Denemarken
Elke journalist kent de situatie. Er is een schoolexcursie in jouw bedrijf en opeens staat er zo’n beugelbekkie in je nek te hijgen met de vraag: meneer, hoe schrijft u een stukje? Het klinkt onvriendelijker dan ik wil. Dat komt omdat ik het antwoord op die vraag niet weet en dus met mijn eigen bek vol tanden sta. Dat is tegenover zo’n puberend beugelbekkie slecht voor mijn imago.
Waarom schrijf ik dit? O ja. In een reactie op mijn stukjes over Bertie schreef Tim dat hij het zo knap vond dat ik me al die dingen herinner. Dat bracht me even op de gedachte hoe ik dat doe en dus die stukkies kan schrijven.
Het prettige is dat ik sommige momenten als een film in mijn hoofd heb. Vroeger toen ik nog raadsverslaggever was kon ik zonder één aantekening maar met een paar glazen goede jenever op na afloop bijna woordelijk opschrijven wat er gezegd was. Ik draaide als het ware die hele vergadering als een film in mijn hoofd af. Ik zal toch geen gave hebben?
Maar het gekke is dat ik één week uit mijn leven echt helemaal kwijt ben. Dat is geen grapje, dat is echt. Dat is de eerste vakantie die ik samen met mijn ex-vrouw doorbracht. U moet weten dat wij zo snel getrouwd waren dat wij pas na ons huwelijk voor het eerst samen echt op vakantie gingen. Kamperen in Denemarken. Dat weet ik nog wel. Ik weet ook dat het de hele tijd regende en dat we daarom eerder naar huis zijn gegaan. Maar wat ik daar nou gezien en gedaan heb, daar heb ik geen flauw benul van.
Er zijn een paar foto’s van, maar die brengen geen enkele herinnering boven. Dus ja, het stukkie over Denemarken houdt u tegoed tot ook die film ontwikkeld is.
Buck
Mijn favoriete TV-programma “Andere Tijden” gaat vanavond over de “affaire-Buck”. De Eindhovense professor die het medicijn tegen aids zou hebben gevonden, maar die uiteindelijk roemloos ten onder ging.
Ik ben benieuwd wat ze er van gemaakt hebben. Ik denk dat er uit naar voren komt dat enkele media zich op het verkeerde been hebben laten zetten door het Aidsfonds en in hun euforie de zaak buitenproportioneel hebben opgeblazen
Het was in april 1990 toen wij door de Technische Universiteit Eindhoven werden uitgenodigd voor een persgesprek over een nieuw apparaat voor onderzoek tegen aids. Ik was op dat moment samensteller van de actualiteitenuitzending, Omroep Brabant was toen alleen nog maar een radiobedrijf.
De verslaggever die we stuurden zag er niks in, maar die liep in zijn laatste dagen en die zag nergens meer iets in dus daar trokken we ons niks van aan. Morrend ging hij op pad en morrend kwam hij terug. Hij zag nog steeds weinig in het verhaal.
Ik heb er het archief op nageslagen. Wij brachten toen dat professor Buck en anderen een nieuwe methode hadden gevonden om de verspreiding van het aids-virus door het lichaam te voorkomen. Onze verslaggever was er zo van overtuigd dat Buck veel te voorbarig was, dat we besloten het verhaal low-profile te brengen. We legden het accent op het feit dat het Aidsfonds een apparaat had aangeboden ten behoeve van het onderzoek naar aidsremmers.
Diezelfde avond, na onze uitzending, opende het NOS-Journaal met het nieuws dat er een medicijn tegen aids was ontdekt. Het was zo ongeveer het belangrijkste nieuws van de eeuw. Bij mij en heel wat collega’s sloeg de schrik om het hart, want dat was niet ons verhaal.
De volgende dag was het de opening van alle kranten. Onze verslaggever werd door de mangel gehaald omdat hij HET nieuws verkeerd had beoordeeld. Hij haalde zijn schouders op.
Een paar dagen later bleek dat Buck en de zijnen inderdaad te voorbarig waren geweest en de professor ging na veel touwtrekken roemloos ten onder. De betreffende verslaggever was toen al weg bij ons, ik denk dat hij met enig cynisme aan ons heeft gedacht. Gelijk had hij.
Bertie (slot)
Naarmate Bertie en ik ouder werden, groeiden we verder uit elkaar. Op de middelbare school zat hij twee klassen hoger en in de pubertijd is twee jaar veel. Bertie voetbalde niet meer mee en hij staakte de strijd tegen de indianen. Hij kreeg vrienden uit andere wijken, jongens die ik niet kende. Hij liet zijn haren groeien en veranderde in een hippie terwijl ik mijn bloempotkapsel hield.
Op een dag was hij verdwenen. Er werd gesmiespeld dat Bertie in een commune zat. Dat was spannend, want wij hadden als jongens natuurlijk ook doktertje gespeeld, de Lach en de Candy gelezen en lustig gefantaseerd. Niemand wist er het fijne van, maar ik wist zeker dat Bertie was toegetreden tot onze fantasiewereld van sex, drugs en rock&roll.
De mensen in de buurt spraken er schande van, maar voor mij werd Bertie een held. Bertie was Bert geworden. De commune werd geleid, zo fluisterde men over de heg, door Elly en Rikkert. Nu zijn ze in de Heer, maar vroeger waren het zingende bloemenkinderen.
Ik verliet Tiel en hoorde steeds minder over Bert. Via-via kwam mij nog wel eens iets ter ore, Bert was weer op het rechte pad en volgde een opleiding voor onderwijzer en hij had een zoontje. Flarden van geruchten. Een paar jaar later hoorde ik dat hij ziek was. Niet zomaar ziek maar heel erg ziek. Het was een maand voor mijn huwelijk. Ik wist niet zo goed wat ik er mee moest. We hadden elkaar zeven jaar niet meer gezien en leidden verschillende levens. Ik was druk met de voorbereiding van het huwelijk en Bert verdween naar de achtergrond.
Op mijn trouwdag stond hij in de rij met gasten. Met een vrouw en een kind. Hij was mager en zijn gezicht was getekend. Ik was zo verrast en onhandig met de situatie dat ik te weinig met hem heb gesproken. Bij het weggaan spraken we af dat we elkaar snel zouden zien. Bert beloofde me dat hij alles zou vertellen
Een paar dagen later kreeg ik via mijn ouders het bericht dat Bert dood was. Welnee, dacht ik, die gooit, net als vroeger, stampvoetend zijn cowboyhoed op de grond en roept: “Ik ben niet dood jongen. Het is orens. Ik dook op tijd achter de schuur. Het telt niet. We beginnen opnieuw.” Maar we begonnen niet opnieuw. De cowboy was dood. Hij was nog geen dertig.
Bertie
Gek, dat ik u nog nooit over Bertie heb verteld terwijl hij tot mijn veertiende het belangrijkste jongetje in mijn leven was. Veel belangrijker dan Tonnie, Keesje en Jantje van de buren. Bertie was zelfs belangrijker dan mijn broertjes en de meisjes in de buurt. Misschien heb ik nog nooit over hem verteld omdat ik niet weet hoe je elf, twaalf onbezorgde kinderjaren moet samenvatten in één of twee weblogjes? Maar ik kan de drang niet weerstaan.
