Professionals
Zelfs in mijn jeugd, jongens en meisjes, voerden wij al discussies over opvoeden. Het ging er dan vooral over of anderen dan je ouders jou een corrigerende tik mochten geven. Bijvoorbeeld de meester of de buurvrouw of tante Dien.
Het was een andere tijd dus een corrigerende tik heette toen een draai om je oren. In sommige families kenden ze dit fenomeen als de hengst voor je harsus. Er zat natuurlijk een diepere betekenis achter die discussie. Het ging er om of iemand anders dan jouw vader en moeder zich met jouw opvoeding mocht bemoeien.
Onze ouders hadden daar niet zo’n moeite mee. Als de meester of de buurvrouw naar ons uithaalde “zouden we er wel om gevraagd hebben”. Wij kinderen dachten daar heel anders over. De vraag of ouders je een draai om je oren mochten geven stond niet ter discussie. Dat was zelfs onder ons kinderen geaccepteerd, maar verder diende iedereen met z’n poten van ons af te blijven.
Wij kregen thuis regelmatig een draai om onze oren. Denk nou niet dat wij mishandeld werden, welnee. Een paar keer per jaar haalde mijn moeder uit (mijn vader deed dat niet), maar bijna altijd nadat ze eerst tot drie had geteld. Ze draaide er dus eigenlijk een beetje omheen. Vandaar: draai om je oren. Wij kregen tijd om onder tafel te duiken. Toen waren er nog gelijke kansen voor alle kinderen. Althans in ons gezin.
Soms vergat mijn moeder te tellen en dan was het raak. Dan werd de draai die hengst voor je harsus. Het kwam niet bij ons op om het Bureau Jeugdzorg te bellen want wij hadden geen telefoon. En zo’n tik zorgde er voor dat wij weer maanden in het gareel liepen. Dat was goed voor ons, voor onze ouders, voor de buurt en voor de samenleving in het algemeen.
En nu, anno 2006? Ik lees in de media dat ’s rijks commissaris Steven van Eijck een plannetje bedacht heeft: wethouders voor jeugd en jongeren. En misschien later wel een heuse minister. Van Eijck zei in de krant: “Er moeten voldoende professionals zijn om hele gezinnen te benaderen.”
Professionals? Professionals? 't Zal wat. Onze ouders, opa en oma, tante Dien, de buurvrouw en de meester. Dát waren professionals.
Gemengde carnavalsberichten
De carnavalsdagen zijn bij onze omroep meestal saaie dagen. Het openbare leven in Brabant ligt stil en er is niemand bereikbaar. Alleen de verslaggevers die terugkomen van hun klussen zorgen voor wat afwisseling.
Ze maken wat mee. Ladderzatte mensen die aan microfoons en camera’s zitten. Organisatoren van evenementen die mensen van de regionale omroep wegsturen omdat ze geen “indringers uit Eindhoven” bij hun plaatselijke feestjes willen.
Eén van onze cameravrouwen kwam hevig verontwaardigd binnen. “Weet je,” brieste ze, “wie de ergste carnavalsvierders zijn? Vijftigplus vrouwen. Vreselijk. Het hele jaar rennen ze weg als ze een camera zien en nu zijn ze niet voor de lens weg te branden. Bah. Die moesten ze tijdens de carnaval opsluiten.”
Dus dames, gedraag u.
Of de verslaggeefster die verbaasd was over de man die tweede was geworden bij de Metworstrennen in Boxmeer. Die was zo in een depressie geschoten dat hij haar niet te woord kon staan. Uiteindelijk kwam hij weer bij zinnen en wilde hij wel één quootje geven: “Ik zal dit verlies een plekje moeten geven.” Echt . . . bloedserieus. Hij moet het verlies van de Metworstrennen “een plekje gaan geven”. Alsof er iemand is overleden. Ik weet wel een plekje waar hij die metworst in kan steken. O nee, dat kan natuurlijk niet want hij heeft geen metworst gewonnen. Vandaar dat plekje.
En dan nog een laatste bericht van onze speciale correspondent boven de rivieren. Marlies stond vanmorgen op een uitgedund NS-station in Utrecht. Vanwege de vakantie in het Zuiden stond daar nog geen derde van het aantal mensen dat normaal op een maandagmorgen op het perron staat. En wat werd er omgeroepen: ‘om een zo spoedig mogelijk vertrek van de treinen te bevorderen wordt u verzocht zo verspreid mogelijk over het perron te gaan staan . . ."
