hij die vrouw laat vallen, want ondanks de slechte kritieken die ze kreeg geloof ik dat ze uit het goede hout is gesneden. Ze durft vast te houden aan normen en waarden die onze generatie uit puur opportunisme langzaam door de vingers laat glijden. Ik denk dat dat ons als samenleving uiteindelijk verder dan brengen dan de krampachtigheid waarmee Wouter Bos probeert te laveren tussen hoofd en hart.
Nieuwe namen
Ik ga vandaag weer eens wat namen wegwerken. Alle meedenkers mogen zich in mijn eeuwige dankbaarheid verheugen.
Het is eigenlijk te flauw voor woorden maar ik kwam een man tegen die Van Dieren heet en actie voerde namens de Partij voor de Dieren.
Dan vind ik zelf de Schijndelse eierhandelaar Ruud Kaasenbrood leuker.
Een collega stuurde mij de volgende mail: Eindhoven kampt met zwervende Polen. En volgens verschillende opvangcentra in de stad wordt het aantal alleen maar groter. Els Keet legt namens die gezamenlijke opvangcentra uit hoe dat komt:
De ambtenaar in Deurne die belast is met de uitgifte van jachtvergunningen heet Vogels.
Wat te denken van de RBC-middenvelder John Schot.
Tijdens de hevige vorstperiode in januari voer er een ijsbreker door de Brabantse kanalen. Eén daarvan werd bestuurd (heet dat eigenlijk zo, bestuurd?) door Reinier van der Zee.
De archeoloog van de gemeente Utrecht heet Erik Graafstaal.
Deze inleiding kwam ik op het ANP tegen: AMSTERDAM (ANP) - Acteur, opera- en musicalzanger Tabe Bas is vorige week overleden.
De vice-voorzitter van de Eindhovense IJshockeyclub de Eindhoven Kemphanen heet Willem J.H. de Haan.
Een oud-collega denkt af en toe ook nog aan me. Ze mailde: Waarschijnlijk heeft iemand je al getipt, maar vorige week zat in Editie NL een item over rijen bij de kassa in de supermarkt en de volgende hoogleraar gaf tekst en uitleg: Michel Mandjes, hoogleraar toegepaste kansrekening en wachtrijtheorie.
Bij de krant de Limburger werd een journalist met de naam Richard Ophelders. Ze bestaan nog.
In Tilburg gaan ze me toch iets leuks doen! De eenakter Cavalleria Rusticana van Pietro Mascagni wordt er uitgevoerd door studenten van de Fontys Hogeschool. Toegegeven: vroeger moest je niet in Tilburg zijn als het om zang studeren ging, maar tegenwoordig zijn ze erbij hoor, daar in Tilburg. Ze leverden topkandidaten af voor de AVRO-programma’s ‘Op zoek naar Evita’ en ‘Op zoek naar Joseph’ (natuurlijk kauwen ze in Hilversum een succesformuler tot in den treure uit. Waarschijnlijk krijgen we nog een ‘Op zoek naar Maria’, ‘Op zoek naar Norma’ en ‘Op zoek naar Grisabella’. Zullen we een kwisje doen? Welke musicals horen bij de hiervoor staande namen?)
Sorry, een van mijn beruchte zijsporen, terug naar het hoofdspoor: Cavalleria dus. 14 en 15 maart (da’s al best gauw, snel op zoek naar kaarten: www.theaterstilburg.nl) zijn de uitvoeringen. Maar liefst 150 studenten doen er aan mee. Alleen de twee grote rollen zijn min of meer door ouwe rotten in het vak bezet. Die zijn stimmlich dan ook zo zwaar dat je ze beter niet door een niet volgroeide stem kunt laten zingen, ze zouden eronder breken… Alle andere rollen en koor en orkest worden bezet door studenten.
Zo ook door een van mijn buurvrouwen uit het projectkoor waar ik wel eens in meezing. Ze had er maar slecht mee: opera moet uit het hoofd en wij zongen in het projectkoor concertant ouwe muziek. Dan mag je lekker je boek voor je neus houden en hoef je niet te acteren en dus ook niet te onthouden wanneer je op moet en welke kant je op moet lopen en meer van dat soort opera-geintjes. Ze blies dat ze het knap vermoeiend vond en vond opera maar niks. Tsja, en dan sta je op mijn tenen.
Kind, zei ik, wees blij dat je geen Ring des Nibelungen hoeft te doen…
Verbijstering was mijn deel: Ring des wat???
Mijn hemel wat motten ze nog veel leren als ze pas twintig zijn en wat word ik een ouwe pr….!
Pietro Mascagni werd geboren op 7 december 1863 als zoon van een bakker. Zijn eerste muziekopleiding kreeg hij in Livorno van Sofredini; hij studeerde verder aan het Conservatorio Giuseppe Verdi in Milaan en had daar onder andere les van Amilcare Ponchielli en Michele Saladino.
Je kunt het aan zijn muziek horen: hij deelde een paar maanden een kamer met Giacomo Puccini.
In 1884 sloot Mascagni zich aan als dirigent bij een rondtrekkend operettegezelschap. Hij was toen al een tijdje aan het opera-componeren. Pas in 1889 had hij er echt succes mee: hij wint met zijn Cavalleria Rusticana een eenakter-wedstrijd. De premiere van de Cavalleria was op 17 mei 1890. Mascagni werd er wereldberoemd mee.
Grote kracht van de Cavalleria is dat hij behoort tot de stroming van het verisme: dat wil zeggen dat het verhaal gaat over gewone mensen, in ‘gewone’ situaties (voor zover je moord en doodslag tot de gewone situaties kunt rekenen, maar u zult begrijpen wat ik bedoel). Het publiek kon zich makkelijker identificeren met deze hoofdrolspelers.
