Twee jaar
Het is vandaag precies twee jaar geleden dat Stroomopwaarts werd geboren. Normaal houd ik niet zo van verjaardagen, maar deze is wel bijzonder, want ik had nooit gedacht dat de boreling levensvatbaar zou zijn. Gelukkig geeft het dagelijks leven voldoende voedsel om hem in leven te houden.
Ik hoef geen kadootje. Ik ben al blij als Rita Verdonk vanavond geen lijsttrekker wordt.
Ik heb wel een tractatie voor u. Eén van mijn gewaardeerde oudere collega's is een fervent vogelaar. Hij wees me op een webcam in een nest torenvalken in het Brabantse Dongen. Voor u, omdat het feest is. En omdat ik het zelf leuk vind. Want dat is het belangrijkste van Stroomopwaarts: omdat ik het zelf leuk vind.
http://www.valkenhok.nl
Richard Osinga
Richard Osinga publiceert zijn derde boek geheel online. Dat doet hij bij verschillende webloggers. Iedereen kan er aan mee doen.
Dit is fragment nummer 104 van het boek "Wembley" van Richard Osinga.Diop fietst beter dan de eerste keer. Hij slingert nauwelijks en we halen verschillende andere fietsers in. Mensen die naar huis gaan na een lange dag werken, met een hand aan het stuur en met een hand de koffer die rechtop op de bagagedrager staat vasthoudend. Jonge vrouwen in te dunne jassen, die wegduiken in de brede sjaals die ze omgeslagen hebben. Oude Arabieren die terugkomen van de markt met tassen vol boodschappen.
'Waar heb jij de traditionele dansen eigenlijk geleerd?'
'Ik?' zegt Diop verbaasd. 'Ik weet er niets van.'
'Hoe kun je dan een workshop geven?'
'Je hoeft er helemaal een verstand van te hebben. Als je een goed verhaal hebt, dan maakt het niet uit wat je doet. Je moet aansluiten bij de verwachtingen van de mensen, en er af en toe van afwijken, dat vinden ze grappig. Eerst doe ik dus bepaalde gebaren en ik leg uit dat dit staat voor het stampen van de maniok, of het dragen van de waterkruik, of het melken van de geit, doet er niet toe wat, als het maar dingen zijn die de mensen met Afrika associëren. Daar worden ze blij van, dan denken ze, ja dat klopt, daar heb ik een keer over gelezen, ze eten daar maniokbladeren. Maar dan ineens doe ik iets wat ze niet verwachten. Ik maak een beweging en dan vragen ze wat doe je? Dan zeg ik, dat is het delven van een graf voor een jonge moeder die is overleden omdat er een dier in haar zat. Dan zie je dat ze zich ineens ongemakkelijk voelen.'
Diop lacht erom alsof het een grap is, maar ik vind het niet grappig.
'Ik geef ook lessen djembé-spelen. Weet ik ook niets van. Ik heb niet eens een djembé. Ik zeg gewoon dat de student daarvoor moet zorgen. Als ze er geen hebben dan kopen we er samen een in een winkel in de Jordaan. Weet je wat zoiets kost? Meer dan honderd euro.'
'Honderd euro?' Het klinkt als een belachelijk bedrag. Als ze in mijn wijk zouden weten dat je hier trommels kan verkopen voor honderd euro, dan zou iedereen de hele dag trommels maken. We zouden heel Europa kunnen voorzien.
'Ik woon hier bijna tien jaar, Wembley, en ik heb inmiddels door hoe de dingen werken. Nederlanders houden van Afrika, maar van een gedroomd Afrika, hun eigen Afrika. Ze zijn bereid honderd euro voor een trommel te betalen of meer nog voor een masker, als er maar een goed verhaal bij hoort. Ze willen zo graag geloven in Afrika, in een mooi Afrika, waar de mensen altijd blij zijn, waar iedereen kan dansen en waar de mannen lange leuters hebben. Dat Afrika is zoveel leuker dan het Afrika van zinloze, uitzichtloze conflicten, waar je niemand kan vertrouwen, waar mensen omkomen van honger, van dorst, of van enge, besmettelijke ziektes. Ik geef ze het Afrika waar ze op zitten te wachten en daar willen ze graag voor betalen.'
We rijden langs een politiebus. Ik kijk angstig achterom om te zien of ze ons niet aanhouden, maar er gebeurt niets. Diop lijkt de bus niet eens gezien te hebben, hij praat vrolijk verder.
'Wil je het hier redden, dan moet je niet proberen te zijn zoals zij, hard werken, de hele dag serieus; ze zitten niet te wachten op een carbondoorslag van zichzelf. Je moet ze dromen verkopen. Je kunt beter lessen Afrikaans dansen geven, of Afrikaanse lekkernijen verkopen, wat dan ook, als het maar Afrikaans is. Alles is beter dan lange dagen werken in een gekoelde loods.'
'Waar heb jij de traditionele dansen eigenlijk geleerd?'
'Ik?' zegt Diop verbaasd. 'Ik weet er niets van.'
'Hoe kun je dan een workshop geven?'
