Jarig
Stroomopwaarts bestaat vandaag op de kop af drie jaar. Daarom best wel veel bloemen voor mezelf.
Gezien: Khadak
Khadak (Peter Brosens, Jessica Woodworth) * * * *
Ik moet me er altijd toe zetten om naar films te gaan die zich afspelen duizenden kilometers ten oosten van Moskou. Mongolië bijvoorbeeld. Mooie beelden, maar vaak traag omdat het leven daar traag is. Mensen leven met de seizoenen.
Khadak is anders, traag, maar ook een politieke thriller. Bagi weigert gehoor te geven aan de oproep van zijn voorvaderen om Sjamaan te worden. Van meet af aan is duidelijk dat die weigering hem noodlottig zal worden. Zijn herdersfamilie wordt gedwongen het eindeloze, maar o zo mooie sneeuwlandschap te verlaten. Volgens de machthebbers is er een dodelijke epidemie onder de dieren.
Terwijl de dieren worden afgemaakt verdwijnen de herders in de meest troosteloze betonnen flats die een mens zich kan voorstellen. Ze worden gedwongen te werken in grote afgravingen. Hun bestaan wordt even grauw en afgebladderd als de blokkendozen waar ze in weggestopt zijn. Tot de jongeren zich uit hun uitzichtloze positie gaan losvechten.
Ondanks de ellende bleef ik met een gevoel van hoop achter.
Specta
Wat had u dan verwacht? Een doorwrochte documentaire over niertransplantaties? Een praatprogramma met bebrilde deskundologen? Kom nou toch, daarmee haal je geen kijkcijfers. En zonder kijkers geen donoren.
Nee, televisie moet specta zijn en mensen moeten interactief mee kunnen doen. Stemmen willen we. Tenminste als het er om gaat mensen weg te stemmen. Oordelen willen we, desnoods over leven en dood. Leed is volksvermaak. De TV als Colosseum. Zo willen we het al jaren, al sinds Big Brother en Idols. Daarom verbaast het me niks dat BNN de Grote Donorshow heeft bedacht. Wat had u dan gedacht? Dat iemand zich daar nog druk over maakt.
Waar ik me over opwind is de jongste dwaling van Geert Wilders. Hij wil dat er met scherp wordt geschoten op relschoppers. Drie keer raden wat de aanleiding is voor die gedachte. Tuurlijk, de rellen die Marokkanen veroorzaakten in het Willem II-stadion. Al jaren zijn er rellen en één keer zijn er Marokkanen bij betrokken en Geert denkt meteen aan schieten met scherp. Alsof hij op de Limburgse kermis staat.
De bevolking wil het, hoorde ik hem gisteravond blaten. Voor een deel van de bevolking zal dat zeker gelden. Want zeg nou eerlijk, zo’n stapeltje neergeschoten, hevig bloedende en om hun moeder kermende relschoppers levert natuurlijk wel mooie, specta TV-beelden op. Dat willen we toch?
Held
“Daar is onze held,” zei de goddelijke blonde sportredacteur toen ik binnen kwam. Dat heldendom had ik verdiend met niets meer dan lijdzaamheid. Ik zat vanmorgen in die trein die de bovenleiding stuk trok waardoor het treinverkeer rondom Den Bosch de hele ochtend stil lag. Ik zat nergens aan, eerlijk niet.
Even na zessen hoorden wij treinreizigers harde klappen. We zagen de leidingen langs de ramen vliegen. Als ervaren treinreiziger weet je dan hoe laat het is: een kabelbreuk en dat gaat uren duren. En je weet ook dat je de trein niet uit mag zolang er stroom op staat. De conducteur kwam dat persoonlijk bevestigen.
Net als de andere treinreizigers belde ik mijn vroege collega om te vertellen dat hij het voorlopig zonder mij moest doen en om de primeur van de treinstoring door te geven. Al pratend vonden wij het beiden wel een goed plan dat ik live verslag zou doen van de gebeurtenissen. Journalistiek is een levenshouding, juist in een gestrande trein.
Na drie kwartier kwam de conducteur – inmiddels getooid met een groen hesje – vertellen dat we de trein konden verlaten en langs het spoor naar de overweg konden lopen. Daar wachtte een bus. In colonne liepen wij achter de spoorman aan. Ik had ook best zo'n stoer hesje gewild, maar niemand vroeg mij iets. Bij de overweg stond geen bus. Wij wachtten verder onder een boom want het was beginnen te regenen.
