Snel


We aten in het dorp in het plaatselijke restaurant. Het was er niet druk. De kaart zag er goed uit en de prijzen waren redelijk. Op tafel lag een reserveringsformulier voor de kerstbrunch. Daar moet je vroeg bij zijn. Er zal een kerstaccordeonist optreden en de kinderen mogen in Harry Potterkleding komen. Maar verder was het er goed.

Er kwam een jongeman binnen die aan het tafeltje naast ons ging zitten. De ober gaf hem de menukaart en schikte het eetgerei. Of hij alvast iets wilde drinken? De jongen bestelde een pilsje.

De jongeman bestudeerde de kaart. Hij nam zijn tijd, maar uiteindelijk sloeg hij het boekje dicht en legde het terzijde. De ober snelde toe. Hij had verder weinig te doen.

“Ik heb geen honger,” zei de jongen. “Doe maar een ijsje”.

“We hebben ook een kleine kaart,” zei de ober.

“Een kleine kaart?” vroeg de jongen.

“Ja,” zei de ober. “Met kleine gerechten voor als je niet zo’n grote honger hebt.”

“Ik heb helemaal geen honger,” zei hij. “Ik wil alleen maar een dame blanche”.

“Een dame blanche,” herhaalde de ober en hij verdween achter de deur van de keuken. Twee minuten later serveerde hij de jongen zijn dame blanche.

“Nou,” zei de jongen, “dat is een snelle kok”.








"De Vriendschap"


Gisteravond bedacht ik me opeens dat ik best op veel bijzondere plaatsen heb overnacht. Dat kwam omdat ik afgelopen nacht ook weer op zo’n aparte plaats geslapen heb.

In Nicaragua logeerde ik in een 1ste klas kamer van een gloednieuw ziekenhuis, midden in een krottenwijk. Ik heb wel eens een nacht op een berenvel in een nagebouwd prehistorisch huis geslapen. Op Sicilië sliepen we in een omgebouwde varkensstal. In Calabria sliepen we in een voormalige dorpsschool. In Zuid-Engeland heb ik wel eens in een postkantoortje geslapen. In hotel New York in Rotterdam sliep ik in een kamer die vroeger toebehoorde aan een directeur van de Holland-Amerikalijn.

En wat te denken van ons eigen huis. Op de plaats waar ons bed staat was veertig jaar geleden een autogarage, later stonden er de koelvitrines van een kruidenierswinkel en toen wij het pand kochten was onze slaapkamer een instructielokaal van een duikleraar.

Afgelopen nacht sliepen we in een museum, dat hadden we nog niet eerder meegemaakt. Het was in Stompetoren vlak bij Alkmaar. Daar staat de stolpboerderij “De Vriendschap”, die in 1890 werd gebouwd. Nu is het een pension en een museum met Westfriese snuisterijen. Onvoorstelbaar veel Westfriese snuisterijen.

Op de voormalige hooizolder heeft de eigenaresse twee verdiepingen gemaakt. Langs de wanden zijn allemaal kamertjes, douches en toiletten. Daartussen zijn vitrines met al die Westfriese spullen. Je stapt als het ware vanuit je kamertje zo in het museum. In het begin keken we even vreemd op maar naar verloop van tijd konden we het wel waarderen. Ik kan het  iedereen aanraden.

Het is allemaal heel simpel, maar alles wat een mens nodig heeft is er. “We zijn geen Krasnapolsky,” zei de eigenaresse. En dat kan ik niet controleren, want daar heb ik toevallig nooit geslapen.

We hebben gisteren een wandeltocht gemaakt door de Kennemerduinen en vandaag hebben we door de polder bij Broek in Waterland gelopen. En dan is “De Vriendschap” een prima overnachtingsplek. ’t Kost er maar 25 euro per kamer en 5 euro voor een ontbijt. Waar vind je dat nog?









Bananenrepubliek



ba·na·nen·re·pu·bliek (de ~ (v.))
      1 [scherts.] kleine Midden-Amerikaanse republiek met een hoge bananenproductie 
      2 [pej.] land met instabiele politieke toestand


Ik dacht vandaag iets te gaan schrijven over een bananenrepubliek maar toen ik er de Dikke van Dale op nasloeg, sloeg hij op zijn beurt de grond onder mijn logje vandaan. De Dikke en ik geven namelijk een andere uitleg aan het woord. Ik zeg het maar even zodat u weet dat het onderstaande niet geautoriseerd wordt door Van Dale.

Dat ik er een andere uitleg aan geef heeft te maken met jurisprudentie. Dat is in dit verband ook geen goed woord, maar nu ik toch aan het zondigen ben maakt dat niks uit. En die jurisprudentie heeft weer te maken met Nederland-Gidsland. Wij Nederlanders roepen namelijk heel gemakkelijk dat een land een ba-na-nen-re-pu-bliek is. Italië is een bananenrepubliek vanwege de maffia. België is een bananenrepubliek vanwege het conflict tussen de Vlamingen en de Walen. Frankrijk is een bananenrepubliek omdat daar zoveel wordt gestaakt dat je blij bent als het openbare leven een week achter elkaar openbaar is.

Ik ga vandaag aan die betekenissen een nieuwe toevoegen. Een bananenrepubliek is een land waar een politicus wordt vermoord vanwege zijn ideeën. Een bananenrepubliek is een land waar een cineast wordt vermoord vanwege zijn mening. Een bananenrepubliek is een land waar politiekorpsen drugs doorlaten, zogenaamd om grote vissen te vangen. Een bananenrepubliek is een land waar bouwbedrijven elkaar de bal toespelen en zo de staatskas plunderen. Een bananenrepubliek is een land waar de organisatie die aanbevelingen doet over brandveiligheid na de dood van elf vreemdelingen (dat is pas een gek woord) roept dat het niet haar taak is te controleren of die aanbevelingen ook zijn uitgevoerd. Empfehlung is empfehlung.

Nou Dikke, in de volgende editie verwacht ik een aanvulling. Als het wat te veel voorbeelden zijn dan kun je het ook samenvatten door achter ba-na-nen-re-pu-bliek alleen de naam te vermelden van het land waar dat allemaal voorkomt.








Heksen


Het is een beetje als wanneer je een auto koopt, herinner ik me uit de tijd dat ik nog wel eens een auto kocht. Zodra je er de snelweg mee op draait zie je dat model van jou overal. Datzelfde heb ik nu met heksen. Een tijdje geleden vroegen collega’s die een programma gaan maken over heksen of wij op de centrale redactie extra alert wilden zijn op alles wat met hekserij te maken had. Wij wezen zo onopvallend mogelijk in een bepaalde richting van het bedrijf, maar toen bleek dat wij het niet goed hadden begrepen. Na enige verduidelijking snapten wij wat de bedoeling was.

En plotseling zijn heksen een hypje. Een andere collega vertelde dat ze een meningsverschil had met haar man over heksen. Zij had de kinderen namelijk verteld dat er ook goede heksen zijn. De witte, die deugen. Hij vond dat ze de kinderen bang maakte. En er blijken, een week of wat voor Halloween, nogal wat lezingen over heksen te zijn.

En nu lees ik dat een mevrouw in het noorden van het land de kosten voor een heksenopleiding van de belasting mag aftrekken. In HP/De Tijd staat deze week een verhaal met Susan Smit die al jaren als heks door het leven gaat en zelfs BN’ers schijnt te zijn. Sorry, dat was me ontgaan en dat is jammer want die Susan is bepaald geen lelijke vrouw met een haakneus en een wrat op haar kin.

