Tuberculose
Misschien heb ik wel tuberculose onder de leden. Ik voel me niet ziek, maar je weet het niet. Er is namelijk open tuberculose vastgesteld bij een conducteur van de Nederlandse Spoorwegen. De zaak wordt onderzocht door de GGD in Den Bosch. En laat ik nou elke dag vanuit Den Bosch met de trein naar mijn werk rijden. Misschien heeft die conducteur mij wel besmet.
Dus vanmorgen heb ik in mijn rol als bezorgde reiziger (en een beetje als journalist) de informatielijn van de Nederlandse Spoorwegen gebeld. Een bandje. Als ik iets wil weten over tuberculose dan kan ik kijken op de website www.tuberculose.nl. MAAR IK WIL WETEN OF DIE CONDUCTEUR OP MIJN TRAJECT ZAT NONDEJU!!!
Gelukkig, het bandje stopt. Er komt een jongeman aan de telefoon. Nee, hij weet helemaal niks over de trajecten waarop de conducteur heeft gereden. Nee, meneer, dat zijn we aan het uitzoeken, zei hij. En als ik meer wilde weten dan moest ik maar kijken op www.tu. . . . JA DAT WEET IK WEL!!
Twee weken geleden was er aanleiding om te veronderstellen dat de conducteur tbc onder de leden had. Afgelopen vrijdag wisten ze het zeker en vandaag weten ze bij de Nederlandse Spoorwegen nog niet op welke trajecten hij gezeten heeft. Als treinreiziger weet ik dat NS nooit fatsoenlijke informatie geeft. Als je uberhaupt al informatie krijgt. Hoe vaak heb ik al niet op een verlaten station staan wachten op een trein die nooit kwam. En niemand die het omriep. Hoe vaak ben ik al niet van het ene naar het andere perron gejaagd zonder dat daar de treinen stond die waren beloofd.
NS’ ers zijn volgens mij mensen die vroeger zo gefixeerd waren op hun Marklin-treintjes dat het hun ontgaan is dat ze deel uitmaken van een sociale structuur.
Brothætt
Brothætt. Dat is IJslands voor breekbaar. U denkt waarschijnlijk: wat moet een mens met die informatie, maar toen ik gisteren meehielp om ons Nederlands/IJslandse vriendenstel te verhuizen vond ik het wat handig dat ik wist hoe ik om moest gaan met de dozen waar brothætt op stond. Inmiddels kan ik u vertellen dat ik vanmorgen merkte dat ook mijn botten brothætt zijn. Dus ik doe het vandaag een beetje kalm aan.
Namen (31)
Even vooraf. Normaal noem ik alleen namen van mensen die terugslaan op hun beroep (of echtparen) omdat de verzameling anders veel te groot zou worden. Maar vandaag een uitzondering. Ik hoorde dat een echtpaar De Klos hun zoon Constant heeft genoemd.
Pik - jaren zeventig zaadhandel in Amsterdam
Pik-Uijtenbroek - echtpaar
Plandsoen - Ned. Jurylid van het Europees comite groenvoorzieningen
Planken, Lisette - schoonspringster
Planten - redactrice tuinblad
Plantsoen - woordvoerder tuinbouwraad
Plas Teun van der - manager waterleidingbedrijf Noord-Holland
Plasman - uroloog
Plat-Van Boven - echtpaar
Platvoet Leo - auteur boekje Stappen door Amsterdam
Platvoet - profvoetballer
Eetlust
Het meisje aan de kassa riep: ”Weet je waar ik zin in heb?” Ik keek haar verwachtingsvol aan. Niet dat ik ook maar één wens van het meisje had willen of kunnen inwilligen. Mijn blik was slechts een pavlov-reactie die wordt gevoed door het mannelijke instinct.
“Ik heb zin in een pizza Hawaï”, riep ze tegen een collega één kassa verder, terwijl ze een zakje pizzakaas over de scanner haalde. Ze zag me niet eens staan. Het waren slechts mijn boodschappen die haar lust opwekten. Eetlust.
“Ja, lekker,” riep haar collega. “Jij houdt niet van groenten hè?”
“Nou,” zei mijn caissière, “ik lust geen boontjes en geen sla en geen spruitjes en geen spinazie en geen andijvie en geen wortels en witlof vind ik helemaal vies. Maar verder valt het wel mee.”
“Ja, maar nou noem je zo’n beetje alle groenten op. Dan lust je toch geen groenten,” riep haar collega, die wel de hoofdcaissière moest zijn.
“Hoe kom je daar nou bij,” zei de mijne. “Ik lust toch witte bonen in tomatensaus.”
Droom
In mijn tijd begon je als jongste verslaggever met het maken van aankondigingen van plaatselijke vrouwenbondvergaderingen. Langzaam klom je dan op, totdat je je eerste paginagrote interview mocht maken. Ik werd halverwege de jaren zeventig naar een mevrouw gestuurd die in ons dorp dromen zou komen uitleggen. ’t Mocht een pagina worden, inclusief grote foto natuurlijk, want in een dorp waar ook de dromen door de Here Heere worden gezonden was zo’n lezing heel bijzonder.
Dagenlang bestudeerde ik boeken van Jung en anderen om mijzelf in dromenland te verdiepen. Mijn voorbereiding bleek zodanig goed te zijn dat de betreffende mevrouw na vijf minuten al met een mond vol tanden zat. Ze bleek allerlei semi-wetenschappelijke verhaaltjes te houden en begreep helemaal niets van Jung. Zo werd het toch nog een leuk verhaal.