'Je hoeft er helemaal een verstand van te hebben. Als je een goed verhaal hebt, dan maakt het niet uit wat je doet. Je moet aansluiten bij de verwachtingen van de mensen, en er af en toe van afwijken, dat vinden ze grappig. Eerst doe ik dus bepaalde gebaren en ik leg uit dat dit staat voor het stampen van de maniok, of het dragen van de waterkruik, of het melken van de geit, doet er niet toe wat, als het maar dingen zijn die de mensen met Afrika associëren. Daar worden ze blij van, dan denken ze, ja dat klopt, daar heb ik een keer over gelezen, ze eten daar maniokbladeren. Maar dan ineens doe ik iets wat ze niet verwachten. Ik maak een beweging en dan vragen ze wat doe je? Dan zeg ik, dat is het delven van een graf voor een jonge moeder die is overleden omdat er een dier in haar zat. Dan zie je dat ze zich ineens ongemakkelijk voelen.'
Diop lacht erom alsof het een grap is, maar ik vind het niet grappig.
'Ik geef ook lessen djembé-spelen. Weet ik ook niets van. Ik heb niet eens een djembé. Ik zeg gewoon dat de student daarvoor moet zorgen. Als ze er geen hebben dan kopen we er samen een in een winkel in de Jordaan. Weet je wat zoiets kost? Meer dan honderd euro.'
'Honderd euro?' Het klinkt als een belachelijk bedrag. Als ze in mijn wijk zouden weten dat je hier trommels kan verkopen voor honderd euro, dan zou iedereen de hele dag trommels maken. We zouden heel Europa kunnen voorzien.
'Ik woon hier bijna tien jaar, Wembley, en ik heb inmiddels door hoe de dingen werken. Nederlanders houden van Afrika, maar van een gedroomd Afrika, hun eigen Afrika. Ze zijn bereid honderd euro voor een trommel te betalen of meer nog voor een masker, als er maar een goed verhaal bij hoort. Ze willen zo graag geloven in Afrika, in een mooi Afrika, waar de mensen altijd blij zijn, waar iedereen kan dansen en waar de mannen lange leuters hebben. Dat Afrika is zoveel leuker dan het Afrika van zinloze, uitzichtloze conflicten, waar je niemand kan vertrouwen, waar mensen omkomen van honger, van dorst, of van enge, besmettelijke ziektes. Ik geef ze het Afrika waar ze op zitten te wachten en daar willen ze graag voor betalen.'
We rijden langs een politiebus. Ik kijk angstig achterom om te zien of ze ons niet aanhouden, maar er gebeurt niets. Diop lijkt de bus niet eens gezien te hebben, hij praat vrolijk verder.
'Wil je het hier redden, dan moet je niet proberen te zijn zoals zij, hard werken, de hele dag serieus; ze zitten niet te wachten op een carbondoorslag van zichzelf. Je moet ze dromen verkopen. Je kunt beter lessen Afrikaans dansen geven, of Afrikaanse lekkernijen verkopen, wat dan ook, als het maar Afrikaans is. Alles is beter dan lange dagen werken in een gekoelde loods.'
Meelzakken
Het huis waarin wij wonen heeft al veel bestemmingen gehad. De meest recente kende ik: een supermarktje en een duiksportwinkel. Maar de oudste geschiedenis ontdekte ik pas deze week. Begin vorige eeuw was onze benedenverdieping een deel van een bakkerij. Niet zomaar een bakkerij. Nee, de coöperatieve bakkerij “De Hoop”. Op de plek waar nu ons bed staat lagen een eeuw geleden meelzakken opgetast. Tja . . . .
Veertig jaar geleden was onze benedenverdieping samen met het belendende perceel (eindelijk kan ik die term eens gebruiken) “een accumulatorenbedrijf en een reparatie-inrichting van elektrische installaties voor auto’s”. Dat staat in een rapport dat ik van de gemeente kreeg. De gemeente denkt namelijk dat de grond onder ons huis en de panden ernaast vervuild zou kunnen zijn. Net als 125 andere plekken in de stad trouwens. Binnenkort komen ze boren.
Er stonden nog meer interessante dingen in dat rapport: “De inrichting werd verwarmd met behulp van een oliegestookte verwarming. De huisbrandolie werd opgeslagen in een bovengrondse tank met een inhoud van 200 liter.” Die tank stond volgens de tekening in het rapport op de plek waar nu onze zithoek is. Je gaat opeens heel anders naar je eigen huis kijken.
Omdat onze grond tot de laatste millimeter bebouwd is, heb ik me wel afgevraagd waar ze dan precies denken te gaan boren. Even doemde het spookbeeld op dat ze dwars door het bed zouden gaan, maar toen las ik in het plan van aanpak “dat in verband met het huidige gebruik het niet wenselijk wordt geacht inpandig te boren”. We kunnen dus voorlopig nog even rustig slapen, daar waar vroeger de meelzakken lagen.
Oppas
In het kader van “beter goed gejat, dan slecht bedacht” wil ik u een prachtige ingezonden brief van de heer Van der Linden uit Noordwijk onder de aandacht brengen. Hij stond vanmorgen in de Volkskrant.
Meneer Van der Linden schreef over jongeren die klagen dat zij de vergrijzing niet kunnen opbrengen. Hij diende ze van repliek door alle oppas opa’s en oma’s op te roepen “een jaartje met z’n allen in de “sleurhut” door Europa te trekken of op het Spaanse strand te vertoeven. Kijken wat de huidige klagers dan zullen zeggen.”
Daar kan volgens mij geen weblogger vandaag nog overheen. Ik ga dat in ieder geval niet proberen.
Oefening
Oefening in empathie. Ik leef me in in een weldenkende VVD’er.