Ik ken geen echte heksen. Nou ja, Susan Smit nu dus. En die uit de Efteling, maar die is niet echt. Zeggen ze. En Eucalypta, ook verzonnen. En ik ken de Witte Wieven die boven de Peel hangen en die eigenlijk mistflarden zijn. Dus ook niet echt. Er zijn wel vrouwen van wie ik vermoed dat ze heks zijn, maar zolang ze niet op een bezem vliegen krijgen ze van mij het voordeel van de twijfel.

Heksen? Het schijnt dat ze voorzien in de behoefte van mensen die naarstig op zoek zijn naar spiritualiteit. Maar ik kijk er ook niet gek van op als iemand mij vertelt dat ze bedacht zijn door de middenstand om de verkoop rond Halloween een beetje op te krikken.








Kleuren


Met D66 heb ik nooit zoveel gehad. Ik zie die club altijd als een kind dat de ene keer moeder helpt met de afwas en de andere keer samen met vader de auto wast en dat daarna altijd met een lollie en een kleurplaat aan de keukentafel wordt gezet terwijl in de huiskamer de familie gezellig rond het haardvuur zit.

Af en toe jengelt het kind want het wil op z’n tijd aandacht. Pechtold zette vorige week de toon en werd meteen door de gevestigde orde neergesabeld. Sorry, sorry, sorry riep hij terwijl hij zijn handen beschermend boven zijn hoofd hield. Ga jij maar kleuren en binnen de lijntjes blijven, zeiden ze. Dat is natuurlijk ongelofelijk arrogant van die gevestigde orde, maar dat is de enige orde die zij kennen. Hou jij ze dom, hou ik ze arm.

Het ettert al en week, maar behalve Pechtold had ik er nog geen D66’er over gehoord. Totdat Boris Dittrich gisteren opeens te hulp schoot. Ruzie in de coalitie. Ik tel mijn zegeningen.

De vraag is waarom Dittrich nu pas zijn mond open trekt. Hij zal wel tijd nodig gehad hebben om na te denken. Maar eerlijk gezegd denk ik dat Boris zijn eigen kleurplaat een beetje had verprutst en een nieuwe wil. En die zal hem ongetwijfeld – samen met een verse lollie - heel snel worden aangereikt zodat hij weer een poosje zoet is. En de ruzie zal niet meer blijken te zijn dan een rimpeling.

Straks, als er weer verkiezingen zijn, zal het kind z’n kansen wegen en beslissen welk kleurpotlood het moet pakken: het rode, het blauwe of het groene. Het zal al die anderen een worst wezen, als D66 maar de afwas doet en bij het kleuren binnen de lijntjes blijft. En dat zal het ijverig doen. Met het puntje van de tong uit de mond.








Punt. Uit.


U kent vast wel dat moment waarop een trotse ouder voor het eerst haar – meestal zijn het vrouwen – boreling aan de collega’s komt tonen. Kind in de wagen; beschuit, muisjes en boter in de tas. Iedereen buigt zich over de kinderwagen en roept dat het een prachtig kind is. Ook al steekt er een gedrochtje boven het dekentje uit. Niemand zal het in z’n hoofd halen om het jonge moedergeluk te verstoren.  Nee, een pasgeboren baby’tje is het mooiste kind van de wereld. Punt uit, einde discussie.

Een bekende van ons is kortgeleden vader geworden. Zijn zus, die al lang moeder is, pakte ter gelegenheid daarvan de eerste foto’s van haar eigen kindje er nog eens bij. Je wilt toch weten of er gelijkenis is tussen de neefjes? Even voor de duidelijkheid: dat kindje van die zus is nu een lekker jong met een vrolijk brutaal koppie. Niks mis mee. Maar in die eerste maanden . . .

Laat ik die moeder zelf maar even aan het woord laten. “Hoe hebben jullie,” zei ze tegen familieleden, “nou toch tegen ons kunnen zeggen dat het een knap kind was. Waarom heeft niemand tegen ons de waarheid gesproken?”

Omdat een pasgeboren baby’tje nou eenmaal het mooiste kind ter wereld is. Daarom. Punt. Uit.








States


Jongens waren we, nieuwsgierige jongens. We gingen naar het Oostblok. Naar landen achter een IJzeren Gordijn, waar het heel anders toe ging dan bij ons. Ons? West-Europa en de United States natuurlijk.

Mijn hemel wat vonden wij dat gekke landen, die oostbloklanden. We moesten bij de grens precies vertellen waar we naar toe gingen. Wisten wij veel hoe het daar allemaal heette. En vragen die soldaten. . . . . Tjezus, wat kon die vragen. Of we brieven bij ons hadden en boeken en pornoblaadjes. Achterdochtige mensen waren het.

We hadden wel spannende verhalen als we thuis kwamen, want natuurlijk hadden al die ondervragers het geweer in de aanslag. Nou, de thuisblijvers wisten het wel. Als die ooit geld over hadden dan werden het de States. Aan hun lijf geen polonaise.

En wat lees ik vandaag in het NRC: luchtvaartmaatschappijen zijn vanaf vandaag verplicht om de eerste verblijfplaats van passagiers naar de VS door te geven aan de Amerikaanse autoriteiten. Inclusief de postcode.

Bij aankomst in de States worden vingerafdrukken genomen. Journalisten mogen voortaan alleen nog maar binnen met een visum.

’t Kan verkeren zei Bredero. Maar dat was ver voordat wij jongens waren.








Afkicken


De discussie is al zo oud als het probleem zelf: moet je drugsverslaafden verplicht laten afkicken? Nijmegens burgemeester Guusje ter Horst pleit daarvoor in de Volkskrant. En direct vallen hulpverleners over haar heen. Ze wijzen op onderzoeken waaruit blijkt dat verplicht afkicken niet helpt als je de verslaafden daarna niet intensief begeleidt.

Ik ben geen deskundige, maar slechts inwoner van een provinciehoofdstad waar – net als in andere steden – steeds meer verslaafde dak- en thuislozen mijn pad kruisen. Letterlijk, want ze hangen rond op de route die ik dagelijks van huis naar het station loop. Verderop, gelukkig ver genoeg van mijn huis, is een opvang voor drugsverslaafden. In een keurige wijk met statige, onbetaalbare, herenhuizen. Sinds de opening van de opvang is de kleine criminaliteit in die wijk met 1700 (zeventienhonderd) procent toegenomen. Auto-inbraakjes, fietsendiefstalletjes, vernielingen, u kent dat wel. Van die dingetjes waar we onze schouders over ophalen. Totdat het je eigen auto is natuurlijk en je een halve week bezig bent met geregel en gedoe.

Ik vind die verslaafden niet echt bedreigend, daarvoor zijn ze te zwak en ik kan hard lopen als het moet. Maar vorige week was mijn schoonmoeder op bezoek. Met de trein. Mijn vrouw liep met haar mee terug naar het station. Toen ze weer thuis kwam zei ze dat haar moeder erg schichtig had gedaan over die verslaafden. Mijn vrouw kon zich voorstellen dat die voortdurend schreeuwende mensen bedreigend zijn voor ouderen zoals mijn schoonmoeder die niet sterk en snel zijn.