Een bijkomend gevolg is dat ik redelijk goed weet wat m’n eigen dromen betekenen. Dat is ook niet zo moeilijk want ik droom heel weinig en altijd hetzelfde. Namelijk dat ik word achtervolgd en dan vast loop in een doodlopende steeg. Of in ondergrondse gangetjes. Of dat mijn voeten aan de grond blijven plakken net op het moment dat mijn belagers om de hoek komen. Gelukkig word ik altijd wakker voordat ze me iets aan doen. Die droom geeft aan dat ik even een chaotisch leven leid en dat ik wat orde moet scheppen. Nu is zo’n periode. Door de verbouwing en de zonen loopt m’n hoofd over. Dat is niet erg, want dat komt allemaal wel goed (of niet), ’t is alleen een beetje veel voor één hoofd.
Maar nu heb ik toch droom gehad die ik niet kan plaatsen. Ik droomde dat op donderdagmorgen 24 februari mijn wekker ging, ik opstond en dat de kranten gewoon op de deurmat lagen. Maar het gekke was dat één van die kranten opende met de kop: “CDA bepleit beperking vrije woord”. Mijn droom ging verder: ik ging gewoon naar m’n werk, keerde terug en schreef een stukje over die droom.
Nou ja, net voordat het gevaarlijk wordt word ik altijd wakker, dus ik sta zodadelijk gewoon op en pak de kranten van de deurmat. Benieuwd waar ze mee openen.
Pluriformiteit
Pluriformiteit van de media is een groot goed. Stel je voor zeg dat je voor je nieuwsvoorziening aangewezen was op alleen maar de Telegraaf of NRC Handelsblad of Elsevier of NOVA of Omroep Brabant. Niks ten nadele van die media, maar dan zou het toch slecht gesteld zijn met de meningsvorming in ons land. Nee, pluriformiteit is net zo belangrijk als de grondwet of de monarchie. Nou ja, een democratisch staatsbestel bedoel ik.
Staatssecretaris Van der Laan (Media), zo citeer ik het ANP, deelt de zorg van Tweede-Kamerleden over de pluriformiteit van de pers, die steeds meer onder druk komt te staan door machtsconcentraties van mediabedrijven.
Ik moet denken aan een collega van Radio 1, die vorige week bij ons in de studio was om een item door te spelen naar Hilversum. Hij zakte zuchtend neer om op de stoel naast me en zei: “Nou kom ik net van een persconferentie hier in Eindhoven. Staan er vijf cameraploegen precies dezelfde man te interviewen. Ze vragen allemaal hetzelfde en krijgen allemaal hetzelfde antwoord. En die komen allemaal uit Hilversum of Amsterdam helemaal hier naar toe gereden. Dan denk je toch ook: jongens kan dat niet efficiënter? Dat had Omroep Brabant toch makkelijk even voor al die anderen erbij kunnen doen. Hup, één opname en effe doorspelen.”
Kijk, als je geen pluriformiteit hebt dan krijg je die collega niet meer over de vloer. En dat zou echt een verlies zijn, want dan zouden we zijn scherpzinnigheid moeten missen.
Meneer Frits
Frits Philips wordt op 16 april 100 jaar. Eindhoven maakt zich op voor een groot feest ter ere van de zoon van één van de grondleggers van “een bekende gloeilampenfabriek in het zuiden des lands”. Op 16 april zal de naam Eindhoven voor één dag veranderd worden in Frits Philips Stad. Dat was al een tijdje bekend, maar vandaag werd het officieel bekend gemaakt, tezamen met het complete feestprogramma.
Eén van de Teletekstcollega’s vond dat reden om er grappen over te maken. De leukste vond hij zelf: Frits Philipsgrad. Ha, ha, ha. Wie schetst mijn verbazing toen wij vijf minuten later op Omroep Brabant Teletekst de volgende kop zagen staan: Eindhoven wordt Frits Philipsgrad. De teletekstcollega schrok zich kapot. Nog voordat we een foto van die pagina konden maken voor het nageslacht had hij het veranderd.
En dat is maar goed ook, want met meneer Frits wordt niet gespot.
Een jaar of vijftien geleden bemoeide de oude heer Frits zich nog wel eens met het beleid van de multinational. De persvoorlichters van het bedrijf baalden daar stevig van. Op een dag belde één van hen op om te vragen of we Frits Philips niet meer om commentaar wilden vragen, want had was zwaar aan het dementeren.
’t Gekke is dat tot op de dag van vandaag elke verslaggever die naar het landgoed de Wielewaal (waar Philips woont) wordt gestuurd roept dat dat geen zin heeft. 't Is een hardnekkig verhaal dat maar rond blijft zingen in het journalistieke papegaaiencircus. En elke keer moeten we uitleggen dat dat wel kan en elke keer komen de verslaggevers verbaasd terug. Die oude meneer Frits is helemaal niet gek. Ja, het is een oude man van 99, maar nog goed bij de tijd en heel humoristisch. Lachen met die gast.
Want meneer Frits is niet klein te krijgen.
De Apekar
Vaak vragen mensen aan mij: Jan, wil jij eens iets schrijven over de apekar. Maar ik heb nog nooit in een apekar gereden. Ik heb er wel eens in gezeten, maar dat telt niet. Dan zeg ik altijd: jongens dat gaat niet, want ik ken geen anekdotes over de apekar. Niet eens één klein verhaaltje. Nou ja, eentje dan. Op Sicilie hebben we ooit een lift aangeboden gekregen van een boer die in een apekar reed, maar toen waren we net aan een wandeling begonnen, dus dat aanbod hebben we afgeslagen.