Bertie en ik werden buurjongetjes toen onze ouders tegelijk in een Tielse nieuwbouwwijk gingen wonen. Ik was drie, dus Bertie zal vijf of zes zijn geweest. Ondanks dat leeftijdsverschil waren we meteen dikke vriendjes. Het was de tijd waarin er geen kinderdagverblijven bestonden dus we speelden altijd bij iemand thuis of op straat. In mijn herinnering waren we altijd samen: Bertie, zijn zusjes, ik, mijn broertjes, Tonnie, Keesje, Marjanka, Dickie, Jantje van de buren en nog een Tonnie
We voetbalden, waren cowboys en Ivanhoe, we speelden de hele lange zomeravond verstoppertje, schaatsten op de sloten en we visten in de rivier. De groepjes bestonden steeds uit andere kinderen, maar Bertie en ik waren meestal samen. Hij was mijn vriendje ook al was hij ouder. We leefden een zorgeloos leven op straten zonder voortrazende auto’s. We groeven kuilen, bouwden hutten en luchtkastelen
Bertie en ik vochten ook samen. Eén keer heb ik hem met een rozentak geslagen, z’n hoofd zat vol doornen, als een kroon. Zijn moeder is een uur bezig geweest om hem daarvan te bevrijden. Het was voor het eerst dat een andere moeder boos op mij was. Maar na twee dagen verdedigden Bertie en ik weer schouder aan schouder onze brandgang tegen invallende indianen.
Met Bertie maakte ik mijn eerste buitenlandse trip. We zouden een lange dag gaan fietsen en gingen al om zes uur op pad, boterhammen, een fles Exota en een Atlas in de fietstassen. We trapten en we trapten, gingen twee keer met een pont over en waren opeens in Tilburg. In onze Atlas zagen we dat het nog maar een heel klein stukje was naar Poppel in België. We reden verder, het ongewisse tegemoet. Een paar kilometer over de grens kochten we ansichtkaarten om te bewijzen dat we in het buitenland waren geweest.
Onderweg at Bertie een hele doos suikerklontjes leeg want hij had gehoord dat je daar energie van kreeg. ’s Avonds kwamen we heel laat thuis. Onze ouders waren woedend, maar daar maalden wij niet om, wij waren in het buitenland geweest en zij niet. Wij waren in één klap de beslotenheid van ons vierkante kilometer kinderwereld ontstegen. (wordt vervolgd).
Vrijdag 25 november
Wat kun je na zo’n dag van natuurgeweld en een verkeersinfarct als eenvoudige weblogger nog toevoegen. Je eigen kleine leed, want dat hoort tegenwoordig in de journalistiek zo. Maak het klein en herkenbaar.
18.20 uur: Het is opgehouden met zachtjes sneeuwen. Nu striemen grote vlokken langs de ramen van de studio. Ik besluit tien minuten eerder weg te gaan, want die zal ik nodig hebben om tegen de wind in te fietsen naar het station van Best.
18.40 uur: Er was een wonder gebeurd. De storm die ik ’s morgens in de rug had was gedraaid en die had ik nu weer achter. Het natuurgeweld heeft ook z’n voordelen. Maar ik ben nu veel te vroeg op het station. Bovendien heeft de trein tien minuten vertraging en dat betekent dus dat ik 24 minuten in die tochtige ondergrondse buis moet wachten. Het wordt uiteindelijk een half uur.
19.10 uur: Ik stap in een stampvolle trein naar Den Bosch en wil op één van de weinige lege plaatsen gaan zitten. “Dat zou ik niet doen,” zegt een mevrouw en ze wijst naar boven. Het water gutst naar binnen precies op die vrije plaats. Ik vind nog een andere plek. De conducteur roept om dat de trein niet verder zal rijden dan Boxtel. Wie er nog uit wil kan er nog uit “om ander vervoer te regelen”. Maar iedereen moet naar Boxtel, Den Bosch of verder dus waarom zou je in Best iets willen regelen. Gevloek en getier. Ik bel Marlies om te vragen of ze er met de auto door durft om mij op te halen. Die durft. Ik adviseer haar binnendoor te rijden want de snelweg zit dicht en ik bied twee andere passagiers een lift aan. Zo maak je nieuwe vrienden.
19.30 uur: Nadat we even hebben stilgestaan in niemandsland komt de trein in Boxtel. Iedereen blijft zitten in de hoop dat we toch door zullen rijden. Er waren immers geen nieuwe mededelingen. Ondertussen stappen heel veel mensen in waardoor de trein propvol raakt. Iemand probeert een conducteur te vinden maar die is onvindbaar. Na een minuut of vijf wordt omgeroepen dat we er toch echt allemaal uit moeten. We wachten in het halletje van het station op inderhaast opgetrommelde familieleden, vrienden en kennissen.
19.50 uur: Marlies belt. Ze is onderweg, geen zorg, maar ze heeft geen idee hoe je binnendoor van Den Bosch naar Boxtel komt, dus nog even geduld. In het halletje roept een dame om de vijf minuten om dat als gevolg van extreme weersomstandigheden er bijna geen treinen rijden. “Er is helaas beperkt treinverkeer mogelijk,” zegt ze steeds. Zelfs dat spijt NS blijkbaar.
20.20 uur: Marlies bereikt station Boxtel. Ze is wonderwel rustig. “Het was een hel onderweg,” zegt ze. We stappen in en ik rijd terug. De kachel gaat op woestijnstand want we zijn koud tot op het bot. Marlies kan zich niet meer herinneren hoe ze is gereden en niemand van ons kent de weg binnendoor. Ik doe maar wat en rijd over glibberige buitenwegen van Boxtel, richting Esch. Halverwege zijn we het pad helemaal kwijt. Ik stap een cafeetje binnen dat helemaal verlaten is. Uit de keuken komt een niet onaantrekkelijke blonde vrouw. Ik vraag haar de weg naar Vught. Met een hele zware mannenstem legt ze me de weg uit. Het heeft iets van een enge film. Noodweer buiten, een verlaten half verlicht café en een vrouw met een mannenstem. Ik ren terug naar de auto.
20.50 uur: We rijden eindelijk Vught binnen. De weg is bijna onbegaanbaar maar toch slingert er voor ons een fietser. Ik besluit er een meter of dertig achter te blijven. Passeren is veel te gevaarlijk. Na een paar honderd meter stapt de fietser af, gaat aan de kant en gebaart dat ik door kan rijden. Als ik langd hem rijd begint hij mij uit te schelden: kankerlijer, roept hij. Niemand van ons begrijpt die woede. Een paar straten verder zetten we onze eerste passagier af. De man wil ons betalen, maar daar kan natuurlijk geen sprake van zijn. Jawel, jawel zegt hij en hij laat vijf euro achter in de auto.
21.10 uur: Met gevaar voor eigen leven bereiken we Den Bosch, nadat ik op een bekend punt nog een klein stukje verkeerd ben gereden. De grote hopen sneeuw tasten je orientatiegevoel aan. We zetten onze tweede passagier af en komen om 21.20 thuis.
Kinderen
Soms lees je dingen die je het beste nog een keer kunt lezen om misverstanden te voorkomen. Ik had dat met het onderstaand citaat van Patrick Kluivert in Voetbal International.
“Ik ben weer vrolijk en zit goed in mijn vel. Ook privé gaat het goed met me. Ik leef tegenwoordig zonder mijn kinderen, maar eens in de twee weken heb ik ze vier dagen bij me. Dat vind ik heel belangrijk."