Na vijf minuten maakte een andere in groen hesje getoonde NS’er zich los van de groep. De bus stond bij een andere overgang, hij ging hem persoonlijk halen. Uiteindelijk kwam de bus om ons verder te vervoeren naar het volgende station waar wij met de trein verder konden.
Anderhalf uur later dan normaal stapte ik op mijn fiets. Gelukkig had ik een stevige wind in de rug zodat ik op eigen kracht twee minuten in liep. Daarom was ik dus een held.
“Heb je nazorg nodig?” vroeg de sportredacteur. Natuurlijk heeft een held geen nazorg nodig.
Midden in de stad
Peignoir
Soms lees je in de Telegraaf dat een prentenbriefkaart pas na tientallen jaren wordt bezorgd. Waar heeft zo’n kaart toch al die jaren gelegen, vraag je je af.
Als kind zwierf ik vaak door het Tielse postkantoor waar mijn vader werkte. Ik kan me voorstellen dat een kaart achter een postkast valt en pas twintig jaar later bij een verbouwing onder het stof vandaan komt. Maar het blijft curieus.
Het lijkt me wel leuk om een brief te krijgen die iemand jou jaren geleden heeft geschreven. Vooral omdat er in die tussentijd natuurlijk veel is gebeurd waardoor zo’n bericht in een heel ander perspectief komt te staan.
Een tante van Marlies bladerde onlangs in oude schriften uit haar jeugd. Daarin kwam ze een briefkaart tegen die haar moeder haar ongeveer 45 jaar geleden had meegegeven om op de bus te doen. En dat was ze vergeten.
Die kaart was bestemd voor haar zus, de moeder van Marlies. Op die kaart stond dat oma later die week op bezoek zou komen en dat ze een peignoir wilde gaan kopen. Ze liet de hartelijke groeten doen aan Marliesje.
Het zijn niemendalletjes in het licht van de eeuwigheid, maar ze geven wel een mooi tijdsbeeld.
Gezien
Als liefhebber zie ik veel films. Dat wil ik eigenlijk allemaal delen, maar om nou steeds een weblogje te schrijven over films vind ik zo eentonig. Ik ga voortaan na het zien van een film een extra logje schrijven over wat ik er van vind. Niks doorwrochts, gewoon kort en bondig, met sterren (maximaal zes) want dat hoort . . . Vandaag wel een inhaalslag.
Letters from Iwo Jima (Clint Eastwoord) * * * *
Clint Eastwood laat de slag om het strategische eiland Iwo Jima zien door de ogen van de Jappaners die opdracht krijgen tot de laatste man te strijden. Het is geen rauwe oorlogsfilm, Eastwood laat vooral de menselijke kant zien dus veel aandacht voor de personages.
Letters From Iwo Jima vormt samen met Flags of Our Fathers een tweeluik. De film velt geen oordeel over de Japanners of de Amerikanen.
Doordat in de film het kleurgebruik tot een minimum is beperkt wint hij nog aan kracht.
The Hoax (Lasse Hallström) * * *
Schrijver Clifford Irving (Richard Geere) wordt door zijn uitgever uitgekotst. Daarom claimt hij dat luchtvaartmiljardair Howard Hughes hem het exclusieve recht heeft gegeven zijn biografie te schrijven. Dat is opmerkelijk want Hughes heeft zich uit het openbare leven teruggetrokken en leidt een kluizenaarsbestaan.
Irving vertelt zijn verhaal zo overtuigend dat de uitgever hem een kans geeft. Die begint ook alvast een groot publiciteitsoffensief terwijl Irving steeds meer verstrikt raakt in zijn leugens.
Een aardige film maar bij tijd en wijle traag en veel van hetzelfde.
Pans Labyrinth (Guillermo del Toro) * * * * *
Het lijkt een sprookjesfilm maar ik zou er niet met de kinderen heen gaan, daarvoor zitten er teveel heftige scenes in. Het is het verhaal van het meisje Ofelia dat met haar moeder intrekt in het kampement van haar kwaadaardige stiefvader, een fascistische Spaanse legerkapitein. Dat is geen omgeving voor een meisje en daarom vlucht ze in haar boeken vol faunen en elfen. Del Torro heeft werkelijkheid en droom op een buitengewoon kunstige manier in elkaar gevlochten. Ik vond dit een topfilm.
The Fountain ((Darren Aronofsky) * * * * *
De één verguist deze film, de andere prijst hem de hemel in. Ik behoor tot die laatste groep. Tommy Creo (Hugh Jackman) voert wetenschappelijke experimenten uit met apen. Hij probeert een stof te ontdekken die tumoren doet verdwijnen en de apen een eeuwig leven geeft. Dan blijkt zijn vrouw Izzy (Rachel Weisz) een tumor te hebben en voor Tommy begint dan een race tegen de klok.