En dan zeggen mensen die zo’n beetje om ons heen staan: ho, ho, wacht even. Wat is een apekar. Dan moet ik weer een spreekbeurt houden.
De Apekar
De Apekar is een soort overdekte bromfiets met een laadbak. Boeren in Italie gebruiken hem om spullen te vervoeren: bijvoorbeeld lege flessen, hooibalen, vuilniszakken, paprika’s, enzovoort. In sommige streken, bijvoorbeeld de Marken, zie je steeds meer jongeren die nog te jong zijn voor een rijbewijs in een apekar rijden. Dat is een beetje cult.
En dan zeggen die mensen die zo’n beetje om ons heen staan: vertel meer. Desnoods betalen we bij. En dan zeg ik: ho, ho, je zit hier niet in de zaal bij Bert Visscher. Er is niks meer over te vertellen. Maar ze blijven aandringen: waarom heet dat een apekar. En dan zeg ik: dat heet helemaal geen apekar, die noem ik alleen maar zo. Waarom, waarom, roepen ze dan. Nou ja, gewoon omdat het een Vespa is, model Ape. Zoals de Toyota een model Corolla heeft. De meeste mensen zijn dan wel een beetje teleurgesteld, want ze hadden iets spannenders verwacht.
Dan vertel ik nog dat een ape een bij is, zo’n beestje wat honing maakt. En dan vragen de mensen aan mij: werden met die karretjes dan vroeger bijenkorven gemaakt. Maar dat weet ik niet. Maar waarom schrijf je er dan toch over vragen de mensen die zo’n beetje om ons heen staan. Nou omdat ik deze week tot twee keer toe een apekar in Den Bosch heb zien rijden. Een ouderwetse groene en een moderne blauwe met vier wielen. Maar die vond ik niks, want dat was meer een uit de hand gelopen schaalmodel van de dertigtonner diesel van Henk Wijngaard. Zou er een nieuwe trend zijn?
Je hebt gelijk, zeggen de mensen dan die mij vaak vragen eens over de apekar te schrijven. Er is helemaal niks over te schrijven. Doe maar niet.
Moeders
Er heerst een hardnekkig misverstand over mijn persoon. Sommige mensen denken dat ik een kinderhater ben. Dat is niet zo. Ik ben alleen niet zo gecharmeerd van ouders die ogenschijnlijk banale probleempjes in de opvoeding verheffen tot rampzaligheden. Ik begrijp best dat het voor jonge ouders een groot probleem is dat hun baby hen twee nachten uit de slaap houdt, maar ik denk dan altijd: ik zou willen dat dat het grootste probleem is dat mij als vader is overkomen. En ik ben jaloers op ouders die - al dan niet overdreven - de fijnste kinderen van de hele wereld hebben.
Ik heb twee zonen van 24 en 21 jaar. Ze leven levens die zo’n zware last zijn voor mij dat ik er af en toe onder dreig te bezwijken. Ik praat er niet veel over. Met Marlies natuurlijk en af en toe neem ik iemand in vertrouwen, meestal vrouwen omdat ik beter met vrouwen kan praten dan met mannen. ’t Zal wel iets met mijn jeugd te maken hebben waarin moeder de spil van het gezin was en vader het geld verdiende, onze fietsen repareerde en voor ons het mooiste houten speelgoed maakte van heel de buurt. Praten deed hij niet en doet hij nog steeds niet.
Ik zou er (nog) niet over geschreven hebben als ik niet in het Volkskrant-Magazine een verhaal had gelezen dat steeds meer jonge vaders lijden aan de mannelijke variant van de postnatale depressie. Ze worden ziek omdat ze naast hun baan de zorg voor de kinderen hebben. Eén van de vaders klaagt over het vroege opstaan, verschonen aankleden, flesje maken, boterham smeren, naar bed brengen, stofzuigen, enzovoort. Van zulke vaders zakt mij de broek af. Ik wil ze niet ontmoedigen, maar, heren, er zijn mannelijke varianten van de postnatale depressie die een leven lang duren.
Ik zou bijna tegen ze willen schreeuwen: wacht maar totdat je met tranen in je ogen en met gebalde vuisten tegenover de directeur van een school staat omdat hij niet wil erkennen dat jouw kind al jaren wordt gepest; wacht maar totdat je één van je zonen uit het politiebureau hebt moeten lullen omdat hij iets ontzettend stoms heeft gedaan; wacht maar totdat je met de zoveelste werkgever hebt gesproken in de hoop dat het ontslag van je zoon wordt teruggedraaid omdat hij weer eens verstek heeft laten gaan; wacht maar totdat je te hoop loopt in de krochten van de hulpverlening omdat niemand begrijpt wat het psychische probleem van jouw zoon is; wacht maar totdat er weer een kind op de stoep staat omdat het zich in de nesten heeft gewerkt en financieel aan de grond zit. Dan verlang je naar poepluiers, flesjes maken en boterhammen smeren. En dan het liefst met de wetenschap van nu, zodat je een paar inschattingsfouten die je in het verleden hebt gemaakt kunt voorkomen zodat je niet bij vlagen verteerd wordt door een schuldgevoel. ’t Zijn geen willekeurig verzonnen voorbeelden. ’t Is het verhaal van mijn eigen leven.
Ik hou zielveels van mijn zonen. Niemand kan tussen hen en mij komen. Gelukkig heb ik een vrouw die dat begrijpt en zonder wiens steun ik het niet zou kunnen volhouden. Ze heeft zelf geen kinderen maar voelt intuïtief aan dat een bloedband er één voor het leven is.