Ik zou zeggen: ga in zo’n geval achter elkaar staan, leg uw handen op de schouders van de reiziger voor u en beweeg u als een lint langzaam ritmisch voorwaarts onder het zingen van “Bij ons staat op de conducteur . . .”
Topsport
Carnaval vieren is volgens mij topsport. Je dweilt dagenlang van overvol cafe naar overvol cafe. Je schreeuwt je longen uit je lijf om jezelf verstaanbaar te maken aan mensen die helemaal niet geïnteresseerd zijn in jouw verhaal. Je hoort urenlang mensen tegen je lullen over dingen waarin je helemaal niet geïnteresseerd bent.
Je oren staan voortdurend bloot aan valse noten en als je het warme cafe verlaat slaat de kou je in het gezicht en bedreigt een griep jouw door drank verzwakte lichaam. De echte carnavalsvierders wapenen zich door op tijd hun rust te pakken, zoals dat in sporttermen heet. En goed te eten. Nog net geen bord spaghetti op de nuchtere maag, maar wel een stevige portie chinees op z’n tijd. Zo schijn je het lang vol te houden.
Gistermiddag ben ik in de periferie van het Bossche centrum op zoek gegaan naar mensen die het carnavalsgewoel even ontvlucht waren om op adem te komen. Om zich daarna natuurlijk weer met frisse moed aan het feest over te geven.
Piket
We hebben dit weekend een belangrijk hoofdstuk in ons leven afgesloten. Het boek is nog lang niet uit en zoals het verhaal zich tot nu toe heeft ontwikkeld kan de plot nog alle kanten op. Ik wist al een maand dat dit vandaag mijn onderwerp zou zijn, maar ik heb nog steeds niet de goede woorden gevonden. Ik begin maar gewoon aan dit stukje en schrijf maar wat op mijn gevoel.
Het is het verhaal van mijn oudste zoon, die gisteren ons huis heeft verlaten om zelfstandig verder te gaan. Dat is lange tijd niet vanzelfsprekend geweest. Hij is 25 en hij heeft het tot nu toe niet gemakkelijk gehad. Vanaf jonge leeftijd is hij gepest op school. Het was iets in zijn uitstraling want hij doet geen vlieg kwaad. Dat deed hem, maar ook mij en zijn moeder veel verdriet.
Wonderlijk genoeg klaagde hij nooit. Waarschijnlijk is dat de reden dat het pas in de laatste klas van de middelbare school echt mis ging. Hij raakte verzeild in een knokpartij waar ik getuige van was. Ik nam hem mee en we hadden samen een lang gesprek met de schooldirecteur. We besloten om naar een jeugdpsycholoog te gaan.
Dat was een moeizaam proces want mijn zoon, die tien zeventien was, werd als een kind behandeld terwijl hij juist heel volwassen dacht. Na een half jaar was er de diagnose: Syndroom van Asperger. Dat is een vorm van autisme. Voor ons was het een opluchting want opeens vielen er heel veel puzzelstukjes op hun plaats. Eindelijk kon het probleem gericht worden aangepakt. Maar mijn zoon accepteerde de diagnose niet en maakte het zijn hulpverleners erg lastig.
Twee jaar later en afgebroken IT-opleiding verder kreeg mijn zoon een baan in Den Bosch. Hij verliet het huis van zijn moeder en huurde een piepklein kamertje in een studentenhuis in een achterbuurt in Tilburg. Daar verslonsde hij. Toen Marlies en ik naar Den Bosch verhuisden stelde zij voor om het grote huis te kopen waarin we nu wonen en een deel aan mijn zoon beschikbaar te stellen zodat hij onder ons toeziend oog zelfstandig kon worden.
Mijn zoon was blij en nog voordat wij zelf verhuisden had hij de bovenste etage van ons huis al ingericht. Hij zou een jaar blijven en op z’n gemak uitkijken naar een eigen woonruimte. Maar goed en wel onder onze vleugels zegde hij zijn baan op. Dat is nu vijf jaar geleden.