Er lopen in deze film heel veel dingen door elkaar. Het liefdesverhaal van Tommy en Izzy, beelden van een heel andere Tommy die in een newage-achtige wereld op zoek is naar het ultieme medicijn en een verhaal van een Spaanse veroveraar die eeuwen geleden hetzelfde deed bij de Maya’s.
De criticasters vinden het te veel maar omdat Aronofsky dat allemaal zo schitterend heeft verbeeld sluit ik me aan bij de adepten.
Flandres (Bruno Dumont) * * *
Het is een simpel verhaal over een simpele Franse boerenjongen van weinig woorden. Hij doet zijn ding op een ietwat vervallen boerderij. Af en toe vrijt hij met zijn buurmeisje (dat met iedereen het hooi in duikt) en soms drinkt hij een biertje in de plaatselijke kroeg. Het is eigenlijk een alledaags verhaal.
Dan worden de boer en wat dorpsgenoten opgeroepen om naar de oorlog in Afghanistan te gaan. En terwijl zij één voor een ten prooi vallen aan de Taliban krijgt het buurmeisje een zenuwinzinking.
Uiteindelijk keert alleen de hoofdrolspeler terug. Het leven hervat zijn loop. De film had misschien moeten laten zien hoe de oorlog een eenvoudige jongen verandert, maar dat vond ik er te weinig uit komen.
Het is vooral een verhaal dat laat zien hoe mensen gedreven worden door hun instincten.
Showgirl
Mensen lachen mij uit. “Jij aan het Sonja Bakkeren?” Ze kunnen het niet geloven.
“Wat is daar mis mee?”vraag ik dan.
Nou, dat weten ze wel:
Het is een hype en daar hoor je niet aan mee te doen.
Sonja Bakker is commercieel. Sonja Bakker is een showgirl.
Wat Sonja heeft bedacht had iedereen kunnen bedenken.
Sonja Bakkeren is heel ongezond want het is te eenzijdig.
Getver, ik heb het ook gedaan en ik mocht alleen maar kipfilet en rosbief.
Van Sonja kom je nooit meer af, Als je stopt word je weer dik. Sonja is een levenshouding voor de rest van je leven.
Mijn collega die altijd diep nadenkt voordat hij iets zegt zei dat hij er niet van houdt als mensen voedsel problematiseren.
Problematiseren??
Ja, zei hij, als mensen tegenwoordig over eten praten dan is dat altijd in verband met afslanken en calorieën.
Eentje zei: Ach, een beetje minder Jan de Vries is niet verkeerd.
Maar voorlopig vliegen de kilo’s er af.
“Nou ja, je kunt het al wel zien,” zeg de mensen dan. Kijk, dat wil ik horen.
Correct
Twee dingen vielen mij vandaag op in het nieuws. Twee dingen die ik gekoppeld hebt. Ten eerste de column van Ali Eddaoudi in de Volkskrant. Daarin schrijft hij dat de jongens die afgelopen week het Willem II-stadion verbouwden, Nederlandse jongens waren. In de media heten het Marokkaanse jongens. Fout, zegt Eddaoudi, het zijn jongens die in Nederland opgegroeid zijn en de rellen hadden niets te maken met hun Marokkaanse wortels.
Het tweede is het bericht dat minister Ella Vogelaar niet wil dat wij nog langer van probleemwijken spreken maar van achterstandswijken. Hoeveel namen hebben die wijken al niet gehad? In mijn jeugd heette het achterbuurt, later hoorde ik wel eens termen als probleemcumulatiegebied, aandachtsgebieden en meer van die fraaie woorden voor iets wat desondanks een achterbuurt bleef.
De laatste jaren heb ik verlangd naar een linkers landsbestuur dat in ieder geval socialer was dan wat we hadden. Maar ik heb niet terugverlangd naar het pappen en nathouden waarin linkse kabinetten in de jaren negentig zo goed waren en waardoor de integratie in ons land failliet is verklaard. En waar ik al helemaal niet meer op zit te wachten is politiek correct links gepraat, waartoe ik de uitspraken van Eddaoudi en Vogelaar reken.
Eén van de goede dingen van de laatste jaren is dat we dingen bij hun naam noemen. Dan weten we waar we het over hebben en zo kunnen we de problemen doelgericht aanpakken.