Herschikken
Het zijn verwarrende en verrassende tijden. Tweede Kamerleden moeten meer geld krijgen. Dat lijkt mij een wat al te wild idee van de commissie Dijkstal. Beloning naar prestatie lijkt mij een veel beter plan. En degene die voor verwarring zorgt krijgt strafkorting. Dat zal me een bak geld opleveren zeg.
Twee weken geleden kakelden ze elkaar allemaal nog na toen er zogenaamd een aanslag was gepleegd op het raam van de werkkamer van minister Verdonk. En deze week wilden ze plotseling maatregelen tegen zwakbegaafden die een kinderwens hebben. En dat allemaal omdat het kind van een zogenaamd zwakbegaafd stel om het leven was gekomen. Blijken dat helemaal geen zwakbegaafden te zijn. Het OM begrijpt ook helemaal niet hoe dat de wereld in is gekomen. Hè, daar heb je het OM weer, die van het raam van Verdonk, die van Samir A. Dus Kamerleden die zonder zelf na te denken maar wat roepen strafkorting geven.
Oke, oke, u heeft een punt. Journalisten die blindelings op het OM vertrouwen moeten dan ook aangepakt worden. Een debriefing om ze af te helpen van de waan van de dag lijkt me een goed plan. Ondertussen blijven wij in verwarring achter.
Aangenaam verrast was ik toen ik vandaag de resultaten van het YoungMentality-onderzoek las. Jongeren maken zich meer zorgen over de natuur dan over terreur. Ik dacht dat natuur uit was maar dat is gelukkig niet zo. Blijkbaar zijn jongeren niet zo gevoelig voor mensen die ons een angstcomplex willen aanpraten.
Verrassend vond ik vandaag ook het bericht dat steeds meer vrouwen in huis klussen: 85%. Dat is maar zeven procent minder dan de mannen. Vrouwen zijn vooral bezig met schilderen, behangen en meubels in elkaar zetten. Hulde dames, hulde!
Compleet in de war raakte ik van het bericht dat mannen beter leuteren dan vrouwen. Dat blijkt uit de eerste studieresultaten van het nieuwe keuzevak voor studerend Nederland: Leuteren. Bij het vak Leuteren draait het om het nut van nutteloze kennis. Allemaal te volgen via www.koffieleut.nl.
Nou, na al deze verwarring en verrassing zonder ik mij een paar uurtjes af om mijn vooroordelen te herschikken.
Unie
Er was speciaal een meneer uit Hilversum overgekomen om ons bedrijfsbreed uit te leggen wat de nieuwe ziektekostenregeling voor ons gaat betekenen. Wij, de medewerkers van alle publieke omroepen, hebben een eigen ziektenkostenverzekering. Het is een onderlinge die geen winst maakt. Met z’n dertigduizenden zorgen wij voor elkaar. Dat geeft een warm gevoel. De enige tegen wie we ons niet kunnen verzekeren is Medy van der Laan, wat dan wel weer jammer is.
Het was best een ingewikkeld verhaal over basisverzekering, aanvullende pakketten, tandartskosten, eigen bijdrage, restitutiepolissen en iets in natura. Gelukkig kon de meneer uit Hilversum het allemaal heel goed uitleggen.
Brabanders zijn net Hollanders dus aan het eind vroegen wij: wat merken wij hier nou van op ons loonstrookje? Dat wist die meneer niet precies want dat hing van zoveel dingen af, maar hij dacht wel dat iedereen iets meer zou moeten betalen dan nu. Dat wordt door Zalm gecompenseerd, riep de slimste van ons stel. De meneer grimlachte betekenisvol.
En hoeveel betaalt de werkgever nog mee, vroeg iemand. Dat was ook een heel ingewikkeld verhaal, want wij schieten voor, dan betaalt de werkgever dat bedrag terug en daar moeten wij dan weer belasting over betalen. Of zoiets.
Wat doet de regering dan met al die extra belasting? Dat vond de meneer uit Hilversum een hele goede vraag waar hij zelf ook wel eens het antwoord op zou willen weten. Nou, dan wisten wij het wel. Dat wordt volgend jaar een belastingmeevaller van enkele miljarden die geheel ten goede komt aan ’s lands financieringstekort. Ondertussen bedachten wij hoe we ons eigen tekort zouden gaan dekken.
“Jij hebt mazzel,” zei zo’n misselijke jonge collega tegen mij. “Jij kunt meedoen aan die goedkope polis van de Unie KBO.” Ik vond het niet het geschikte moment flauwe grappen te maken over mijn leeftijd. Dus ik siste: “lazer op . . .”.
“Nee, ik zweer het je,” zei deze jonge vriend. “Dat kan vanaf 50 jaar.”
“Ja maar ik wil niet bij een ouderenbond,” riep ik. En ik verliet gillend het pand.
Lunch
- Heb jij ook een Solex gehad?
- Nee, ik niet. Mijn ouders hadden er één. Gingen we op zondag mee van Tiel naar Rotterdam, mijn broertje en ik achterop.
- Ik heb er wel eentje gehad, maar ja die dingen die kon je niet opvoeren.
- Nee, dan had je een Zundapp of een Kreidler nodig.
- Of een Flandria, die gingen ook hard.
- Jongens bij mij in de klas hadden Kreidlers. Dan reden ze met negentig per uur over de dijk. Negentig.
- Ja maar dat haalden die dingen makkelijk. Die jongens kwamen uit een dorp zeker?
- Ja hoezo?
- Nou, hier hadden de jongens uit Valkenswaard van die Kreidlers, maar wij uit Eindhoven hadden een Puch of een Tomos.
- Och, die met dat hoge stuur. Ja die hadden ze bij ons ook. Prachtig waren die. Ik reed zelf altijd op een damesbrommertje, gekregen van een nichtje dat er te oud voor was.
- Ik had een Puch. Die had ik helemaal opgevoerd met een groot motorblok en flink uitgeveild. Haalde ik makkelijk zeventig mee. Zonder helm hè. Levensgevaarlijk.
- We leken wel gek toen.
- Tja we leken wel gek toen.
Heerlijk om in ons bedrijfsrestaurant af en toe met een andere vijftiger te lunchen.
Gas
Vroeger was alles duidelijk. Tante Pos bracht de briefkaarten van Ome Jo en Tante Jo uit Amsterdam, de Provinciale Gelderse Electriciteits Maatschappij zorgde er voor dat onze lampen brandden, de gemeentelijke gasfabriek leverde gas en het water kwam uit de watertoren bij de dijk. Die toren was ook van de gemeente. De staat zorgde voor ons en zo zou het altijd blijven. Dachten we.
Dat is dus niet zo, de vrije markt en de liberalisering hebben de staat verdrongen. We krijgen nu gas en elektriciteit van het commerciële Essent. Water komt van het geprivatiseerde Brabant Water. En briefkaarten van Ome Jo en Tante Jo krijgen we helemaal niet meer. Maar dat komt omdat ome Jo is overleden en Tante Jo dement is.
Vroeger kwam er elke maand een man met een pet aan de deur om het geld voor gas en elektriciteit op te halen. Het waren vanzelfsprekende rituelen. Hij belde, hield zijn hand op en mijn moeder gaf het geld. Het Essent van tegenwoordig bestookt mij met folders en brieven en niets is te dol om mij als klant te behouden. Ik begrijp al die moeite niet want uit onderzoeken blijkt dat mensen van mijn leeftijd niet van gasboer wisselen, dus dan doe ik dat ook niet.