En dan lees ik in het Volkskrant Magazine: “Om half zes was ik kapot en blij dat mijn vrouw thuis kwam om de zaak over te nemen”. Dan denk ik: je moest een schop onder je kloten hebben. Zulke vaders zijn niet geschikt voor het moederschap.
Het positieve van het verhaal is dat moeders blijkbaar veel beter dan vaders tegen een dubbele taak zijn opgewassen. ’t Vergroot het respect dat ik toch al heb voor vrouwen in het algemeen en moeders in het bijzonder.
P.S. Ik heb steeds gedacht dat ik zou stoppen met loggen als ik dit persoonlijke verhaal zou hebben opgeschreven. Maar ik voel dringend de behoefte om morgen iets te schrijven over de opkomst van de apekar. Dus als er de komende uren niks geks gebeurt ben ik er morgen weer.
Namen (30)
“De teletekstcollega heeft ons wel bezig gehouden met zijn theorietjes over smeltende ijsbergen,” zei mijn vrouwelijke collega. “Eerst hier, toen onder de lunch en we hebben er ook thuis nog een hele tijd over gepraat.”
“En?, vroeg ik.
“We kwamen er niet uit,” zei ze.
Op dat moment zwaaide de deur open en kwam onze teletekstcollega binnen.
“Ik ben er uit,” zei hij met een grijns. “Het NOS-Journaal heeft het gisteravond eindelijk goed uitgelegd. Die ijsbergen hebben er niks mee te maken. Kijk, omdat de aarde opwarmt, wordt ook het zeewater warmer. Een dan zet dat uit en dan stijgt de zeespiegel.”
“Mooi, dan staat over twintig jaar de Randstad onder water en kunnen wij op de fiets naar het strand,” bromde iemand.
“Maar,” zei ik, “als die ijsbergen afbreken, dan komt er extra ijskoud water in de zee en dan koelt die toch weer af.”
Mijn teletekstcollega verbleekte.
“Heren, heren,” gilde mijn vrouwelijke collega, “over tot de orde van de dag graag.” Vrouwen weten precies wanneer mannen te ver dreigen te gaan.
Okee. Over tot de orde van de dag
Ouden den - raadslid Algemeen Ouderen Verbond
Overloop Peter-Jules van - hydro-informaticus bij Waterloopkundig lab Delft
Padje, mevrouw - voor behoud gebied Kreitemolen ivm aanwezigheid boomkikkers
Panzer Ulf, deskundige op het gebied van kernwapens
Pas, Marijke van der - schrijfster bridgerubriek in Algemeen Dagblad
Pastoors - diaken RK Kerk
Pees - fysiotherapeute in Haarlem
Peetoom - jeugd- en zedenpolitie Den Bosch
Peulen - schreef handleiding bij demonstratietuin: 12000 jaar zaaien en oogsten
Pijnenburg -arts
Pijper, Hans de - Sigarenrookgenotschap Geldrop
Pijpers- bordeelhouder Amsterdam
IJsberg
“Weet je wat ik niet begrijp?” vroeg mijn teletekstcollega aan niemand in het bijzonder.
“Moeten wij alles opnoemen?” klonk het in koor.
“Doe nou eens serieus,” zei hij. “Ik begrijp niet waarom het NOS Journaal bij een onderwerp over de stijgende zeespiegel altijd beelden laat zien van smeltende ijsbergen”.
’t Was even stil.
“Want,” zo ging de zelfbenoemde meteoroloog verder, “ijsbergen die smelten zorgen namelijk niet voor een hogere zeespiegel.”
We keken hem leergierig aan.
“Leg maar eens een heleboel ijsklontjes in een bak en doe er dan zoveel water bij, dat een klein deel van die klontjes er nog bovenuit steekt. Je zult zien dat de waterspiegel niet is gestegen als de klontjes zijn gesmolten. Die ijsklontjes zijn in bevroren toestand namelijk hetzelfde volume als in vloeibare toestand.”
Van bewondering bevroor ons verstand. Hij keek triomfantelijk rond.
Maar zoals elke Messias heeft ook onze Teletekstcollega twijfelaars onder zijn discipelen. Tijdens de lunch legden we het probleem voor aan mensen die wij nog hoger achten.
“Wat een lulverhaal,” zei de collega die milieustaatssecretaris Van Geel persoonlijk kent. “IJs krimpt, alles krimpt namelijk als het koud wordt, dus als het ijs warm wordt en smelt dan krijg je veel meer volume en dus stijgt de waterspiegel.”
Jammer dat onze Teletekst-collega aan een andere tafel zat te lunchen.
Maar eigenlijk was ik er niet helemaal gerust op, dus ik legde de kwestie thuis voor aan mijn zoon, die al eens een verwarming had aangesloten.
“Dat krimpen en uitzetten klopt niet,” zei hij. “Leg maar eens een fles cola in de vriezer. Die zet uit hoor, tot hij barst.”
“Ja, maar," zei ik, “ijsbergen zijn geen cola-lollies.”
“Hmm,” zei hij, “dat is waar. Maar zou het niet zo kunnen zijn dat het NOS beelden laat zien van de ijskap bij de Noordpool. En dat is iets anders dan drijvende ijsbergen. Dat betekent per saldo dat er dus wel degelijk extra water in de zee komt waardoor de zeespiegel stijgt. Bovendien kan het ook nog zo zijn dat die enorme brokken die afbreken tsunami’s veroorzaken.”
Help.
Trend?