Maar dan weer niet zoals Eddaoudi wil. Hij schrijft dat de rellen in Marokko niet gebeuren omdat daar raddraaiers meteen door de politie tegen de vlakte worden gewerkt. Edddaoudi vind dat de lompe jongeren die deze week rellen schopten niet beter verdienen dan een pak slaag van de Marokkaanse “Mgazni”, de agenten die belast zijn met de bewaking van dit soort evenementen.
Als je daar voor pleit dan neig je naar een politiestaat. Dan praat je links maar doe je rechts . . .
Merde!
Dat onze taal veramerikaniseert (of is dat met een d) weten we. Maar gisteravond zag ik daarvan wel een heel sterk staaltje.
Ik was naar de franse film Flandres (mooie film trouwens) en daar haalde de hoofdpersoon zijn hand open. Merde! riep hij.
Wat denkt u dat de ondertitelaar daarvan had gemaakt? Shit! Formeel klopt dat, maar ik dacht: verdomme!
Lsltn
Wat ik vandaag te zeggen hebt kunt u hier lezen. Ik ben er gastcolumnist voor één dag.
Aap
Weet u wat het is met het menselijk ras? Als ze te lang met ons om gaan dan denken ze dat wij dezelfde eigenschappen hebben als zij. Wij dieren laten ze af en toe in die waan. Je moet als beest nou eenmaal compromissen sluiten om op tijd je brokken te krijgen.
Maar met hetzelfde gemak vangen we vogels die we dan het huis in slepen om er daar een tijdje mee te dollen totdat het bloed van de keukenkastjes druipt en de baas drie dagen bezig is voordat alle veertjes opgeruimd zijn. Kijk, zo is de natuur. Een beest blijft een beest mensen.
Maar als zo’n dame wekenlang met getuite lippen het raam van Bokito staat vol te lebberen is het toch niet gek dat hij over de rooie gaat. Ze dacht dat hij naar haar lachte. Mevrouwtje, beesten lachen niet. Als wij onze bovenlip optrekken zijn we kwaad.
Kijk, ik ben geen man meer, maar ik kan me voorstellen dat een echte kater helemaal gek wordt als er een poes langs het raam loopt uit te dagen. Toch??
En waar is de Partij voor de Dieren als wij ze het hardst nodig hebben??
Bekend van TV
Ik kijk bijna nooit meer TV. Af en toe een journaal of een documentaire. Verder is de kijkkast aan mij niet meer besteed. Nooit geweest trouwens. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit voor de TV ben neergezegen om vervolgens het aanbod over me heen te laten komen, terwijl mijn kaken een zak chips vermaalden. Ik ben altijd een selectieve kijker geweest.
Nu heeft mijn zoon mij ingewijd in het downloaden van films. Als ik mijzelf passief wil vermaken kan ik dat voortaan in mijn huisbioscoopje doen. Want als ik film kijk, moet het wel op groot scherm en met goed geluid.
Mijn afkeer van TV heeft tot gevolg dat het groeiende aantal bekende Nederlanders aan mij voorbij gaat. Vroeger had je Mies, Rudi, Willem O’ dat kon ik nog wel onthouden. Tegenwoordig, nu al die zenders menen dat wij de klok rond bediend moeten worden, is de stoet mensen die in de supermarkt met het stempel “bekend van TV” loopt, eindeloos.
Het gaat volgens mij nog verder. Als je vroeger op televisie kwam dan was je iemand. Dan had je de wereld iets mee te delen. Tegenwoordig ben je een loser als je niet tenminste één keer aan een spelletjesprogramma hebt meegedaan, jezelf niet tenminste één keer heb laten afzeiken door een opgeblazen jury of een keer als getuige bent opgetreden in een wildwest item van SBS.
Zo kon het dus gebeuren dat ik onderstaande advertentie zag en moest bekennen dat ik hem echt niet kende. Ik zal hem eens bellen.
[!-- error: could not popup ../images/samsung.jpg. File does not exist --]
Vraag
Er was vanmorgen wat rumoer aan de ontbijttafel. Mijn vrouw kan niet tegen gristenen. En als dan EO-babe Tijs van den Brink haar vanaf de cover van het Volkskrant Magazine toegrijnst terwijl ze nog in ochtendjas loopt, dan zijn de rapen gaar. Ze begon wel meteen te lezen.
“Wat denk je dat hij als eerste aan Jezus zou vragen als hij hem mocht interviewen?” vroeg Marlies aan mij.