Hulpverlener Jaap Fransman hamert er in de Volkskrant op dat gedwongen afkicken niet helpt. Jarenlang onderzoek heeft dat uitgewezen. “Misschien moet de burger er toch aan wennen dat bepaalde groepen verslaafden altijd overlast zullen veroorzaken,” zegt hij. Politici praten hem na. Je mag ze pas oppakken als ze een gevaar zijn voor zichzelf of hun omgeving. En een gevaar is iets anders dan een al dan niet vermeende bedreiging. Leg dat maar eens aan mijn schoonmoeder uit. En aan al die andere angstige mensen.

Ik vind dat allemaal een beetje te simpel. Teveel gedacht vanuit de client, zal ik maar zeggen. De vraag is hoe je die verslaafden wel op een effectieve manier kunt aanpakken. Dat mis ik in de discussie. Het lukt alleen maar, zo lees ik in de krant, als je ze na hun behandeling een goede nazorg geeft. Gebeurt dat dan nu niet? Blijkbaar niet want ik lees ook dat het weer mis gaat zodra die mensen buiten de instelling komen. Ben ik nou gek of deugt het systeem niet?

Misschien moeten politici eens door hun goedbetaalde wetenschappelijke bureau’s laten uitrekenen wat goede nazorg kost in vergelijking met de schade die drugsverslaafden veroorzaken.








Krant (niet)


Inmiddels werk ik langer bij radio (en TV) dan ik bij de krant heb gewerkt. Toch merk ik nog regelmatig dat ik in mijn hart een krantenmens ben. Ik hou van diepgang in de journalistiek en die vind ik alleen maar bij kranten (en tijdschriften). Radio en TV zijn oppervlakkige en vluchtige media geworden. Ik wil ook papier in mijn hand hebben en zelf beslissen wat ik lees en wanneer ik de pagina’s om sla. Een dag zonder krant is voor mij een verloren dag.

Vanmorgen was mijn deurmat helemaal leeg. Geen van beide dagbladen waarop wij zijn geabonneerd waren bezorgd. Dat is gek want ik weet bijna zeker dat ze verschillende bezorgers hebben. ’t Kan toch niet dat ze allebei onze deur voorbij zijn gegaan.

’t Eerste wat ik dan doe is op Teletekst kijken om te zien of er tijdens mijn nachtrust een zo grote ramp is gebeurd dat het logisch is dat de krant later komt omdat ze het laatste nieuws mee wil pikken. Niks van dat alles. Dus dan maar bellen. Die tochten door de krochten van de aboneeservice-afdelingen ga ik u besparen. Dat is een kans voor open doel die zelfs ik te simpel vind.

Ik zit nu te wachten tot mijn kranten komen, maar mijn dag is al bedorven. Blijf maar gewoon uit de buurt. Laat mij maar alleen. En als Broer niet heel snel zijn kattenpoot van de muismat haalt dan . . . . . Ja, dan, dan, dan . . . gebeurt er wat . . . .








Leuk


“Dat is leuk voor je weblog, man,” zei mijn grote blonde sportcollega.

“Mwaaahhhhh,” aarzelde ik.

“Jawel man, da’s leuk,” drong hij aan.

Ik kan hem moeilijk iets weigeren want hij zorgt met zijn levenswijsheden regelmatig - onbedoeld - voor inspiratie. Dus ja, als hij zelf aandringt . . .

Wat is er dan zo leuk? Nou, dat ik in de auto nooit Omroep Brabant ingeschakel maar Q-music. En dat ik dan het geluid uit zet omdat het mij alleen maar gaat om de informatie op de display. Daarop kun je lezen waar de politieflitsers staan.

“En wat is daar dan leuk aan?” vroeg ik.

“Nou dat jij de radio aan zet om er naar te kijken.”

Ja, leuk.








Truc


Op het parkeerterrein van de supermarkt stopte een auto en de bestuurder vroeg of hij iets mocht vragen. Zeg daar als journalist maar eens nee tegen. Hij kwam van een beurs, zei hij, en hij had een schitterende Solingen messenset over. Het was de laatste. Normaal honderden euro’s, ik mocht hem hebben voor alleen de BTW. Een prikkie dus eigenlijk. Op de bijrijdersstoel lag een doos, half verscholen onder een colbert.

Ik kende die truc maar wist niet meer precies waar de klepel hing. "Je gelooft toch zelf niet dat ik daar in trap," zei ik in een refelex. Hij zei niets meer en reed meteen weg. Met de onvervalste Solingencassette ter waarde van honderden euro’s.

Thuisgekomen herinnerde ik me dat mijn schoonvader eens iets dergelijks was overkomen met een BK pannenset. Ik wist alleen niet meer hoe dat was afgelopen. Dus gebeld. Hij vertelde me dat hij daar 650 gulden voor moest betalen maar dat hij de pannen uiteindelijk kreeg voor de honderd gulden die hij op dat moment in huis had. O ja, en een herinneringsmunt voor het een of ander ter waarde van vijftig gulden.

Ik keek eens in de portemonnee die ik die middag bij me had gehad. Er zat een briefje van tien euro in en een winkelwagenmuntje van de Intratuin. Misschien had ik wel . . . Nee, tuurlijk niet. Het was een oplichter. Of niet natuurlijk.








Smoeder


Er zijn mensen die mij complimenteren met mijn stukjes over mijn vader. Dat vleit me. Ik ben er spontaan mee begonnen en nog steeds weet ik niet waar het naar toe gaat. Ik heb er wel gedachten over, maar die zijn nog niet uitgekristalliseerd.

Gisteravond zag ik in de Bossche Verkadefabriek de theatervoorstelling Smoeder (voor de niet-Brabanders: onze moeder) van de van oorsprong Brabantse acteurs Marcel Musters en Maria Goos. Ze bespraken aan de keukentafel het leven van hun overleden moeders.

Het idee voor deze dialoog ontstond toen de moeder van Marcel stervende was. Hij was de laatste weken bij haar en onderhield contact met vrienden via e-mail. Eén van die vrienden is Maria, wier moeder twintig jaar geleden overleed. Goos hoorde het nieuws van een buurvrouw. De mails fascineerden haar en brachten allerlei gedachten en gevoelens van twintig jaar geleden terug.

Een jaar na de dood van Marcels moeder vroeg Maria hem om op basis van wat zij beiden over hun moeders hadden geschreven een voorstelling te maken. Tijden lang ontmoetten ze elkaar elke maandagavond in een Thais restaurant in Amsterdam om aan het project – zoals Maria het noemde – te werken.

Het resultaat is ontroerend en humoristisch. Het publiek krijgt aan het begin tekst en uitleg van de acteurs over de manier waarop zij de voorstelling hebben gemaakt. Bijna ongemerkt gaat die inleiding over in spel. Spel en realiteit worden als het ware verweven en dat geeft een bijzondere spanning aan Smoeder. Langzaam maar zeker veranderen de kinderen in hun moeders die vanaf de plaats waar ze nu zijn zelf hun leven beschouwen. Zo worden die levens als het ware van twee kanten belicht. Een goeie manier voor de kinderen Musters en Goos om antwoord te krijgen op de vragen die na het overlijden van hun moeders zijn gebleven.