De geschiedenis herhaalt zich. De omstandigheden en de hoofdrolspelers zijn telkens anders, maar verder verandert er niets. Een maand of wat geleden was er – weliswaar kort – een hernieuwde discussie over kruisraketten. En nu is kernenergie plotseling weer een issue. Twintig jaar geleden demonstreerden we daar tegen, maar ik weet op dit moment eigenlijk niet of ik er een mening over wil hebben. Er zijn andere zaken die al mijn energie opslorpen.
Eigenlijk had ik er niet over willen schrijven, maar na wat ik vanmorgen in de Volkskrant las kan ik het toch niet laten. Op de voorpagina staat een artikel over de verdeeldheid binnen D66 over het al dan niet open houden van de kerncentrale in Borssele. Allerlei prominente democraten komen aan het woord. En ergens midden in dat Volkskrant-artikel staat – bijna sneaky –: “Ook NRC Handelsblad sprak zich woensdag voor kernenergie uit”.
Nou weet ik dat de Nederlandse journalistiek een papegaaiencircus is. Maar dat de mening van de ene krant als gezaghebbend in een voorpagina-artikel van een andere krant staat, is volgens mij een nieuwe trend op mijn vakgebied. Ik wist helemaal niet dat het NRC Handelsblad over het gebruik van kernenergie ging.
Of zou het zo zijn dat hier sprake is van een strategisch, commercieel opzetje? Zo van: wij melden deze week jullie mening, dan melden jullie volgende week onze mening. Zo maken we ons belangrijk in de strijd tegen een nieuwe Randstad fusiekrant.
Dames
Zijn er nog dames? Voordat je die vraag kunt beantwoorden moet je eerst vaststellen wat een dame is. En dan ga je al de mist in. De Dikke van Dale geeft je een objectief, goed doorwrocht. taalkundig antwoord. Maar er is nou juist niets zo subjectief als de definitie van een dame. Want wat de één een dame vindt, vindt de ander nog geen dame. Wij hadden ooit een vriendin die door iedereen als het prototype van een dame werd aangemerkt, totdat ze er met een paar duizend gulden vandoor ging die ik haar had geleend. Dat vind ik niet bepaald damesgedrag.
Ik ben opgevoed met de stelling dat alle mensen gelijk zijn. Mensen die zich meer voelden dan anderen werden in mijn jeugd en in mijn omgeving genadeloos neergesabeld. Als iemand een dametje of een heertje was, dan was dat niet best. Dat waren omhooggevallen kakkers. Wij, gewone mensen, waren de norm en soms heb ik daar nog knap last van.
De eerste echte dame die ik kende was de jonkvrouw. Het Kamerlid Wttewaal van Stoetwegen. Totdat ik haar met haar derrière op het bordes van een statig gebouw zag zitten. Dat paste niet in mijn beeld van een dame, zoals dat al generaties in onze familie in stand werd gehouden . Exit de jonkvrouw. In ’s-Hertogenbosch barst het van de dametjes. Je ziet ze in de stad lopen, de blauwgrijze haren keurig in model, tot in de puntjes gekleed en met goud behangen. In mijn jeugd was de doktersvrouw een dame, maar tegenwoordig is de dokter een vrouw in spijkerbroek.
In de fietsenkelder bij het station waar ik dagelijks kom hangen overal bordjes waar op staat dat herenfietsen in de bovenste rekken moeten worden geplaatst en dat damesfietsen in de onderste rekken mogen staan. Heren kunnen namelijk hun fietsen wel optillen, dames niet. Wat wil nu het geval? In de onderste rekken staan diverse herenfietsen met aan de bagagedrager een briefje waarop “dame” staat. Kijk, dat zou in mijn jeugd ondenkbaar zijn geweest. In de normatieve wereld waarin ik ben opgegroeid fietste een dame niet op een herenfiets. ’t Zou met die rokken ook niet eens gekund hebben.
Probleem
Elk mens heeft in z’n leven wel eens een probleem dat schier onoplosbaar lijkt. Wij hebben op dit moment zo’n probleem. Ik wijd er niet over uit, want er zijn anderen bij betrokken. Laten we zeggen dat het in de familiaire sfeer ligt.
Gistermiddag hadden we daarom met anderen een heftig gesprek ergens in de stad. Na afloop stelde ik Marlies voor op de terugweg aan te leggen bij meneer Ma, de aardigste restauranthouder van ’s-Hertogenbosch. Even afdraaien en opladen. En dan is het heel mooi te zien hoe humor en halve woorden genoeg zijn voor enige relativering. Zij begon.
“Heb jij in dit soort gevallen ook niet de neiging om te vluchten?”
“Hoe bedoel je”.
“Gewoon, je bed in duiken”.
“Met wie?”
“Lul!”
Even later. Zij begon weer.
“De enige momenten waarop het niet door mijn hoofd spookt is als ik een lange wandeling maak of als ik zing. Gelukkig sta ik de hele week op het podium.”
“Oh, alleen dan?”
“Okee schat. Ook tijdens het vrijen spookt het niet door m’n hoofd”.
‘Wat ben ik ben blij dat ik een weblog heb”.
“Als je verdomme maar de bron vermeldt”.
Typisch de vrouw van een journalist.
Spot en hoon
In mijn jonge jaren (valt het u trouwens op hoe handig ik het door mijzelf verboden woord “vroeger” omzeil) bestond Valentijnsdag niet. Nou ja, wel in Amerika natuurlijk, maar niet hier. Totdat een slimme middenstander met dollartekens in de ogen op het idee kwam ook in Nederland de Valentijnsdag tot een happening te verheffen. Ik schat in dat het nu big business is.