“Op een druilerige zondagmorgen zit ik in mijn werkkamer achter mijn PC. Het huis is nog in diepe rust. Ik tuur wat naar de tuin beneden en zie de kat op het dak van het tuinhuis lopen. Op mijn computer staat de webpagina van mijn partij open. Ik lees de slogans waar ik als partijlid achter sta. Ik moet kiezen: Rita Verdonk, Mark Rutte of die onbekende mevrouw.
Ik overzie mijn leven. Het is goed zoals het is. Leuk gezinnetje, moderne tweekapper in een groenrijke buurt, Opel Zafira van de zaak. Elke dinsdag tennissen met vrinden, daarna een biertje. In het weekend quality time met de kids. De kat springt op de schutting.
Als ik op Mark Rutte stem dan is er een grote kans dat het altijd zo zal blijven. Mark wil meer banen. Mensen moeten aan het werk. Dat is goed voor iedereen. Hij heeft gelijk. Mensen moeten aan het werk. Ik werk ook. Elke dag. Soms een uurtje in het weekend. Maar ja, als Mark wint heb je kans dat hij met die rooien verder gaat. En als wij met Mark niet de grootste worden, wat moeten we dan inleveren? Wat moet ik dan zelf inleveren? Kan ik eigenlijk inleveren? We hebben het best goed. Laten we eerlijk zijn. We kunnen best een beetje solidair zijn. Niet te gek natuurlijk. De kat likt zijn vacht.
Die kent geen zorgen.
Als ik op Rita stem dan weet je niet wat er gebeurt. Waar staat die eigenlijk voor? Ik denk er eens diep over na. Haar campagne doet een beetje Amerikaans aan. Komt zeker door die Kay. Allemaal oneliners. Ik hou van Amerika, het land waar je iets kunt worden als je hard werkt. Dat spreekt me aan. Maar ik kan me eigenlijk weinig van die oneliners herinneren. Amerikaans is ook een beetje oppervlakkig. Ze wil illegalen uitzetten. Ik ken geen illegalen. Eigenlijk ken ik helemaal geen buitenlanders. Die wonen hier niet. Ja, op kantoor werkt een Turkse man. Hij leegt de prullenbakken. Aardige vent, spreekt goed Nederlands en is altijd beleefd. Tjoep, de kat springt op het gazon. Het ligt er mooi bij.
Als ik op Rita stem dan heb ik kans dat mijn partij straks wordt buitengesloten, dat niemand met ons wil regeren. Ook al zijn we de grootste. En wat heb je dan bereikt? Niks toch zeker? Dan ben je helemaal overgeleverd aan die linksen. En als Balkenende toch premier blijft, wil hij dan met Rita regeren? Ik weet het niet? En misschien komt er al wel eerder ruzie en stappen allerlei belangrijke mensen op. Wat houden we dan nog over?
Ik sta op en ga naar beneden om een kopje cappuccino te maken. We hebben pas een nieuw machientje gekocht waar je zelf de bonen in kunt malen. De kat komt door het luikje naar binnen.
Zouden mensen mij er op aankijken als Rita wint, zouden mensen dan denken dat ik bij een xenofobe club hoor. Dat zijn we natuurlijk niet, maar de mensen denken tegenwoordig allemaal in oneliners. Mensen zouden zelfs kunnen denken dat ik bij dat volk hoor dat indertijd op de LPF stemde. Die mensen die bloemen gooiden naar de begrafenisauto. Ik ken er genoeg uit onze kring die dat deden. Hoe denk je anders dat ze zo groot werden? Nu kan dat niet meer anoniem. We kunnen niet meer stiekem meeliften.
Met een resoluut gebaar jaag ik de kat van het aanrecht, ik loop terug naar mijn computer en klik op Mark Rutte.”
Einde oefening. Woensdag krijg ik gelijk. Het wordt Mark Rutte. Zo niet, dan kan ik mij niet inleven in een weldenkende VVD’er. Mag u donderdag laten weten wat dat over mij zegt. Of over die VVD’er.
Lief
Dagelijks bereikt onze redactie een schier eindeloze stroom berichten vanuit de verschillende Brabantse politiebureaus. Opsommingen van inbraken, mishandelingen, ongelukken, winkeldiefstallen opgerolde hennepkwekerijtjes en bedreigingen. Het is in de wereld veel ellendiger dan u denkt.
Als je niet oppast raak je als journalist afgestompt. Eerlijk gezegd heb ik slecht opgepast. Arme politievoorlichters die zich elke dag door die brij moeten worstelen op zoek naar de krenten waarmee de nieuwshonger van het journaille gestild kan worden.
Soms sturen die voorlichters grappige berichtjes waarvoor ze even langer op kantoor blijven omdat ze zeker weten dat het provinciale radiostation zal bellen voor een interview. Ze willen zelf ook wel eens een krentje. Bij ons zijn ze dan “het uitsmijtertje”. Maar dat weten zij niet.
Gisteren kwam er zo’n bericht. De politie zocht getuigen. Niet van een ongeval dit keer. Ze zochten iemand die het slachtoffer was geworden van de politie zelf. Een politieauto, die in vliegende vaart op weg was naar een ernstig ongeluk, was over het fietspad gereden. Op de stoep daarnaast liep een man. Die werd kletsnat toen de politieauto door een plas reed. En nu waren ze naar hem op zoek. Om hun excuses aan te bieden. Lief hè?