Het verhaal: Turridu, heeft zijn kleine dorp in Sicilië tijdelijk moeten verlaten wegens dienstplicht; als hij terugkomt ontdekt hij dat zijn vroegere verloofde, Lola, nu getrouwd is met Alfio. Hij begint een verhouding met Santuzza, maar kan zijn Lola niet vergeten. Aan het begin van de opera brengt hij een serenade (achter de coulissen, mooi!!!) aan zijn Lola, hij heeft toch weer de nacht met haar gedeeld, nu koetsier Alfio even weg was.
Santuzza komt erachter dat Turridu haar bedriegt en brengt Alfio op de hoogte (bent u er nog?) De twee mannen komen elkaar tegen in het cafe en Alfio daagt Turridu uit. Die neemt de uitdaging aan en achter het toneel vindt het duel plaats. Als iemand roept: ‘Hanno ammazzato compare Turridu’ (‘ze hebben vriend Turridu vermoord’), zakt Santuzza voor op het toneel in elkaar: ze heeft door haar verraad haar geliefde verloren…
Saillant detail: het slot van de Godfathercyclus speelt zich voor een deel af tijdens en kort na een uitvoering van deze opera. De muziek van Mascagni past fenomenaal bij de laatste dramatische scènes. Ik hield het niet droog toen Al Pacino zijn stervende dochter in zijn armen hield. Hoewel schurk van de bovenste plank had ik vreselijk met hem te doen en de muziek van Mascagni hielp de tranenvloed mee…
In het filmpje de aria ‘Voi lo sapete o mamma’ van Santuzza, hier gezongen door Tatjana Troyanos. Prachtig. Ook hier is trouwens weer heerlijk vergelijkend warenonderzoek te plegen: er staan verschillende uitvoeringen van deze aria op You Tube (waaronder een vreselijke concertante van Agnes Baltsa).
Tijd
En toen dacht ik eigenlijk, als al die mensen die tijd hebben om de hele dag door te twitteren nou eens naar rato worden betaald dat ze werken, dan moet toch de winstgevendheid van de bedrijven omhoog gaan.
Of dat de werkgevers die twittertijd aftrekken van de werktijd en dat dan in die vrijkomende uren een werkloze aan de slag gaat. Nou ja, ik dacht het zo maar. Misschien is het onzin hoor . . . .
Oscars
Het zijn fijne tijden voor filmliefhebbers. In de aanloop naar de Oscaruitreiking zijn er dit jaar opvallend veel hele goeie films verschenen. Ik heb de onbedwingbare dwang om alle films die genomineerd zijn voor een Academy Award gezien te hebben voordat het uitreikingscircus begint. Ik kom een heel eind.
By the way: ik ga voor de uitreiking niet m’n bed uit. Een korte samenvatting in het ochtendjournaal vind ik voldoende. Ik denk namelijk nu al te weten dat Mickey Rourke gaat zeggen dat hij van heel diep is gekomen en dat deze Award een bekroning is voor zijn gevecht tegen zijn verslavingen.
Zal ik dan mijn favoriete lijstje geven? De filmliefhebbers weten waar het over gaat, de niet-liefhebbers zal het een worst wezen, dus ik volsta met wat vermeldingen.
Over de allerbeste film heb ik geen moment getwijfeld. Dat is voor mij Slumdog Millionaire. Met kop en schouders.
Bij de beste mannelijke hoofdrol heb ik wel lang geaarzeld tussen Mickey Rourke die in The Wrestler speelt en Frank Langella die Nixon speelt in Frost/Nixon. Ik vind dat Rourke een meesterlijke rol neerzet, een geweldige come-back van deze verlopen acteur. Maar ik kies toch voor Frank Langella. Hij speelt Nixon zo goed dat ik geen moment heb getwijfeld of het echt de ex-president van de VS was. Dat vind ik eigenlijk net iets knapper dan wat Rourke doet. En die Mickey Rourke wordt ook wel erg gehyped vind ik, waardoor Langella een beetje ondersneeuwt. Ik heb een zwak voor underdogs.
Overigens acht ik het niet uitgesloten dat Richard Jenkins hoge ogen gooit voor zijn rol in The Visitor.
Kate Winslet mag van mij de Oscar krijgen voor haar rol in The Reader. Een fantastische film trouwens.
De beste mannelijke bijrol werd – als u het mij vraagt – gespeeld door Philip Seymour Hoffman in Doubt. Ik ben echt een fan van die man. Overigens vond ik de film zelf een beetje tegen vallen. Het is natuurlijk een illusie te denken dat hij die Award ook werkelijk krijgt. Die gaat tien tegen een naar Heath Ledger.
Woody Allen maakte weer eens een film die ik leuk vond, maar dat komt omdat ik niet zo’n liefhebber van de man’s werk ben.: Vicky Christina Barcelona. Die is niet genomineerd maar Penelope Cruz mag van mij de prijs voor de beste vrouwelijke bijrol krijgen. Al was het maar omdat zij . . . . Nou ja, dat ga ik niet uitleggen.
De beste buitenlandse film vond ik Entre les Mures.
Ik wil me er niet van afmaken, maar alle andere Oscars mogen wat mij betreft naar Slumdog Millionaire. Het moet al raar gaan wil er dit jaar nog een betere film uitkomen.
Nu ik het toch over prijzen heb. Ik hoor helemaal niks over de Dutch Bloggies. Heb ik iets gemist?