Vanaf die tijd brak er een moeilijke periode aan van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Hij zwierf van de ene baan naar de andere opleiding zonder iets af te maken. Telkens weer was er die teleurstelling. Voor hem en voor ons. Aan de andere kant ontwikkelde hij een enorme vechtlust om van het stigma van autisme af te komen. Na een jaar trokken volwassenenpsychologen de conclusie dat hij te weinig kenmerken heeft voor het Syndroom van Asperger. Ik zie nog de glimlach op zijn gezicht toen hij dat te horen kreeg. Hij was verlost van dat stigma. Dat neemt niet weg, werd er bij gezegd, dat zijn sociale gedrag voor verbetering vatbaar is. En opnieuw kwam hij tegen wil en dank in het hulpverleningscircuit terecht. Nog steeds bewonder ik zijn vechtlust, die zo in strijd was met zijn, soms, apathische levenswijze
Inmiddels heeft hij een uitkering en in ruil daarvoor werkt hij 20 uur per week voor de gemeenschap. Hij zit, zogezegd, in het reintegratietraject. Niet dat dat erg veel zoden aan de dijk zet, want alle mooie gemeentelijke verhalen ten spijt, heeft hij weinig perspectief.
Ondertussen liepen de spanningen thuis soms hoog op. We konden er slecht tegen dat hij maandenlang op z’n kamer zat en niks uitvoerde en hij begreep niet waar wij ons zo druk over maakten. Het ging toch goed zo. Een half geleden hebben we een ernstig gesprek gehad en afgesproken dat hij een eigen woonruimte zou zoeken. Zowel wij als hij waren er aan toe.
Begin deze maand heeft hij de sleutel van een eigen appartementje gekregen, dicht in de buurt. We hebben de afgelopen weken samen geklust en gisteren is hij verhuisd. Het greep me meer aan dan ik had verwacht toen hij gisteravond, nadat we samen hadden gegeten, op zijn fiets stapte en de wijde wereld in ging. Weg onder onze paraplu.
We laten hem los, voor zover je als ouder je kind ooit los laat. Hij weet dat hij een beroep op ons kan doen, maar ik weet dat hij dat pas zal doen als het echt niet anders meer kan. En ik? Ach, ik heb mijzelf de rest van mijn leven ingeroosterd voor piketdienst.
Bendrklaorvur?
Op straat, in de supermarkt, op het werk en aan de pomp hoor je Brabanders elkaar vandaag die ene vraag stellen: bendrklaorvur? Iedereen weet woarvur. De meisjes aan de kassa wensen je niet – zoals gebruikelijk – een prettig weekend; nee, ze zeggen: "fijne dagen". Alsof het kerstmis is. Je kunt zeggen dat je niet mee doet, maar dat zouden ze als een ruwe verstoring van hun spel beschouwen. Zij zijn er klaar voor en hun bazen hebben op de deur een plakkaat gehangen waarop staat dat de zaak maandag en dinsdag is gesloten. Iedereen weet waarom. Want de meeste mensen zijn er helemaal klaor vur. En wie niet mee doet is gevlucht naar warmer oorden of schikt zich lijdzaam naar de wetten van de tijdelijke heersers met namen als Amadeiro of Lambertus d’n Urste.
Frikadellen
In elk bedrijf komt wel eens wat voor. Bij ons net zo goed als bij u. En net als in veel bedrijven verdwijnt hier ook wel eens wat in zakken van mensen. Een pennetje, een schrijfblokje of een doosje nietjes. Bij een omroep verdwijnen er ook nog wel eens CD’s. Soms niet eens bewust want dan neemt iemand een CD’tje mee om thuis te branden en die vergeet dat dan terug te brengen.
Af en toe verdwijnen er wel eens grotere dingen, promotiemateriaal bijvoorbeeld of een digitale camera. Een enkele keer wordt er wel eens ingebroken en verdwijnen Cd-spelers of videorecorders. Heel vervelend allemaal, maar het komt natuurlijk in de beste families voor. Bovendien zijn wij een heel open bedrijf waar elke dag mensen van allerlei slag binnen komen dus kom er maar eens achter wie zijn handen niet thuis heeft gehouden.
Het vreemdste op dit gebied hoorde ik vanmdaag. Een collega zette gisteren een doos diepgevroren frikadellen in de bedrijfskantine. Even later was die doos verdwenen. Gestolen. Gejat. ONZE frikadellen, nou vraag ik je.
Atlas
In de OZB-discussie van afgelopen week kwam opeens het COELO onder het stof vandaan, het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lokale Overheden. De meeste mensen zullen er nooit van gehoord hebben. Ik toevallig wel, niet omdat ik zo slim ben, maar als journalist heb ik hun website wel eens gebruikt als naslagwerk, want ze hebben aardige cijfers over gemeenten waar ik soms iets aan heb.