Gescheiden
Ze hoorden voor het eerst van hun eigen echtscheiding toen er een brief op de deurmat viel van de instantie die de kinderbijslag uitkeert. Die wilde weten aan wie het geld voor de jongste zoon gegeven moest worden, nu ze gescheiden waren. Ze keken elkaar eens aan. Gescheiden?
Hij belde op naar de instantie die de kinderbijslag uitkeert om te vertellen dat hij en zijn vrouw nog steeds gelukkig getrouwd waren. Dat kan wel zijn, zei de mevrouw van die instantie, maar volgens de gemeente E. bent u verhuisd en uitgeschreven. Gescheiden dus.
Hij ging naar het gemeentehuis om zichzelf te zoeken.
Ja, zei de mevrouw, aan de balie. U bent uitgeschreven. Kijk maar, hier staat het. De heer J.H. is uitgeschreven omdat hij naar U. is verhuisd. Bent u gescheiden, vroeg ze.
Mijn oudste zoon is pas naar U. verhuisd, zei hij, die heet J.J.H..
Dan heeft hij bij het uitschrijven zeker maar één voorletter opgegeven en dan bent u dus uitgeschreven, zei de juffrouw aan de balie. Het was niet haar schuld. Maar de juffrouw was heel meegaand en ze herstelde de fout ter plaatse, dat dan weer wel.
Drie dagen later ging de bel. Er stond een postbode op zijn stoep met een feestpakket van de gemeente E. Die heette hem hartelijk welkom als nieuwe inwoner. Eindelijk na 48 jaar . . . . . .
Jasjes
‘t Is een Hemelvaartsdag om lamlendig te zijn. Grijs, kil met af en toe een overmoedig zonnestraaltje. Merels fluiten buien af en aan. ’t Is een dag om in een ouwe slobbertrui niks te doen. Zo’n dag voor een melig weblogje.
Bijvoorbeeld over de garderobe van onze Tv-presentatrices. Die is vrij omvangrijk, want elke avond hetzelfde is zo armoedig. Het zijn niet hun eigen jasjes. Ze zijn geleend van een bedrijf dat in ruil daarvoor op de aftiteling komt. Op het ritme van de mode verandert ook de collectie in de kleedkamer.
Soms bellen kijkers om te vragen waar ze dat mooie jasje kunnen kopen. Sommige mensen letten meer op de anchorwomen dan op het nieuws. Denk ik.
En vraag nou alsjeblieft niet wat ik in de kleedkamer van de dames doe. Ik heb vandaag echt geen fut om dat uit te leggen.
Dom
We zaten in een gezelschap. Twee van ons waren net vijftig geworden. De anderen waren nog jong.
“Weet je dat wij al lid kunnen worden van de Katholieke Bond van Ouderen. Daar kun je een goedkope ziektekostenverzekering afsluiten,” zei ik tegen mijn leeftijdgenoot.
“Heb je dat gedaan?” vroeg hij.
“Tuurlijk niet,” zei ik. “Lid worden van de Unie KBO betekent dat je toegeeft dat je ouder wordt. Bovendien ben ik niet katholiek.”
“Kijk,” zei de jongste, “dat je tegen een jonge meid liegt over je leeftijd kan ik begrijpen. Maar dat je tegen je portemonnee liegt over je leeftijd is dom.”
Orange
DEN HAAG (ANP) - Honden die oranje hesjes om krijgen. Aanbiedingen van goudvissen en oranje kanaries. De Dierenbescherming is bezorgd over de effecten die de Oranje-gekte rond het wereldkampioenschap voetbal voor dieren kan hebben. ,,Honden houden niet van hesjes, die dienen alleen als entertainment voor hun baas. Doe het dieren niet aan'', zei een woordvoerder maandag. De Dierenbescherming heeft eerder geconstateerd dat de steun voor Oranje bij sportevenementen ten koste van dieren kan gaan. Zo bieden sommige dierenspeciaalzaken elf goudvissen aan voor de prijs van tien.
Ik heb spookbeelden van dierenbeschermers in witte pakken die Poes&Broer vangen en dan net zo lang met borstels en groene zeep over hun zachte velletjes schuren tot ze wit zijn. Dames en heren van de dierenbescherming: Poes&Broer zijn rode katers, of zoals dat in het engels heet orange cats. Ze hebben die kleur van nature. Ze zijn zo geboren. Niet aankomen dus.
Het Volk
“De week van de VVD” was voor velen aanleiding te onderstrepen dat er een grote kloof is tussen politiek en journalistiek enerzijds en het volk anderzijds. Rita Verdonk is door de politieke- en de journalistieke elite afgeserveerd. Maar het gewone volk is haar warme bad waarin ze blijmoedig en luid kwakend rond sopt. Hans Wiegel zei het ongeveer zo: de top van de piramide is voor Rutte, beneden aan de basis zit de steun voor Verdonk. En u weet waar in de piramide de meeste mensen zitten. In bad schijnbaar . . .
We worstelen er in de journalistiek ook mee. Met de vraag wie het volk is en wat het volk nou eigenlijk wil. Veel gehoorde opmerkingen tijdens redactievergaderingen zijn: “Dat willen de mensen zien . . . .” Of: “Daar zit geen mens op te wachten . . .”. Niemand kan precies uitleggen waarom wel of waarom niet. Iedereen pretendeert te weten waar ’s avonds op het verjaardagsfeestje van Tante Mien over gepraat wordt, terwijl weinigen van ons voor dat feestje zijn uitgenodigd.