Ze legde haar hand op het artikel, want blijkbaar was die vraag aan Tijs voorgelegd en ik mocht niet spieken. Ik had wel een antwoord willen geven maar ik kreeg de tijd niet.
“Weet je wat die arrogante (…) als eerste vraagt: hoe vindt u dat ik het gedaan heb? De zelfingenomen kwast.”
Dat lijkt mij een logische vraag voor een gristen. In het gristendom draait het namelijk om een eeuwig leven in het paradijs. En of je daar komt of niet hangt af van de vraag hoe je het hebt gedaan. Maar leg dat maar eens uit aan een representant van Brabant waar een sterflijke meneer pastoor de penitentie bepaalt.
“Wat zou jij vragen?” vroeg mijn vrouw.
“Ik zou vragen of God bestaat. Want met dat antwoord kunnen we toetsen of we al tweeduizend jaar van het padje af zijn of niet. En wat zou jij vragen?”
“Ik zou vragen waarom zijn wereld in de brand staat,” zei mijn vrouw. “En waarom hij niet ingrijpt.”
Tja, wat is je eerste vraag als je Jezus kunt interviewen?
Moffen
Bij ons thuis werd weinig over de oorlog gesproken. De Tweede Wereldoorlog bedoel ik. Sinds die tijd zijn er zoveel oorlogen geweest dat ik het er maar even bij zeg.
Mijn ouders waren pubers toen ons land werd overvallen door den Duitscher. De verhalen die zij vertelden zouden zo uit een B-film kunnen komen. Er zijn nou eenmaal mensen die minder onder het Duitse juk hebben geleden dan anderen.
Wel werden de bezetters steevast “de moffen” genoemd. Daarmee werden wel echt de Duitse soldaten bedoeld, want in ons gezin heb ik nooit een spoor van haat jegens onze oosterburen in het algemeen kunnen bespeuren.
Wij kinderen namen dat woord moffen over, maar alleen in datzelfde verband want wij zijn netjes opgevoed. Alle andere Duitsers waren gewoon Duitsers. Behalve natuurlijk in 1974. Toen waren alle Duitsers gedurende enige tijd die moffen die het WK-voetbal voor velen van ons tot een levenslang trauma maakten. Voor mij niet hoor. Ik heb niks met het Nederlands Elftal.
Afijn, zo is het woord moffen een begrip geworden. Totdat ik mij vanmorgen realiseerde dat er een hele generatie aan het opgroeien is die het woord waarschijnlijk niet kent. Getuige het onderstaande stukje uit de Volkskrant.
Spullen
Ik rij niet meer zoveel auto als vroeger, maar deze week moest ik er aan geloven. Over de A2, de A27, de A1, de A30, de A12, de A50 en de A59. Allemaal op één dag. En op veel plekken file. Zoveel dat ik naar de trein verlangde.
En in die file’s kilometers vrachtwagens. Grote vrachtwagens, kleine vrachtwagens, tankauto’s, bulkwagens, vrachtwagens met aanhangers en busjes. Dus ik had tijd zat om na te denken.
Al die vrachtwagens, dacht ik, zijn bezig spullen te vervoeren. Dozen, zakken, blikken, pakken en kratten. Allemaal spullen die wij mensen menen nodig te hebben.
En toen wist ik het opeens (nee, ik word geen conducteur). Je lost het fileprobleem niet op met bredere snelwegen, rekeningrijden of tol heffen. Je kunt dat alleen maar oplossen met minder spullen. We moeten gewoon minder spullen gebruiken.
Zo werd het toch nog een nuttige middag.
Postbank
Mijn verleden verdwijnt stap voor stap. Nu heeft ING besloten de naam Postbank op te heffen. Mijn hele jeugd draaide om de posterijen of “Tante Pos”, zoals wij haar thuis noemden. Mijn vader verdiende daar het geld voor onze boterhammen en mijn broers traden in zijn voetspoor.
Toen heette het nog Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Plastic Tieten Trekkers zeiden wij schalkse jongens. Moeder vond dat goed. Je had er vastigheid. Dat was belangrijk.
Vanzelfsprekend werd mijn allereerste salaris gestort op een gloednieuwe rekening bij de Postbank. Het was het bedrijf van vader hè. Nou ja, niet helemaal, maar voor ons was alles waar post voor stond synoniem aan onze broodheer. Behalve natuur post-nataal, een woord dat wij toen nog niet kenden omdat de buurvrouwen elkaar er door sleepten.