Cijfers
De dag begon om 07.00 uur met het bericht dat er bij DAF 400 mensen extra ontslagen worden. Dat was het eerste getal van een hele reeks.
Enkele uren laten kwam het Centraal Plan Bureau met nog meer cijfers. De economie krimpt in 2009 met 3,5 procent. Zo’n krimp is in 30 jaar niet meer voorgekomen. Het CPB rekent voor 2010 op een krimp van 0,25 procent. Een jaar geleden dacht dit instituut nog dat er dit jaar een krimp van 0,75 procent zou zijn, dus dat getal van 0,25 neem ik niet serieus.
Het begrotingstekort loopt dit jaar op tot 3 procent, volgend jaar tot 5,5 procent.
Het aantal werklozen loopt dit jaar op tot 425.000. In 2010 tot 675.000. De koopkracht gaat er dit jaar met 2,5 procent op vooruit. Dat dan weer wel.
In de loop van de ochtend bereikte ons het bericht dat een bouwbedrijf in het zuidoosten van onze provincie failliet is. 150 man op straat. 30 toeleveringsbedrijven worden meegezogen.
Cijfers, cijfers en nog een cijfers. Het is een brei van cijfers die moedeloos maakt. De kredietcrisis is nu alomtegenwoordig.
Gelukkig is onze reis naar New York, later dit jaar, geboekt en betaald. Dat pikken we nog mee voordat de crisis aan onze voordeur rammelt.
Tja . . . . .
Deze twee stukken stonden vanmorgen broederlijk naast elkaar op de voorpagina van de Volkskrant.
Supporter
Het was een beladen wedstrijd. Wij, de regerend landskampioen tegen AZ, de kampioen-elected. Zij hebben niets meer te verliezen, wij moeten vechten voor elk puntje om later op het hoogste niveau mee te kunnen doen.
Een jaar geleden was het hosanna bij onze club. Nauwelijks vier kwartalen later is er sprake van een depressie. De man die de koers van onze club omhoog moest stuwen mislukte jammerlijk en moest vertrekken.
Elke strohalm is nu een boomstronk waaraan wij ons vastklampen. De laatste heet Toivonen, die bleek zo stevig geworteld dat we even konden rusten in de kolkende zee die ons naar de bodem dreigde te trekken.
Helaas zwaaide hij onder aan de Volendamse dijk wat al te uitbundig met zijn armen en werd hij door de almachtige KNVB tijdelijk verbannen.
Zaterdagavond zuchtten wij diep toen wij zagen dat de trage slungel Koevermans op de plek van Ola stond. Geen goale dus.
Onze club begon sterk, maar al snel bleek dat de arbiter een hekel aan ons had. Nadat hij steeds onze jongens bestrafte en de jongens van AZ hun doldrieste gang liet gaan, kregen wij ook een hekel aan hem. En dan ontstaat er een volstrekt ongelijke strijd tussen de jongens in het oostvak en de man in zijn groene hemdje op het veld.
Onze jongens zongen zich de longen uit het lijf. Wij begrepen dat de man met de almachtige fluit een vriend is van een klein, standvastig volkje in het Midden-Oosten met wie die losers uit 020 zich graag afficheren.
Wij begrepen ook dat de moeder van de scheids nooit in aanmerking zal komen voor aanrechtsubsidie omdat zij een beroep heeft wat door de hypocrieten in ons land als oneerbaar bestempeld wordt.
De scheids nam voortdurend wraak op onze spelers. Zijn kleine fluit was krachtiger dan het hysterische geschreeuw van vijfhonderd koorknapen en 30.000 backingvocals.
Na een half uur stonden wij met 2-0 achter. Dat kwam door twee fouten in onze eigen achterhoede, maar het lag aan de scheids.
Onze jongens bleven knokken tot ze er bij neervielen, niet zelden geholpen door de verdedigers van AZ. Die voelden zich beschermd want de scheidsrechter was op hun hand. Een keer sloeg zelfs een kaasboer onze Doedelzak met zijn vuist tegen de grond. Wij schreeuwden om rood, maar de scheids gaf onze jongen een waarschuwing. Aan onze kant bleven de goale uit. Wij vonden dat Koef op moest rotten en dat Danko zijn plaatst moest innemen. In tijden van nood mag alles.
In de rust werden wij verder vernederd. Een malloot met een mobieltje speelde op de middenstip een belspelletje met ons. Dat mislukte jammerlijk omdat er geen verbinding met de winnaar tot stand kwam. Wij schaamden ons kapot. Technische storingen in het hart van wat eens het technologisch centrum van de wereld was. Meneer Frits heeft zich vast omgedraaid in zijn graf.
Na dit debacle keken wij verlangend naar de catacomben. Koef stak zijn hoofd weer buiten. Geen teken van Danko.
Een paar minuten later ramde datzelfde hoofd van Koef de bal achter de keeper van de vijand. Wij schreeuwden het uit. De yel voor Koevermans galmde door het stadion en wij vuurden onze jongens aan om jacht te maken op een tweede goal.
Het ging moeizaam op het veld. Wij vielen aan, maar in de zestien faalden we jammerlijk. De euforie over het doelpunt van Koef was alweer verstomd en wij hoopten alweer op Danko. In plaats daarvan stuurde onze interim-trainer Maza de dug out om warm te lopen. Maza, een verdediger! Wij twijfelden aan Dwights gezonde verstand.