Het gevolg is dat ook serieuze journalisten zich bezig moeten houden met het fenomeen, want u weet het, wij hebben temperaturen de samenleving. Maar daar weten ze niet goed raad mee en dan worden ze melig.
“Volgens mij stuur jij heel veel Valentijnskaartjes,” zei een collega vrijdag tegen mij.
“Ja,” antwoordde ik, “maar het is net als met sollicitatiebrieven. Ik hoor nooit iets terug.”
“Je moet je naam er ook niet op zetten,” grapte een ander.
“In jouw geval,” zei de leukste van het stel tegen mij, “is het misschien verstandig een gefrankeerde retourenveloppe bij te sluiten.”
U begrijpt het lieve lezers en lezeressen als in de aanloop naar Valentijnsdag luidruchtige spot en hoon mijn deel zijn hoef ik vandaag geen stille liefde te verwachten. . .
Strategisch
"Ik ben Poes, U weet wel van het komische duo Poes&Broer. Wij zitten overal op, aan, in, onder, tussen, achter en voor. Dat komt omdat wij voor kater leren. Hier geef ik Broer een lesje strategie. Vanaf deze plaats heb je een fantastisch uitzicht op het aanrecht, waar het eten staat. Met het rechter oog kun je de deur naar de benedenverdieping in de gaten houden. Zodra die open gaat spring ik er naar toe om te ontsnappen. En met je linker oog kun je de deur naar het dakterras bespieden. Dan zie je of die gevaarlijke zwarte van verderop er aan komt."
Gelezen (6)
Johan Derksen, hoofdredacteur van Voetbal International in de Volkskrant. Hij spreekt over zijn televisiewerk:
“Je parasiteert op je parate kennis. Vijf minuten voordat het begint ga je op een stoel zitten, je steekt een sigaar op en na een uur zeggen ze dat het een goede uitzending is geweest. Het is echt een fluitje van een cent, weggooi-amusement, Een stuk schrijven is een oneindig veel grotere prestatie dan een uur lullen op tv.”
Ouwelullendag (2)
Een goeie week geleden schreef ik dat ik dit jaar m’n eerste ouwelullendag krijg omdat ik 50 word. Ik schreef ook dat ik die dag op gepaste wijze, als een ouwe lul, wil doorbrengen, maar dat ik er nog niet wist hoe dat dan zou moeten.
Ik weet het nu. Ik ga naar de tentoonstelling “Knus” in het NoordBrabants museum. Een tentoonstelling over de jaren vijftig. Daar zou ik sowieso naar toe zijn gegaan, maar nu in het kader van m’n eigen vergrijzing. Want, wat hoorde ik gisteren op de radio: mensen die dit jaar vijftig worden mogen voor niks binnen. Kan het mooier?
Ik ga heerlijk ongegeneerd een dagje gratis genieten van mijn naderende ouderdom. Niet nu, maar over een tijdje, want nu staan de mensen nog uren in de rij voor die tentoonstelling. En dat houd ik natuurlijk niet vol.
P.S. Weet iemand of je bij het Wit-Gele, Groene of een ander gekleurd kruis rollators kunt huren?
Namen (29)
Mag ik vandaag extra aandacht voor de op één na leukste naam uit mijn collectie: de heer Oostindie, voorzitter van de Nederlandse Dovenvereniging.
Olijslagers -secretaris OR Shell
Omloop - Belgische wielrenner
Onder de linde - hovenier Ridderkerk
Onder de Lindenhof - tuinarchitect
Onrust - directrice rusthuis Marishof
Ooijevaar Cees - vogeldeskundige
Ooijevaar - mevrouw M -verloskundige in Warmenhuizen
Oorlog mevrouw - vertrouwenspersoon vliegbasis Gilze Rijen
Oost-Indie de heer - voorzitter Nederlandse Dovenvereniging
Oostindie hoogleraar caribische studies
Oostindie mede-auteur boekje over Indonesische keuken
Oostvogels Angela - vrijwilligster bij vogelasiel Zundert)
Openeer W. - kapitein op de veerboot Westerschelde
Oppeneer Anki - woordvoerder patientenvereniging Vruchtbaarheidsproblematiek
Woensel-West
Ik kan zomaar opeens ontploffen. Meestal gebeurt dat als ik iets lees in de krant. Die ontploffingen duren nooit lang en zijn ook niet gevaarlijk. Ze gaan vaak niet eens over dingen die mij persoonlijk raken. Behalve verhalen over de hypotheekrente-aftrek staat er in de krant weinig dat over mijn persoonlijke leven gaat. Ik ben namelijk geen moslim, geen captain of industry, geen sporter, geen prins en geen tokkie. Ik ben doorsnee en daar gaat het zelden of nooit over in de krant.
Vanmorgen ontplofte ik toen ik in het Algemeen Dagblad las dat SBS6 een serie programma’s gaat uitzenden over mensen in achterstandswijken waarbij het leven van de tokkies verbleekt. De opnamen zijn gemaakt in onder meer Woensel-West in Eindhoven en de Bartjeswijk in Den Bosch. Twee wijken die ik heel goed ken. In Woensel-West heb ik veel reportages gemaakt.
En nu gaat SBS6 de absolute onderkant van die wijken laten zien. Als ik het AD mag geloven dan gaan wij zien hoe buurtbewoners met elkaar vechten, op rooftocht gaan, hoereren, porno-films bekijken en zuipen. En daar ben ik heel boos over. Heel erg boos. Ik weet hoe ze vooral in Woensel-West met succes proberen de wijk op te kalefateren. Nog niet zo lang geleden hebben ze er alle hoeren uit weggehaald en daarmee is de leefbaarheid flink toegenomen. Zo’n programma werpt zo’n wijk weer jaren terug. Dat moet je niet willen maken. En daar moet je al helemaal niet naar kijken.