De vertrouwde naam PTT is al vaak veranderd, evenals de kleding die de werknemers dragen. Ik herinner me mijn vader nog in zijn zwarte pak, rode biezen, gouden knopen en keurige pet. Kom daar nu eens om. En de zekerheid voor het leven is tot aan de draaideur van het postkantoor.
Nu verdwijnt dus de naam Postbank en ik word klant bij ING. Dat was ik stiekem natuurlijk al, maar ik wil het niet. Ik wil gewoon bij de Postbank blijven omdat ik daar al 35 jaar bij ben. Omdat ik vergroeid ben met mijn postgironummer. Het is het enige nummer van meer dan vier getallen dat ik kan opdreunen. Omdat de post bij mijn leven hoort.
Wat gebeurt er trouwens met mijn rentepunten na de naamsverandering?
Zuid-Limburg dus
Hoop
We hebben de afgelopen dagen gewandeld aan beide zijden van de grens tussen Zuid-Limburg en de Belgische Voerstreek. Heuveltje op, heuveltje af, dat voelt een plattelander in zijn kuiten.
In de uren tussen het verkwikkende witbier en het avondeten en voor het slapen gaan heb ik de verhalen en gedichten gelezen die zijn ingezonden voor de wedstrijd Write Now! Ik mag er natuurlijk nog weinig over zeggen want de jurering is pas maandagavond. Dan mag ik mijn voorkeuren opgeven.
Er is me wel iets opgevallen. Ik ben zelf al een tijd uit de pubers, maar wat schuilt daar een gekweldheid. Er is veel verdriet om verloren vriendjes (vooral de meisjes schrijven daar over), onbereikbare liefdes en ander leed. Uit veel verhalen stijgt somberheid op.
Het is voor veel deelnemers natuurlijk ook de periode waarin ze op zoek zijn de ware liefde, die ze dan ook nog binnen de tijdspanne van de pubertijd en voor eeuwig denken te vinden. Ik geloof dat ik dat zelf ook dacht niet wetend dat ik twee keer zo oud was voordat ik die vond.
Het is wel mooi te lezen hoe die jongeren de taal als uitlaatklep gebruiken en als middel om hun gevoelens onder woorden te brengen. Literair gezien is dat hoopgevend.
Moppentapper
We waren op een receptie, op een plek waar ik achttien jaar niet meer was geweest. Er waren honderden mensen. Sommigen hadden gezichten waarvan de trekken mij vaag bekend voorkwamen.
Aan een hangtafel stond een man van mijn leeftijd maar in hem herkende ik meteen mijn allereerste collega. We hadden als aanstormende mannen begin jaren zeventig broederlijk naast elkaar op de fotografische zetterij gewerkt. Hij zette de koppen van de krant en ik de platte teksten.
Ik schoof aan aan het tafeltje en wachtte tot hij was uitgesproken met de andere gasten. Toen keek hij mij aan met een vragende blik.
“Jij bent toch W.?” vroeg ik.
“Dat ben ik,” zei hij, “maar wie ben jij dan?"
Ik noemde mijn naam. Hij begon meteen te lachen. Onze herinneringen raakten als snel in een stroomversnelling.
“Weet je dat ik het heel af en toe nog wel eens over jou heb," zei hij.
Ik vroeg hem welke onuitwisbare indruk ik had achtergelaten.
“Jij was degene die op elk moment van de dag, om zeven uur ’s morgens of om zeven uur ’s avonds, moppen vertelde. Man, wat kende jij veel moppen. En je schudde ze zomaar uit je mouw. En je kon ze ook nog ontzettend goed vertellen.”
“Weet je het zeker,”? vroeg ik.
“Zeker weten,” zei hij. “Ik herkende je gezicht niet meteen, maar jouw naam ben ik nooit vergeten. De moppentapper.”
Ik, van wie iedereen zegt dat ik voor de koffie niet aanspreekbaar ben, ’s morgens om zeven uur moppen tappen? Wat is er dan in hemelsnaam met me gebeurd?
De Provincie
Er is een zekere animositeit tussen Amsterdammers en de rest van Nederland, door de bewoners van het Dorp aan het IJ steevast aangeduid met “provincialen”. Ik vind dat een rot woord. Dat komt door Youp van ’t Hek, die de naam provincialen altijd uitspreekt alsof wij melaatsen zijn. Ik hou niet meer van Youp van ’t Hek. Als ik afgezeken wil worden door een omhooggevallen MAVO-klantje dan kan ik dat veel beter zelf voor de badkamerspiegel.
Ik lees nu in het Amsterdamse stadsblad Het Parool:
“Provincie” hield huis op Leidseplein.