Nadat hij de spieren gerekt en gestrekt had kwam Maza in het veld. Hij ging meteen naar voren, dat vonden wij opmerkelijk. Een paar minuten later ontpopte hij zich als een stormram. Hij kopte de bal voor de voeten van Koef, die uit een onmogelijke positie de gelijkmaker scoorde. We schreeuwden ons schor. Koef was een held, Maza was de gouden wissel van Dwight.
Thuis in de samenvatting zag ik dat de scheids ons terecht een penalty tegen had gegeven. En ik zag dat Doedelzak helemaal niet geraakt werd maar aanstellerig naar de grond ging. Zo, nou hoort u het ook eens van de zijde van een supporter.
Vanmiddag ga ik naar de Willibrorduskerk in Waalre waar mijn lief meezingt in een projectkoor. Werken van Durante, Vivaldi en Pergolesi. Daar doe ik geen verslag van want daar heb ik de ballen verstand van.
Vocalies (49)
Aflevering 19 van Vocalies-podcast staat erop! Klik hier.
14 februari, Valentijnsdag. Pfoe, zult u blazen: middenstandsfeestje. Vooral bloemisten lachen zich kwijt op zo’n dag. En tante Pos natuurlijk…
Is natuurlijk waar, maar ook een beetje azijn-pisserig. Ik hou wel van een beetje romantiek, op zo’n gewone, nog kouwe veertiende februari. En dat je niet weet waar de blommen vandaan komen maakt het leven toch een beetje spannender, of niet soms?
Ter gelegenheid van deze dag zal ik u de enige anekdote vertellen die ik ooit in verband met Valentijn heb meegemaakt én die te maken heeft met klassieke muziek. Op de veertiende februari is er ook weinig anders te beleven, ja de Nederlandse componist Bernard van Bree werd geboren en sopraan Renée Fleming wordt vandaag vijftig, maar ach wat is dat in het licht van mijn anekdote?
Het is Valentijnsdag 1981, het kan ook 1980 geweest zijn. Ik begin net een beetje op stoom te komen met mijn zingen. Vooraan in de twintig, gezond, eager, wat wil je nog meer? En nog denken dat de grote carrière komt en dat de wereld op je zit te wachten.
Mijn verkering met de koordirigent is net uit. We zijn vrienden gebleven, maar dat wist ik toen nog niet. Ik zal mijn eerste grote concert zingen (zo groot was dat niet, maar ach als je net begint…). Ik heb mijn pianoleraar van de muziekschool bereid gevonden het te begeleiden. Ik kon het geweldig met hem vinden: knappe man, heel muzikaal en eindeloos geduld met mijn gehannes op de piano (wat uiteindelijk toch vruchteloos bleek: ik heb nooit fatsoenlijk piano leren spelen, ik denk dat mijn hersenpan er niet op ingericht is). Als je net uit een relatie komt ben je extra gevoelig voor aandacht van anderen, dus ik werd stiekem verliefd op de knappe pianoleraar en zag de belangrijkste blokkade om ooit tot een echte relatie te komen over het hoofd: hij was homofiel.
Voor het concert heb ik een jurk geleend van mijn toenmalige zanglerares. Die was wat forser dan ik (en dat is een understatement), maar een koordje in het midden bracht de oplossing. Het bleef een soepjurk, maar ja als je net begint heb je nog geen garderobe opgebouwd. Ik zal zingen ‘Du sollst der Kaiser meiner Seele sein’ van Robert Stolz (uit Der Favorit). Vol overgave heb ik het geoefend met de pianist. Is ook niet moeilijk om je er helemaal in te storten met die twee vriendelijke ogen achter brillenglas, die boven de vleugel naar je kijken.
Ik sta klaar in de coulissen, te wachten tot ik aan de beurt zal zijn. Naast me staat de tenor van de avond. Hij blijkt de pianist te kennen; hij kijkt me eens onderzoekend aan en ziet de blik waarmee ik richting pianist kijk.
‘Knappe vent he?!’, fluistert hij.
Ik knikt: ‘Met hem erbij is het niet zo moeilijk om je in te leven..’ sis ik terug.
Hij grinnikt, ‘het is maar hoe je het bekijkt, hij is al jaren samen met een vriend…’
De laatste toon van de vorige aria klinkt en het applaus klinkt op als het muntje bij mij valt. Ik krijg een duwtje in mijn rug en leer de harde les van hoe jezelf bij elkaar te rapen in onderdelen van seconden. De ogen kijken andermaal over de vleugel. De wenkbrauwen fronsen en dan komt de bekende vragende blik: ‘kan-ie?’. Ik slik en knik en de eerste tonen van het voorspel klinken terwijl mijn brein op volle toeren draait. Achter mijn ogen sterft mijn illusie en staat mijn overlevingsdrang op. Zingen zal ik… zingen, al is het het laatste wat ik doe. En het lukt. De stem trilt de eerste maten door en komt dan op toeren en voor het eerst merk ik hoe het voelt om een publiek te raken. ‘Das gewisse Etwas’. Het bleek niet genoeg voor een grote carrière, maar goed genoeg om een zaal in de provincie te ontroeren en ik heb geleerd daarmee gelukkig te zijn.
Nu de Valentijnsdag van dit jaar er weer is denk ik terug aan die avond. De tranen kwamen pas toen ik ’s avonds bij de auto stond. De soepjurk draaide onhandig om mijn benen bij het instappen. Mijn tas ging met een zwiep achterin en de coup de grace kwam van de doornen van een enorme bos rode rozen, die ik in mijn kleedkamer gevonden heb en van wie ik tot op de dag van vandaag niet weet van wie ik ze kreeg. Een korte maar hevige verliefdheid eindigde daar op het parkeerterrein en de tranen stroomden. De pianist heeft het nooit geweten. Toen ik zijn geaardheid kende zag ik ineens allerlei signalen die daarop wezen, maar die ik in mijn argeloosheid had genegeerd. Vele jaren later zag ik hem terug en hadden we een geanimeerd gesprek. We hadden meteen de vriendschappelijk-plagerige toon van vroeger te pakken.