Gelukkig heb ik collega’s die mijn woede kanaliseren. Want, zeiden ze, eigenlijk moet je boos zijn op die Woenselnaren die aan zo’n programma meewerken. Eigenlijk wel ja. En, zeiden ze, blijkbaar gebeuren er in die wijk nog steeds dingen die de moeite van het tonen waard zijn. Eigenlijk wel ja.
Eigenlijk ben ik boos op iedereen.
P.S. Inmiddels hebben wij uit betrouwbare bron vernomen dat de makers van het programma niet zo gelukkig zijn dat SBS al een trailertje (vooraankondiging) heeft uitgezonden. Nog minder gelukkig zijn ze met de publiciteit die het AD daar aan gaf. Letterlijk zei onze Deep Throat: "nu weet iedereen wat we echt van plan zijn".
Voortekenen
Kijk, als je mij op de man af vraagt wat ik het liefst zou willen dan zou ik zeggen: ik zou het liefst in de middeleeuwen leven en ridder zijn. Overdag een beetje rossen tegen andere ridders, ’s avonds rode wijn drinken uit grote tinnen bekers en kip en everzwijn kluiven en 's nachts jonkvrouwen redden. Ik ben gek op de middeleeuwen en kip kluiven.
Daarom volg ik ook alles over het aanstaande huwelijk tussen Prins Charles en Camilla Parker Bowles. Niet omdat ik koningsgezind ben, maar omdat ik dat een fantastisch middeleeuws spektakelstuk vind. Om die reden ben ik ook zo blij dat het NOS-Journaal er gisteren vijf minuten aan spendeerde en dat alle kranten er vanmorgen vol van stonden. Heerlijk.
En als je alles leest kom je opmerkelijke dingen tegen. In de Volkskrant las ik een passage waaruit helder bleek dat voortekenen voor het huwelijk er al lang waren. De journalist schrijft dat al in 1999 een zorgvuldige operatie begon om Camilla weer acceptabel te maken voor het volk: “eerst verschenen ze samen bij de Ritz, daarna werd openlijk een kus uitgewisseld, vervolgens bracht Camilla een bezoek aan Buckingham Palace en uiteindelijk (let op, nu komt het!) gaf ze een toespraak voor een congres over botontkalking in Lissabon”. Wat een climax! Ze gaf een toespraak voor een congres over botontkalking! Dan weet elke royaltywatcher (en welke Brit is dat niet?) toch wat er staat te gebeuren. Een duidelijker teken kan een mens niet krijgen.
Stralen
Zandstralers zijn lomp volk. Althans de zandstralers die gisteren ons huis onder handen hebben genomen. Marlies was gisteravond het eerste thuis en zij kreeg de toorn van enkele buren over zich heen.
De zandstralers hadden de auto van een meisje uit het studentenhuis aan de kant geduwd. Dat hadden ze niet moeten doen. Bovendien hadden ze bij het reinigen van die auto, die na het zandstralen onder het stof zat, de ruitenwisser beschadigd. De eigenaresse ging door het lint en was minutenlang niet meer voor rede vatbaar, zo werd mij in geuren en kleuren verteld. Ik begrijp de liefde van mensen voor een auto niet zo, maar ik begrijp wel dat ze kwaad was. “Wie aan mijn auto komt, komt aan mijn ziel”, schijnt ze als maar gegild te hebben. Toen ze wat gekalmeerd was bleek waarom. Het Fiatje was van een overleden vriendin geweest en was dus meer dan zomaar een auto. Dat zul je altijd zien.
De zandstralers hadden ook enthousiast het bevuilde huis van de buren schoongemaakt. Die wonen er nog maar twee weken, dus een goede start is voor hen en ons belangrijk. Zandstralers mogen die niet bederven. Maar dat hebben ze wel geprobeerd. Een huisnummerbordje was helemaal kapot gestraald. Nou zou je zeggen, koop je toch een nieuw nummerbordje. Maar deze hadden ze na lang zoeken ergens in het noorden van het land gevonden. Speciaal voor hun eerste gezamenlijke nieuwe huis. Dat zul je altijd zien.
En de zandstralers hadden bij de buren twee ruitjes kapot gestraald waardoor er water en gruis naar binnen was gelopen. Een laat nou net onder dat raam de nog niet aangesloten monitor van een computer staan. Tja, dan zou ik ook over de zeik zijn. De buren bleven er stoïcijns ons. Gelukkig maar.
Al met al betekent het weer het nodige geregel met aannemer, onderaannemer en verzekering. En eigenlijk heb ik een broertje dood aan dit soort gedoe. Lamstralen. . .
't Is voorbij
Vannacht om twaalf is in ’s-Hertogenbosch de Knillis begraven. Vraag me niet om het uit te leggen, neem van mij aan dat daarmee een einde is gekomen aan het Oeteldonkse carnaval. Ik was er niet bij, maar ik weet zeker dat de mensen tranen met tuiten hebben gehuild. We gaan weer over tot de orde van de dag.