Van de 51 mensen die werden gearresteerd tijdens de rellen na de huldiging van Ajax kwamen er 24 uit Amsterdam, de anderen van buiten de stad. En “van buiten de stad” is dus de provincie. Misschien waren het wel Hagenezen of Rotterdammers. Of is voor een Amsterdammer alles van over het IJ provinciaal?
De kop wekt de suggestie dat wij barbaren zijn, wilde horden die het fijnbesnaarde hoofdstedelijke volk naar het leven staan. Dat is natuurlijk niet zo. Wij hebben ook een zekere beschaving . Nu hoor de randstedelingen al loeien, nee dat is te plat, ik hoor ze al piepen dat wij hier niet zo zielig moeten doen. Doen we ook. Wij zijn trots. Wij hadden vorige week een voetbalfeestje in Eindhoven met 10duizend provincialen. Geen wanklank gehoord. Maar ja, wij zijn dat ook geoefend in het organiseren van voetbalfeestjes.
Alcohol
Mijn collega klaagde over de politie. Hij noemde ze anders maar als ik dat woord gebruik krijg ik dit stukje nooit door de spamfilter. Mijn collega was naar de bekerfinale in De Kuip geweest. Hij had zijn auto 25 minuten gaans van het stadion moeten parkeren en toen hij terugkwam zat er een geel transactiebriefje ter waarde van 50 euro achter de ruitenwisser, in te wisselen bij het dichtstbijzijnde politiebureau.
U begrijpt dat de opbrengst niet zijn deel zou zijn, maar voor de Staat der Nederlanden. Gelukkig had zijn club de cup gewonnen. Op zo’n moment ben je geneigd te roepen dat de politie alleen maar bonnen kan uitdelen.
Het borrelde allemaal op toen ik vanmorgen in de media las dat minister Ter Horst een blaaspijpje heeft gepakt om daarmee een proefballonnetje op te blazen. Ze wil alcoholverkoop onder de 18 jaar verbieden. Van mij mag het, maar ik moest ik erg om lachen. Bijvoorbeeld omdat alleen al in zuidoostbrabant het probleem van jonge drinkers (vanaf twaalf jaar!) zo groot is dat ze een apart project zijn begonnen uiteraard samen met de ouders en de voogden.
Ze zuipen wat af, die jeugd, in hun indrinkschuurtjes en zelfgetimmerde barretjes. En denkt u dat de politie in staat is om daartegen handhavend op te treden. Welnee, het is dweilen met de kraan open. Dat wil niet zeggen dat je er niets aan moet doen want het is een fors maatschappelijk probleem. Maar toch niet met zo’n lullig plannetje. Ik heb begrepen dat een meerderheid van de Tweede Kamer er net zo over denkt als ik. Zou ik dan misschien toch . . .? Nee, niet met alleen maar MAVO.
Plezier
Maandagmorgen kwart voor tien. Goedemorgen zeg ik tegen de beheerder van de fietsenstalling.
Hij kijkt omstandig op zijn horloge. “Goedemiddag”, zegt hij nadrukkelijk. ”Ik heb er al een halve dag opzitten”
“Ben jij er ook als ik om zeven uur terug kom?” vraag ik.
“Nee dat niet,” zegt hij. “Maar ja, jij werkt bij de radio, dus dat is plezier.”
Kijk, dat zijn opmerkingen waarmee een mens de werkweek kan beginnen.
Onderweg zie ik een kraai uitbundig poedelen in een verse plas regenwater. Ik ben blij voor die grote zwarte vogel dat hij na anderhalve maand weer eens in bad kan.
Op het fietspad door het bos ruikt het heerlijk fris naar voorjaar.
Bij die plezierige radio aangekomen word ik bijgepraat door de collega die op hetzelfde uur als de stallingbeheerder is begonnen. Er zijn al diverse onderwerpen op de rails gezet. “En we maken een slechtweer-item,” zegt hij.
“Laat me raden,” lach ik, “we zijn naar een camping om mensen in tentjes te interviewen?”
“Inderdaad,” zegt hij.
“Nee . . . ,” roep ik.
“Ja ,” zegt hij.
Dat komt namelijk zo: het is anderhalve maand droog geweest en op de eerste dag van de meivakantie regent het. Daar praat iedereen over.
Werken bij de radio is geen plezier. Werken bij de radio is topstens!