In het filmpje de aria ‘Du sollst der Kaiser meiner Seele sein’, mooi gezongen door sopraan Sona Ghazarian. Klik hier voor de link.
Deskundige
AMSTERDAM (ANP) - Het retourtje Londen van Geert Wilders is een
typisch voorbeeld van een pseudogebeurtenis die speciaal voor de
media in scène is gezet. Dit zegt massapsycholoog en
mediadeskundige Jaap van Ginneken vrijdag.
Vanuit massapsychologisch oogpunt heeft Van Ginneken er wel een
verklaring voor dat Wilders met zijn vergeefse vlucht naar Londen
zoveel zendtijd en krantenkolommen in binnen- en buitenland
opeiste. ,,Het is een zichzelf versterkend mechanisme. Alle
journalisten hobbelen op zo'n moment achter Wilders aan omdat ze
bang zijn iets groots te missen. De media reageerden als honden van
Pavlov.''
Veel erger dan journalisten die zich laten gebruiken zijn journalisten die een wetenschapper laten rechtvaardigen waarom ze zich laten gebruiken. Ach, vooruit, noem mij een mediadeskundige. Voor één keer zal ik niet blozen . . .
Voordeel
Ik weet zo langzamerhand aardig goed hoe radio en televisie werken, maar er blijven altijd dingen die voor mij een raadsel zijn.
Neem nou de reclame van Time-Life die ook op onze eigen zender meeloopt. U kent ze vast wel, die reclames waarin CD’s worden aangeprezen met jaren vijftig- en zestig muziek. “Immer wieder Sontags . . .” en meer van die liedjes die mij voortdurend herinneren aan schoolfeestjes waarop ik weer geen meisje versierde.
Die CD’s hebben een bepaalde prijs, maar als je contant betaalt dan krijg je korting. Je kunt die dingen alleen maar met een creditkaart betalen dus het lijkt mij dat iedereen die korting krijgt. Het voordeeltje dat mij exclusief wordt voorgespiegeld is een beetje nep.
Maar het meest wonderlijke is wel het aanbod dat mensen die binnen vijf minuten kopen nog eens vijf euro extra korting krijgen. Kijk, dat is dan wel heel mooi want dan heb jij als snelle beslisser een voordeel boven al die lamme takken die wel eens een keer dat CD zullen bestellen als het derluiden schikt.
Maar nou vraag ik mij af hoe ze bij Time-Life weten hoe laat op welke zender die spotjes worden uitgezonden. En hoe ze dus controleren of jij die cruciale vijf minuten niet hebt overschreden. En als zo’n spotje dan om vijf voor half acht bij ons wordt uitgezonden en om vijf voor acht bij een grote mensenzender, hoe weten ze dan op welk spotje ene Jan de Vries uit Den Bosch reageert?
Ik moet morgen toch nog eens met onze advertentieafdeling gaan praten.
Crisis
Als ik zo’n voorgeprogrammeerd PR-meisje aan de telefoon krijg, krijg ik jeuk. Nee, niet daar maar op heel andere plekken.
Zo’n meisje heeft dan eigenlijk al geen eerlijke kans meer. Ik ben me daar van bewust en vecht tegen mijn houding. Of dat lukt, hangt sterk af van mijn stemming van dat moment.
Dit meisje kondigde een bijzondere boekenverkoop aan. Ze draaide haar riedeltje af en bleef halverwege in een woord steken. Ik wist welk woord ze bedoelde, maar ik zweeg. Dat was echt heel gemeen, want het meisje begon te stotteren en dat maakte haar onzeker.
Nadat ze zich had herpakt vroeg ik wat het bijzondere van de boekenverkoop was. Hij was op bijzondere locaties, zei ze. Leegstaande gebouwen. Ik zei het niet om haar niet te kwetsen maar ik dacht: tja, dan hoef je geen huur te betalen en is je winst groter. Zo'n stemming had ik dus.
Ik zei dat ik dat niet bijzonder genoeg vond. Uiteraard allemaal in het licht van de eeuwigheid en de rest van het nieuwsaanbod.
Geprikkeld door mijn afhoudende reactie bloeide ze op. Ik voelde me gelukkig. “Maar,” zei het PR-meisje listig, “weet u wel dat als gevolg van de kredietcrisis mensen ontslagen worden en dus veel meer tijd hebben om te lezen. En weet u wel dat die mensen vooral veel boeken lezen over economie om zich in de hele problematiek te verdiepen. Daar zou u toch een mooi interview over kunnen maken met de bedrijfsleider.”
Tja, . . . De kredietcrisis wordt wel om gekkere redenen misbruikt. Het wachten is nu op een instituut dat subsidie vraagt om te onderzoeken of mannen (en dan vooral bureauredacteuren) doorzitplekken krijgen omdat de portemonnee in hun kontzak beduidend dunner is dan voor de kredietcrisis.
Inspirerend
Ambtelijke stukken zijn een bron van inspiratie. Vandaag las ik een stuk over “niet-zelfredzame MOE-landers”. Ik zou zeggen: zegt u er nou eens wat van . . .
Slecht
Het meest bijzondere vond ik het mandje in het trapportaal. Daarmee kon je boodschappen van beneden naar boven takelen. Dat was reuze handig want dan hoefde je niet steeds acht trappen op en af. Het geld voor de boodschappen deed je gewoon in het mandje. Samen met een briefje waarop stond wat je getakeld wilde hebben. Niemand die het in zijn hoofd haalde om dat geld te jatten.