Het volk is iets ongrijpbaars. Het is met het volk als met God. Je gelooft er in of je gelooft er niet in. En als je er in gelooft dan kun je het gebruiken zoals jou dat goeddunkt. Om een geloof levend te houden is het van belang dat er op z’n tijd martelaren zijn die hevig lijden, bijvoorbeeld aan een kruis.
Met het volk is het niet anders. Het wil martelaren, op een mediapark in Hilversum of in een ’s lands vergaderzaal. Het is om het even. Dan staat het volk op en krijgt het een stem. Dan kan het naar goeddunken worden gebruikt om meningen en standpunten te legitimeren. De hulp van spindoctors kan daarbij een welkom hulpmiddel zijn.
Haverleij
Haverleij is een nieuw stukje Den Bosch, gebouwd in de polder onder aan de dijk bij Engelen. Het grenst aan een groot golfressort. De appartementencomplexen hebben de vorm en de namen van kastelen. Nu liggen ze er nog wat verlaten bij, maar in de toekomst, als ze verbonden zijn met de stad zal het een paradijsje zijn. Een veilig paradijsje want het is een gated community.
Ik ken iemand die er woont. Hoe bevalt het, vroeg ik.
Het beviel goed. De mensen begonnen elkaar te kennen, vertelde ze. Nu het beter weer werd troffen ze elkaar wat vaker op straat. Mensen zaten gezellig voor hun huis.
Net als in de Graafse wijk? vroeg ik. Daar schuiven de mensen ’s zomers de plastic klapstoelen bij elkaar. Sommigen zetten bierkratjes op hun kant om op te zitten. Dan hoeven ze niet steeds naar de koelkast te lopen. Nee, hoor, die flesjes krijgen niet de kans warm te worden.
Nou nee, zei ze. Bij ons zitten de mensen allemaal voor hun eigen deur op teakhouten tuinameublementen.
Geen bier? vroeg ik.
Jawel, zei ze, maar dan keurig uit de beertender. Of koffie uit een peperduur espressoapparaat.
Ik heb het niet gevraagd maar ik denk dat uit de gettoblasters van Haverleij Sjostakovitsch schalt.
Kin
“Je moet een keer met je hand over je kin vegen er hangt iets aan,” zei onze vriendin tijdens het etentje.
“Dat voelt hij niet,” zei mijn vrouw. “Hij heeft volgens mij last van num chin.”
Hij, dat was ik.
Num chin? dacht ik. Ik keek nog eens goed naar mijn bord, maar ik zag alleen maar degelijke Hollandse kost. En daar had ik geen last van.
Wij keken mijn vrouw verbaasd aan.
“Ja,” zei ze met een stalen gezicht, “dat heet num chin. Het kan ook knum chin zijn, net zoals je know uitspreekt als now. Mensen hebben sowieso weinig gevoel in hun kaak omdat daar weinig zenuwen lopen. Sommige mensen hebben daar helemaal geen gevoel, dus die voelen het niet als ze iets aan hun kin hebben hangen.”
Het enige waar ik wel eens wat aan heb hangen is mijn fiets.
Wij waren sprakeloos. Mijn bek viel open, maar dat voelde ik natuurlijk niet. Num chin hè . . . Ik vroeg me af hoeveel tijd mij nog gegeven was.
“Ik dacht dat jij vooral veel verstand van dieren had,” zei ik.
Tegen onze vriendin zei ze onverstoorbaar: “ik voorkom regelmatig dat hij met een kin vol ijs naar buiten gaat.”
Wat is een man zonder zorgzame vrouw?
Favorieten
Ze had een nieuwe auto gekocht. Een kleintje hoor. De prijs van het autootje was meegevallen. Eerlijk gezegd kostte hij veel minder dan ze gespaard had. Ze had geld over. En dat betekende logischerwijs dat ze iets extra’s kon kopen. Ze koos een navigatiesysteem. Niet zo’n doorsnee gevalletje. Nee, een luxe uitvoering. Tenslotte had ze er genoeg geld voor.
Ze liet het autootje en het navigatiesysteem vol trots zien. Kijk, vertelde ze vol gloed, ik programmameer een straat in en ik word er vanzelf naar toe geloodst. Ze kon ook favorieten instellen van wie het adres met één druk op de knop te voorschijn kwam. Favorieten zijn bijvoorbeeld familie en vrienden, mensen waar ze vaak naar toe gaat. Ze straalde triomfantelijk.
Maar daar heb je toch geen navigatiesysteem voor nodig, zei iemand. Hij had er niets van begrepen.
Granaat
Sommige mensen is niets te dol om op televisie te komen. Neem nou die mevrouw in Sint Oedenrode. Ze vond tijdens het spitten in haar tuintje een handgranaat. Ze belde stad en land af, maar geen hulpverlener die tijd had om haar onmiddellijk van het gevaarlijke projectiel te verlossen. Ze kreeg het advies de granaat zelf maar in te graven en te wachten tot het Explosieven Opruimings Commando een paar dagen later langs zou komen. Zoals ook de vuilnisauto één keer per week de vaste route rijdt.
De vrouw groef de granaat in en ze belde kranten, radio- en televisiestations om te vertellen dat het schandalig is dat ze haar, een onschuldige vrouw, aan haar lot over lieten met dat gevaarlijke ding! Ach en wee . . .