Denk niet dat het een loodzware voorstelling is. Integendeel, hij zit vol humor en zelfspot. Ik was vooral getroffen door de eerlijkheid waarmee Musters en Goos het onderwerp behandelden en de liefde die zij – terugkijkend – voor hun moeders toonden. Na het schrijven van elk stukje over mijn vader vraag ik me af: Stel ik het niet mooier voor dan het is? Of is het mooier dan ik me voorstelde? Ik probeer ook zo eerlijk mogelijk op te schrijven wat ik zie en voel. Ook als dat minder flatteus is. Het oordeel vel ik later wel.

Een inspirerende voorstelling, die nog op verschillende plaatsen te zien is.

www.mugmetdegoudentand.nl








Justitie


Justitie ligt onder vuur. Een paar recente blunders en vrijspraken maken het er voor een gemiddelde justitiemedewerker niet leuker op tijdens verjaardagsfeestjes. Sinds een paar dagen slaat justitie keihard terug. Er werden enkele terreurverdachten gearresteerd en gisteren werden de Hells Angels aangepakt. Het zal wel aan mijn journalistenhart liggen, maar ik wantrouw het zaakje.

Mijn eerste gedachte was: ze hebben wat goed te maken. Ze willen de discussie over een centrale aansturing van de politie letterlijk en figuurlijk kracht bij zetten. Hoewel, volgens mij is dat toch wat te simpel gedacht van mezelf. Ik denk dat ze bij justitie echt werk willen maken van de aanpak van zware criminaliteit en terreurdreiging.

Maar dan vraag ik me wel af: wat heb ik als burger aan die acties? Ik heb nog nooit last gehad van Hell’s Angels of Samir A. die hard op weg is de meest vrijgesproken man van Nederland te worden. Ik heb last van coffeeshopbezoekers die hun afval in onze straat dumpen. Ik stoor me aan opgeschoten jongens die joints kopen, ze voor onze deur doorverkopen aan kinderen van twaalf en die mijn vrouw uitschelden als ze daar iets van zegt. Ik irriteer me aan psychisch gestoorde junks die elke dag achter me aanlopen en een eurootje vragen voor een kopje koffie.

En weet je waar ik nou zo bang voor ben? Dat de landelijke directieraad die de politie gaat aansturen vooral voor het oog van de camera’s wil scoren met grof geweld. En dat dan de kleine dagelijkse ergernissen van de mensen nooit zullen worden aangepakt. En dat ze dat bij justitie niet begrijpen. Ik hoop nou maar dat ze het één blijven doen en het andere niet vergeten.








Bijna tachtig (14)


Overmorgen gaat mijn vader definitief naar huis. Zijn revalidatie in het verpleeghuis zit er op. Hij heeft al een dagje proef gedraaid. “Hoe ging het?” vroeg ik. Hij trok zijn neus op en schudde zijn hoofd. Daaruit moest ik afleiden dat het niet goed was gegaan. Het was vreemd, zei hij, om na bijna vier maanden weer in zijn huis te zijn. ’t Was er stil. Hij zag er tegenop definitief naar huis te gaan. “Maar ja, het zal moeten. Niet te kinderachtig,” sprak hij zichzelf moed in.

Vorige week, vóór de proefdag, was mijn vader nog enthousiast. Hij maakte plannen om zijn tachtigste verjaardag te vieren. Er is een nieuw restaurant waar hij graag naar toe wil. Mijn vader dacht er zelfs over volgend jaar een bootreis over de Rijn te gaan maken. Hij zou zeker al in februari moeten boeken om nog een plaatsje te kunnen krijgen.

Gisteren was er van de die plannen niets meer over. De stemming was 180 graden omgeslagen. En de fonkelnieuwe donkerrode rollator is een onding. “Ik heb deze week ook weinig geoefend,” zei mijn vader.

Hij had ook geen idee hoe hij zich moest inschrijven voor een bejaardenhuis. “Zal ik eens bellen,?” vroeg ik. Dat hoefde niet. Thuis lag een boekje waar het allemaal in staat. “Dan is het toch makkelijk,” zei ik. “Ik weet niet,” zei mijn vader ’t Ging ook weer iets minder goed met zijn linkerhand en hij had weer pilletjes voor onder de tong.

Ik had voor dit stukje een bepaalde opzet in mijn hoofd, maar het gaat een beetje met me op de loop. Want ik begin stukjes van mijzelf in mijn vader te herkennen. Mopperend op wat me eigenlijk lief is. Enthousiast over dingen, maar somber als het tegen zit. Ik herken die wisselende stemmingen, die bij mij wel stabieler zijn geworden maar die niet helemaal slijten. Ik stop hier want ik wil het eind niet horen. Nog niet. Later misschien.








Elfje


Misschien was het vandaag wel de laatste mooie nazomerdag. Wie zal het zeggen? We hebben geen risico genomen en hebben de zon opgezocht. Net als heel veel Nederlanders. Allemaal met de snoet in de richting van de zon om de laatste stralen op te vangen. Net als zonnenbloemen. Nog vlug even bijkleuren voordat de herfstdepressie toeslaat.

Het was mooi in het herfstbos. En toen ik thuis kwam en mijn foto’s bekeek wachtte mij een buitengewone verrassing. Ik zag een elfje op een paddestoel met een blad op haar schouder. Dat had ik niet gezien toen ik de foto maakte.








Structuren


In een week waarin Merkel, de aardbeving in Pakistan, de arrestatie van Samir A. en de nieuwe spelling het nieuws domineerden is het verhaal over de camera’s in volksbuurt De Horsten in Rotterdam er een beetje bij ingeschoten. Toch trof het me.

In die buurt zijn camera’s opgehangen. Bewoners kunnen op hun buurtsite inloggen en kijken wat die camera’s registreren. Gewoon voor de fun. En die buurtsite is er dan weer om nieuwtjes op te zetten en zo de onderlinge band te verstevigen.

Het is een thema waar ik jaren geleden al eens een interview over had met Piet de Kroon, voormalig directeur van het Provinciaal Onderzoeksbureau Noord-Brabant. Een buitengewoon sympathieke en erudiete man. Het interview ging over de verandering van sociale structuren in Brabant. Vroeger waren hier hechte familie- en dorpsbanden maar met de individualisering van de maatschappij zit daar de klad in.

Piet hield mij voor dat dat zo erg niet is omdat er nieuwe structuren ontstaan. Hij zei dat mensen steeds meer contacten op afstand krijgen dankzij internet en sneller reizen. Dat laatste begreep ik wel, maar dat eerste niet want ik had toen nog niet eens internet. Ik ben een laatbloeier.

Inmiddels heb ik een weblog en staan mijn foto’s op Flickr. En verdomd, Piet krijgt gelijk. Daardoor ontstaan contacten. Niet fysiek maar geestelijk. Mensen schrijven hele verhandelingen naar aanleiding van mijn stukjes. Ze corrigeren me, vullen me aan en geven hun eigen gevoelens prijs. Een Italiaanse fotograaf vindt mijn foto’s mooi en maakt ze favoriet.
Geen van die mensen ken ik persoonlijk maar er ontstaat wel een soort band. ’t Is anders dan wanneer je met vrienden aan tafel zit en onder het genot van een goede maaltijd en een glas wijn de wereld in ogenschouw neemt, maar het is op z’n eigen manier waardevol. Ik heb het gevoel dat ik sommige webloggers al jaren en heel goed ken terwijl ik geen idee heb hoe ze er uit zien.