De Amsterdamse portiekflats stonden in caré-vorm, ze hadden prachtige binnentuinen. In mijn beleving waren dat stadsparkjes zoals ik ze later in Parijs zag. Maar in de verbeelding van een kind is alles groter.
Als we bij oom en tante op bezoek waren liepen we altijd even naar een vreemde toren, een paar straten verder. Die noemden ze de Kolenkit. Het was begin jaren zestig en de Kolenkit was het meest gekke gebouw dat wij ooit gezien hadden.
Ik las dat de Amsterdamse wijk de Kolenkit de slechtste wijk van Nederland is. Daarvoor moet zo’n wijk aan een paar voorwaarden voldoen: het opleidingsniveau en het inkomen van de wijkbewoners is laag. Driekwart van de huizen zit in de sociale huursector en er wonen veel allochtonen.
Ik woon al vijftien jaar in verschillende arbeiderswijken. In de wijk waar ik nu woon staan honderden huizen. Welgeteld twee daarvan zijn particulier eigendom, dat van ons en de buren. De rest is sociale huur. Er is een grote verscheidenheid aan huizen, dat maakt de wijk zo leuk. De wijk is bovendien gemêleerd. Er wonen jongeren, ouderen, allochtonen, autochtonen en studenten. Ik heb geen notie van het inkomensniveau. Ik weet wel dat er weinig problemen zijn. Die zijn er wel in de jaren zeventig-wijken in onze stad.
Bij een slechte wijk heb ik dan ook een heel ander beeld. Dat is voor mij zo’n eenheidswijk waar alle huizen hetzelfde zijn. De mannen hebben onbegrijpelijke banen zoals accountmanager. Ze rijden ’s morgens allemaal tegelijk de wijk uit in een leaseauto. De vrouwen vertrekken rond dezelfde tijd. Ze droppen eerst hun kinderen voordat ze naar kantoor rijden. ’s Avonds komen ze allemaal tegelijk weer terug en ploffen ze doodvermoeid op de bank waar ze zich vergapen aan tranentrekkende TV-programma’s die sowieso om te janken zijn.
Kortom, de vraag die mij op de lippen brandt is: weet iemand nog wat een kolenkit was?
Meneer . . .
Vandaag was mijn laatste dag als pseudo-docent op de IMC-weekendschool. Tweemaal applaudisseerden de kinderen. Het was te veel.
Eén was er aangewezen om te vertellen waarom het zo leuk was in het groepje van meneer Jan.
“Omdat je van hem alles mocht,” zei hij.
Hij bedoelde natuurlijk te zeggen: omdat meneer Jan ons heel veel verantwoordelijkheid gaf. Maar dat leert die jongeman nog wel bij de module leiderschap.
Meneer Jan zelf was, net als de andere meneren en mevrouwen journalisten, bekaf. Het zijn schatjes hoor, die kinderen uit Tilburg-Noord, maar voorlopig even niet: meneer, mag ik naar de WC, meneer mag ik mijn tas pakken, meneer mag ik iemand interviewen, meneer ik ben klaar mag ik een spelletje doen, meneer . . . meneer . . . . meneer . . .
Meneer Jan gaat fijn die fles witte wijn aanspreken die hij heeft gekregen van de weekendschool.
Vocalies (48)
Zaterdagavond in onze favoriete Bossche kroeg (ik ga u niet zeggen welke, want dan komt u allemaal en dat past er niet in). Ik draai mijn cognakkie heen en weer in een poging bij te komen van het copieuze diner dat ik zojuist heb genuttigd. Pfoe. Meneer ter linkerzijde heeft met zijn partner van dat moment een intrigerend gesprek over slagwerk. Ik luistervink… je krijgt altijd tips, al luistervinkend… Hij betrekt mij in het gesprek: nou, als het op slagwerk aankomt is Stravinksy toch wel top of the bill, niet?
Nou, zeg ik (ik ben geen Stravinksy-fan) Tsjaikovski kon er ook wat van…
Hij blaast een beetje verachtelijk: Tsjaikovski, nee, die toch niet…
Nou, probeer ik weer: ik heb laatst nog de Fantasie-ouverture Romeo en Julia gehoord en dat is toch wel echt ‘alles-uit-de-kast-muziek’, maar ik vind het bij Tsjaikovski altijd melodieuzer dan bij Stravinsky…
Hij kijkt me eens doordringend aan: Overspeel ik mijn hand en weet u echt iets van klassieke muziek?
Ik lach en probeer niet arrogant te doen: Ja wel, een beetje, maar niet van alle muziek…
Affijn, dat cognakkie werden er twee en tijdens het gesprek over slagwerk vertelde ik dat ik in het Brabantkoor eens vlak achter de slagwerksectie zat en dat ik het zo intrigerend vond wat die daar allemaal deden. We zongen Mahler Drie en daar zit een extra sectie slagwerk in. De eerste pakweg drie kwartier heb je als koor niks te doen en dat was in mijn geval en op de plek waar ik zat niet erg: ik vermaakte mij kostelijk: wat een vakmensen…
De meneer aan de bar noemde Edgard Varése. Die naam deed geen belletjes rinkelen (leuke woordspeling trouwens in dit verband…). Nou had ík mijn hand overspeeld? Hij had het over het stuk ‘Ionisation’. Dat moest ik es luisteren… dat kwam over je heen als een geluidsgolf.