Natuurlijk mocht het opgetrommelde journaille het dodelijke wapen zien. De vrouw haalde voor het oog van de snorrende camera's de planken weg waarachter ze de granaat had opgeborgen en ze toonde hem terwijl ze er zelf met haar neus bovenop zat. Tegen onze Tv-ploeg schreide ze even later hete tranen. Ze sliep niet meer, zei ze, want elk moment kon haar huis de lucht in vliegen.
P.S. Toen het EOC kwam bleek het geen granaat te zijn maar een stukje schroot.
Administratie
Meneer de voorzitter. Even recapituleren. In Somalië is het dus vooralsnog zo geregeld: je hebt een voornaam en twee achternamen. De eerste achternaam is die van je vader en de tweede achternaam is die van je grootvader. In het onderhavige geval is Ayaan dus de voornaam, Hirsi de naam van haar vader en Ali vooralsnog niet de naam van haar opa. Opa heette Magan Apestaartje, maar Ayaan gebruikte een willekeurige naam van één van haar voorvaderen die ze, blijkens haar opsomming gistermiddag, tot het jaar twaalfhonderd heeft getraceerd. (Ik hou van landen waar de administratie eeuwenlang met oudtestamentische nauwgezetheid wordt bijgehouden.)
En dat was volgens onze Gemeentelijke Basis Administratie niet correct. Als zij nu in onze GBA de voorvader vervangt door grootvader is het probleem vooralsnog opgelost. Het gaat er eigenlijk om dat het juiste familielid aan de juiste tak in de stamboom hangt. Net als in Somalië. Dat heb ik toch goed begrepen hè?
En Kalou mag vooralsnog geen Nederlander worden omdat hij maar één achternaam kan ophoesten en dus vermoedelijk geen stamboom heeft, althans dat het sluitende bewijs daarvoor in de GBA ontbreekt. En daarom verliezen wij het WK. Nee uuuhhh, het is mij volstrekt helder, meneer de voorzitter.
Heb ik nog één laatste vraag. Als wij straks in Duitsland onverwacht toch die finale winnen omdat Jan Vennegoor of Hesselink in de laatste minuut met hulp van Gods Hand het winnende doelpunt maakt, hoe groot is dan de kans dat die wedstrijd ongeldig wordt verklaard omdat de man zelf twijfelt over zijn achternaam? Lopen wij dan niet het risico dat de Duitsers, aangespoord door onze weifelachtigheid inzake Ayaan, zullen proberen VoH door onszelf onwettig te laten verklaren? U kent ze, ze zullen ons tot de laatste minuut tegen elkaar uitspelen.
En is het risico dan niet groot dat zal blijken dat de heer VoH als zodanig helemaal niet bestaat en derhalve de uitslag ongeldig is en de wedstrijd overgespeeld moet worden? Is het daarom niet verstandiger hem vooralsnog te vervangen door Klaas Jan Huntelaar? Mits de GBA natuurlijk accepteert dat Klaas zijn eigen naam is, Jan de naam van zijn vader en Huntelaar vooralsnog de rechtmatige opa is.
De Dadelstraat
Ze stond zomaar opeens op onze stoep met een klein rieten koffertje. Het Logeetje. Vader en moeder hadden ons er tevoren niets over verteld. Ze komt hier een tijdje logeren, zeiden ze. Haar moeder kon even niet voor haar zorgen. Er werd een bed bijgeschoven op de kamer van de meisjes. In het begin sprak ze niet zoveel met ons kinderen. Wel met onze ouders. Soms vingen we flarden van gesprekken op. Dronken. Mes. Ziekenhuis. Na een paar weken trok vader de vlizotrap naar beneden. Hij sjouwde zijn gereedschapskist naar zolder. We hoorden hem zagen en timmeren. Daarna verhuisde Het Logeetje naar zolder. Ze kreeg een kamer voor zichzelf. Wij waren jaloers. Ze blijft voorgoed, zei onze moeder. Vanaf dat moment hoorde Het Logeetje bij ons. Ze werd Zusje.
* * *
De tijd schreed voort en het leek wel alsof Zusje altijd in ons dorp had gewoond. Op een dag stapte ze zomaar de Dadelstraat in. De Dadelstraat lag aan de rand van ons dorp, er woonde rauw volk, dat altijd rommel op straat gooide. Vanuit onze straat zagen wij dat niet, dus het kon ons niks schelen. Zusje wel, zij bekommerde zich om het hele dorp. Ze zei tegen de mensen daar dat ze hun rommel moesten opruimen. Wij vonden het stoer wat Zusje durfde en wij zeiden ook dat de mensen in de Dadelstraat hun rommel moesten opruimen. Zusje heeft gelijk, zeiden de grote mensen en na een tijdje zei iedereen dat het een troep was in de Dadelstraat.
* * *
Toen veranderde er iets. Het rauwe volk van de Dadelstraat werd het gezeur zat en liep steeds vaker uitdagend door onze straat. Ze staken hun vuist op naar Zusje. Die durfde alleen nog maar aan de hand van vader naar school. Soms, als die van de Dadelstraat laveloos in hun eigen grasperkje lagen, ging Zusje nog wel eens alleen op pad. Ze sloop dan via de achtertuin en het pad langs de sloot naar het weiland langs de weg. Altijd nam ze Joekel mee, de dikke hond die er heel gevaarlijk uit zag, maar die niemand kwaad deed. Je mag hem nooit loslaten hoor, zei vader, want hij rent zomaar de straat op. Zusje beloofde goed op Joekel te passen.