De ervaren loggers zullen zich hier niet meer over verbazen, ik verbaas me er nog steeds over. En dat hoop ik nog jaren te blijven doen.








Wereldspeler


In mijn verbeelding was ik nog maar net twintig, want ik had nog het halflange, plakkerige piekhaar. Blijkbaar is dat langer mode geweest dan ik dacht. Maar de feiten spreken voor zich, het was in 1981.

Wat nog wel duidelijk in mijn geheugen gegrift staat is de uitpuilende trein waarmee we van station Amersfoort naar Amsterdam-Centraal gingen. Het was een bont gezelschap dat zich als haringen in een ton had gewrongen. Oud en jong. Notabel en arbeider. De stemming was uitgelaten.

De tweede diepe indruk is de tocht zelf door de straten van Amsterdam. Wij liepen ongeveer in het midden, de staart was mijlenver achter ons. En daar begon het handgeklap dat als een auditieve wave over onze hoofden naar de kop van de stoet rolde waar de door ons geadoreerde Mient-Jan Faber liep en achter wie wij aan liepen. Kippenvel.

We demonstreerden met een half miljoen mensen tegen de komst van de vermaledijde kruisraketten. En we wonnen. Dat weten we na twintig jaar zeker.

Minister Kamp wil nu weer kruisraketten aanschaffen want wij moeten een wereldspeler zijn in het hoogste geweldsspectrum. Nederland, gidsland. In Amsterdam blijven de straten leeg. Het is niet hetzelfde als toen, hoor ik om me heen. Toen ging het om kruisraketten met een nucleaire lading. Maar moeten wij dan niet ten strijde trekken tegen de aan ons opgedrongen rol van militaire wereldspeler? Verbaasde blikken.

Tja, veel dingen zijn niet meer hetzelfde. Mijn haar bijvoorbeeld is nu kort en grijs.








Nikons


Mijn aandacht werd getrokken door twee oude Nikons op de tafel van de man achter ons in het Amsterdamse restaurant. Hij was alleen. Ik maakte hem een compliment met zijn onverwoestbare camera’s. Hij vertelde dat die al dertig jaar oud waren en dat hij daarmee al minstens twee keer de wereld rond was gereisd om alle grote gebeurtenissen te fotograferen. Er was de afgelopen dertig jaar geen dictatuur gevallen zonder dat hij er bij was geweest.

De man nodigde zichzelf uit aan ons tafeltje. Hij vertelde dat hij fotograaf en cineast was. “Net zo’n grote als Theo van Gogh, maar ik heb geen grote bek dus ik leef nog,” zei hij. Hij verhaalde over een documentaire die hij had gemaakt over Markus, die na enig doorvragen Gabriel Garcia Marquez bleek te zijn. Geweldige ervaring. Hij had in Den Bosch monseigneur Blijssens nog geïnterviewd. Bluyssen, zei ik. Ja, die bedoelde hij.

Hij was nu bezig met een documentaire over Anne Frank. Ze was min of meer zijn buurmeisje geweest. Zijn familie kon op tijd wegkomen, die van Anne niet. Dat was zijn thema.
Er kwam een stortvloed over ons heen over de holocaust en de kwalijke rol die de joodse raden hebben gespeeld. Hij was het allemaal aan het uitzoeken en zou met grote onthullingen komen. Hij begon steeds sneller te praten en zijn verhalen werden steeds wilder. Hitler was niet verantwoordelijk voor de jodenvervolging. Eichmann had het gedaan. Wisten wij trouwens dat Eichmann hebreeuws sprak?

Hij vertelde maar door over de oorlog totdat wij echt weg moesten naar onze afspraak. “Ik heb ook de film Nummer 14 over Cruyff gemaakt,” zei hij. Hij gaf me zijn visitekaartje. Ik moest hem maar eens mailen.

Vanmorgen heb ik op google gezocht op zijn naam. Er kwam niet zo veel boven drijven. Een artikel over de film Nummer 14. Daar stond zijn naam. Hij was de cameraman. En ik vond nog wat. Hij deed het camerawerk voor een film van Bassie en Adriaan.








Hoed


Elke stad heeft z’n beroemde families. Volgens de autochtone Bosschenaren is dat hier ter stede de familie Van M. Ze zitten in de horeca en het vastgoed. Sommigen noemen hen maffia, maar ach, u weet hoe de mensen kletsen. Hoe erg kan het nou helemaal zijn als de pater familias tijdens zijn voorarrest gewoon af en toe naar huis mag om zijn zaakjes te regelen.

Een paar weken geleden werd er in onze provinciehoofdstad een horecagelegenheid geopend: De Drie Gezusters van de bekende horecatycoon Sjoerd Kooistra. Ook al iemand die door iedereen door het slijk wordt gehaald. Het was op de openingsavond zo druk dat de mensen tot voor in de straat in de rij stonden. In het gedrang ontstond een opstootje.

Normaal zou je daar als argeloze Bosschenaar nooit iets van horen, er zijn zo veel opstootjes tijdens de uitgaansavonden. Maar er bestaat een speciale website voor onze stad die tot in detail het laatste nieuws uit de horeca- en zakenwereld brengt.

Dus wij lazen dat er een opstootje was geweest bij De Drie Gezusters. De auteur schreef wie daar bij betrokken was: “de bekende Bossche zonen (!) Chr.[31 jaar] van de nog meer bekende Bossche zakenman HvM.”

Kijk, dan weten wij in de stad genoeg.

Maar, de site is Bosch’ dus chauvinistisch want het lag allemaal niet aan Chr. We lezen verder: “Probleem bij de nieuwe zaak van Sjoerd Kooistra in de Karrenstraat is, dat er nauwelijks een Bosschenaar werkt en met name de portiers geen Bosschenaren zijn. Dat maakt hen onbekend bij hun toelatingsbeleid.

Tja, een beetje Bosschenaar weet wie er wel en wie er niet toegelaten moeten worden.

Deze week kwam er opeens een rectificatie op de site. Christian van Meesen (hij wordt nu voluit genoemd) ontkent alles. Hij hoorde niet bij dat vechtende groepje. Hij had alleen staan kijken. En denk maar niet dat de schrijver van het stukje zonder slag of stoot rectificeerde. Om de dooie dood niet. Hij had research gepleegd. Lees maar eens: “Hoewel aanvankelijk diverse getuigen vertelden dat er onder de vijf mannen drie familieleden van de Van Meesens zaten, blijkt na info bij Kees Kroket en bij de politie dat op het moment van de melding van de ruzie om 02.13 uur vrijdagnacht 16 september 2005 Christian bij Kees Kroket was. Van daar uit heeft hij met de bedrijfsleider van 'Kees Kroket' de opstootjes bij de nachtclub gadegeslagen.

Van alle blaam gezuiverd. Waarvan acte.

Een aantal jaren geleden raakte ik op Sicilië aan de praat met een Siciliaan die een klein fortuin had gemaakt in Duitsland. Hij was teruggekeerd naar zijn geboortedorp en was er een paardenfarm begonnen. Toen ik hem vroeg of hij met zijn welstand wel eens last had van de maffia, zei hij: “Nee. Maar als ik in het gemeentehuis in de rij sta voor een vergunning en er komt er zo eentje met een hoed binnen, kan ik twee dingen doen. Hem beleefd voor laten gaan of op m’n strepen gaan staan. Als ik dat laatste doe zal ik nooit die vergunning krijgen. Zolang je daar rekening mee houdt is er niks aan de hand.”