Ergens in juli kregen wij een niet missen aanbod. Als wij ons drie jaar aan Essent zouden verbinden zouden wij korting krijgen. Omdat je op onze leeftijd dus blijkbaar niet wisselt leek ons dat wel wat. We tekenden in. Anderhalve maand later kregen we een briefje dat er zoveel mensen hadden ingetekend dat ze het te druk hadden om ons een passend aanbod te doen.
Kijk, dan vertrouw ik het al niet meer. De olieprijzen waren net exorbitant aan het stijgen, dus die rakkers van Essent hielden ons aan het lijntje en broeiden op een "passend" nieuw aanbod om mee te kunnen profiteren. Want bij het eerste aanbod waar ik op intekende, maar dat ze niet konden effectueren vanwege de enorme toeloop, was er nog sprake van een gasprijs van 34,09 cent per kuub, nu is dat 38,44 cent. Ook de elektriciteitsprijs is een stuk hoger. Maar ze blijven wel volhouden dat het beter is om voor drie jaar te tekenen want “zo komt u niet voor financieel onaangename verrassingen te staan”.
De enige verrassing die je vroeger had was dat de man van het gas niet op maandag kwam maar op dinsdag omdat hij ’s maandags met een kater in bed was gebleven.
Sopje
Weet je wat vervelend is? Broer is al een paar keer thuis gekomen met een doordringende vreemdevrouwenparfumlucht in z’n vacht.
Dat is niet zo erg, maar Marlies was de hele week ’s avonds weg omdat ze een groot muzikaal project regisseerde. En daarom lag Broer nu ’s avonds bij mij op schoot. En die doordringende vreemdevrouwenparfumlucht kroop in mijn poezenpak (dat is het pak dat ik ’s avonds aan trek om te voorkomen dat al mijn kleren onder de kattenharen zitten).
Dus nu ruiken mijn kleren naar vreemdevrouwenparfum net in een week dat ik alleen thuis was. Dan kun je wel uitleggen dat het door de poes komt maar dan krijg je een spraakverwarring waar Babylonie een oord van welsprekendheid bij was.
Maar het komt echt door Broer. Ik weet niet wat hij allemaal aan het doen is, maar veel goeds kan het niet zijn. Poes doet dat bijvoorbeeld helemaal niet. Die ruikt altijd lekker fris naar buitenlucht. Ik denk dat ik Broer af en toe maar eens door een sopje haal.
Vraag
Op 18 oktober schreef ik op deze plaats dat Samir A. hard op weg was de meest vrijgesproken man van Nederland te worden. Geloof me: ik hoef geen credits. Die heb ik genoeg gehad, geef ze maar aan jongere collega’s die nog een carrière moeten opbouwen. Bovendien was het niet zo’n kunst om dat te voorspellen. Iedereen met een beetje gezond verstand weet dat ons opsporingsapparaat de risee van onze democratie is.
Tot zover het linkse gezeur. We schuiven nu op naar rechts, want wat u ook probeert ik ben niet zo makkelijk te vangen. (Dat geldt overigens voor wel meer mensen die onafhankelijk denken.) De spandoeken tegen Rita Verdonk mogen blijven hangen. Begrijp ik niet. Want ik ben het type mens dat geleerd heeft om hard te attaqueren maar altijd met respect voor de tegenstander. Je kunt iemand in een fel gevecht best ongenadig op z’n bek slaan, maar je trapt nooit onder de gordel. En in mijn ogen wordt Rita Verdonk onder de gordel getrapt.
Het meest waanzinnige aan het hele verhaal vind ik de opstelling van justitie. De spandoeken worden niet weggehaald omdat er op dit moment geen acute dreiging is tegen Verdonk. Dat was een week geleden wel het geval. Mijn God, hoe dom kun je als justitie worden? Het opsporingsapparaat als risee van onze democratie.
Maar ja, de uitspraak van de rechter biedt wel weer perspectief. Het betekent dat ik hier ongestraft tekeer zou kunnen gaan tegen bijvoorbeeld mevrouw Ayaan Hirsi Ali. Shit, nee, tuurlijk niet (u ziet het niet, maar ik krab nu achter mijn oren). Die wordt namelijk voortdurend acuut bedreigd, dus daar moet je afblijven.
Nee, even serieus, ik zal nooit iemand respectloos behandelen. Zeker geen vrouwen. Maar ik heb wel een vraag en misschien kunt u mij daar het antwoord op geven. Ik stel hem geheel neutraal: wat is het nut van Submission II?
Plaatje
Toen ik gisteren door zo'n ouderwets betegeld trappenhuis liep van de liftloze flat waar ik op bezoek was geweest overviel mij een gevoel van nostalgie. Ik had met vrienden gesproken over onze muzieksmaken en ik probeerde me te herinneren wat mijn eerste grammofoonplaatje was.
Ik was een jaar of tien toen ik van mijn ouders een eigen piekup kreeg. De vriendjes die op mijn fuifje waren uitgenodigd hadden voor mij het plaatje Wasted Words van The Motions gekocht. Zo trad ik binnen in de wondere wereld van de popmuziek. Het was een hele verademing want voor de familie pick-up hadden wij slechts een paar reebruine ogen ter beschikking die de jager al jaren smekend aankeken. En voor een kind van tien is dat te veel emotie.
Een jaar of wat later stond mijn geboorteplaats Tiel opeens op de popkaart, want toen werd Mothers Love opgericht. Een popband die later als The Dream bekend werd. Wij kochten hun eerste plaatje. Tsjonge wat een sensatie was dat. Twee mensen van de Mothers Love kenden we. Tenminste dat vonden wij. Floris Kolvenbach en John van Buren (met z’n ziekenfondsbrilletje). Floris was een bekende hippieverschijning in ons stadje. De moeder van John woonde bij ons om de hoek. Daarom zeiden wij ook Sjonnie van Buren in plaats van John. Daarmee behoorden wij al bijna tot de intimi van de bekende popgroep, waarvan wij overigens nooit één lid persoonlijk hebben gesproken.
Mijn eerste (dubbel)elpee was die van Joe Cocker: Mad Dogs and Englishmen. Daarna volgden een hele rij andere. Van al die popartiesten ben ik eigenlijk alleen Joe Cocker trouw gebleven. Als hij in de buurt is probeer ik altijd naar het concert te gaan.
Mijn muzieksmaak is in de loop der jaren flink verbreed. Onder invloed van mijn eerste vrouw schoof ik al op richting klassieke muziek en folk. Dat ontwikkelde zich toen ik een relatie kreeg met Marlies, die een klassieke opleiding heeft. Dankzij haar ben ik nog meer naar klassieke muziek gaan luisteren en ik ben zelfs operaliefhebber geworden.
En nu hou ik van heel veel soorten muziek, als er maar emotie in zit. Ik luister net zo makkelijk naar John Lee Hooker, De Dijk, Amalia Rodriguez als naar Kiri te Kanawa. Popmuziek boeit me niet meer zo maar wat zou ik nog graag een keer dat eerste plaatje van Mothers Love horen. Ik geloof dat het Raise the Sails heette.
Mocht iemand het hebben . . .