Thuis, later, eens gejoetjoebt… inderdaad leuk, die geluids-tsunami zie ik niet zo (mischien had ik de boxen niet hard genoeg staan: ik ben zuinig op mijn oren), maar het is wel machtig interessant. In onderstaand filmpje wordt het stuk gedirigeerd door de meester van dit soort muziek: Pierre Boulez. Is weer es wat anders dan vocale muziek en zelfs mijn conservatieve geest kan het waarderen. Dan ook maar eens wat opgezocht over Edgard Varese.
Edgar(d) Victor Achille Charles Varèse wordt geboren in Parijs op 22 december 1883 Zijn oeuvre is zeer beperkt, iets van ruim 3 uur klinkende muziek.
Varèse is bij zijn grootouders opgegroeid in de Bourgogne. Hij heeft een sterke band met zijn grootvader Claude Cortot, een veel hechtere band dan met zijn biologische vader. In 1893 vertrekt het gezin naar Turijn (zonder grootvader). Edgard’s vader wil hem wiskunde en werktuigbouwkunde laten studeren, maar Edgard is vooral geïnteresseerd in muziek en studeert muziektheorie bij Giovanni Bolzoni, piano en speelt slagwerk in het opera-orkest in Turijn. Hij gaat rond 1900 in Parijs studeren. Ook daar compositie, ondanks bezwaren van zijn familie. Eerst bij Albert Roussel en Vincent d'Indy en later bij Charles Marie Widor. In 1907 verhuist hij naar Berlijn, en ontmoet er Ferruccio Busoni, die hem diepgaand zou inspireren. In 1915 gaat Varèse op reis naar de VS, waar hij een revolutionair nieuw werk schrijft: Amériques.
In zijn componeren ‘schaft hij de strijkers af’ en gaat zich op blazers en op nieuw instrumentarium concentreren. In 1926 wordt hij Amerikaan. Rond 1930 schrijft hij ’Ionisation’, waar ik het hierboven over had.
Na de Tweede Wereldoorlog brengt hij zijn elektronische ideeën in de praktijk: ‘Déserts’. Het bestaat uit noten voor een band met elektronisch geprepareerde geluiden. Voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel componeert Varèse het ‘Poème Électronique’. Zijn laatste werk is ’Nocturnal’. Hij sterft in New York op 6 november 1965.
Schepping
Ik heb nu alle verhalen over de kwestie gelezen en kan maar tot één conclusie komen: als Andries Knevel het Scheppingsverhaal blijft ontkennen en daarmee het ledental van de EO in gevaar brengt, dan moet Paus Benedictus hem ex-communiceren.
Elite
Opeens is Twitter vaker dan normaal in het nieuws. Ik doe niet aan Twitter, dus ik ken het alleen aan de buitenkant en van wat mensen mij vertellen die wel twitteren.
Ik begrijp dat het er op neer komt dat je de hele dag in korte zinnen meldt wat je aan het doen bent. Zeg eens eerlijk: hebt u tijd om dat te doen? En hebt u tijd om voortdurend te lezen wat uw al dan niet gekende vrienden uitspoken? Sterker nog: wilt u het weten?
Stel je voor dat ik de hele dag Twitterberichten krijg van mijn lief. Dan kunnen we de keukentafel wel opstoken, want wat heb je elkaar dan nog te vertellen?
Het is zelfs zo dat de hoofdredacteur van Spits! vindt dat zijn verslaggevers moeten gaan twitteren. Dan kunnen ze, als ze op een persconferentie zijn, alvast een kwootje de wereld rond sturen.
Ik moest opeens denken aan een fake-interview wat Vrij Nederland heel veel jaren geleden had met Henk van der Meijden. Daar stond boven dat Henk vond dat vrouwen zo dom waren als het achtereind van een varken. Maar als je het verhaal las dan bleek dat Henk – zogenaamd dan – had moeten kiezen uit twee mogelijkheden waarvan die van dat achtereind de minst grievende was. Daarom ben ik er niet zo voor kwootjes rond te sturen zonder verband.
Ik las ook dat Twitter vooral een hoop gekwek is. Gekwek is een negatieve kwalificatie. En dat veel webloggers over stappen op Twitter. Dat zijn dus de kwekkers onder de webloggers.
Toen bedacht ik dat zich een natuurlijke selectie voltrekt in weblogland. Zo bekeken blijven alleen de niet-kwekkers over. Dat zijn de mensen die graag schrijven en hun leven niet afdoen met shots van 140 lettertekens. Dat zijn mensen die nadenken over zinnen. Mensen die alleen het beste dat ze in huis hebben del met anderen. Mensen zoals u en ik. Dat u maar begrijpt dat wij de elite zijn van de groep exhibitionisten.
Koud of . . .?
Bij het lezen van het onderschrift van deze foto vroeg ik me af: is het nou koud of . . . . .??
Tot ziens
Er zijn dingen die zich zo moeilijk laten beschrijven. Die zo dicht bij komen en zoveel indruk maken dat de gedachten niet genoeg geordend worden om mijn typende vingers te sturen.
Mijn nieuw verworven neef nodigde mij uit om mee te gaan naar een oom en tante in Amsterdam met wie hij altijd contact heeft gehouden en die ik tien jaar niet meer had gezien. Oom zelfs nog langer niet. Ook mijn teruggevonden nicht zou van de partij zijn. Hij wist zeker dat vooral tante het ontzettend leuk zou vinden. Oom is broos en niet meer in staat om iedereen te plaatsen.