Cruyff


Mooi hè, hoe dat werkt in de politiek? Halfgod Johan Cruyff klaagt in de Telegraaf over het feit dat zijn Cruyff Foundation schenkingsrechten moet betalen voor de aanleg van trapveldjes, de zogenoemde Cruyff-courts. En de volgende dag opent diezelfde krant met het verhaal dat Tweede Kamerleden een lagere belasting willen voor goede doelen.

Wat ik niet lees is dat sommige Cruyff-courts omstreden zijn. We hebben er als regionale omroep vorige week nog aandacht aan besteed. Er zijn er die niks meer zijn dan veredelde hangplekken voor jongeren die daar dingen doen die volgens mij van de Tweede Kamer niet mogen. Niks trapveldjes voor kansarme jongeren. Die mogen er van dat tuig niet eens in de buurt komen.

Volgens een woordvoerster van de Cruyff Foundation is Brabant de enige provincie met deze problemen. Volgens de mevrouw stoken Brabanders elkaar op om die Cruyff-courts tegen te houden. Tja, wij hebben nou eenmaal met Guus Hiddink en Pierre van Hooydonk onze eigen halfgoden . . .








Burgerjournalistiek


De Volkskrant geeft sinds kort webloggers de ruimte op haar site. Op die manier hoopt de krant de burgerjournalistiek te bevorderen. Ik denk dat de krant hoopt om op die manier aan scoops te komen. Of de internetredactie verveelt zich, dan kan ook nog.

Peter Vasterman schreef er vandaag in de krant een kritisch artikel over. Onder het motto beter goed gejat dan slecht verzonnen geef ik de strekking van zijn verhaal: “Ik vraag me af of je dit wel een vorm van journalistiek kunt noemen. De meeste deelnemers lijken niet te beseffen dat de kern van de journalistiek is op een waarheidsgetrouwe manier verslag te doen van relevante gebeurtenissen. Verslaggeving is niet bepaald populair bij de bloggers, wel het op hoge toon ongeremd spuien van meningen.”

Ik denk dat daar een kern van waarheid in zit. Voordat iemand mij om de oren gaat slaan: wat ik hier op mijn weblog doe is iets anders dan wat ik als journalist doe. Hier verkondig ik (al dan niet op hoge toon) een mening of vertel ik iets over mijn privé-leven. Voor mijn baas doe ik aan waarheidsvinding. Daar geef ik wel eens op hoge toon en ongeremd mijn mening, maar daar merkt ons kijk- en luisterpubliek niks van.

Ik lees ook zelden groot nieuws op particuliere weblogs. De logs die ik lees, lees ik omdat ze mooi geschreven zijn, omdat ze grappig zijn, omdat ze me ontroeren, omdat ze me bevestigen in mijn eigen mening of omdat ze me inspireren. Maar niet om het nieuws. Misschien zijn er wel logs die elke dag een scoop hebben, maar ik denk het niet want dan zouden ze wel in de andere media geciteerd worden. ’t Is mooi dat de Volkskrant loggers serieus neemt, maar het komt mij toch een beetje voor als te laat aanhaken bij een fenomeen.

Afgelopen zaterdag las ik in de papieren Volkskrant een samenvatting van wat de VK-webloggers die week hadden geschreven. Het afgelasten van de Allerheiligenmarkt in Winschoten werd als een nieuwtje gemeld. Verder is het vooral een stroom meningen. Ze ontstijgen wel het niveau van de borreltafel, lees ik. En daar houdt journalist en auteur van het artikel Jan Bogaerts van.
We lezen ook het relaas van iemand die twee keer achter elkaar in een politiefuik terecht is gekomen. De schrijver verbaast zich daar over, maar geeft geen antwoord op de vraag hoe dat kan. Een beetje journalist zou dat uitgezocht hebben. Want je zou toch zeggen dat de politie een grotere pakkans heeft als ze op verschillende plekken staan in plaats van met z’n allen op een kluitje. De manier waarop het belang van dit alles werd beschreven had iets krampachtigs.

Ik ga hier geen andere webloggers afvallen. Wie ben ik helemaal om dat te kunnen doen? Maar laten we nou niet doen alsof weblogs een nieuwe vorm van burgerjournalistiek zijn. Maar wat niet is kan nog wel komen. Misschien leidt het initiatief van de Volkskrant wel tot iets moois. Voorlopig geniet ik van de logs die ik gelinkt heb en haal ik het nieuws uit de andere media.








Omroep(be)stel


Mijn lief en ik werken allebei bij een publieke omroep dus er zijn momenteel genoeg kwesties om te bespreken aan de keukentafel. Er moet nu weer flink bezuinigd worden en onze bazen zijn driftig banen aan het schrappen. Hoewel we zelf tot nu toe de dans ontsprongen zien we wel dierbare collega’s al dan niet gedwongen vertrekken.

Vandaag debatteert de politiek over het omroepbestel en de plannen met de NPS. De NPS moet blijven, daar hoeft wat mij betreft niet over gediscussieerd te worden. Maar ik vind de discussie af en toe wat beperkt.

Bij mijn regionale omroep is er chronisch geldgebrek terwijl wij toch echt elk dubbeltje twee keer omdraaien. De situatie is nu zo erg dat er twintig arbeidsplaatsen geschrapt moeten worden. En we zijn niet de enige publieke regionale omroep waar problemen zijn. Ik vraag me af of er in Den Haag iemand is die zich realiseert hoeveel marktaandeel de regionalen hebben.
De Raad van Bestuur van de Publieke Omroep wil de klassieke muziekzender Radio 4 uit de ether halen en alleen nog maar via de kabel uitzenden. De raad wil zomaar duizenden luisteraars afpakken van de programma’s die mijn vrouw en haar AVRO-collega’s maken. En dat allemaal ten gunste van een jongerenzender, die vooral wordt beluisterd door allochtonen. Geloof me, dat is een aanslag op mijn politiek correcte geweten.

En het zal nog verder gaan. Iedereen die een beetje kan plussen en minnen weet dat alle publieke omroepen kunst en cultuur in rap tempo zullen afstoten, want dat is duur en trekt relatief weinig publiek. Om dan de klassieke zender Radio 4 in stand te kunnen houden (Nederland zal toch niet helemaal afglijden naar barbarisme?) zal het wel uitdraaien op één zenderredactie, samengesteld uit medewerkers van omroepverenigingen. En je kunt op je klompen aanvoelen dat de NPS’ers die nu worden bedreigd daar naartoe overgeheveld zullen worden en dat die anderen hun spullen kunnen pakken. Ik vraag me af of er in Den Haag één politicus is die daar aan denkt.

Maar vandaag duimen we voor de NPS want we zijn een solidair omroep(be)stel.








Bijna tachtig (13)


“Ge moe nie brulle, ge moet altijd deurgaon.” Mijn vader lachte onhandig toen ik dit tegen hem zei. Hij wist wat ik bedoelde met die woorden. Toen wij nog kinderen waren en brullend thuis kwamen sprak hij ze zelf altijd. Misschien ook wel tegen beter weten in.