The Dream (v/h Mothers Love)
Beren
Mijn collega Rene is met een weblog begonnen. We zijn een beetje van dezelfde journalistieke generatie. Hij vliegt nog steeds als verslaggever van hot naar haar terwijl ik mijn dagen achter een bureau slijt.
Een paar jaar geleden hadden we het plan samen één log te beginnen. Dat kwam zo. Onze collega Tim (een ouwe rot in weblogland) schreef onder de naam vitamine-t vrolijke verhaaltjes. Zoiets wilden wij ook, maar omdat wij bekend stonden als bromberen wilden wij iets anders: Vitamine-B van Bromberen. Lekker zeikstukjes schrijven en overal op kankeren. Ik begon met een weblog. Rene kreeg een nieuwe relatie.
Er kwam dus geen gezamenlijke bromberenlog en dat is maar goed ook, want in ons hart zijn we helemaal niet zo. We zijn best aardig. Ik ben in ieder geval aardiger geworden, want toevallig vertelde een jonge TV-vrouw mij vorige week dat ze vroeger bang voor mij was. Dat werd met net iets te veel gretigheid bevestigd door een oudere TV-vrouw die ik al heel lang ken en die dus met gezag over mij kan spreken. Ik was die man die een beetje nors voor zich uit keek en snauwde als ze iets vroegen.
En of de duvel er mee speelt: deze week zeiden twee Teletekst-vrouwen precies hetzelfde. Dan moet het waar zijn. Gelukkig zeiden ze er alle vier bij dat ik de afgelopen jaren ten positieve ben veranderd. Nou ja, zo voelt het ook wel een beetje. Een mens wordt milder met het klimmen der jaren.
Rene vertelde deze week dat hij ook met een log was begonnen. Hij is ook milder geworden. We kunnen allebei best nog wel eens uit onze slof schieten, maar eigenlijk zijn we gewoon goedmoedige teddyberen. Als we op z’n tijd geknuffeld worden kun je met ons alle kanten op.
Waardigheid
En opeens is de kraakbeweging weer voorpaginanieuws. Door de spandoeken tegen Verdonk en de moord op de voormalige kraker Louis Sévèke in Nijmegen. Ook in ’s-Hertogenbosch wordt er heftig geprotesteerd tegen Verdonk want de stad heeft van oudsher een actieve kraakbeweging. Een paar jaar geleden kraakten ze het pand dat aan het onze grenst. Gelijk hadden ze. Het was een voormalig buurthuis dat al twee jaar leeg stond. Het waren aardige, rustige buren. Toen het pand uiteindelijk toch verkocht werd vertrokken ze met dezelfde stille trom als waarmee ze gekomen waren.
In de tijd dat de kraakbeweging op z’n hoogtepunt was leidde ik een puberleven in een middelgroot Betuws stadje. De kraakbeweging was iets in Amsterdam en Nijmegen. Ik was het wel met de krakers eens, want leegstand is in een land met een woningnood als de onze onacceptabel. Aan die mening heb ik nooit getornd.
In mijn journalistieke leven heb ik meerdere keren reportages gemaakt over krakers en ik moet zeggen dat ik de meeste sympathieke gasten vond. Het waren in ieder geval altijd mensen met idealen die op hun manier protesteerden tegen woningnood en speculanten. Dat spreekt me aan. Geweldig ook hoe ze bedrijfspanden omtoverden tot woongroepen en kunstcentra. Het had iets romantisch. En ze waren altijd zo prachtig uitgedost met hun Arafatsjaals, gekleurde haren, kettingen, bonte jurken en hoge schoenen. De keren dat ik er kwam voelde ik me er thuis.
Vandaag ben ik oprecht geraakt door de rust die de mensen in Nijmegen (tot nu toe) bewaren na de moord op Sévèke. Ze lopen niet als dollemannen naar de pers om te speculeren over de dader(s). Ze schoppen geen rel. Ik hoop dat ze die waardigheid bewaren.
Die krakers zijn veel weldenkender dan mensen die meteen schreeuwen dat er een moordaanslag is gepleegd op minister Verdonk als er een gaatje in de ruit van haar werkkamer zit. Of de mensen die al weten dat de kogel van links komt op het moment dat de echo van het schot nog naklinkt. Ik denk niet dat wijsheid in een krijtstreeppak zit.
Er was eens . . .
Er was eens een mus. Kareltje. Op een dag besloot Kareltje op eten uit te gaan. Dat was niets bijzonders want hij had zijn leven lang nog niets anders gedaan. Kareltje pikte hier en daar een graantje mee en belandde al fladderend in een grote hal. Onze mus streek neer op een steen om even te rusten. En dat had hij niet moeten doen kinderen!!
Want de steen viel om. Kareltje sloeg zijn vleugeltjes uit alle macht op en neer om in de lucht te blijven. Terwijl hij zigzaggend naar boven vloog zag hij onder zich heel veel steentjes omvallen. Het was een hels kabaal voor zijn kleine vogeloren. Het kabaal werd nog erger toen mensen in die hal heel hard begonnen te schreeuwen. Kareltje raakte in paniek en vloog kris kras door de hal, op zoek naar het gaatje waardoor hij naar binnen was gekomen. Opeens klonk er een harde knal. Kareltje voelde niets meer.
Maar omdat onze gevederde vriend dacht dat hij in een sprookje zat, werd hij na een tijdje wakker. Hij keek om zich heen en zag dat hij heel hoog was gevlogen. Veel hoger dan het dak van het huis waar zijn nest was. Veel hoger dan de kastanjeboom waar hij wel eens in ging zitten als hij even alleen wilde zijn. Veel hoger dan de wolken. Veel hoger dan de blauwe lucht. Veel hoger.
“Je hebt ze mooi bij de beer, daar beneden,” hoorde hij iemand zeggen. Verschrikt keek Kareltje om. Achter hem stond een man met een lange witte baard. “Ze zijn daar helemaal van Mij los geslagen,” zei de man. En hij bulderde van het lachen. Zo hard dat Kareltje dacht dat het onweerde. Het snaveltje van onze kleine vriend viel ver open. Hij was verbaasd dat hij een mens kon verstaan. “Wat is er gebeurd?” hoorde hij zichzelf vragen.
“Je hebt bijna het wereldrecord dominostenen naar de gallemiezen geholpen,” zei de man. “En toen hebben ze je doodgeschoten.” Hij lachte nog harder dan zoeven.
“Maar dat is toch niet leuk,” zei Kareltje. “Nou ben ik dood.”
De grijsaard sloeg zichzelf op zijn dijen van plezier. “Ja maar ze hebben je doodgeschoten zonder vergunning,” riep de man met zijn donderstem. “En nou is er de pleuris uitgebroken in dat landje. De Dierenbescherming Leeuwarden heeft een klacht ingediend bij de politie. Die heeft de afdeling Milieu van de provincie Friesland ingeschakeld, omdat jij bent neergeschoten zonder vergunning. Als dat tot een proces-verbaal leidt moeten ze ook bij het Openbaar Ministerie aan de bak. En als die tot vervolging over gaat zullen rechters er zich over moeten buigen. Ook de Duitse dierenbescherming is in het geweer gekomen want Domino Day wordt bij RTL in Duitsland uitgezonden. Het hele land is in rep en roer. Dat is toch om je te bescheuren.”