Oom is een broer van mijn moeder en van mijn neefs vader. Het bezoek was vandaag. Tante omarmde eerst mijn neef, daarna mijn nicht en tenslotte mij. Ze stelde zich aan mij voor. “Maar tante,” zei ik, “ik weet toch wie u bent.” Ik zag haar twijfelen. Ik ben Jan van tante Riet en ome Jan. Ze dacht dat ik de man van mijn nicht was. Ze greep me opnieuw beet en hield me lang vast. Het viel me op hoe klein ze was. Nog kleiner dan in mijn herinnering.
Oom vetrok als jonge man naar Indië, zoals veel jonge mannen naar Indië trokken omdat ze in een goede zaak geloofden. Daar leerde hij tante kennen, na de oorlog kwamen ze samen naar Nederland. Mijn tante is een tante uit “van oude mensen en de dingen die voorbij gaan”. Zo’n tante die adoe zegt. 88 en 84 zijn oom en tante, maar tante ziet er geen dag ouder uit dan de laatste keer dat ik haar zag. Een prachtige Indische vrouw.
Oom had een goede dag, hij was zacht, veel zachter dan ik me herinnerde. Hij maakte grapjes. Oom en tante waren lief tegen elkaar. Het ontroerde me.
Tante rende nog als een jonge meid door het huis. Ze had soep gekookt en worstenbroodjes gehaald. We haalden herinneringen op. Hoe oom en tante vroeger zelf kroepoek bakten en nasi maakten. Echte nasi.
We moesten ons aan het eind van de middag losrukken uit tantes omhelzing. “Dit is toch geen vaarwel he jongen,” zei ze, “maar een tot ziens.”
Tot ziens, tante en oom. Pas op elkaar.
Handig
Politiek is vooral een kwestie van handig manoeuvreren langs klippen. Of, zo u wilt, ongeschonden aan de overkant van een straat met verbale sluipschutters zien te komen.
Ik heb wel een boon voor politici die handig opereren. Los van hun politieke kleur of intentie.
Handig was het eerste woord dat mij te binnen schoot toen ik Balkenende vanmiddag hoorde aankondigen dat er een onafhankelijk onderzoek komt naar onze deelname aan de Irak-oorlog (nou ja, “onze”, hunnie kan ik beter zeggen). Geen parlementair onderzoek, maar een onderzoek door onbesproken wijze mannen en vrouwen. Dat de mensen niet denken dat hij de PvdA gelijk geeft. Nee, Balkenende en zijn partij trekken hun eigen plan. En dat heeft niks te maken met het feit dat het CDA op nog slechts 28 zetels staat. Denk ik.
Ook de motivatie vond ik handig gevonden. Al dat gezeik over Irak leidt zoveel af dat het kabinet geen tijd en energie meer overhoudt om het economisch afglijdende land te behoeden voor een doodsmak. U begrijpt dat dit mijn eigen woorden zijn. De minister president zei het handiger.
Wie dus de komende maanden jengelt over Irak loopt het risico dat hij of zij het verwijt krijgt het economisch herstel van het land te dwarsbomen. Dat wil natuurlijk niemand. Voorlopig is Balkenende van het gezeur af. Tegen de tijd dat de commissie met een rapport komt is de werkloosheid in dit land al zo groot en zijn de gepensioneerden al zo erg aan de bedelstaf dat er geen weldenkend hoofd meer naar Irak staat.
Femke Halsema heeft al geroepen dat Balkenende z’n eigen geloofwaardigheid ondermijnt door toch een onderzoek toe te staan. Mevrouw Halsema, opletten: het is geen parlementair onderzoek. En het is ten gunste van de economische redding van het land.
Een debat over de aard van het onderzoek zal weinig uithalen. De handige MP heeft zich al lang ingedekt. Bovendien is die meneer Davids al gevraagd. Je kan niet aankomen met de mededeling: Sorry, meneer Davids, het gaat toch niet door . . .
Ik vraag me nog wel af wat de commissie-Davids boven water zal krijgen wat we nog niet weten. Er is al zoveel gelekt. Ik heb steeds het gevoel gehad dat die hele roep om een onderzoek vooral premiertje-pesten was. Jongens die probeerden de bal af te pakken. En dat ene jongetje (datzelfde jongetje dat een hele grote broek aan trok toen de allergrootste jongens vroegen of hij met hen cowboytje wilde spelen) heeft nu de bal over de schutting getrapt zodat niemand er meer mee kan spelen. Handig.
Brutaal
“Mag je aan iemand alles vragen”, vroeg het meisje van de Weekendschool. We bereidden ons voor op een interview.
“Ja hoor”, zei ik. “Je mag alles vragen. Als iemand geen antwoord wil geven dan merk je dat vanzelf.”
Aangemoedigd door zoveel vrijheid vroeg de meeste bijdehante: “mag je ook brutale vragen stellen”?
“Dat mag ook”, zei ik. “Graag zelfs zolang die vragen niet onbeleefd zijn en respectloos.”
“Ik kan niet stout zijn”, zei het jongetje met de zachtste stem en bruine kijkers.
“Maar brutale vragen stellen is niet hetzelfde als stout zijn”, zei ik.
“Toch kan ik dat niet’, zei hij. “Ik kan gewoon niet stout zijn. Ik wil altijd voor iedereen aardig zijn”.
‘Dat lijkt me moeilijk’, zei ik. En ik dacht terug aan de periode dat ik daar zelf voor werd behandeld.
“Dat is het ook”, zei hij, “vooral op school. Maar ik doe het toch. Dus ik kan ook geen brutale vragen stellen.”
Hoe leg je aan een kind van 11 uit dat brutaal en brutaal niet altijd hetzelfde is?