Maar wat lees ik nu in de krant. Zalm heeft zijn valse beschuldigingen aan het adres van gemeenten gebaseerd op cijfers van het COELO. Die hebben namelijk een standaardwerk geschreven: De Atlas van de Lokale Lasten. Maar nou zegt het COELO zelf dat het lastig is om iets zinnigs te zeggen over de ontwikkelingen van de OZB-tarieven. Op z’n Hollands gezegd: je hebt er dus geen flikker aan.
Ik probeer me dan voor te stellen hoe dat gaat op zo’n centrum. Daar zitten allemaal mannen en vrouwen, maar vooral mannen, gebogen over cijfertjes. Ze hebben allemaal een bril want het voortdurend turen heeft hun ogen verzwakt. Ze rekenen en ze rekenen en al die resultaten worden eenmaal per jaar door de chef ingezameld en ingebonden. En zo ontstaat De Atlas van de Lokale Lasten.
Bij het COELO wordt het eerste exemplaar op vrijdagmiddag, na werktijd, gepresenteerd. Er wordt zelfs rode wijn geschonken en er zijn knabbeltjes. Er worden geanimeerde gesprekken gevoerd over lokale economie. Sommige mannen doen hun das los en enkele vrouwen hebben blosjes op de wangen.
En de hele maand daarna kijken de medewerkers af en toe schalks op van hun rekenwerk en ze knipogen naar elkaar. Ze hebben het ‘m toch maar weer gelapt met z’n allen. En de chef deelt hier en daar nog eens een extra schouderklopje uit. Niet te hard want dan stoft het zo.
En dan opeens is er die opwinding over de OZB en moeten ze bij het COELO toegeven dat het lastig is iets zinnigs te zeggen. Er zijn er die twijfelen aan het nut van hun werk, zelfs aan het nut van hun eigen bestaan. Ze zijn er stil van en storten zich met nog meer ijver op de cijferreeksen. Het hoofd diep gebogen, het puntje van de tong uit de mond. Op een dag vindt de chef het genoeg geweest en hij roept: Kop op! En ze cijferen zich een weg naar de volgende rimpeling. Over tien jaar? Over vijftien jaar?
De stad
De stad maakt zich op als een oude dame die op haar minnaar wacht. De neus gepoederd, de rimpels gladgestreken. De lippen rood gestift, de ogen aangezet. De schijn is schoon
Ze is ervaren en weet wat komen gaat. Ze kent het klappen van de zweep. Drie lange dagen zal hij haar in vervoering brengen. Hoogtepunt na hoogtepunt. En dan het bonkend hoofd als teken van de kater.
Maar nu is het haar hart dat bonkt, luider dan normaal. Ze giechelt zenuwachtig en trekt hier en daar de laatste plooien glad, als een jonge meid. Ze weet dat hij nog op zich wachten laat, maar toch kijkt ze popelend naar hem uit.
De stad maakt zich op als een oude dame die haar Prins Carnaval verwacht.
OZB
Wat een opwinding over de onroerende zaakbelasting! Onze minister van belasting roept mensen op om de OZB gewoon niet te betalen als gemeenten die met meer dan twee procent hebben verhoogd. Volgens Zalm zijn er meer dan zestig gemeenten die te veel geld van hun burgers vragen. (Uiteindelijk bleken dat er maar zeven te zijn, maar Zalm kan natuurlijk niet alles weten, die man heeft veel aan zijn hoofd). En dan krijgt die Zalm me toch onder uit de zak. CDA-voorman Verhagen voorop. Hij noemt de oproep van Zalm bizar. Onzin. Onze belastingminister heeft groot gelijk.
Want waar gaat het om. Zalm en de zijnen zetten in Nederland de tering naar de nering. Dat doet natuurlijk pijn, want dat voelen wij in de portemonnee. Maar dat is voor onze eigen bestwil, dat is logisch. En nadat we even door de zure appel heen hebben gebeten wacht ons zoete lekkernij (nee, Jantje eerst een boterham met kaas en dan pas eentje met jam). En dat zoet levert ons uiteindelijk meer geld op.