* * *
Maar het gebeurde toch. Wij hoorden in huis de gillende remmen en de harde klap. Maar nog wisten we niet wat er was gebeurd. Totdat Zusje helemaal overstuur binnen strompelde. Ze had Joekel toch even los gelaten. We begroeven de hond achter in de tuin, daar was plaats genoeg. Zusje was er nog dagen kapot van. Wij pinkten een traan weg en gingen verder, wij waren gewend aan dode dieren. Vader slachtte zelf konijnen achter het schuurtje.
* * *
Zusje werd steeds bozer. Vanuit haar hoge zolderraam schold ze naar het rauwe volk van de Dadelstraat dat nog elke dag dreigend door onze straat liep. Wij waren ook op die zolder om haar aan te moedigen, maar wij zorgden wel dat niemand ons zag. Op een dag namen vader en moeder haar apart in de voorkamer. Wij konden niet precies horen wat er werd gezegd, maar de volgende dag was Zusje even plotseling vertrokken als ze was gekomen. Het is beter zo, zeiden vader en moeder. Grote Zus vond het jammer. Ze was stoer, zei ze, een echte vriendin. Kleine Zus was blij dat ze weg was. Die was bang voor de dreigende mensen voor ons huis. Ikzelf vond het niet zo erg, want ik hoopte dat Broer de zolderkamer zou krijgen zodat ik ook een kamertje voor mezelf zou hebben. Moeder zuchtte diep. Zonde van al het schoolgeld dat al betaald is, zei ze. Broer baalde, hij reed al op een brommer en hij zei dat hij haar wel een lekker mokkel vond. Vader petste hem meteen om zijn oren. Zulke woorden mochten wij niet spreken. Vader zelf haalde zijn schouders op en maakte er geen woord aan vuil.
* * *
Nu denken we niet vaak meer aan Het Logeetje dat ons Zusje werd. Alleen als we langs het houten kruis van Joekel lopen, dan zegt nog wel eens iemand: als ze hem niet had losgelaten zou hij er nog geweest zijn. Onzin zegt vader dan, dat had jullie ook kunnen overkomen. Alle kinderen doen wel eens domme dingen. Nog niet zo lang geleden kwam er prentbriefkaart uit een ver land. Hij was van Zusje. Op de voorkant stond een hond, eentje met een heel gerimpeld vel. Het was een grappig gezicht, maar hij leek helemaal niet op Joekel. Misschien was dat ook niet de bedoeling. Achterop stond een zonnetje getekend en “hartelijke groeten aan alle mensen in het dorp, ook de mensen in de Dadelstraat. Liefs Anna.” Broer keek mij vragend aan. Ik keek verbaasd. Toen pas realiseerden wij ons dat wij nooit hadden geweten hoe Zusje werkelijk heette.
Geheim
De moeder vertelde dat de week vòòr moederdag eigenlijk het leukst was. Leuker dan moederdag zelf.
Haar dochtertje had haar om bepaalde spulletjes gevraagd die ze mee naar school moest nemen. Wat ze er mee ging doen, had de moeder langs haar neus weg en tegen beter weten in gevraagd. Dat is geheim had het meisje geantwoord. Basta.
Moeder had niet verder gevraagd. Zondagmorgen zou het antwoord haar immers op een presenteerblaadje aangereikt worden.
“Ze heeft geen benul van het begrip geheim of geheimhouding,” zei de moeder.
Voor het kind ligt dus een glanzende carrière als officier van justitie in het verschiet, dacht ik.
Laren, Vorden, Lochem, Laren
We hebben drie dagen door het noordelijk deel van de Achterhoek gelopen. Het is mijn favoriete stukje Nederland. Het heette Kastelentocht, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ons kleine, selecte reisgezelschap het doel een klein beetje verlegd had naar de witbiertjes. Laat ik het zo zeggen: de korenwolf liep ons niet in de weg.
Er was onderweg veel meer te zien dan kastelen en beukenlanen, prachtige boerderijtjes en geurige bloesem. Een paar curieuze voorbeelden:
Even weg
Wij zijn even een paar dagen wandelen in de Achterhoek. Om u een idee te geven van wat wij denken aan te treffen heb ik een fotootje geplaatst. Dan is het net alsof u er ook een weekendje uit bent.
Her Everswijn
Mijn vrouw heeft veel verstand van dieren. Als ze een dier ziet weet ze er altijd iets over te vertellen. Ze heeft ooit een herdershond wel zestig commando’s geleerd. Als er een varken op televisie komt zegt mijn vrouw steevast dat dat heel intelligente dieren zijn die je veel kunt leren. Ik heb nooit gehoord wat dan, maar ik geloof haar meteen.
Het varken dus. Intelligent of niet, Brabanders mogen niet met varkens of zwijnen geïdentificeerd worden. Dus hebben wij in onze provincie opnieuw een heuse kwestie. Wij en Vlaanderen herdenken dat 900 jaar geleden het hertogdom Brabant werd gesticht. Als logo is een zwijn gekozen met om zijn nek een Brabantse wapenrok geknoopt. Het is gebaseerd op een miniatuur uit de veertiende eeuw. Hertog Jan III van Brabant wordt daarop afgebeeld als everzwijn. Hij heette toen ook Her Everswijn. Dat was toen heel stoer.