Kareltje begreep er niets van. “Ik vind dit een raar sprookje,” zei hij.
De man met de lange witte baard greep zich vast aan een pilaar. “Een sprookje, een sprookje,” bulderde hij, “dit is echt. Je hebt ze beneden helemaal over de zeik, gekke mus.”
“Maar dan ben ik dus echt dood?” vroeg Kareltje verschrikt.
“Ja,” zei de man met de baard. “Jij bent de eerste dooie mus waar ik blij mee ben.” Hij viel om van het lachen.
Schaumküsse
Het is een heuse kwestie. De “Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname” wil af van het woord negerzoen. En laat de negerzoenenfabriek nou in Brabant staan. Dus onze omroep rukte vandaag met groot materieel uit naar de plaats delict.
In andere Europese landen is de naam al veranderd. Het Duitse Schaumküsse kwam in de plaats van Negerküsse, Bisous de mousse is het nieuwe woord voor het Franse tête de nègre en angel kisses verving het Engelse negro kiss. De stichting is nu dus een kruistocht begonnen om ook de Hollandse negerzoen van zijn gitzwarte imago te bevrijden. Want neger is (ook) een scheldwoord.
Het is hier in de provincie talk of the town. De telefoon stond meteen roodgloeiend en de mailbox liep vol nadat we het item hadden uitgezonden. Blank en zwart stelden maar één vraag: waar maken mensen zich druk over?
Ik had het geluk om een tachtigjarige dame aan de telefoon te krijgen (regiojournalistiek is zo leuk). Ze vond de hele discussie vergezocht. En ze vertelde een anekdote, vanzelfsprekend uit de Tweede Wereldoorlog. In die oorlog haalde zij samen met vriendinnen de Amerikaanse bevrijders in. De opgewonden meiden waren erg onder de indruk van de grote negers in de Jeeps. Ze hadden nog nooit een neger gezien. “En toen zei ik: nou, nou dat is een lekkere negerzoen,” vertelde die mevrouw. “En weet je wat er toen gebeurde. Hij vroeg of ik er eentje wilde hebben. Bleek hij een Nederlandse ouder te hebben.” Het was heus niet alleen maar kommer en kwel in de oorlog.
Ja, ja, de Schaumküsse heeft wat losgemaakt in de provincie. Mocht u ook nog een mening hebben of een anekdote uit de oorlog willen vertellen dan hou ik me aanbevolen. Doe het wel vandaag want morgen is het oud nieuws. Een collega bereidt namelijk alweer een nieuwe scoop voor. Over de blanke vla.
Linda
Ik vind Linda de Mol leuk en ik kan niet wachten op de volgende aflevering van Gooische Vrouwen. Zo, die vloek galmt na in de politiek correcte kerk. Dat gaat lezers kosten.
Ik zag Linda de Mol voor het eerst in de politieserie Spangen. Daarvoor heeft ze ook van alles gedaan maar dat is aan mijn selectieve televisieconsumptie ontsnapt. In Spangen speelde ze een koele politieagente die privé heel kwetsbaar bleek te zijn. Kijk, dat is het type vrouw waar ik op val. Ruwe bolster, blanke pit. Ongetwijfeld zijn er Amerikaanse psychologen die over die voorkeur dikke boeken hebben geschreven. Ikzelf denk er niet al te veel over na. Het is, denk ik, heel simpel: zulke vrouwen hebben altijd een schouder nodig om op uit te halen. En wat is er mooier dan in zo’n geval de held te kunnen spelen.
Maar ik dwaal af: terug naar Linda. Vorige week stond er een groot interview met haar in de Volkskrant. Zelfs mensen die die krant niet lezen kan dat niet ontgaan zijn, want ze werd overal geciteerd met haar uitspraak over haar broer. Ze zei dat hij zijn geld beter kon gebruiken om iets mee te doen (een TV-station oprichten) dan op de bank te zetten.
Wat ik in al die citaten niet las was dat Linda ook heeft gezegd dat haar broer voor een hoop werkgelegenheid zorgt. Kijk, op zo’n moment ben al meteen geneigd mijn schouder aan te bieden, want Linda heeft een sterk punt maar dat komt de politiek correcte sector slecht uit. En dat is zielig. Voor Linda.
Wij leven nou eenmaal in een land waar we elk kwartaal reikhalzend uitkijken naar de cijfers van de beursgenoteerde bedrijven. Hun winsten geven de welstand van ons land aan. Eigenlijk zouden die bedrijven elk kwartaal moeten publiceren hoeveel mensen er een boterham verdienen en hoeveel er dus een menswaardig bestaan hebben.
Maar ik dwaal af: terug naar Linda. Philip Freriks is ook zo’n Tv-persoonlijkheid die wordt verguisd vanwege zijn versprekingen. Ik erger me er ook aan, maar dankzij het charisma van de man vergeef ik het hem. Vorige week ging het in het NOS-Journaal over de overlevenden van de Schipholbrand. Freriks zei dat ze waren opgevangen in kamp Zeis. Hij corrigeerde het meteen in kamp Zeist. Kijk, dat had voor mij niet gehoeven. Kamp Zeis komt veel dichter bij de situatie van de slachtoffers dan kamp Zeist.
U merkt het al, door Linda schieten mijn gedachten als vuurpijlen van links naar rechts. Dat is voor mijzelf nauwelijks nog te volgen laat staan voor iemand die dit allemaal moet lezen. Ik laat u verder vandaag met rust.
Theo
Vorige week kwam ik, tijdens het opruimen van het rommelhok, het schilderij weer tegen. Het stond ingeklemd tussen een paar hardboardplaten. Jaren heeft het op allerlei plekken in mijn huizen gehangen, maar in dit huis past het niet meer. Ik had er al een paar jaar niet meer aan gedacht. Wat het voorstelt weet ik eigenlijk niet. Twee zonnen die om elkaar draaien? Wie zal het zeggen. De maker heeft er nooit een titel voor bedacht.
Ik ken hem wel, de maker. Theo. We waren in de jaren tachtig collega’s, maar Theo voelde zich niet echt thuis in de journalistiek. Hij voelde zich sowieso niet thuis in het keurslijf van een baan. Hij wilde liever vrij zijn en schilderen. Op een dag stapte hij op en nam zijn intrek in een bakhuisje bij een boerderij. Hij slaagde er in om in dat piepkleine huisje ook nog een hoek te maken waar hij kon schilderen.
We hielden contact want ik vond hem een aardige vent. Het contact werd steeds intensiever. Ook al omdat mijn huwelijk hard op de klippen afstevende. Bij Theo vond ik een plek waar ik uren en uren over het leven in het algemeen en over mijn problemen in het bijzonder kon praten. Theo luisterde altijd. We spraken ook veel over zijn schilderkunst waarmee het maar niet wilde vlotten. We bedachten de wildste plannen om zijn werk aan de man te brengen. Maar verder dan plannen is het nooit gekomen.
Al die middagen en avonden zaten we altijd op dezelfde stoelen. Theo op een hoge stoel en ik tegenover hem in een oude rookstoel. Vandaar had ik zicht op het schilderij met de zonnen. Soms, als de discussies hoog opliepen en de wijn zakte, draaiden ze echt om elkaar heen. Tot het moment kwam dat ik Theo vertelde dat ik naar Brabant zou gaan verhuizen. Hij stond op, haalde het schilderij van de muur en gaf het mij. Als aandenken zei hij. Ik wilde hem er iets voor geven zodat hij tenminste kon zeggen dat hij ooit een schilderij had verkocht. Hij weigerde. Vrienden deden dat niet.