Update namen
Het is weer tijd voor een logje over mijn namenverzameling. U heeft weer massaal gereageerd. Nee hoor, niet echt, dat was een kleine parodie op Tellsell. Toch zijn er genoeg reacties voor een update. Niet alles is geschikt voor mijn lijst, maar ook die “ongeschikte” zijn leuk genoeg om te vermelden.
Zo werd ik door een buurtgenoot gewezen op de heer Zwart die werkt bij de firma Blinker. Iemand schreef mij dat haar moeder in het ziekenhuis van Hengelo een pacemakertechnicus had ontmoet die Onrust heette. Slager Bigmans doet het ook altijd goed.
Een collega mailde mij: zou het niet heel grappig zijn als de aankomende slagwerkmuzikante Laura Trompetter die we vanmorgen in de uitzending hadden zou gaan samenspelen met blazer Antoine Trommelen. Ofwel: de een blaast maar heet Trommelen en de ander trommelt maar heet Trompetter.
De woordvoerder van Transport en Logistiek Nederland heet Van ’t Schip. Iemand wees mij ook nog op Wasserij Broodbakker.
Of Formule I-coureur Scott Speed. In zulke gevallen denk ik altijd dat iemand zich zelf zo’n naam heeft aangemeten.
En tot slot: Jaap de Vlieger waarnemend hoofd Expertisecentrum Luchthavens Koninklijke Marechaussee.
De topper van deze ronde vind ik mestdistributeur Kees de Gier.
Best
Het heette een familiegesprek. Mijn broers en ik zaten tegenover de verpleeghuisarts.
“Wij maken ons zorgen over uw vader,” zei ze.
“Wij maken ons zorgen over u,” herhaalde ze met lichte stemverheffing in de richting van mijn vaders slechte oor.
Ze stelde ons vragen en gaf omstandig haar visie op de situatie van onze vader. Ze had geen hoop meer dat hij nog ver zou kunnen lopen en ze wilde het accent verleggen naar de behandeling van de sombere stemmingen van mijn vader. Uiteindelijk kwam het hoge woord er uit. Mijn vader kan niet meer terug naar huis, hij moet definitief in het verpleeghuis blijven.
De dokter liet een stilte vallen, die onmiddellijk door ons werd gevuld. Eindelijk een arts die het begreep, zeiden wij. Je zag dat ze blij was dat wij zo snel accepteerden.
“Maar,” zei ik, “het belangrijkste is wat mijn vader daar van vindt.” Die vond het een goed idee. “Ik moet er gewoon rekening mee houden dat ik dingen niet meer kan,” zei hij.
Maar we mochten zijn huis nog niet opzeggen tot de bedenktijd om was. Logisch, zeiden wij.
“En ik reken op jullie met de verhuizing,” zei hij. Tuurlijk, zeiden wij.
De arts nam afscheid en we rolden onze vader naar het grote terras van het verpleeghuis waar we samen koffie dronken.
“Wat een schitterend uitzicht heb je hier over het park,” zei ik. Het voelde als een tekst uit een slechte soap.
“ ’t Is hier best,” zei mijn vader.
Persvrijheid
Het is vandaag de Internationale Dag van de Persvrijheid. Als journalist zou ik nu een vlammend betoog moeten schrijven over dat grote goed. Maar dat hebben door de eeuwen heen al zoveel collega’s zo goed gedaan dat ik niet het gevoel heb dat ik daar iets aan toe kan voegen.
Ik volsta met de wens dat de vrije pers nog eeuwen lang op een verantwoorde manier met haar verworvenheden om zal gaan.
Thrill
Het woord op de redactie was vandaag thrillseeking. Vroeger deden wij ook wel eens dingen die ons deden huiveren van opwinding. Belletje trekken bijvoorbeeld. Letterlijk, want in het oude stukje van onze straat hadden ze nog trekbellen. Eén keer ging er echt een thrill door mij heen toen ik met de bel in de hand bleef staan.
Dramatische dieptepunten in onze zoektocht naar opwinding waren de uitgetrapte lantaarns en vlekjes op het behang van een slaapkamer die wij veroorzaakten met besjes die wij met onze elektriciteitsprijs door het open raam bliezen. We konden er een jeugd op teren.
Maar dat is nu anders. Ten noorden van Eindhoven rijden één of meerdere idioten rond die vanuit hun auto stenen naar andere auto’s gooien. Het gebeurde in maart en deze week. Triest gevolg: één dode, één zwaargewonde en enkele lichtgewonden. Thrillseeking noemde iemand dat. En het schijnt zo te zijn dat thrillseekers als maar door gaan om hun opwinding te bevredigen.
Meer woorden hierover schieten mij tekort.