Maar commissaris van de koningin Maij-Weggen heeft er een stokje voor gestoken. Ze wil geen Groot Brabants feestje met een zwijntjeslogo. Het is nu dus een leeuw geworden. De provinciale media lopen er van over. Terwijl er toch een compleet vers over is geschreven met heel veel coupletten. Dus ik zou tegen mevrouw Maij willen zeggen: laat dat logo nou maar want Everswijn was een geuzennaam en maak van dat vers het Brabants volkslied, dan is dat probleem ook meteen opgelost (Maij heeft bij haar aanstelling geroepen dat er een Brabants volkslied moet komen, maar door al het geruzie daarover is er nog geen noot op papier gezet). Dan vraag ik mijn vrouw wel of ze het wil inzingen, want die zingt als een nachtegaal. Ook een leuk dier.
Ic ben die hertoghe van Brabant.
Bi den Ever ben ic genant.
Vrient ende mage gaens mi ave,
Sonder van Baren die edel grave.
Alle dragen si op mi haet.
Mijn antwoirde nu verstaet:
Dit gedreich ende overmoet
En is eerlic noch goet;
Mer is dat ghi immer wilt
Nu duerhouwen minen scilt,
So trect te velde op enen dach,
Ende neemt daer dats u werden mach.
Somtijt so heb ic bescut
Sulken, die hier steit gecut,
Ende sine tande te miwaert dreget:
Hi lonets mi also mens pleget;
Mer wat dooch1 al dit gebronc?
Dat ghi verloort voir Woeronc
Waendi dat verhalen nu?
Ic hoop ic saels nu jeghen u
Also wel verweren, hier ter stede,
Als mijn goede oude vader dede.
International
The regional omroep in Breebent goes vandaag international. Eindhoven is overspoeld door Engelse en Spaanse voetbalsupporters, want vanavond spelen Sevilla en Middlesbrough de UEFA-cup finale in het PSV-stadion.
In de aanloop daar naar toe volgen wij die supporters. Ze zijn als het ware de running gag in onze radio-uitzending. De Engelsen waren er gisteren al. Dus zo kon het gebeuren dat er vanmorgen interviews in het engels te horen waren op onze zender in plaats van interviews in onze moerstaal. De verslaggevers draaien er hun hand niet voor om.
Een van onze collega’s was zelfs niet te beroerd om live in de uitzending een collega van een Engels Tv-station te hulp te schieten.. “You must put the dop from your camera,” hoorde ik hem tegen een engelse cameravrouw roepen.
Ja, lach er maar om. Maar voor hetzelfde geld had heel Engeland vanavond naar een zwart scherm zitten kijken.
Zwoele avond
“Joehoeoeoeoe . . . .”
Onze jonge, charmante buurvrouw verscheen in onze openstaande keukendeur. Dat is niet zo simpel als het klinkt. Daarvoor had ze een flinke klim moeten maken over ons dakterras. Buurman en buurvrouw hadden zich op hun eigen dakterras buiten gesloten. Buurman was nog in zijn managerspak gestoken en buurvrouw had een strak sportpak aan. Daarom was zij op hulp uitgegaan.
Met een sleutel van hun huis, die bij ons in bewaring is gegeven, wilde ze via de voordeur naar binnen. Maar buurman en buurvrouw hadden het nachtslot er op gezet. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn tegenwoordig.
“Ik ga in de buurt iemand met een ladder zoeken, dan klim ik door het bovenraam,” zei buurvrouw. Die had ze meteen gevonden want ik heb een ladder. Samen ontvouwden we op straat dit harmonicamodelletje. Buurman wachtte geduldig op het dakterras.
Ik zag het meteen, die ladder was te kort. “Ik ga het toch proberen,” zei buurvrouw. “Hou jij de ladder maar stevig vast.”
“Zal ik maar even . . .,” zei ik. Daar kon geen sprake van zijn, dus ik zette de ladder tegen het huis en zij klom naar boven. “Let maar niet op mijn natte achterwerk, ik kom net van de fiets. ’t Ziet er niet uit,” zei ze. Ik staarde strak naar de onderste sport.
“Hij is inderdaad te kort, kijk maar,” zei buurvrouw. Ik moest wel omhoog kijken. Geen spoor van een fietstocht. We sleepten de ladder naar het dakterras aan de achterkant. Ook dat raam was onbereikbaar. Ik zag het meteen. Buurvrouw geloofde me.
“Dan zetten we de ladder op het terrastafeltje,” zei buurman. Maar dat vond ik te gevaarlijk.
“We slaan een raampje in,” zei buurvrouw.
“Welnee,” zei ik, “ik breek wel even in.”’
“Kun jij dat?” vroegen ze tegelijk.
“Ik heb jullie nog niet alles verteld over mijn verleden,” zei ik. Ze keken me aan alsof ze me serieus namen.
Ik klom nog wat hoger op de platte dakjes en draaide met een schroevendraaier hun badkamerraam los. Buurvrouw was achter me aangeklommen. “Dus jij kunt zomaar in onze badkamer?” vroeg ze.
“Als ik wil wel,” zei ik.
Ik gaf haar een kontje waardoor ze via het badkamer raam naar binnen kon.
Het was een zwoele avond.