We spraken af dat we elkaar brieven zouden schrijven en dat die brieven dan later, als Theo een beroemde schilder zou zijn, zouden worden uitgegeven. Een paar weken na mijn verhuizing schreef ik de eerste brief. Ik heb er nooit antwoord op gekregen.
Eerlijk
Soms word ik heel boos op politici en dan moet ik me beheersen om niet in ordinair taalgebruik te vervallen. Daarom schrijf ik liever dan dat ik praat. Al schrijvend kan ik me beter beheersen.
Femke Halsema en haar GroenLinks presenteren vandaag de nota “ Vrijheid Eerlijk Delen”. Daar staan een paar hele goede dingen in. Bijvoorbeeld dat mensen met een uitkering voor dat geld moeten gaan werken. Eén van mijn zonen zit in die situatie en sinds hij voor zijn uitkering werkt knapt hij zienderogen op. Er is in ieder geval voorkomen dat hij is afgegleden in algehele apathie.
Maar er staat ook iets in waar ik bijna van ontplof. Namelijk dat oudere werknemers heel veel bescherming genieten en dat dat maar eens afgelopen moet zijn ten gunste van flexwerkers en jongeren. Ik ben er voor dat flexwerkers en jongeren meer bescherming moeten krijgen, maar waarom moet dan ten koste van ouderen? Zoals ik. Want als je 50 bent, ben je op de arbeidsmarkt oud. Stokoud.
Mensen van mijn leeftijd zijn over het algemeen jong met werken begonnen voor weinig geld. In de journalistiek was het in de jaren zeven en tachtig hard werken. Toen waren er geen 36-urige werkweken en roosters waar jongeren van nu mee zijn opgegroeid. Het woord compensatie was een vloek. Wij werkten totdat we omvielen. Vijftig, zestig uur in de week.
En eindelijk behoor je dan tot die “ouderen”, zijn je kinderen de deur uit en kun je zelf een beetje gaan genieten van je zuur verdiende centen. En dan komen mevrouw Halsema c.s. vertellen dat jij niet meer beschermd hoeft te worden en gemakkelijker ontslagen moet kunnen worden. Zouden zij wel weten dat de arbeidsmarkt iedereen boven de vijftig heeft afgeschreven. Je komt dan niet meer aan de bak. Werkgevers hebben liever jongeren, die veel goedkoper zijn. Of flexwerkers die weer van de hand gedaan kunnen worden.
Ik ken flexwerkers die meer uren draaien dan mensen met een vast contract. Gewoon omdat veel werkgevers hun vaste mensen buiten zetten en met flexers gaan werken. Die mensen hebben weliswaar geen zekerheid, maar dat heb je tegenwoordig met een vast contract ook niet meer.
Er staan echt heel veel goede dingen in de GL-nota en ik ben het met de partij eens dat er meer solidariteit moet zijn tussen ouderen en jongeren. Maar van zo'n verhaal over oudere werknemers die zich het schompus hebben gewerkt en die nu maar minder beschermd moeten worden schiet ik spontaan in een depressie.
Tijdperk
De deur van het toilet stond open en ik zag een stagiair driftig in de weer rond de toiletpot.
“Hebben ze je wijs gemaakt dat stagiairs eenmaal per week de plee moeten poetsen?” vroeg ik.
“Nee,” zei hij, “ik heb hondenpoep aan mijn schoen en dat probeer ik er nu af te krijgen.”
“Bij de krant lieten wij stagiaires wel eens naar de Israëlische ambassade bellen om te vragen wanneer het joodse kerstfeest was,” zei ik.
“Dat was dan zeker voor het google-tijdperk,” zei hij droog.
Buiten
Het verslag van Gerri Eickhof over de herdenking van de slachtoffers van de brand in het cellencomplex op Schiphol-Oost trof me.
In het NOS-Journaal vertelde hij dat de nabestaanden blij waren dat de ministers Donner en Verdonk er bij waren en dat ze toespraken hielden. De aanwezigheid van verschillende geestelijken slechtte de muren tussen de geloven.
Op de vraag of de mensen ook boos waren, zei hij dat de mensen gisteren boos waren en morgen weer boos zullen zijn, maar dat ze vandaag met hun gedachten bij de doden waren. Vandaag was er alleen maar rouw. De mensen binnen waren één in hun verdriet.
Alleen buiten stond een klein plukje demonstranten. Nederlanders.
Vrijpostig
De vrouwen van de Tv-redactie babbelden vrijmoedig over lage spijkerbroeken en strings. Vroeger spraken vrouwen niet openlijk over zulke zaken in aanwezigheid van mannen. Vrouwen hielden er toen rekening mee dat mannen zich opgelaten zouden kunnen voelen. Maar de tijden zijn veranderd. Vrouwen hebben de ruwe gewoontes van mannen overgenomen.
Stilaan heb ik er wel wat van opgestoken. Bijvoorbeeld dat je beter een lage spijkerbroek kunt dragen omdat een hoge spijkerbroek de indruk wekt dat je veel kont hebt. De vrouwen van de Tv-redactie gebruiken zulke woorden gewoon waar ik bij zit.
Toen ik mij verlegen een moment terug trok op de gang en daarna weer terug kwam zeiden ze speciaal tegen mij: weet je dat lage strings op dit moment in zijn. Alleen maar om mij te pesten.
En voordat ik het wist liet ik mij ontglippen: “ik ben niet geïnteresseerd in strings die in zijn, ik ben slechts geïnteresseerd in strings die uit zijn”.
Ik schrok van mijn eigen vrijpostigheid. De vrouwen van de Tv-redactie gingen toen wel meteen weer aan het werk.
Bang en arm
Wie zou als eerste gezien hebben dat het raam van de werkkamer van Verdonk beschadigd was? En aan wie zou hij of zij dat hebben gemeld? En wie zou toen hebben gezegd dat er op de werkkamer is geschoten? En wie zou dat toen tegen de pers hebben gezegd?
Allemaal vragen die mij interesseren nu blijkt dat de beschadiging niet door een kogel is veroorzaakt. Alle media meldden vorige week dat er op het raam was geschoten. Ik heb ze er nog eens op nageslagen. Het staat er echt. Hier en daar wordt nog een klein slagje om de arm gehouden, maar dat is zo goed verstopt dat het nauwelijks opvalt. Opwinding dus in de media en in de politiek. Het was één groot papegaaiencircus van elkaar napratende mensen.
Maar, jongens en meisjes, zijn we niet een beetje op hol geslagen met z’n allen? Als twee mannen in djellaba's in een toilet van een trein hun tandjes poetsen ligt het treinverkeer uren plat. En als er een raam van de kamer van een minister is beschadigd dan is er meteen op geschoten. We worden een beetje paranoïde.
En terwijl iedereen vrijdag met het raam van de werkkamer van Verdonk bezig was nam het kabinet een besluit waar ik weinig over heb gehoord. Minima krijgen geen fiscaal voordeeltje. De Tweede Kamer wilde dat wel, maar het kabinet weigert het uit te voeren. Zalm vindt dat mensen die nooit een belastingformulier hebben ingevuld nu ook niks terug kunnen krijgen. De logica ontgaat mij, maar het maakt wel duidelijk wie er in Nederland de dienst uit maken. De kille rekenmeesters en de paniekzaaiers. Houden jullie ze arm, houden wij ze bang.