Ook op onze zender zal de carnavalsmuziek verstommen. De enige die blijft is Schnappi das kleine Krokodil (Snappie voor vrienden). Ik weet wel dat het kinderachtig is, maar ik móét er even over praten. Een week of wat geleden hoorde ik opeens een collega luidkeels "schni. . . schna. . . schnappi(3x)" zingen. Nog voordat ik naar de bedrijfsdoos met kalmerende pillen kon grijpen hoorde ik uit alle hoeken en gaten collega’s aanhaken. Dus hield ik mij gedeisd, want hier was blijkbaar sprake van een rage die aan mij, de wereldvreemde, voorbij was gegaan en ik wilde me niet laten kennen. Even dacht ik dat ik in de maling was genomen. Maar op terugweg in de trein hoorde ik zowaar een groepje opgeschoten jongeren over Schnappi praten. Ze konden er ook stemmig over zingen. Waar had ik de afgelopen weken met mijn gedachten gezeten?
De volgende dag ging opeens in één van de hoeken van de redactieruimte de radio op keihard. Een schel stemmetje zong schni. . . schna. . . schnappi (3x) en iedereen haakte weer aan. ’t Bleek een hitje. Sterker nog in Duitsland staat het liedje nummer 1. Deze kleine krokodil uit de Nijl schijnt een ster te zijn in een TV-programma. Er zijn zelfs Schnappi T-shirts, bekers, pennen, ringtones. Maar ach, dat wist u als mensen van de wereld natuurlijk allang.
Gisteravond kwam Marlies thuis van haar werk. U weet wel het eerbiedwaardige AVRO Klassiek in Hilversum. Haar chef had haar nou toch iets laten horen, zei ze. Ik verwachtte een interessant verhaal over een unieke opname van Maria Callas, Prokovjev, Grieg.
Nee, ’t was een liedje over een krokodil, zei ze.
Schnappi, zei ik zo achteloos mogelijk
Jij weet ook alles, zei ze.
't Is alweer de laatste dag
Het leukste aan carnaval vind ik de Zuid-Nederlandse journalistiek of wat daar dezer dagen voor door gaat. Het Brabants Dagblad van Tony van der Meulen (U weet wel: de man die het waagde om Nawijns Belang aan te vallen) wordt geschreven met roodwitgele inkt (de kleuren van Oeteldonk).
Ik heb al eens eerder uitgelegd dat in ’’’s-Hertogenbosch carnaval wordt gevierd volgens tradities en oude gebruiken. Die zijn voor buitenstaanders niet te begrijpen en de Oeteldonkse Club van 1882 zou die pottekijkers ook het liefst buiten de middeleeuwse stadspoorten houden. (Nawijn zou eens toenadering moeten zoeken met de organisatoren van het Oeteldonkse carnaval).
Het Brabants Dagblad werpt zich dezer dagen op als hoeder van de traditie. Op de voorpagina stond een bloedserieus verslag van de stoet die zondagmorgen in het kielzog van Prins Amadeiro door de stad trok. Daarmee wordt het carnaval geopend en het is meteen één van de belangrijkste evenementen. De verslaggeefster vond de sfeer maar zo-zo. Normaal wordt in die stoet de Bossche politiek gehekeld (en neem van mij aan dat die voor meer dan voldoende inspiratie zorgt) maar dit jaar liepen er vooral veel bastaardzonen en –dochters van Prins Bernhard mee. Misschien is dat boven de rivieren grappig, hier is dat plat.
En dan natuurlijk de column van Jos van de Ven, chef van de stadsredactie. Met hem voel ik een soort verwantschap. Elke Oeteldonkse hoogwaardigheidsbekleder die zichzelf al te veel opblaast wordt door hem vakkundig ontlucht. Hij maakt zich boos over het feit dat die hotemetoten het volk veel te lang hadden laten wachten op een officieel moment. Ze waren te veel in de weer met minister Van der Hoeven (de echte), staatssecretaris Van der Knaap (de echte) en Erica Terpstra (de echte). En gelijk heeft hij. Carnaval is voor het volk en niet voor die opgepoetste hotemetoten.
En mijn eigen omroeppie? Ach, wij zijn drie dagen Dweilradio. Onze zender is verstopt achter een brabantbreed bloemetjesgordijn.
't Gaat maar door
Beren – oliesjeiks – kikkers – smurfen – boeren – leeuwen – nog meer boeren – muziekskes met groene uniformen – prinsessen – ridders – zorro – nog meer boeren – mannen in djelabba’s - heksen - feeën - clowns - heel veel clowns - nog meer boeren
Zo maar een greep van wat zich gisteren door onze straat slingerde. Ho, wacht even, die mannen in djelabba’s horen niet in dit rijtje thuis. Die zijn er altijd.
"Het mooiste van carnaval vind ik dat dan de lente weer snel komt."
Een uitspraak van mijn vrouw. Jammer genoeg valt carnaval dit jaar heel vroeg, dus zal ze nog wat geduld moeten oefenen.
't Is Begonnen
Er lopen veel vreemd uitgedoste figuren door de onze straat.
Sommigen maken muziek met trompetten en trommels. Hard en vals.
Als ik de deur naar het dakterras open zet kan ik de trein horen waarmee Prins Amadeiro op het moment dat ik dit schriijf in Oeteldonk arriveert.
't Is gezellig in de stad, dat moet ik met mijn calvinistische bloed niet verstoren.
Volgens collega’s met veel ervaring in de wondere wereld van carnaval worden de tonpraoters elk jaar slechter. Ze hebben maar één leuke grap gehoord dus die wordt keer op keer naverteld: “Komme wai een kaivolle zaol binne, zitte d’r voran twee leuke vrouwkes. Vraog ik an die vrouwkes: wilde gullie daanse? Gèr, zeeje ze. Da’s mooi, zee ik, dan kunne wai daor zitte. . .” Tatààààà, tatàààà, tatàààà.