We kregen afgelopen week tegenstrijdige signalen over zijn toestand. Volgens de één zou hij het niet meer zien zitten, volgens de ander ging het met sprongen vooruit. Toen we gisteren in het verzorgingshuis kwamen zat hij in de afdelingshuiskamer op een stoel bij het raam. Zijn handen rustten op zijn wandelstok die hij stevig tussen zijn knieën had gezet. Hij zwaaide en zag er goed uit, zijn haren waren kort geknipt. We maakten hem er een compliment mee.

“Zal ik je eens wat vertellen,” zei hij. “Mijn slaapmaatje heeft een kapster aan huis. Die is van de week hier geweest en die heeft mij ook meteen geknipt. Vijf euro. Da’s toch geen geld. Die laat ik dus mooi straks ook komen als ik weer thuis ben. Nee, dat is allemaal al geregeld, jongen.”

Wij hadden gehoord dat hij eigenlijk helemaal niet meer naar huis wilde en informeerden voorzichtig naar de stand van zaken. “Ik ga volgende week een dagje naar huis om te wennen. En over twee weken ga ik definitief,” zei mijn vader. In zijn stem klonk wat aarzeling.

“Zie je er tegenop?” vroegen wij.

“Nou ja,” zei hij, “het zal wel weer anders zijn. Ik doe het maar rustig aan. Voor de zekerheid ga ik me wel voor een bejaardenhuis inschrijven. Dat is denk ik toch beter.”

“Ge moe nie brulle, ge moet altijd deurgaon.,” zei ik lachend.

“Zo is het maar net jongen,” zei mijn vader. Hij pakte zijn stok. “Zal ik eens laten zien hoe goed ik met die wandelstok kan lopen?” vroeg hij. En hij stiefelde de de kamer uit. Halverwege keek hij om. Ik zag een glans in zijn ogen.








Namen, toegift



De laatste weken heb ik weer wat namen gelezen en toegstuurd gekregen die uitstekend passen in mijn verzameling. Daarom vandaag de eerste toegift op de serie namen.

Slager Vet op de Zeedijk in Amsterdam.

Vladimir Mars, wandelroutemaker in Den Haag van bureau Lopende Zaken.

Sofia van der Kade, hydroloog bij Waterschap Brabantse Delta.

De heer B. Vroom, leider van islamitische opleiding van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Valentijn Borstlap maakte de webside voor een Brabantse vrouw die moedermelkbank heeft opgezet

Johan de Kok is kok in restaurant Het Witte Paerd in de Efteling.








Hebberig


Je kunt mij veel verwijten, maar niet dat ik roekeloos met geld om ga. Ik ben ouderwets: eerst sparen dan uitgeven. Af en toe laat ik me verleiden tot een bezoek aan het casino. Maar dan nog neem ik een afgepast bedrag mee en laat ik pasjes en creditcards thuis. Op is op.

Jaren geleden heb ik wel eens wat geld belegd. Kleine bedragen waarmee ik een beetje winst maakte.  Overmoedig geworden begon ik aan Sprintplan van Aegon. Vijf jaar lang elke maand een paar tientjes inleggen in de hoop dat het bedrag waarmee Aegon voor mij de beleggersmarkt op was gegaan genoeg zou zijn om een wat grotere reis te maken.

Tevoren was alles helder. De winst was voor mij, als er geen winst gemaakt zou worden zou ik de inleg kwijt zijn en als er verlies zou worden geleden dan zou ik niet bij hoeven lappen. Ik kende van tevoren het risico. Helaas was er geen winst. Het was in de tijd dat de beleggersmarkt instortte. Vijf jaar lang had ik voor niks elke maand betaald. Jammer, maar dat risico heb ik willens en wetens genomen.

Ik volg dan ook met open mond van verbazing de rechtszaak die anderen tegen Sprintplan hebben aangespannen. Aangemoedigd door de Dexia-affaire willen die mensen ook hun geld terug.  Ik las dat één man heeft gezegd dat hij niet wist dat hij een gok deed met Sprintplan. Als hij dat had geweten dan was hij wel naar het casino gegaan. Zo’n opmerking kan alleen maar ingegeven zijn door Hollandse hebberigheid.

Op 23 november is er een gerechtelijke uitspraak in deze kwestie. Ik ben heel benieuwd. Zal ik alsnog hebberig worden als de deelnemers aan het Sprintplan winnen?








Linkse Lente (2)


Nog niet zo lang geleden kondigde GroenLinks’ Femke Halsema een Linkse Lente aan. Mijn hart ontlook. Femke is nu in de Volkskrant een briefwisseling begonnen met Wouter Bos, voorman van de PvdA. Femke denkt namelijk dat Wouter ook links is.

Femke is een buitenbeentje in de klas. Ze heeft eigenlijk geen vriendjes. De vaders van alle kinderen zijn notaris of bankdirecteur, die van Femke werkt in de fabriek. Alleen Jan wil met haar spelen want Jan heeft ook weinig vriendjes omdat zijn vader steuntrekker is. Femke vindt Jan best leuk hoor, maar in haar hart is ze verliefd op Wouter.

Wouter ziet haar niet staan, hij houdt meer van hockeytrutten, zoals Femke ze noemt. Die meisjes flirten met Wouter, maar achter het fietsenhok maken ze grappen over hem. Wouter ziet dat niet. Op een dag trekt Femke de stoute schoenen aan. Ze schrijft Wouter een brief. Lieve Wouter staat er boven, maar als ze voor zijn schoolkastje staat durft ze de brief er niet in te gooien. Ze rent terug naar huis, verscheurt de brief en schrijft een nieuwe. Nu staat er Beste Wouter boven. Ze vraagt hem of hij met haar wil gaan.

De volgende dag loopt ze met een grote boog om Wouter heen. Haar knieën knikken en ze denkt dat iedereen naar haar kijkt. Na een dag ligt er al een briefje in haar eigen schoolkastje. Trillend maakt ze de enveloppe open.  Wouter schrijft dat hij best een keertje stiekem met Femke wil zoenen, maar hij wil niet met haar gaan. Wouter wil zijn kansen bij de hockeytrutten, zoals Femke ze noemt, niet op het spel zetten. Wouter ziet niet dat die meiden hem achter het fietsenhok uitlachen. Femke weet dat wel, maar ze durft het niet tegen Wouter te zeggen. Ze laat zich niet graag kennen.

Femke is boos. Als ze samen met Jan naar huis loopt zegt ze opeens: “Ik vind Wouter een rotjoch”.

“Ik ook,” zegt Jan. Hij vindt iedereen een rotjoch.

Jan haalt een rolletje kleffe zuurtjes uit zijn zak. “Neem er maar twee,” zegt hij.

Samen lopen ze sabbelend door de arbeiderswijk. De eerste lentekrokussen steken hun kopjes nieuwsgierig boven het maaiveld.








Verhoudingen


Zou het voetvolk van de Nederlandse Spoorwegen (worden conductrices trouwens geselecteerd op de dikte van hun kuiten?) marketingtraining krijgen. Ik denk het wel. Iedereen die regelmatig met de trein reist, weet dat al heel lang niet meer wordt omgeroepen dat er vertraging is. Die mededeling is opgeleukt. Reizigers horen dat een verlate trein “over enkele minuten aankomt”.

Maar ze maken het nog leuker. Op het station in Den Bosch zag ik dat een sneltrein een vertraging had van 15 minuten. Uit de luidsprekers schalde de stem van een lieftallige dame (zo te horen met gewone kuiten) die zei dat de trein over één kwartiertje zou arriveren. Dat is nou psychologie van de kouwe grond, of eigenlijk psychologie van het tochtige perron.