Dat hadden we eind januari op ons loonstrookje moeten zien en dat merken we omdat een deel van de OZB wordt geschrapt. Ik weet niet hoe u leeft maar met ons binnenstadspand in Den Bosch levert dat al rap een paar honderd euro op. Dat is toch knap bedacht van Zalm. Zeg nou zelf. Balletje-balletje, maar dan voor academici.
Nou viel dat eind januari allemaal een beetje tegen. Althans, op mijn loonstrookje en op dat van velen die ik ken. Dus als gemeenten nu plotseling die OZB gaan verhogen dan dondert Zalm z’n hele plannetje in elkaar en dan wordt hij balorig. Zo’n bewindsman moet natuurlijk wel op het lagere echelon kunnen rekenen.
Kijk, u moet het zo zien: als u mij zegt dat ik het tientje dat ik u leende maar bij uw buurman moet halen en uw buurman geeft niet thuis, dan zou u toch ook pissig zijn. Logisch dat u dan alle mensen in de straat oproept om de uitrit van die buurman te blokkeren.
’t Is allemaal zo simpel . . . . .
Uitglijer
Een goede vriend van ons is wethouder in een landelijke Brabantse gemeente. We troffen elkaar gisteravond aan onze eettafel. En natuurlijk ging het gesprek over de Geldropse afvalzakjesaffaire (zie vijftien februari). Hij nam het op voor de gemeente. De betreffende mevrouw zou vast wel iets meer in die prullenbak hebben gegooid, dacht hij.
En zo werd het een levendige discussie waar alle gasten zich met gretigheid op stortten. Uiteindelijk was iedereen het er wel over eens dat de gemeente Geldrop formeel gezien gelijk had, maar dat een milieuwachter die een oude dame beboet omdat ze een van huis meegenomen broodzakje in een gemeentelijke prullenbak gooit, beter naar de geest dan naar de letter van de wet had kunnen handelen.
|
En zo waren we aangekomen bij mijn tweede gang. “By the way”, vroeg onze bestuurlijke vriend. “Wat is in Den Bosch eigenlijk het beleid ten aanzien van de openbare prullenbakken.” Ik moest hem het antwoord schuldig blijven.
“Ik heb namelijk vanmiddag tijdens het stadten een bananenschil in zo’n Bossche bak gegooid,” zei hij. "Daar ga ik zo vlak voor de verkiezingen toch niet over uitglijden hoop ik."
Het werd ijzingwekkend stil aan tafel.
“Dan hebben we een scoop,” zei ik.
“Hij is milieuwethouder,” grapte zijn vrouw.
Profeten
In 1975 raakte ik in de bar van een hotel in Zwitserland aan de praat met een oudere Nederlandse heer. Een gepensioneerde militair. Hij was zo oud als de eeuw zelf. Hij maakte zich zorgen over de verhouding tussen arm en rijk in de wereld. Er was iets goed mis zei hij. En dat kon niet goed blijven gaan.
Op een dag, zei hij, zouden de arme mensen van deze wereld naar ons land komen om hun deel op te eisen. In mijn jeugdige verbeelding zag ik horden Afrikanen en Aziaten plunderend door de straten van ons dorp trekken. Het woord asielzoeker bestond toen nog niet. Laat staan dat wij in die tijd van Koude Oorlog ons konden voorstellen dat mensen uit het Oostblok vrij naar ons land zouden kunnen komen om hier een graantje mee te pikken van onze welvaart.
* * *
Gisteravond raakte ik in een café in Eindhoven aan de praat met een onderwijzer van een basisschool. Hij zag er uit en sprak als een doorgewinterde kroegbaas. Ik zat er niet ver naast, zei hij. Hij had jarenlang in de horeca gewerkt, maar had zich laten omscholen.
Hij had veel aan zijn café-ervaring gehad. Achter de bar deed je mensenkennis op. Hij kreeg op school de moeilijke gevallen op zijn bordje. Ouders uit achterstandwijken die hun kinderen aan hun lot over lieten. Buitenlanders die geen enkele interesse in de school toonden. Hij lulde niet maar poetste en dat werkte. Maar nou niet meer. Sinds een jaar of twee was het harder geworden, agressiever ook.
Vroeger kreeg hij wel eens een grote bek van eentje uit groep acht. Tegenwoordig keerden jongetjes in groep zes zich tegen hem. Vooral de Marokkaanse jongens klitten steeds meer samen, zei hij. Ze vormen een front tegen onze maatschappij. Het is soms beangstigend om te zien wat er gebeurt. Hij voorspelde dat binnen een paar jaar de boel zou ontploffen.
PV
Heeft u dat ook wel eens? Dat u ’s nachts wakker wordt, de rode cijfers van de wekker op 4.12 staan en er allerlei onnutte dingen in uw hoofd opkomen? En dat u daarover gaat nadenken? Ik heb dat wel eens. Deze week overkwam het me weer. Midden in de nacht vroeg ik mij af of er nog personeelsverenigingen bestaan. Wat moet een mens met zulke informatie?
En toen gingen mijn gedachten naar de eerste krant waar ik werkte, de Barneveldse. Daar hadden we een PV, want zo heette dat in de wandelgangen. Iedereen was er lid van en betaalde een kleine bijdrage per maand. En wij mochten de opbrengst van het oude papier hebben en dat is in een drukkerij best veel. De directie verdubbelde dat bedrag dan als ik me goed herinner. Ik ben nog een tijdje bestuurslid geweest. We organiseerden twee keer per jaar een diner-dansant met partners. We voerden heftige discussies wanneer er sprake was van een partner. Hoe lang moest je dan verkering hebben, want we wilden niet dat iemand steeds maar weer andere snoeshanen meebracht. We waren een hechte familie.
Zes keer per jaar organiseerden we ook nog een andere activiteit, variërend van fietstochten tot zeevissen. Ik kende in die tijd alle partners van alle collega’s. Ik wist waar ze woonden en hoeveel kinderen ze hadden.
En omdat ik toch even wakker lag dacht ik meteen aan de huidige tijd. Nu ken ik van sommige collega’s niet eens hun naam. In achttien jaar tijd heb ik geloof ik één keer een feest gehad – toen we 25 jaar bestonden – waarbij de partners waren uitgenodigd. Nu krijg je per afdeling een budget voor een uitstapje met mensen waar je al de hele dag mee werkt. Eigenlijk weten we nauwelijks iets van elkaar. De enige die je een beetje kent zijn de collega’s die er een blog op nahouden.
Gisteren bezochten we met een aantal mensen de ROOS-dagen in Lattrop. Daar ontmoeten medewerkers van alle regionale omroepen elkaar en worden de NL Awards uitgereikt (eerste prijs voor onze website!!). We reden met vieren in één auto en zijn na afloop met z’n vijven in Deventer gaan eten. We weten nu weer iets van elkaar en we zeiden na afloop: we moeten dit eens vaker doen.
Zakje
Niemand hoeft mij te vertellen wat een mediahype is, maar wat ik deze week in Brabant heb meegemaakt tart zelfs mijn verbeelding. Het zal de geschiedenis in gaan als de Geldropse zakjesaffaire.
Ik geef een korte samenvatting van het voorafgaande op basis van de informatie zoals mij die nu bekend is, want morgen kan het alweer anders zijn. Een keurige 75-jarige dame uit Geldrop gaat eendjes voeren. Op weg naar huis gooit ze de lege broodzak met daarin wat kruimels en een paar kassabonnetjes die nog in haar fietstas zaten in een openbare prullenbak. Op dat moment stapt er een milieuwachter uit de auto die de dame een bon van 75 euro aansmeert. Ze mag geen afval dat ze van thuis heeft meegenomen in een openbare prullenbak gooien. De dame is verbijsterd.
Haar zoon probeert nog diezelfde middag met de milieuwachter in contact te komen om een goed woordje te doen voor zijn moeder, maar de wachter geeft niet thuis. Haar zoon is ook een collega van ons dus hij vertelt het verhaal de volgende ochtend op de redactie. In overleg met hem en zijn moeder besluiten we het onderwerp op te pakken. Uiteraard wordt er iemand anders opgezet.
Er komt op radio en televisie een item met hoor en wederhoor. Uiteraard is de insteek de verbazing dat iemand die z’n afval netjes in een bak gooit een boete van 75 euro krijgt. Niks mee te maken zegt de wethouder: ze heeft die broodzak van huis meegenomen dus had ze ‘m thuis in de kliko moeten gooien. De grijze natuurlijk. De openbare bakken zijn alleen voor zwerfafval. Orde is orde en er dient streng gehandhaafd te worden. Einde verhaal, dachten we.
Niet dus. De volgende dag stond er een stuk in het Eindhovens Dagblad, dook de Telegraaf er op en besteedde SBS er aandacht aan. En toen liep het volkomen uit de klauwen. De reactieboxen van ons, de Telegraaf, SBS en het Eindhovens Dagblad liepen over met verontwaardigde reacties. Hoe kon de gemeente Geldrop nou toch zo iets doen? Maar ook de email van de gemeente werd platgebombardeerd met hate-mail. De milieuambtenaar durft nu haar huis niet meer uit en de wethouder werd uitgescholden voor Hitler. Het is werkelijk onvoorstelbaar hoe mensen, dankzij de anonimiteit van internet, helemaal los raken van elk normbesef. We zijn bij de omroep wat gewend, maar dit ging zelfs onze verbeelding te boven. Maar we zijn er nog niet.
De gemeente Geldrop raakte helemaal van slag en begon te suggereren dat de moeder van mijn collega een beetje gejokt had. Er begon dus een tegencampagne. Maandag hoorde ik dat anonieme randdebielen afval hadden gestort in de tuin van de wethouder. Die bleek voor mij onbereikbaar. Wel belde in de loop van de middag de burgemeester op om mij te vertellen dat ze niet met mij wilde praten. Dat was natuurlijk dom, want burgemeesters die datgene doen wat ze niet willen zijn een redelijk gemakkelijke prooi. Ze bevestigde al heel snel de afvalstort en vervolgens begon ze tien minuten af te geven op mijn omroeppie. Daarna ging ze in de slachtofferrol en uiteindelijk vroeg ze mij wat ze nou moest doen. Ik heb haar verteld dat ze voor dat soort vragen voorlichters heeft. Maar we zijn er nog niet.
De gemeente bazuint nu overal rond dat wij essentiële informatie van de wethouder geknipt hebben. Ik kan naar eer en geweten zeggen dat dat niet zo is, maar daar willen ze in Geldrop niet aan. Het gaat nog verder. Bij het Eindhovens Dagblad hebben ze er inmiddels lucht van gekregen dat de zoon van de betreffende mevrouw bij Omroep Brabant werkt. De krant had vanmorgen vijf (!) stukken over de kwestie. Twee ingezonden brieven, een hoofdredactioneel commentaar, een analytisch stuk en een nieuwsartikel. We hebben het over een afvalzakje hè.
De krant schrijft nu ook dat wij essentiële informatie hebben weggelaten en begint erg te tamboereren op het feit dat het om de moeder van een van onze collega’s gaat opdat de lezer begrijpt uit welke hoek de wind waait. Hypocrisie ten top. Morgen zal er ongetwijfeld een reactie van de omroep op volgen. En zo is dan een afvalzakje verworden tot een mediaoorlog in de kiem.
Wat ik er zelf van vind? Ik zit er middenin en er is een goede collega bij betrokken dus dat is moeilijk. Maar ik denk wel dat er een veel diepere grond onder deze kwestie ligt. We zijn aangekomen in een tijd van zero tolerance. Aangevoerd door stoere politici pikken we niets meer. Er dient gehandhaafd te worden en daarmee wordt elke discussie doodgeslagen. Iedereen met een pet op voelt zich nu oppermachtig en gesteund door hard roepende bestuurders.
Een milieuwachter bekeurt een mevrouw die een zakje in een prullenbak gooit. Dat is niet uit te leggen aan de mensen. Zelfs niet met het argument dat de gemeente zo de strijd aanbindt tegen het zwerfvuil dat de gemeenschap jaarlijks tienduizenden euro’s kost. Als je zo rigide handhaaft dan heb je niets begrepen van intermenselijke verhoudingen. Dan ben je een robot die alleen maar orders uitvoert.
En dan een wethouder, die alleen maar roept: handhaven, handhaven, handhaven. Dan ben je op een verkeerde manier beïnvloed door het tijdsbeeld. En dan tenslotte al die idioten die hate-mail sturen en zo mensen beschadigen. Ik zou zeggen: spoor ze op en laat ze zwerfvuil rapen.
14 februari
Nee, niet één.
Nee, ook geen e-card.
Nee, zelfs geen sms'je.
Tsja, ik vrees het ook.
Zij wel.
Haar vriendje liet om acht uur al een slagroomtaart voor haar op onze redactie bezorgen.
Die hebben we lekker met z'n allen opgegeten.
Natuurlijk hebben we gewacht tot ze er was.