Zwart/wit
We waren gisteravond op een huwelijksjubileum in een klein Veluws dorp dat vroeger tot mijn journalistieke jachtterrein behoorde. Niet dat ik er veel ving want het is een zwart ondoordringbaar bolwerk dat wordt gedomineerd door streng hervormden.
Ik raakte er in een geanimeerd gesprek met een vrouw die ik nog vagelijk kende van vroeger. Ze had haar dochter bij zich, die ik begin twintig schatte, maar die zestien bleek te zijn. Het meisje was, wat je noemt, een Rubensiaanse schoonheid. Ik vroeg het meisje wat ze deed voor de kost en ze vertelde me dat ze net was begonnen aan een opleiding communicatie en marketing. “Communicatie is een mooi vak,” zei ik.
Ze knikte verlegen. “Ik was liever naar de tekenacademie gegaan,” zei het meisje.
“Waarom heb je dat dan niet gedaan?” vroeg ik.
“Omdat mijn opa zegt dat er met tekenen geen geld valt te verdienen. En daarom ben ik dit gaan doen. Misschien dat ik later nog wel eens een tekenopleiding ga doen,” zei ze.
“Je opa”, vroeg ik recalcitrant. “Wie is nou helemaal je opa?”
Ze vertelde me wie het was. Ik kende hem van vroeger. Hij heeft een winkel die gespecialiseerd is in zwarte kleding voor zwaar gereformeerden. Mensen uit heel Nederland kopen bij hem. Hij is in die kringen een man van groot aanzien. Ik begreep wel dat het weinig zin had om een verhaal af te gaan steken over het ontwikkelen van talent, het volgen van je hart, het uitbreken.
“Ze heeft wel heel veel talent”, zei de moeder. “Maar ja, volgens mijn vader kun je daar niks mee verdienen. Hij is een echte handelsman hé.”
"Ik heb mijn eerste opdracht al en misschien krijg ik er nog eentje," zei het meisje.
“Wat teken je zoal,” vroeg ik oprecht geïnteresseerd.
“Zwart-wit foto’s,” zei het meisje.
“Hoe bedoel je?” vroeg ik. Ze pakte haar mobieltje en gleed met haar vingers razendsnel over de knopjes. In het schermpje verscheen een zwartwit foto van U2. “Kijk,” zei ze, “ik ben naar een concert van U2 geweest.”
“Ja dat zie ik, dat is een foto van U2. Maar wat teken je?” vroeg ik.
“Dit,” zei ze verlegen lachend, “dat is mijn tekening.” En ze liet me er nog een paar zien. Tekeningen die – althans op dat kleine scherm – niet van foto’s waren te onderscheiden.
Zo mooi.
Opa, mag ik u bidden laat dit kind in Godsnaam los.
Grote Heide
Wat een feest van herkenning was dat deze week. De beelden van en de verhalen over de wijk de Grote Heide in Neerpelt. John Mieremet woonde er en er blijken in die wijk de afgelopen jaren al meerdere Nederlanders vermoord te zijn. Ik ken die wijk. Vrij goed zelfs.
Hoe dat kan is een lang verhaal, tenminste voor een weblog. Het is bovendien een verhaal dat ik eigenlijk liever niet vertel want het legt mijn naïviteit en goedgelovigheid in de mensheid pijnlijk bloot. Het is het verhaal dat mijn vertrouwen in de mensheid een behoorlijke deuk gaf. Ik vertel het toch. Opschrijven is verwerking. En omdat het weekend is kan het best eens een wat langer verhaal zijn.
Een jaar of acht geleden ontmoetten we een echtpaar. Laten we zeggen dat we een gezamenlijk probleem hadden dat ons bij elkaar bracht. Het klikte en we raakten bevriend. Zij was wat je noemt een topsecretaresse en hij was bedrijvenmakelaar. Zijn zaken gingen goed.
Op een dag vertelden ze ons dat ze met een enorme transactie bezig waren die hen in één klap 8 miljoen gulden zou opleveren. Voordat die zilvervloot zou binnenvaren wilden ze zo snel mogelijk naar het belastingparadijs België verhuizen.. Ze lieten hun oog vallen op een villa in Grote Heide, vlak bij Mieremet zal ik maar zeggen. Het was een enorm huis, waar wij vaak op bezoek gingen. We wandelden dan met onze honden door die bosrijke Grote Heide en vooral Marlies en ik vergaapten ons aan de weelde. Ze hadden een aanbetaling gedaan op het huis en zouden de rest betalen als de miljoenen binnen waren.
Na verloop van tijd werden onze vrienden nerveus. Het geld waar ze op gerekend hadden kwam niet. Dat had te maken met de aanslag op de Twin Towers waardoor bepaalde tegoeden waren bevroren. Ze moesten hals over kop de kapitale villa uit en raakten op drift. Ze logeerden in hotelletjes en tijdens onze vakantie een paar weken in ons huis. Uiteindelijk kwamen ze terecht in een huisje op een camping in de Kempen.
Het was allemaal maar tijdelijk, zeiden ze want ze waren nu bezig met een schilderijentransactie naar een Arabisch land. Die zou hun vele miljoenen guldens opleveren. We hoefden ons geen zorgen te maken. Het moment van de geldoverdracht liet weer op zich wachten. Maar uiteindelijk kregen ze dan toch de toezegging dat het geld onderweg was. Het zou door internationale regels nog een week zou duren voordat het op hun bankrekening stond en of ik hun een paar duizend gulden wilde lenen om die laatste week te overbruggen? Ik zou het over acht dagen dubbel terugkrijgen. Ik was zo gek niet of hielp onze vrienden.
Na maanden had ik mijn geld nog niet terug , want ook de tweede zilvervloot was ergens op één van de financiële wereldzeeën opgehouden. Op een koude winteravond spraken we of in hun huisje op de camping. Voor het eerst spraken wij toen openlijk onze twijfel uit over de verhalen die ze ons hadden verteld. We hoefden niet te twijfelen zeiden ze. Alles zou goed komen. Vanaf dat moment was het contact wel op een laag pitje komen te staan want het vertrouwen was weg. We hoorden niets meer en hadden zelf ook niet meer zo’n behoefte contact op te nemen.
Een paar maanden later kregen we een brief. Ze waren weg van de camping en hadden een huisje gehuurd in een Belgisch dorpje, ver weg van de Grote Heide. Binnen een week zouden ze hun kapitaal krijgen en zouden ze het geld dat ik aan hun geleend had op mijn rekening storten. Met een riante rente uiteraard.
Maanden hoorden we niets meer. Tot opeens de telefoon ging. Zijn oude moeder was overleden (ik heb het later nota bene gecheked en dat klopte) en ze wilden graag dat Marlies op de uitvaart zou zingen. We stonden op het punt naar het buitenland te gaan, dus Marlies kon niet aan dat verzoek voldoen. Onze oude vrienden waren daardoor zo beledigd dat ze acuut de vriendschap opzegden.
We hebben al jaren niets meer van ze gehoord. Ik heb m’n geld ook nooit meer terug gezien. Wat gebleven is zijn de mooie herinneringen aan de Grote Heide.