U weet allemaal van de problemen op de spoor vorige week. NS waste de handen in onschuld en wees met die schone vinger naar Prorail. Vanmorgen stond mijn trein weer eens midden in het land stil. De conducteur riep om dat we moesten wachten voor een rood sein. Ik was zo blij dat de machinist had gezien dat het sein op rood stond, dat ik een klein vreugdedansje maakte.

Een paar minuten later riep de conducteur om dat “PRORAIL het traject weer had vrijgegeven.” Opdat wij er allemaal goed van doordrongen zouden raken hoe de verhoudingen liggen. Dat wordt nog lachen de komende tijd met dat zwartepietenspel tussen al die erfgenamen van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.








Correspondent


Toen ik in 1974 mijn eerste verslag voor de lokale krant maakte deelde ik het perstafeltje met de plaatselijke correspondente van het dagblad uit de grote stad. Het was een oudere vrouw. In mijn ogen dan. Ik was 19 en zij was half veertig. Ze kende iedereen en iedereen kende haar. Na afloop nodigde ze me uit nog wat te drinken. Vanaf dat moment was H. mijn journalistieke moeder, ook al werkte ze voor de concurrent.

Jarenlang deelden vele perstafeltjes, lief en leed. Zij steunde me toen het uitraakte met mijn eerste serieuze vriendin; ze was er toen ik trouwde en toen mijn kinderen geboren werden. Ik had verdriet toen haar man stierf en één van haar zonen een ongeluk kreeg en blijvend invalide raakte. Nadat ik naar het zuiden was vertrokken werd het contact minder. Af en toe eten we nog een hapje en we bellen elkaar trouw rond verjaardagen.

Gisteren belde H., het was rond mijn verjaardag dus haar beurt. We kletsten in drie kwartier helemaal bij. Of eigenlijk vertelde zij mij in haar bijna niet te stuiten woordenstroom alle nieuwtjes uit het dorp waar ik 17 jaar geleden verslaggever was. Alle namen van vroeger kwamen voorbij. De levenden en de doden. H. heeft mij nooit verteld hoe oud ze is. “Ongeveer zo oud als je moeder,” heeft ze ooit gezegd. Daarna hebben we er nooit meer over gesproken. Dan moet ze nu dus ongeveer 75 zijn.

Ze is nog steeds de best geïnformeerde vrouw van haar dorp, maar het dagblad uit de grote stad maakt weinig gebruik meer van haar diensten. Eén verhaaltje in de week, hooguit. Aanbiedingen van de lokale krant heeft ze altijd afgeslagen. Ze is trouw.

H. is lid van een uitstervend ras: de correspondenten. Politiemannen, bakkers, veel onderwijzers en huisvrouwen die in hun dorp de oren en ogen zijn van de media. Mensen die alles weten en iedereen kennen en elk nieuwsfeitje aan hun medium doorgeven voor een habbekrats. Wij hebben die oren en ogen jaren geleden wegbezuinigd. De oudere collega’s denken nog wel eens met weemoed terug aan de tijd dat ons elk dorpsnieuwtje bereikte. Wij zijn nu te groot voor de kleinschaligheid van de correspondenten, denken we. Gelukkig heb ik de mijne nog.








Spel


Hé, lekker. Het politieke spel is weer op de wagen. De VVD’ers Hofstra en Van Aartsen schuren als egeltjes langs elkaar vanwege het rekeningrijden. Daar zal het wel bij blijven dus laten we grimlachen zolang het duurt. Laten we net doen alsof politiek spannend is. Morgenavond moeten we het weer doen met beelden van liberalen die elkaar broederlijk in de armen vallen omdat ze een compromis hebben gesloten: wel rijden maar geen rekening of zoiets. VVD’ers houden van pluche. Lekker zacht.

Ook de SP is weer volop aan het actievoeren. Ik hou niet van de SP, dat vind ik een beetje de Jehovah’s van de politiek. Voet tussen de deur en opdringen aan mensen die in een dipje zitten waardoor ze erg bevattelijk zijn voor hulp van buitenaf. Desnoods van de wal in de sloot.

De SP probeerde de plofboerderij in de Biesbosch te bezetten. Die boerderij moet gesloopt worden en filmer Paul Verhoeven dacht hem dan wel even te kunnen opblazen voor zijn nieuwe oorlogsfilm (daarom heet hij nu plofboerderij). Dat ging niet door vanwege de dieren die rust zoeken in de Biesbosch. De SP viel de boerderij binnen want de rode tomaten waren  door het tumult om de filmopnamen wakker geworden en nu willen ze de boerderij opeens behouden. Maar ze waren niet helemaal wakker want ze hadden over het hoofd gezien dat die boerderij bewoond is totdat hij wordt gesloopt. Ze stonden dus voor dag en dauw in de slaapkamer van de nietsvermoedende huurder. Die was wel meteen goed wakker. De SP’ers lieten zich niet kennen. Ze namen hun intrek in de schuur. SP’ers houden van stro. Lekker zacht.








Verzameling


Wat een hartverwarmende reacties! Veel dank. U allen maakt de virtuele wereld van het wereldwijde web, tot een echte wereld.

Het was een bijzondere verjaardag. ’t Doet je wat als je door de bergen van het Parco del Cilento gaat en allerlei mensen je sms’en en bellen.  Het was een emotionele dag, maar de tranen die ’s avonds in mijn ogen sprongen hadden helemaal niets te maken met mijn verjaardag.

Kijk, dat zat zo. Al jaren vergapen Marlies en ik ons aan de religieuze kitsch waarmee je in Italië wordt overspoeld. Absolute topper is Padre Pio, goede tweede zijn de Heilige Maagd en Il Bambino en ook de onlangs aan ons ontvallen Paus scoort hoog. En al jaren zeggen we tegen elkaar dat we de meest vreselijke uitingen van devotie moeten gaan verzamelen in een vitrinekast. Maar we begonnen nooit. Tot dit jaar. Op de Vesuvius waren beeldjes te koop van Padre Pio die zo zeer deden aan de ogen dat ik er niet meer omheen kon.

Gisteravond, voordat we aan het strand van Santa Maria di Castellabate met onze meegereisde zes vrienden aan onze laatste Italiaanse maaltijd begonnen liep ik nog even een winkeltje met prullaria binnen. ’t Stond stampvol dingetjes die gemaakt waren van schelpen. Eén daarvan was een fotootje van Maria en Kind op een schelp. Zo erg dat ik er eigenlijk niet mee naar de kassa durfde. Maar ja, alles voor de nieuwe verzameling.

Bij de kassa stond een oude vrouw. Ze knikte goedkeurend toen ze mijn aankoop zag. Die heeft mijn man zelf gemaakt, zei ze. En ze wees op een al even oude man die achter de toonbank allemaal dezelfde fotootjes zat uit te knippen.

Doet hij dat allemaal met de hand, vroeg ik.

Ja, zei ze trots. Eerst knipt hij al die fotootjes uit, dan plakt hij ze op een schelp en die plakt hij weer op een andere schelp.

Er stonden er ontelbare in de winkel in alle soorten een maten. Ik was echt ontroerd en schaam me nu een beetje dat dit bijzondere stukje huisvlijt in Nederland in een kitschkast komt te staan.





Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed