Oudejaarsavond


Oudejaarsavond is traditioneel een avond waarop we samen thuis zijn. Geen feesten, geen bezoek. We hebben nooit afgesproken om oudejaarsavond zonder andere mensen door te brengen. ’t Is zo gekomen, zo gebleven en 't is goed zo. We spreken daar ook nooit over. We vieren zonder woorden dat we blij zijn dat we samen zijn, dat we het er weer een jaar goed vanaf hebben gebracht en we hopen allebei in stilte dat we in het nieuwe jaar dezelfde persoonlijke voorspoed mogen hebben. Ik denk dat we onbewust voor deze manier van “oudejaarsviering” hebben gekozen omdat we allebei een verleden hebben waarin de jaarwisseling een kantelpunt was tussen weer een verloren jaar vol strijd en een ongewisse toekomst








Recensies


Bij de aankoop van boeken of het bekijken van films en theaterstukken laat ik me wel eens leiden door recensies. Omdat ik veel kranten lees, lees ik ook veel recensies. Niet zelden spreken de recensenten elkaar tegen.

Recensies schrijven is ook niet zo makkelijk, ik heb me er één keer aan gewaagd en daarna nooit meer. Waarom hemelt de één een boek of een film op, terwijl de ander datzelfde boek of diezelfde film neersabelt? Zijn er eigenlijk wel objectieve criteria? De beoordeling heeft volgens mij ook een beetjel te maken met het milieu waarin je werkt (en of je ’s morgens ruzie hebt gehad met je vrouw of niet). Er zijn milieu’s waarin het not-done is om een Van den Ende-musical te prijzen. Onze luisteraars dwepen met Frans Bauer, Grad Damen en Wesley. Ik vind ze verschrikkelijk, maar wie ben ik om daar over te oordelen?

Soms schrijf ik hier wel eens over een voorstelling waar ik door geraakt ben, maar dat is iets anders dan een beoordeling. Ik zie heel veel nieuwe films, maar ik waag het niet om daar een cijfer aan toe te kennen, daarvoor ben ik helemaal niet deskundig genoeg. Ik vind iets mooi of niet mooi. Ik heb bijvoorbeeld genoten van de film “Gegen die Wand”, maar ik zou ‘m niet tot de beste Europese film hebben gekozen.

Vorige week werd in de Volkskrant de oudejaarsconference van Lebbis&Jansen afgekraakt. Daar baalde ik van, want ik had me er een beetje op verheugd. Gelukkig las ik gisteren in het Brabants Dagblad dat het de beste oudejaarsconference was die het duo ooit gemaakt heeft.

Ik oordeel vanavond zelf wel.








Koppen


Koppen maken is in de journalistiek een vak apart. Een kunst eigenlijk. Hoe vat je in een paar woorden de inhoud van een heel artikel samen? Bij radio en TV is dat meestal niet zo’n kwestie, want wij werken met headlines en daarbinnen heb je redelijke speling. Maar onze collega’s van Teletekst worstelen regelmatig met het probleem. De koppen moeten altijd één regel zijn, mogen slechts een bepaald aantal karakters hebben en die regel moet ook nog eens mooi vollopen. Regelmatig hoor ik onze Teleteksters kreunen en steunen. 

Koppen maken is een vak. De rubriek Geknipt voor U van Vrij Nederland laat dat wekelijks zien. Ik heb er zelf in mijn krantentijd duizenden gemaakt en niet allemaal even geslaagd. Soms maak je een mooie kop en zie je pas de merkwaardigheid ervan in als de krant gedrukt is. Wat zou de koppenmaker van de Telegraaf gedacht hebben toen hij of zij deze kop maakte die ik vanmorgen op pagina 3 van de Telegraaf zag staan:

Grootste inkomstenbron
Thai valt volledig droog










Kwisje


Onderstaand bericht verscheen vandaag op het ANP. U mag zeggen in welke categorie het thuis hoort:

A. de grootste open deur van 2004
B. heeft iemand nog iets te doen voor de stagiair?
C. winnaar van de race om de binnenlandse invalshoeken

DEN HAAG (ANP) - Bij een enorme ramp van deze omvang is chaos onvermijdelijk. Dat zegt voorzitter U. Rosenthal van het COT, Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, over de zeebeving die veel gebieden rond de Indische Oceaan heeft getroffen. ,,Bij de rampen die Nederland de laatste jaren heeft meegemaakt, was er al veel chaos en onduidelijkheid. Laat staan bij deze ramp die een ongekende omvang heeft en zoveel gebieden treft.'' Volgens Rosenthal spelen er veel zaken mee die de chaos nog vergroten, bijvoorbeeld als het gaat om het opsporen van vermiste Nederlanders. Omdat het vakantietijd is, trokken er veel rugzaktoeristen door de getroffen gebieden. ,,Probeer die maar eens op te sporen'', zegt hij.








Dialect


Ik spreek geen dialect. Ik ben ook geen voorvechter van dialect, maar ik kan wel de pest in krijgen als mensen die dialect spreken of met een tongval praten door anderen belachelijk worden gemaakt. Mensen die een Brabander proberen na te doen en een soort midden-limburgs gaan praten zijn pas belachelijk.

En dialect kan wel eens heel handig zijn. Maandagavond toonde het NOS-Journaal amateurbeelden van de vloedgolf in Sri Lanka (waarbij de golven dwars door een hotel heen gingen). Aan de kreten van de filmende toerist te horen moest hij uit Brabant komen.

Gistermorgen hebben we met een paar collega’s de stem geanalyseerd. De meningen waren niet gelijkluidend. De één hoorde een peeldialect met een zweempje noord-limburgs, volgens de ander kon het ook kempisch zijn. Waarschijnlijk zat het er ergens tussen in, was de conclusie.

En verdomd, dat klopte. De man, wiens filmpje inmiddels de wereld over gegaan is, woont in een dorp op de grens tussen de Kempen en de Peel. Dankzij een oproepje via onze website en onze teletekstpagina’s wisten we binnen een uur wie het was. We hebben hem al even heel kort telefonisch kunnen spreken en we zullen hem deze week, als hij terug is, gaan interviewen.
NOVA heeft al gebeld, want die waren ook tot de conclusie gekomen dat het een Brabander moest zijn en die hadden alle hoop op ons gevestigd.

Met dank aan het dialect.

Zie ook hier en hier








Geluid


’t Meest vreemde geluid vind ik dat van schreeuwende kinderen in de verte. Van zo ver dat je alleen maar flarden hoort. Het vreemde is dat die kreten in mijn hoofd altijd vormloze beelden en herinneringen uit mijn jeugd oproepen. Soms heb ik het gevoel dat die flarden uit een andere wereld komen, maar dat past niet bij mijn te verwaarlozen bijgelovigheid.

Ik vind het geen prettig geluid, zelfs niet als ik er uit op kan maken dat de kinderen plezier hebben. ’t Vervult me soms met angst, soms met boosheid maar altijd met weemoed. ’t Brengt iets onbestendigs, iets ondefinieerbaars, iets ongrijpbaars. Naarmate ik ouder word denk ik steeds vaker na over de vraag waarom ik zo’n vreemd gevoel krijg als ik heel ver in de verte kinderen horen roepen. Een goede psycholoog zou ’t me waarschijnlijk na twee sessies kunnen uitleggen, maar ik word er niet door geplaagd dus hoef ik ook geen “hulpvraag te formuleren”.

Misschien weet ik het zelf. ’t Zou kunnen zijn dat ik ooit als kind voor straf op mijn kamertje moest blijven en dat ik toen in de verte stemmen hoorde van kinderen die wel gehoorzaam waren en nog steeds buiten mochten spelen. Niet dat ik nou zo’n strenge jeugd heb gehad en zo vaak straf kreeg, maar het zou kunnen zijn dat die stemmen mij een enorm gevoel van eenzaamheid hebben gegeven en dat dat gevoel ergens onderbewust altijd aanwezig was en nog steeds aanwezig is. ’t Gevoel dat je er bij wilt zijn, maar dat je er niet bij mag zijn. ’t Zou passen bij mijn levensstijl, namelijk dat ik meer een toeschouwer ben die vanaf de zijlijn commentaar geeft om zo mijn onhandigheid aan de bal niet te hoeven tonen.|

Ook als dit allemaal niet zo zou zijn vind ik het zelf wel een bevredigende verklaring.








Moorden


Brabant is een relatief moorddadige provincie en aan het eind van het jaar maken we bij de omroep altijd de balans op. Dit jaar zijn het er meer dan twintig. De meeste zijn gepleegd in de relationele sfeer, zoals dat heet. Mensen die exen of echtgenoten om het leven brengen, ouders die kinderen vermoorden of andersom. En zo gaat het al jaren.

Een paar maanden geleden bracht persrechter M. een bezoek aan onze studio. Ik leidde hem rond en we spraken over van alles en nog wat. Ook over het toenemende onveiligheidsgevoel van mensen. Rechter M. vond het allemaal betrekkelijk. De meeste moorden, zei hij, worden gepleegd in de relationele sfeer en meestal ook nog gewoon thuis. Hij sprak de legendarische woorden: “Je kunt beter ’s nachts over straat lopen dan getrouwd zijn.”

Een paar weken later ruimde ik wat administratie op. Daarbij kwam ik de gerechtelijke uitspraak van mijn echtscheiding in 1992 tegen. Inderdaad, uitgesproken door rechter M. Had hij me toch zo maar van een wisse dood gered.








Verbouwen


Het is vandaag een belangrijke dag. Vandaag is de termijn verlopen waarbinnen bezwaar gemaakt kon worden tegen de verbouwing van ons huis. En er zijn geen bezwaren ingediend. Bovendien hebben we vandaag de financiering voor die verbouwing met onze handtekeningen bekrachtigd (acte laten passeren bij notaris Ypma want die geeft een waardebon voor twee koffie en twee Bossche Bollen bij zijn buurman Jan de Groot, ’s werelds enige echte bollenbakker). Op 17 januari gaat het beginnen.

Ik heb u er nog niet eerder mee lastig gevallen, want wat zal het u een worst wezen dat wij de voorgevel van ons huis helemaal gaan veranderen? Maar ik verzeker u dat er dit jaar al heel wat uurtjes (en geld) in de voorbereiding zijn gaan zitten. En we hebben al een ordner vol papier.

Wij wonen in een voormalige buurtsuper met een foeilelijke voorgevel. Zo’n jaren zeventig supermarktgedrocht met betonvlechtwerk voor de ramen tegen supermarktrovers. De voormalige winkelruimte is nu onze woon/slaapkamer. Omdat wij net buiten de Bossche binnenstad wonen valt ons huis in het bestemmingsplan waarvoor hele strenge regels gelden. Dat begon dus in mei al met een bezoekje van de ambtenaar wiens hoofdtaak het is om elk bouwplannetje binnen dat gebied aan een eerste toets te onderwerpen. Hij legde uit wat we wel en wat we niet mochten. Wat we wilden mocht in ieder geval niet. Hij was wel heel enthousiast over ons plan om die lelijke voorgevel te vervangen.

Daarna volgden gesprekken met een architect, vervolgens ging het plan naar de welstandscommissie en na de goedkeuring ging een bouwkundige aan de slag om de zaak tot in detail uit te werken. Vervolgens werd de bouwvergunning aangevraagd en werden twee aannemers uitgenodigd een offerte te maken. Toen we wisten wat het zou gaan kosten konden de financiën geregeld worden. En nu is het voorwerk dus helemaal klaar en zal de verbouwing over een week of drie (ijs en weder dienende) beginnen.
We zullen een kleine maand in de rommel zitten, maar dat hebben we er wel voor over.




                                           Zo is het nu




                                            Zo gaat het worden








Nicht


Hoera. . . ik heb een nicht!

Nou zeg, ik had wel wat meer enthousiasme verwacht. Bent u mijn droevige stukje van voor-vorige zondag al vergeten.

Ooooh. . . U dacht dat ik ging schrijven over een nieuwe productie van John Lanting.

Nee, ’t is heel serieus. Ik heb toch familie. Een nicht. De dochter van de oudste zus van mijn moeder. Het is zes jaar geleden dat ik haar voor het laatst sprak. Heel even tijdens de uitvaart van mijn moeder. Daarvoor had ik haar ook al jaren niet gezien. Ik vond het altijd een leuke meid. Eigenlijk moet ik zeggen, leuke vrouw, want ze is een paar jaar ouder dan ik.

Sinds die laatste keer stuurt ze elk jaar trouw een kerstkaart. Met een voorgedrukte tekst en alleen haar naam. Wij stuurden dan een kaart terug. Vorig jaar kreeg ik opeens een onbedwingbare aanval van famlieliefde. Ik schreef haar een brief waarin ik haar uitnodigde om eens te komen eten. Ik had kunnen opbellen, maar na zoveel jaar van afstandelijkheid leek me dit beter. Dan kon zij beslissen of ze wilde reageren of niet. Twee weken later kreeg ik een hartelijke brief terug. Ze was inmiddels gescheiden en had een nieuwe partner. Daarmee zou ze op vakantie gaan en daarna zou ze bellen. Daarna heb ik nooit meer iets gehoord en omdat mijn aanval bedwongen was heb ik het er bij gelaten.

Tot vorige week, toen was er weer een hele hartelijke brief. Ze is een week of zes geleden in Den Bosch geweest en heeft aangebeld. We waren niet thuis. Ze vindt het nog steeds een geweldig idee om samen te eten en ook haar nieuwe partner verheugt zich op een kennismaking met zijn nieuwe neef van de kouwe kant.

Ik beloof mijzelf hierbij heel plechtig dat ik haar na nieuwjaar bel. Iemand moet de kar trekken. U mag me er aan houden. Als ik op 15 januari nog niet heb geschreven dat ik haar heb gesproken mag u me daarop aanspreken.








Feestje


Er worden god-hier-en-daar in dit land mensen, die met gevaar voor eigen leven uit de meest vreselijke brandhaarden zijn gevlucht, jaren aan het lijntje gehouden voordat ze horen of ze hier mogen blijven. En dan heb ik het niet over de mensen die na zoveel jaren onzekerheid, verdriet en angtst te horen krijgen dat ze naar hun verscheurde vaderland terug moeten.

En dan hoor ik god-hier-en-daar vanmorgen op Radio 1 een Nederlandse eikel zeggen dat hij toch maar het vliegtuig naar Phuket neemt. Het stuk Thailand dat gisteren is getroffen door de vloedgolf en waar zoveel mensen gedood zijn. Nee, hij maakt zich niet druk om de toestand. 't Zal wel meevallen denkt hij. Ze gaan er hun eigen feestje bouwen, zei hij.

Beste minister Verdonk, zorgt u er voor dat dit soort randdebielen niet meer naar ons land terug kan keren. Dan kunnen wij hier een feestje bouwen met al die vluchtelingen die wel een greintje medemenselijkheid in hun donder hebben.

Sorry, ik werd even door woede en verbijstering overmand.








IJs


Een talenwonder ben ik nooit geweest. In Duits en Engels durf ik wel een stevige discussie aan. Frans is voor mij hetzelfde als abracadabra en in het Italiaans kan ik overleven. Maar in alle talen mis ik de nuance om er voluit mee in de slag te gaan.
Het afgelopen jaar is er veel gesproken over inburgering. Buitenlanders moeten bijvoorbeeld onze taal leren, op die manier bevorder je de communicatie en kun je problemen voorkomen. Ik denk dat dat waar is, maar dan nog blijft de nuance in een taal over, die soms tot misverstanden kan leiden.

Vorige week belde onze IJslandse vriendin die al jaren in Brabant in woont en vloeiend Nederlands spreekt.  ’t Was nog vroeg in de ochtend, ik was bezig met het ontbijt en had nog geen krant gelezen.

Heb jij de Volkskrant? vroeg ze.

Ja, zei ik.

Wie is Joop van der Reijden?

Uuuhh. Een oud-politicus, hij heeft ook iets in de sportwereld gedaan, maar dat ben ik even kwijt. En hij was voorzitter van Veronica.

Is die man belangrijk in Nederland. Heeft hij invloed?

Uuuuhh. Vroeger wel een beetje, maar nu niet meer zo, geloof ik Maar, waarom vraag je dat allemaal.

Omdat hij een eikel is!

Wat is er allemaal aan de hand?

In de Volkskrant staat een interview met hem. En hij zegt dat hij in zijn leven wel eens iets heeft moeten doen dat net zo moeilijk is als ijsjes verkopen aan mensen in Reykjavik!! Man, er zijn wel twintig ijssalons in Reykjavik. Weet jij wel hoeveel ijs wij eten!

Ach, dat is maar zo’n uitdrukking, joh. Daar moet je je niet te druk over maken.

Dat doe ik wel. Iedereen denkt dat wij eskimo’s zijn die in iglo’s wonen. Wat moet ik doen?

Uuuuh. . . een ingezonden brief schrijven?

Heb jij het adres van de Volkskrant?

Ik denk uuuuhhhh. . . redactie@volkskrant.nl.

OK, ik denk dat ik ga schrijven. Wat denkt zo’n eikel wel. . .








Stille nacht, heilige nacht


Mijn geliefde schrijft dagelijks een KlassiekKalender op de site van AVRO Klassiek. Vandaag schrijft ze over de ontstaansgeschiedenis van het lied “Stille Nacht, Heilige Nacht”. Ik vond het wel toepasselijk.

In Oberndorf hebben ze op kerstavond 1818 een probleem: het orgel van de Sint Nicolaaskerk is kapot. Ze willen er toch een feestelijke kerstviering van maken en onderwijzer Franz Gruber neemt een tekstje van Mohr mee naar huis en zet zich aan het componeren: nog dezelfde dag schrijft hij 6 coupletten (voor twee mannenstemmen en koor, met begeleiding van een gitaar). Stille Nacht was geboren! Het lied is op tijd klaar en wordt die nacht uitgevoerd.

De eerste tijd blijft het lied alleen in Oberndorf bekend. Via via komt het later in handen van de familie Strasser, die veel rondreist èn: een familiekoor heeft. Ze geven een concert in Leipzig en zingen het lied daar. En in 1839 zingt een familie Rainer het lied in New York. Daarna verspreidt het lied zich snel over de hele wereld. Het staat op duizenden platen, is in meer dan 200 talen vertaald; er zijn instrumentale versies van, hard-rock-versies, versies voor kinder-, jongeren-, mannen- en gemengde koren. Meestal zingt men het eerste, tweede en zesde couplet. Het wordt soms prachtig gezongen en soms hemeltergend gejànkt, maar het is onverwoestbaar.








Theorietje


Gisteravond was de kerstborrel van Omroep Brabant. Ik heb er speciaal mijn vakantie voor onderbroken. Al was het alleen maar om de collega’s die de borrel organiseerden, nadat de baas ‘m uit bezuinigingswoede had geschrapt, een hart onder de riem te steken.

’t Was gezellig. En je praat nog eens met mensen die je de rest van het jaar alleen maar vriendelijk groet omdat onze werkzaamheden geen raakvlakken hebben. Ik raakte aan de praat met collega en programmamaker Merlijn Passier. Hij won in 1997 met zijn documentaire “De tranen van Castro” een Gouden Kalf. Acteur Jaap van Donselaar, die in die documentaire speelt won een Gouden Kalf voor beste acteur. Dat klinkt tegenstrijdig, maar wie de film heeft gezien, begrijpt het.
We kregen het over de beste film aller tijden. Andere collega’s aan onze hangtafel boden mee. Mensen hebben blijkbaar behoefte aan lijstjes. Ik weet niet waarom, misschien geven ze houvast aan het bestaan. Of misschien zijn we als mens gewoon competitief ingesteld. Apocalyps Now en Clockwork Orange scoorden goed.

Ik heb niet meegeboden. Ik vind zoveel films mooi dat ik niet eens een keuze wil maken. Bovendien hou ik niet zo van lijstjes. In mijn hoofd en in mijn hart is ruimte voor vele ex equo’s. Ik heb eigenlijk maar twee lijstjes met absolute favorieten: vrouwen en voetbalclubs. Op de eerste staat mijn eega met stip bovenaan en het tweede wordt aangevoerd door PSV. Maar als Ajax en Feyenoord het goed doen in Europa ben ik ook blij. Kijk, daar ga ik al weer.

Onderweg terug in de auto dacht ik nog even na over “de beste film”. Wanneer is een film voor jou de beste? Ik ontvouwde een kleine theorie want ook ik wil wel eens wat houvast in m'n leven: als je een film meermalen hebt gezien. Ik dacht na en kwam tot de conclusie dat ik Black cat, white cat van Kusturica meermalen heb gezien en dat ik daar elke keer van genoten heb. Is dat dan mijn beste film aller tijden?

Thuisgekomen had de nummer één van mijn vrouwenlijstje zich behaaglijk voor de buis genesteld. En ik hoorde het al van verre, het was weer zo ver, op TV vertoonde men The Sound of Music.
Hoe vaak heb je die al gezien,” vroeg ik haar.
Ze rekende even en zei: “De laatste vijftien jaar elke kerst en daarvoor een paar keer los vast. Dus een keer of twintig.”
Ik rekende mee. Ik ken haar twaalf jaar, heb al die keren meegekeken (vanwege Salzburg, Marlies heeft daar zang gestudeerd en we keren er regelmatig terug) dus moet ik de Von Trapp-familie twaalf keer naar Zwitserland hebben zien vluchten om met een onbevredigd gevoel achter te blijven omdat ik niet weet wat er van ze terecht komt.

Ik dacht even terug aan het theorietje dat ik in de auto had ontwikkeld. ’t Klopte niet. . .








Waarzeggers


Het einde van het jaar is traditiegetrouw de periode waarin de waarzeggers in rotten van drie langs de redacties van populistische kranten en RTV-stations trekken. Ze vermaken het publiek met voorspellingen voor het komende jaar. Meestal vallen die in de categorie: er zal een natuurramp plaatsvinden; de dood van een bekende Nederlander zal het land op z’n grondvesten doen schudden of: de temperaturen in de zomer zullen velen verrassen.
De koninklijke familie is ook altijd een geliefd onderwerp. Nou is die Oranje-clan inmiddels zo uitgedijd en ingeburgerd dat er altijd wel eentje is die datgene doet wat een waarzegger voorspelt.

De meeste waarzeggers vind ik types die het zwarte garen hebben uitgevonden toen het witte er al was. Hun voorspellingen zijn meestal zo geformuleerd dat er altijd wel iets van waar is, dus dat hadden u en ik ook gekund. Het enige dat voor mij voor 2005 vast staat is dat de waarzeggers aan het eind van het jaar weer zullen opduiken.

Ondanks mijn scepsis over koffiedikkijkerei heb ik me eind vorig jaar aan een voorspelling gewaagd. Dat was op het – toen nog bestaande – Volkskrantforum. Ik voorspelde dat het kabinet-Balkenende voor het einde van de rit zou vallen. Waarom? Omdat ik denk dat er, net als jaren geleden, binnen het CDA dissidenten zullen opstaan. Mensen die zich er plotseling van bewust worden dat christen-zijn niet betekent dat je met je kont een pluche stoel warm moet houden, maar dat christen-zijn vooral een kwestie is van naastenliefde. En het geweten van die mensen krijgt het volgend jaar zwaar te verduren als duidelijk wordt welke gevolgen het kabinetsbeleid heeft voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. En dan gaat het rommelen. Ik voorspel het u.

En het mooie is, als mijn voorspelling volgend jaar niet uitkomt heb ik 2006 nog voor een herkansing.








Smullen


Mijn vrouw bracht gisteren een paar collega’s mee naar huis. Ze kwamen van Hilversum naar het zuiden afgezakt om het Brabantse kaartspelletje rikken te spelen. We hadden afgesproken dat ze direct na het werk zouden komen en dat ik een pastamaaltijd zou maken.
Alles ging volgens plan. Ze hebben gesmuld van mijn eten (allemaal twee keer opgeschept), we hebben leuk gerikt en er is nog muziek gemaakt, want als de jongens en meisjes van AVRO Klassiek op dreef zijn ontstaan er mooie dingen.

Toen iedereen vertrokken was zaten Marlies en ik nog even na te genieten met een borreltje.
Opeens zei ze: “Ik heb vanmiddag wel in m’n rats gezeten.”
Hoezo?” vroeg ik.
Nou onder de lunch hadden we het over eten. Collega A. vertelde dat hij uit principe geen vlees eet van kleine beestjes. En toen ik hem vroeg wat voor hem de ondergrens was, zei hij: een koe. En collega B. zei dat hij het nooit over z'n hart zou kunnen verkrijgen konijn te eten.”

Het gerecht waar ze gisteravond zo van gesmuld hebben was pappardelle met konijnensaus.
Sorry, jongens, de volgende keer wordt het pappardelle met koeiensaus.

Ach, weet je wat, ik heb toch vrij, laat ik het recept maar even geven.

Ingredienten (4 personen)

600 gr. Verse eierpappardelle (ik heb ‘m zelf gemaakt)
2 konijnenbouten
een geroosterde rode paprika
een ui
knoflook
marjolein
rozemarijn
boter
Parmigiano Reggiano
Droge witte wijn
Olijfolie extravergine
Zout en peter


Braad de konijnenbouten op een middelhoog vuur veertig minuten in de olie, zout en peper, een gesnipperde ui, knoflook, marjolein, een takje rozemarijn en een scheut wijn. Ontbeen de bouten als ze gaar zijn en hak het vlees fijn. Doe dat samen met de geroosterde en in stukken gesneden paprika in een ruime koekenpan met een flinke klont boter. Laat het een minuutje doorbakken en gooi dan de beetgare pappardelle en een soeplepel kookvocht er bij zodat de saus goed aan de pasta kan hechten. Serveren met fijngehakte peterselie en versgeraspte Parmigiano.








Zij wel (4). . .


(Door Marlies)

't Is me opgevallen dat zoveel loggers over hun poezen schrijven. Ik ga eens een tegendaad stellen. Wij hebben er twee, poezen bedoel ik en ik ben er erg blij mee. Het is het allerbeste alternatief voor een hond, maar het blijft een alternatief. En daarom ga ik u vertellen over mijn grote vriend Don, een hond dus, en nog wel een van het soort dat niet bij iedereen onverdeeld sympathiek is: een (Duitse) herdershond.

Don kwam een beetje gemanipuleerd in mijn leven: mijn toenmalige echtgenoot wilde eigenlijk geen hond, maar toen ik besloot (ook al tegen zijn zin) naar het conservatorium te gaan en op te houden met werken en ik er dus tijd voor had, kletste ik kleine puppy Don mijn leven in. Hij was de bijdehandste van een nest van elf (veel te veel natuurlijk) puppy’s die hun moeder tot op het bot hadden leeggedronken. Hij kwam kort na Hemelvaart en werd gedurende die zomer de voorbeeldige kameraad waarvan ik wist dat ik die nà hem nooit meer zou hebben. Mijn echtgenoot was meteen verkocht: hij heeft onvoorwaardelijk van Don gehouden, maar ik was de baas (van de hond natuurlijk......).

De dierenarts keek bedenkelijk toen ik mijn spruit kwam laten inenten...... de heupen....... het stond hem niet aan en hij raadde me aan de hond te laten röntgenen als hij een jaar zou zijn. Ik schrok, maar duwde het nieuws weg: Don werd de meest zachtaardige kameraad ooit. Hij ging mee naar de stad, in de bus, naar de bieb, in de auto en op vakantie. Hij begreep al mijn stemmingen en deed geduldig spelletjes mee. Hij kon met de (vier!) katten opschieten die door ons huis dartelden en liet hen (alweer geduldig) winnen als dat in zijn politieke kraam te pas kwam. Hij werd een (te) grote knappe, donkere herdershond, waar de meest uit de kluiten gewassen kerels bang voor waren, maar die geen vlieg kwaad deed........

Na een jaar kon hij niet meer achter in de auto tjoepen en moest hij getild worden. De dierenarts drong aan en er werden foto’s gemaakt. En al gauw was het duidelijk: heupdysplasie, en wel van het ergste soort. Inmiddels was ook de dierenarts verkocht: hoewel Don onheilspellend gromde telkens als de dokter zelfs maar naar hem wees: hij was onder de indruk van de verstandhouding tussen mij en de hond: een licht klakken met de tong was genoeg om het grommen te laten stoppen en nooit, maar dan ook nooit heeft mijn vriend zich aan wie dan ook vergrepen...... Om kort te gaan: met de injecties vol troep die hij kreeg (anabole stereoïden of zoiets vreselijks) hielp de dierenarts Don’s spieren om zijn heupen op zijn plaats te houden.

Don werd viereneenhalf; toen kon hij niet meer lopen (springen was al eerder geen optie meer). Hij zakte onderuit op ons laatste uitje en toen ik hem (hij gillend van pijn en ik in tranen) van de weg sleepte wist ik dat het afgelopen was. Dat was mijn vorige huwelijk inmiddels ook: de laatste droeve daad die wij samen verrichtten was Don’s laatste gang naar de dierenarts: hij stierf op de grond op mijn schoot; de dokter wilde hem de pijn van nog een keer op die tafel besparen. Terwijl ik dit typ schiet ik er nog van vol.

Daar staan jullie nou met al jullie kattenverhalen en ik begrijp ze: ik ben stapelgek op die van mij en zou ze voor geen goud willen missen, maar het blijft “slechts” het allerbeste alternatief voor een hond......... Schrijf lekker door trouwens: ik heb nòg een hondenverhaal achter de hand: dat van terrier Harrie, die na Don in mijn leven kwam, een jaartje eerder dan de man die nu mijn echtgenoot is (en de beheerder van dit weblog). Misschien voel ik mij over enige tijd en zoveel kattenverhalen verder opnieuw uitgedaagd.......








Gelijkoversteken


Ik ben niet meer zo'n actievoerder als ik vroeger was. Dat neemt niet weg dat sommige acties mijn warme steun hebben. Zoals de actie gelijkoversteken die momenteel door hiram wordt gevoerd. Hij wil dat elke diender die jou straks om een identiteitsbewijs vraagt ook meteen zijn eigen ID laat zien. Kijk, dat kan ik waarderen. Daarom van harte aanbevolen. Zeker nu een mevrouw uit Rosmalen de domeinnaam heeft gejat. Ik hou niet van mensen uit Rosmalen. Die pleegden jaren geleden een coup en maken er  - met hun dorpse mentaliteit - een kolere zooitje van in het Bossche stadsbestuur.








Winnaar


André Rouvoet, fractieleider van de Christen Unie in de Tweede Kamer is door de parlementaire pers gekozen tot politicus van het jaar 2004. En godbetert (sorry meneer Rouvoet): Wouter Bos eindigde op de tweede plaats. Wie? Wouter Bos. U weet wel, die onzichtbare socialist die zich gedeisd houdt om later zonder al te veel controversiële uitlatingen op zijn conduitestaat premier denkt te kunnen worden.

Er is hier iets opvallends aan de hand. De parlementaire pers kiest voor Rouvoet omdat hij een baken van rust en evenwichtigheid is in deze hectische tijden en zijn hoofd koel houdt. Hij wordt ook geroemd omdat hij nuchter is en niet hijgerig achter allerlei hypes aan holt.
Diezelfde pers leeft voor een deel van politici die achter – niet zelden door de pers zelf gecreëerde - hypes aanlopen en dus voor nieuws zorgen. Tenminste als je een paar lullige kamervragen nieuws vindt. (Er zijn politici die op aandrang van journalisten vragen stellen en een jaar later niet eens weten of ze antwoord hebben gekregen).

En nu vindt de pers iemand die niet aan dat spelletje mee doet de beste politicus van het jaar. De parlementariërs die hun de meeste stof tot schrijven hebben gegeven (met uitzondering van Hirsi Ali) komen niet eens voor in de top vijf. Van Aartsen, die vorig jaar nog won, bungelt nu ergens onderaan.

Zou dit betekenen dat de parlementaire pers de hijgerigheid voorbij is? Als dat zo is dan is ze zelf de grootste winnaar.








Jasje




Eén van de mooiste kerken van Brabant vind ik de Sint Jan de Doper in Waalwijk. Het is een bouwwerk in neobyzantijnse stijl naar een ontwerp van de bekende (kerk)architect H.W. Valk.
Marlies werkte daar gisteravond mee aan een kerstconcert, ze zong de solopartijen voor sopraan. Niet alleen maar het geijkte repertoire maar ook bijvoorbeeld La vergine uit La Forza del Destino en andere werken van Verdi, haar specialiteit.

De dag voorafgaand aan de avond van eenoptreden verloopt meestal volgens een vast patroon. Mijn vrouw tuttert een beetje door het huis en ik probeer haar te behandelen met alle egards die een diva toekomen. Een uur voordat we weg moeten gaan de kastdeuren met “optreedkleding” open. En dan begint het ritueel van pakken, terughangen, pakken en terughangen. Na enige tijd wordt er een keuze gemaakt. Hoewel ik de ballen verstand heb van mode hecht ze toch veel waarde aan mijn oordeel.

Zal ik dit aan doen?” vroeg ze gisteravond, terwijl ze het bedoelde kledingstuk al aan had. Meestal is dat een teken dat de keuze dan eigenlijk niet meer bespreekbaar is. Maar dit keer hoorde ik twijfel in haar stem. Gelukkig maar want ze had het lelijkste “optreedkleedje” uit de hele garderobe aan. Ik nam mijn kans waar. “Afschuwelijk,” zei ik (wij zijn duidelijk tegen elkaar). Zag ik daar enige opluchting?
Waarom doe je je oosterse jasje niet aan,” vroeg ik.
“Dat zou ik ook het liefst doen, maar past dat wel bij zo’n stemmig kerstconcert. Is dat nu niet een beetje te jolig?”, vroeg ze.
 “Welnee,” zei ik. “Kerstmis is immers jolijt alom. De geboorte van onze verlosser. Dat is toch iets om blij om te zijn.”

Ze schudde haar wijze hoofd, draaide om en haalde het oosterse jasje uit de kast. Onderweg in de auto probeerde ze het nog even met: “dat andere geval had wel meer dramatiek”, maar daar heb ik niet op gereageerd.

Nadat de koren hun eerste werken hadden gezongen was het de beurt aan Marlies. Ze kwam op en achter me hoorde ik iemand zeggen: “Jeetje (even tussendoor: zo noemden Jezus’vriendjes hem, dus dat paste goed in de Sint Jan van Waalwijk), "wat een mooi jasje heeft zij aan.”

Ik sprong op van mijn stoel (verbeelding en werkelijkheid beginnen vanaf dit punt een beetje door elkaar te lopen) en riep in de bomvolle kerk: “Dat heb ik uitgekozen. Dat jasje. Dat heb ik uitgekozen. . .ozen. . .ozen. . ozen”. De kerk galmt nogal. Twee papier-maché engelen daalden neer uit de koepel, tilden mij op en droegen me op hun vleugels tot boven het altaar. Vijf meter beneden mij stond mijn vrouw te wachten op het teken van de dirigent. Duizend paar ogen keken mij aan terwijl ik naar haar wees en riep: “dat jasje heb ik gekozen . . .ozen . . .ozen. . .ozen” Er volgde een daverend applaus. De engelen zweefden met mij over de kerkgangers en zetten mij terug op mijn stoel.

Op dat moment haalde Marlies adem voor haar eerste noot.








Onfatsoenlijk


U heeft het vast wel eens meegemaakt. U bent via een vaste telefoonlijn met iemand in gesprek. Op de achtergrond hoort u opeens Frans Bauer schetteren, of de tonen van de vijfde van Beethoven, of vogeltjes kwetteren. Degene met wie u in gesprek bent vraagt u even te wachten omdat zijn (of haar) mobieltje gaat. U bungelt een tijdje nutteloos aan het draadje van uw telefoon terwijl uw gesprekspartner vrolijk babbelend met iemand anders in de weer is.

Ik ben één keer blijven hangen. De eerste keer. Daarna heb ik altijd de haak er op gegooid. Als iemand mij niet belangrijk genoeg vindt om fatsoenlijk een gesprek af te maken, verdient hij mijn aandacht niet. In sommige dingen ben ik ouderwets.

Gistermiddag ging de telefoon, ik was net begonnen aan mijn week zalig niets doen. En de trouwe lezers weten dan dat er iemand belt voor Rijkswaterstaat. Immers, overdag bellen er alleen maar mensen voor Rijkswaterstaat, waarvan wij het oude nummer hebben.
Het meisje aan de andere kant vroeg of ze Rijkswaterstaat aan de lijn had.
“Nee, zei ik, “dit is al vier jaar niet meer het nummer van Rijkswaterstaat. Het wordt tijd dat u uw telefoonlijst eens bijwerkt.”
Ik heb geen telefoonlijst,” zei ze. “Ik heb dit nummer van. . . . “
Op dat moment ging er een andere telefoon over.
Momentje,” zei ze tegen mij.

Dus: ik heb een meisje aan de telefoon dat een gesprek met mij midden in een zin afbreekt en mij vervolgens laat bungelen terwijl ze weet dat ze mij helemaal niet moet spreken.

Laat ik zeggen dat deze situatie voor mij een uitstekende oefening in zelfbeheersing was.








Namen (22)


Kist - woordvoerder Schiphol
Klank, Thomas - geluidsman van het TV-programma Filmspot
Kleibergen - voorzitter OR gemeentelijk grondbe­drijf Amsterdam
Klein, Victor -  voorzitter van de Belangenvereniging voor Kleine mensen
Klepper Ria - schoenmaker Nederlandse opera
Klip mevrouw - eerste vrouwelijke kapitein van koopvaardijschip
Klomp - Orthopedisch schoentechnicus Tilburg
Knaller - voetballer Oostenrijks team
Knoet mevrouw - projectleider vrouwenmishandeling van de politie Haaglanden
Koe - redacteur agrarisch dag­blad
Koekoek -  natuurgids in Breda
Koeman - onderzoeker naar koeienziekte van "Beets"








Niets


Een uurtje of wat geleden heb ik de deur van de studio achter me dichtgetrokken om ‘m pas op 27 december weer te openen.

Ik had moeten schrijven: een uurtje of wat geleden zijn de dubbele sluisdeuren van de studio voor mij voorlopig voor het laatst opengezoefd. Pas op 27 december zal ik ze met mijn pasje weer in beweging brengen zodat ik in twee fases het gebouw binnen kan. Maar zeg nou zelf, die eerste zin straalt toch veel meer daadkracht uit. ’t Is een statement dat tot de verbeelding spreekt. Je ziet iemand met een zucht  en een laatste krachtsinspanning nog een extra rukje aan de klink geven. Blij dat hij een weekje niets hoeft.

Het plan om vrij te nemen ontstond een maand geleden geheel spontaan. Meteen begonnen we plannen te maken. We wilden een weekje naar Oostenrijk, maar het huis van onze vrienden in Tirol bleek helemaal vol. En een ander adres willen we niet, want het contact met hen is een deel van de pret. Daarna passeerde er van alles: een weekje Istanbul, wandelen in Drente, naar een Waddeneiland.

Uiteindelijk hebben we een knoop doorgehakt. We blijven thuis. Dan kan ik eindelijk die stapel boeken naast mijn bed lezen, of niet. We kunnen elke morgen uitgebreid ontbijten en de kranten lezen aan de ontbijttafel in plaats van in de trein. Ik kan aan de slag met de cursus Photoshop die al maanden onaangeroerd op mijn bureau ligt. Of niet natuurlijk. Ik kan m’n Italiaans een beetje bijspijkeren, of niet. Misschien ga ik ook elke dag uitgebreid koken. Ik zie wel of ik zin heb. En zo niet, dan niet. Een week lang zonder plannen, dat is lang geleden. . .








Droeve kerstvertelling


Wij krijgen dit jaar geen kerstpakket. Aldus heeft onze directeur in zijn oneindige wijsheid besloten. We moeten bezuinigen en daarom worden zelfs de laatste restjes vlees van de botten geschraapt. Ik kan er mee leven. Liever geld steken in programma’s en mensen dan in een kerstpakket. Dat neemt niet weg dat ik het jammer vind.

Onze kerstpakketten waren niet mis. Behalve de gebruikelijke toast, paté en soepstengels zat er ook altijd iets “van waarde” in. Onze afdeling P&O had er een neusje voor om elk jaar iets leuks te bedenken.

(Even tussendoor. Mijn vrouw en ik zijn ooit collega’s geweest. Toen we gingen samenwonen hadden we opeens twee wokken. Kort daarna kregen we allebei een kerstpakket met daarin een wok. Tel uit je winst).

De directeur schrapte ook de kerstborrel. Maar dat ging te ver. Enkele collega’s organiseerden een Amerikaanse fuif, waarbij iedereen iets meebrengt. Van zoveel spontaniteit brak het hart van onze directeur en hij stelde onze kantine beschikbaar, bood aan de hapjes en de drankjes te betalen en ons hoofd faciliteiten stelde een muziekinstallatie beschikbaar zodat we plaatjes kunnen draaien.

(Even tussendoor. Toen ik een jaar of tien was organiseerden we met een stel kinderen uit de buurt, verenigd in de bende van de Witte Hand (ook en vooral toegankelijk voor meisjes), een dansfeestje. Na lang soebatten mochten we het schuurtje van één van de ouders leeg ruimen en als feestzaal inrichten. Van ons zakgeld kochten we limonade. Toen onze ouders ons zo enthousiast bezig zagen besloten ze een paar grijze papieren rijksdaalders te doneren voor chips. ’t Is mijn meest vertederende jeugdherinnering)

Het schrappen van de kerstborrel zou rampzalig zijn geweest. t Is zo’n beetje de enige manier om collega’s te ontmoeten van afdelingen waar je nooit komt. En de rijkelijk vloeiende drank schiep in het verleden vriendschappen voor het leven met mensen die je dan een heel jaar niet meer zag.

(Even tussendoor. Ik hoorde laatst een collega opmerken: “ik werd voorgesteld aan een nieuwe collega door iemand die ik niet eens kende”.)

Het schrappen van het kerstpakket is wel te begrijpen, maar over de gevolgen van zo’n beslissing moet men niet te lichtzinnig denken. ’t Ergste is het voor de collega’s met gezinnen. Want elk jaar zit het thuisfront de dag voor Kerstmis toch gespannen om de tafel als vader of moeder met de doos thuis komt. Wat zou Omroep Brabant ons dit jaar schenken?
Maar vader of moeder komen nu met lege handen thuis. De bedroefde kinderogen zullen de beide kerstdagen door hun hoofd spoken. Hoe moeten ze uitleggen dat het er bij ons bedrijf dit jaar niet in zit. Wat betekent voor een kind het woord bezuinigen?

Nee, kerstmis zal nooit meer hetzelfde zijn. Behalve natuurlijk voor die gezinnen die volgende week vrijdag met het vliegtuig naar een Egyptisch ressort vertrekken om zich met een groen all-inclusive-bandje om de pols een week vol te te laten lopen.








Afspraak


Wij moeten even hele goede afspraken maken met elkaar. Over minister Brinkhorst.

Minister Brinkhorst heeft in een interview met Vrij Nederland kritiek geuit op Ayaan Hirsi Ali. Hij noemde haar film Submission een sigaret in een munitiedepot. Daarna heeft hij op z’n donder gehad van Balkenende want die vond dat de uitlatingen van Brinkhorst niet bijdragen aan de rust die nodig is in het publieke debat. Brinkhorst slikte daarna onmiddellijk zijn kritiek in. Wat de premier betreft is de zaak afgedaan.

Haagse mores. Da’s veel te moeilijk voor een regio-journalist want die denkt: dus er mag een publiek debat gevoerd worden, maar daarin mag je geen kritiek hebben op de film Submission want dat leidt tot onrust?
Wacht, wacht, laat me nog even nadenken. Was die film niet een aanleiding voor de moord op Theo van Gogh, waarna datzelfde publieke debat pas goed op gang kwam?

Wat we nou moeten afspreken is dat dat interview nooit gegeven is. Laten we ook maar meteen afspreken dat Brinkhorst helemaal geen kritiek heeft gehad op Hirsi Ali. Weet je wat? Om alle misverstanden te voorkomen spreken af dat Brinkhorst niet bestaat?

Wie?

Heel goed. U hebt het begrepen!








Primeur


Het gesprek ging vanmorgen op de redactie (we schrijven 07.00 uur) dit keer niet over sex, politienieuws of het shownieuws uit de Telegraaf. Nee, het ging vanmorgen over de Volkskrant, over het verhaal met Prins Bernhard. Als je als één van de eersten binnen bent dan zie je iedereen binnen druppelen. “Heb je het gelezen in de Volkskrant?” vraagt iedereen dan. In plaats van: “Waar is de Telegraaf of het AD?”. Er waren er zelfs die vroegen waar de bijlage van de Volkskrant was.

Een paar weken geleden deed ik een cursus waar ook enkele collega’s van de Volkskrant waren. We trokken drie dagen met elkaar op en hadden stevige nachtelijke discussies over onder meer de waarde van primeurs. We kwamen allemaal tot de conclusie dat het fenomeen primeur alleen leeft in hoofden van journalisten, want het zal de lezer, luisteraar of kijker een worst zijn wie het nieuws het eerste heeft. Mensen hoorden vanmorgen waarschijnlijk voor het eerst over de tweede onwettelijke dochter van Prins Bernhard in het NOS-Journaal. En daar praten ze de hele dag over.

Maar ik kan me niet voorstellen dat ze vandaag bij de Volkskrant niet op een roze wolk zitten. En ik kan me ook niet voorstellen dat ze vandaag bij de Telegraaf niet vloekend en tierend door het gebouw lopen. De krant waarvan iedereen dacht dat het de spreekbuis van Bernhard was heeft het nakijken. Net als alle andere media.
En uit pure kinnesinne gaan de komende vierentwintig uur allerlei journalisten de primeur bagatelliseren.  Let op mijn woorden. Journalisten weten namelijk als geen anderl dat een primeur betrekkelijk is, vooral de primeur van de concurrent.








Telefoonnummer


Toen we in Eindhoven gingen wonen kregen we een heel mooi telefoonnummer. Da’s altijd fijn als je een nummer hebt dat voor iedereen gemakkelijk te onthouden is. Ja, dat hadden we gedacht.
’t Was het vorige nummer van een koeriersbedrijf. Wekenlang zijn ons de meest vreemde vrachtjes aangeboden. Maar dat was nog niet alles. Ons nummer verschilde één cijfer van dat van een taxibedrijf. Als ik elke zaterdagavond dat er een dronken man aan de telefoon hing was uitgerukt was ik schatrijk geworden.
Maar zelfs dat was nog niet alles. Ons nummer verschilde ook maar één cijfer van dat van een sportuitslagendienst. Dus elke zondagmiddag werden wij vriendelijk gevraagd naar de uitslagen van sporten waarvan wij het bestaan niet eens konden vermoeden.

Toen we naar Den Bosch verhuisden kregen we weer zo’n heel mooi telefoonnummer. ’t Was ’t oude nummer van Rijkswaterstaat. Mijn vrouw wimpelde dat meteen af, niet weer telefonist spelen. Maar de juffrouw van KPN verzekerde haar dat het nummer al negen maanden buiten gebruik was. Ze nam het. Op het moment dat we de telefoon inplugden in ons nieuwe huis ging hij meteen over. ’t Was voor Rijkswaterstaat. Dan kun je wel een ander nummer nemen, maar dan moet je weer iedereen waarschuwen.

We zijn nu bijna vier jaar verder. ’t Aantal keren dat we ’s nachts gebeld worden omdat er verkeerslichtinstallaties kapot zijn of omdat er dooie beesten op de weg liggen neemt af. Als we door de week overdag thuis zijn worden we gemiddeld nog twee of drie keer gestoord door allerlei colporteurs die ons ingewikkelde administratieve systemen of ingenieuze koffiezetapparaten willen aansmeren.

De mooiste was de chauffeur van een vrachtwagen met strooizout. Hij stond drie keer op ons antwoordapparaat. De eerste keer met de vraag waar het zout naar toe moest. De tweede keer hevig vloekend omdat hij al een uur in de kou stond zonder dat hij teruggebeld was. De derde keer met de mededeling dat we konden doodvallen en dat hij naar huis ging.

Zondagmorgen toen de rode cijfers van mijn wekker 4.16 uur aangaven ging de telefoon. Ik schrok, zou er toch iets mis zijn met mijn broer? Nee, ’t was de ons bekende firma die bij nacht en ontij uitrukt om voor ons – uhhhh Rijkswaterstaat – de verkeerslichtinstallaties te maken. Normaal blijf ik beleefd, maar deze keer heb ik geroepen dat hij zijn lampjes in z’n reet kon steken.
Sorry meneer Siemens. ’t Was niet persoonlijk bedoeld.








Familie


Mijn kleine broertje is getroffen door een hartinfarct. Ik schrok me kapot toen mijn schoonzus belde. Maar toen ik 'm twaalf uur later zelf aan de lijn had deed hij heel laconiek. Een schampschot, noemde hij het zelf. En nee, hij was niet geschrokken, niet bang en of ik wat reisboeken over Italië wilde meebrengen als ik op bezoek kwam. Hij heeft de halve wereld over gereisd, maar wil nu wel eens naar Toscane. En o ja, hij was met onmiddellijke ingang gestopt met roken.

Het voorval heeft bij mij op de een of andere manier een laatje opengetrokken dat lang dicht is gebleven. ’t Heeft me er heel nadrukkelijk bewust van gemaakt dat ik familie heb. Dat klinkt logisch, maar dat is het niet. Ik had mijn broertje – die ook al weer 40 is – een maand of vijf geleden voor het laatst gesproken. Familie heeft in mijn leven eigenlijk nooit zo’n rol gespeeld. Ik praat er ook zelden over. ’t Zou mij niet verbazen als er in mijn vriendenkring mensen zijn die niet eens weten dat ik familie heb. ’t Is tijd voor een overpeinzing. Misschien wordt het wel "verwerking", u kunt er nog uit.

Aan vaders kant en aan moeders kant heb ik een grote familie. Ze komen oorspronkelijk allemaal uit hetzelfde stadje aan de Waal. Na de oorlog trokken alle ooms en tantes van moeders kant naar Amsterdam en Rotterdam omdat daar veel werk was. De ooms en tantes die waren vertrokken zag ik zelden. Ze hadden geen auto’s en zakten slechts eenmaal per jaar op de brommert af naar hun geboorteplaats. Opa en oma van moeders kant zag ik wel regelmatig, hoewel er met oma nauwelijks contact mogelijk was. Ze was al vroeg dement.

Kort na hun trouwen raakten mijn ouders gebrouilleerd met de familie van vaders kant. Doe opa en oma (die op driehonderd meter van ons vandaan woonden) sprak ik voor het eerst toen ik een jaar of tien was toen de ruzie (waarover weet ik niet) was bijgelegd. In hun kielzog kwamen allemaal nieuwe ooms en tantes één voor één weer op bezoek. ’t Was ruig volk, heel anders dan ons eigen gezin. Na het overlijden van opa van vaders kant viel de familie weer uiteen en was iedereen weer even plotseling uit mijn leven verdwenen als ie er in was opgedoken. Als kind voelde ik wel dat er iets was gebeurd, maar wat is me nooit duidelijk geworden. In 1972 besloten mijn ouders te verhuizen naar een ander deel van het land. Vanaf dat moment waren de banden met die familie definitief verbroken. Ik heb ze ook nooit meer gezien.

De familie van mijn moeder stierf langzaam uit. En de enkeling die nog leeft heeft zich teruggetrokken. Toen mijn moeder zes jaar geleden stierf heb ik er een aantal nog gezien, maar daarna was het definitief gedaan. Ik heb waarschijnlijk tientallen bloedverwanten, verspreid over het hele land, waar ik het bestaan niet van weet.

Ik stam uit een typisch matriarchaal gezin. Moeder was degene die zich met de kinderen bezig hield, streng maar rechtvaardig. Met haar besprak je al je blijde en droeve dingen. Vader was de man die altijd in praktische zin klaar stond. Veel daden, weinig woorden. Ik heb twee broers. Degene die direct onder mij komt zie ik sinds het overlijden van onze moeder nog één keer per jaar: op de verjaardag van mijn vader. Behalve als we allebei op een andere dag gaan. Dan zien we elkaar twee jaar niet. We bellen niet, we schrijven niet. We hebben nooit ruzie gehad, er is nooit één verkeerd woord gevallen, we hebben gewoon allebei een andere wegen ingeslagen die elkaar niet kruisen.

Met mijn jongste broer heb ik wel wat vaker contact. Een keer of vijf per jaar. Ook wij hebben ons elk in een andere richting ontwikkeld, maar we voelen wel een soort verwantschap. Ik merk soms dat hij worstelt  met dezelfde dingen als ik. We lijken eigenlijk heel erg op elkaar zonder dat we dat ooit hebben uitgesproken. Daarom maak ik me  zorgen om hem, hoewel hij zelf laconiek doet over zijn schampschot.

Ik heb me vaak afgevraagd of ik familie mis. Ik weet het niet, want ik weet nauwelijks wat ik dan mis. Ik ben wel eens jaloers op mensen die grote, gezellige families hebben waarmee ze kerstmis vieren. Omdat ik in mijn leven al vijftien keer verhuisd ben en op verschillende plaatsen in het land heb gewoond, heb ik me nergens gehecht. En omdat ik daardoor steeds weer opnieuw moest beginnen zijn er eigenlijk geen mensen met wie ik een verleden deel. Anderen hebben daar hun familie voor. In die zin mis ik familie wel.








Namen (21)


Kaptein, Pieter - kapitein op het schip De Radboud
Kauwenberg F.C.T. -  tandprotheticus Veldhoven
Kelders, Roland - wijnhandelaar in Boxtel
Kerkhof - beheerder crematorium
Kerkhoven Guus - Eindhovenaar die meedoet aan ontwerpwedstijd Friedhof der Zukunft
Kerkstoel - Vlaams bedrijf dat kerkgewaden en bijbehorende attributen verkoopt
Ketterij K. v. d. - SGP-kandidaat Zuid Holland
Kiezekutter - tandarts Duitse legerplaats Budel
Kill mevrouw M. - arts en medisch ambtenaar
Kinderen der -  directeur basisschool Heeze
Kinders, Nannie - juffrouw school castricum








Soestdijk (3)


U was gewaarschuwd, vandaag nog een herinnering aan Soestdijk. Het moet in het beruchte jaar 1978 zijn geweest. Ik werkte op de regioredactie Soest van de Gooi- en Eemlander. En het werd 30 april. Aan ons de taak om een origineel verslagje te maken van het defile op Paleis Soestdijk. Dat was namelijk op loopafstand van de redactie. Natuurlijk deed de regiochef deze klus zelf, logisch. Dat verslag was overigens voor alle regionale kranten in Nederland die aangesloten waren bij, ik dacht de Gemeenschappelijke Pers Dienst, maar het kan ook de Persunie zijn geweest.

Nou was die chef een beetje een flierefluiter. Hij ging dus morgens al redelijk vroeg ten paleize want onderweg zou hij vast nog wel een drinkebroer tegen komen om gezellig een kopje koffie mee te drinken. Ik bleef achter op het kantoortje. Na het defile zou hij vanuit het cafe een stukje doorbellen. Ik zou dat netjes uittypen en vervolgens voorlezen aan al die redacteuren van al die kranten. Nee, er waren nog geen mobieltjes en we hadden ook geen fax. Computers hadden we ook nog niet. Live TV-was er niet.

Tegen het middaguur begonnen al die kranten naar ons kantoortje te bellen, maar mijn chef had nog niks van zich laten horen. Ik begon ‘m behoorlijk te knijpen en kreeg van iedereen op m’n donder omdat de deadline zich opdrong. Ten einde raad besloot ik kroegen te bellen om te vragen of chef soms daar was. Bij de tweede was het raak. Hij kwam aan de lijn. Ik probeerde hem er voorzichtig toe te bewegen een verhaaltje in elkaar te zetten. “Strakkies,” zei hij en zijn stem klonk een beetje vreemd. Ik legde hem mijn penibele positie uit en gelukkig had hij daar begrip voor. “Zeg maar dat er geschoten is en dat het daarom wat langer duurt, maar dat ze dan wel een wereldverhaal krijgen.”
“Geschoten?” vroeg ik verschikt.
“Zeg dat nou maar, dan leg ik het straks wel uit,” lalde hij.
Dus ik zei dat tegen al eindredacteuren, die – en dat zult u begrijpen – helemaal in extase raakten.

Een kwartier later stond de chef op de stoep. De telefoon stond roodgloeiend. “Je staat ze nou zelf maar te woord,” riep ik helemaal over de rooie. En tegen iedereen die het horen wilde vertelde hij het verhaal van de jonge prinsjes die met propjes op het journaille hadden geschoten.
Ook mijn chef was aangeschoten








Paleis Soestdijk (2)


Zondag heb ik voorgesteld om van Paleis Soestdijk een Volkspaleis/museum te maken. Dat deed ik omdat ik voorvoelde dat deze week in de media vrijuit gediscussieerd zou gaan worden over de bestemming van het paleis en dan kun je maar het beste een trend zetten. De discussie kwam ook lekker op stoom en er bleken meer mensen op het idee van een museum te zijn gekomen.

Als het eenmaal zover is dan gaan de media gewone mensen vragen welke herinneringen ze aan “Soestdijk” hebben. Ik begin vast. ’t Is niet veel bijzonders, ik zeg het maar vast, maar het gaat bij in de media bij reacties van gewone mensen nooit om inhoud.

’t Moet ergens in 1975 geweest zijn toen de plaatselijke fanfare mee mocht lopen in het defilé. Ik werd door de krant meegestuurd om de onvermijdelijke sfeerrepo te maken. Er ging geen fotograaf mee (die hadden het druk genoeg met koekslaan en zakhappen in de eigen regio) dus is moest met mijn eigen Agfa-klak ook een foto maken. Van de Harmonie met op de achtergrond de koninklijke familie.

Nadat we het statige hek gepasseerd waren werd mij al snel duidelijk dat je met een fototoestelletje van 50 gulden onmogelijk zoveel tegelijk kon vastleggen zonder flink afstand van het object te nemen. Probleem was dat ik in een rij werd geperst en dat tussen mij en een gunstige plek om te fotograferen, allemaal marechaussee-achtige bonken stonden. Al lopend stelde ik mijn toestelletje in.
Op een bepaald moment deed ik wat ik eigenlijk niet durfde. Ik brak uit de linies, rende als een gek het grasveld op, draaide me razendsnel om, hield mijn adem in, klikte en gaf mij over aan een in blauw tuniek gestoken man die op mij toe kwam gesneld. Ik frommelde mijn perskaart uit mijn zak en legde hem uit met welke onmogelijke opdracht de chef-redacteur mij had weggestuurd. En dat mijn baantje af hing van het resultaat van mijn foto. “Terug in de rij,” zei hij (en hier hoort dan nog te staan “op barse toon”).

Nee, toevallig eindigt dit verhaal niet met zoiets stoms als: thuis bleek er geen rolletje in de camera te zitten. Toevallig was het een keurige foto, die op een prominente plaats in de krant werd geplaatst. Met mijn naam er bij.

(Cliffhanger: Morgen nog een herinnering, waarbij geschoten wordt. . .)








Kerstkaart


We hebben de eerste kerstkaart gekregen. Ik zag aan het handschrift van wie hij was. Maar ook als de kaart op z’n kop op de deurmat had gelegen zou ik geweten hebben wie ons als eerste een kerstkaart zou sturen. We krijgen al tien jaar de eerste kerstkaart van mijn hospita.

Nee, daar hoort geen romantisch verhaal bij van een student die in de periode tussen moeders pappot en z’n intrede in de grotemensenwereld een paar jaar op een zolderkamertje doorbracht bij een ongenaakbare feeks die er op toe zag dat hij geen meisjes ontving en niet rookte binnenshuis.
Ik heb niet gestudeerd. Maar ik heb eind jaren tachtig wel een paar maanden op kamers gewoond omdat de afstand tussen mijn nieuwe werkgever en mijn gezin niet dagelijks te overbruggen was. Door de week woonde ik bij mij hospita en in het weekend bij mijn gezin.

Ze zorgde voor me als een zoon op een welhaast verstikkende manier. Elke dag maakte ze warme hap voor me en ze streek m’n onderbroeken, hoewel ik dat toen een beetje gênant vond. In ruil daarvoor luisterde ik vier maanden lang naar alle ziektes die haar hadden getroffen. Ik wist niet dat één mens in z’n leven zoveel ziektes kon hebben, laat staan een mens dat toen de middelbare leeftijd nog niet eens had bereikt, zoals mijn hospita.

Nadat ik met mijn gezin herenigd was in een nieuw huis dicht bij mijn werk hielden mijn hospita en ik telefonisch contact. Een paar keer per jaar belden we en hadden we lange gesprekken. Nee, dat is niet waar. Zij praatte lang en ik luisterde naar de verschrikkingen die haar waren overkomen. Toen ze was aangekomen bij zwellingen dacht ik dat we het gehad hadden. Maar bij het volgende telefoongesprek begon ze van voren af aan met aambeien. Omdat ik toen het gevoel had dat ik klaar was met mijn verkorte cursus huisarts, begon ik de boot af te houden.

In de loop der jaren verwaterde het contact. Nu sturen we elkaar alleen nog maar kerstkaarten. Op haar kerstkaart staat al jaren haar naam en met grote letters haar telefoonnummer. Op mijn kerstkaart staan alleen de beste wensen en beterschap. Dat komt namelijk altijd van pas.








Ouwelullenpraat


Soms krijg je van vrienden of collega's, via outlook, grappige filmpjes, teksten of foto's toegestuurd. U kent ze wel, die welkome onderbrekingen als je je net het hoofd zit te breken over een moeilijk gevalletje. Meestal zijn ze grappig, soms smerig, de meesten leveren een glimlach op waarna je er weer even tegen kunt. Gisteren kreeg ik er eentje die ik zo vond passen bij datgene wat ik zelf vaak denk, daarom heb ik 'm ongegeneerd gejat. Toch benieuwd wat de afzendster dacht toen ze 'm stuurde. Ze is zelf namelijk nog een stuk jonger dan ik.

Hoe is het in godsnaam mogelijk dat onze generatie nog leeft? Volgens de theorieën anno 2004 zouden we al lang dood moeten zijn ?

Wij zaten in auto's zonder veiligheidsstoeltjes, gordel of airbag.

Onze bedden en speelgoed waren geschilderd met verf vol lood en cadmium.

Boven aan een trap was géén hekje; wie te ver ging kukelde naar beneden. 

Flessen met gevaarlijke stoffen en alle apotheekflessen konden we gewoon met onze handjes en beperkte motoriek openen.

Op de fiets zat je achterop met je gat op de bagagedrager en probeerde je vast te houden aan de schroefveren van het zadel voor je.

Een helm hadden ze nog niet eens op een bromfiets, laat staan op een Fiets.

Brood stond stijf van conserveringsmiddelen, na twee weken was een Bums nog nét zo vers als in de winkel.

Kleur en smaakstoffen moeten ook toen al bestaan hebben, want zo rood, groen of geel als die limonade toén was, zie ik ze nu écht niet meer.

Een kauwgom legde je 's avonds op het nachtkastje en stak je 's morgens weer in je mond.

We gingen 's morgens weg van huis en we kwamen terug als de straatverlichting aan ging. Niemand wist waar we waren in de tussentijd en we hadden geen GSM mee! Het bos of een park was een plek om te spelen en géén vieze mannetjes verzamelplek.
Als we naar een vriendje gingen, liep je er gewoon naar toe, je hoefde niet aan te bellen en ook geen afspraak te maken. Er ging ook geen volwassene met je mee.

Wij aten ook al koekjes en kregen brood met veel boter en werden toch niet dik. We dronken uit dezelfde fles als onze vrienden en niemand werd er ziek van.

Wij hadden geen Playstation, Nintendo, X-box, 64 televisiezenders, videofilms, surround sound, eigen televisies, computer of internet. Wij hadden vrienden!

We hebben ons gesneden, botten gebroken, tanden uitgevallen en er werd niemand voor naar de rechter gesleept. Dat waren gewoon 'ongelukken' en soms kreeg je er ook nog zelf een extra pak slaag voor. Wij vochten en sloegen elkaar soms groen en blauw, en er was geen volwassene die zich er druk over maakte, laat staan een lieveheersbeestje die op je jas kroop.

Pedagogisch verantwoord speelgoed maakten we zelf; met stokken sloegen we naar ballen, we bouwden zeepkisten en merkten onder aan de berg dat we de rem vergeten waren.

We voetbalden op straat, en alleen wie goed was mocht mee doen; wie niet goed genoeg was moest maar blijven kijken en leren omgaan met teleurstellingen.

Op school zaten ook domme kinderen, zij gingen en kwamen op dezelfde tijd als wij en kregen de zelfde lessen. Zij deden soms een klas nóg een jaar en daarover waren ook geen discussies op ouderavonden. De meester had altijd gelijk.

We smeerden onze boterhammen zelf, met een grote mensen mes, en als je ze vergeten was kon je op school niets kopen! Als je de korst niet at had je een beetje meer honger de rest van de dag.

Wij gingen met de fiets naar school, helemaal zelf, ook in de winter! Als je moeder aan de huisdeur noch naar je zwaaide was je al een watje!

Als je problemen veroorzaakt had waren je ouders het eens met de politie. Ze kwamen wél om je te halen, maar niet om je er uit te lullen.

Onze daden hadden consequenties,dat was duidelijk en je kon je niet verstoppen. Wij hadden vrijheid, mislukkingen, succes en verantwoordelijkheid. We hebben moeten leren er mee om te gaan. Onze generatie heeft véél mensen voortgebracht die problemen kunnen oplossen, innovatief bezig zijn en daar bij risico durven nemen en voor de gevolgen in staan.

WIJ WAREN HELDEN !!!!!!










Grof geschat


Ik zit dertig jaar in de journalistiek. Laten we eens een grove schatting maken. Dat is 30x46 weken (een mens heeft wel eens vakantie, is wel eens ziek over anderszins absent). Dat is 1380 weken. Maal vijf is 6900 dagen. Grof geschat (er waren tijden dat ik er veel zag en tijden dat ik er geen zag) heb ik 10 agendaberichten per dag gezien. Dat zijn er 69.000. Uitnodigingen voor bijeenkomsten van verenigingen, clubjes, organisaties, commissies, raden, werkgroepen, persconferenties.

Dan denk je dat je alles gezien hebt. Maar nu werd ik toch nog verrast. Door een uitnodiging van de Nederlandse Vereniging voor Slechthorenden. Het betrof hier een informatie-avond lotgenotencontact oorsuizen. Wat prachtig. Poetisch bijna. Lotgenotencontact oorsuizen.

Begrijp me goed. Ik maak geen grappen over oorsuizen. Het lijkt me vreselijk om het te hebben. Ik wil alleen maar aangeven dat je zelfs na dertig jaar journalistiek nog verrast kunt worden. Lotgenotencontact Oorsuizen.








Paleis Soestdijk


Wat zou er met Paleis Soestdijk gebeuren? Ik hoorde dat de Rijksvoorlichtingsdienst daar na de bijzetting van Prins Bernhard mededelingen over zal doen. Dat is ook wel zo netjes natuurlijk. Je moet niet over de erfenis praten voordat de overledene begraven (of bijgezet) is. Ik mag er dus nu ook niet over speculeren. Ik doe het toch.

Op onze tochten door Italië gaan we regelmatig naar plaatsen waar grote Italiaanse componisten tekens van leven hebben achtergelaten. Aanvankelijk ging ik mee om mijn vrouw te plezieren. Zij wil alles weten over de componisten van wie zij de muziek zingt. Maar inmiddels laat ik me graag meevoeren door de geboorte- en woonhuizen van Verdi, Puccini en al die anderen. ’t Zijn een beetje bedevaartsoorden geworden.

De mooiste ervaring was het huis van Puccini in Torre del Lago. Het huis waar hij zo lang geleefd heeft is vrijwel intact gebleven. Dat wil zeggen dat er niets van z’n plek is gezet (ze zullen best wel iets hebben verfraaid, maar ik koester mij graag in illusies) en daardoor krijg je het gevoel dat je na het openen van elke deur oog in oog kunt staan met Giacomo Puccini.

Wat zou het nou mooi zijn als ze Paleis Soestdijk hetzelfde deden. Alles laten zoals het was op het moment dat Bernhard het paleis voor de laatste keer verliet en het open stellen voor het volk zodat het kan zien hoe zijn vorsten echt leefden.




            Torre del Lago








Aanrader


We zijn gisteravond in de Verkadefabriek naar een voorstelling van het Volksoperahuis geweest. Dankzij die Verkadefabriek hebben we in onze provinciehoofdstad ’s-Hertogenbosch nog meer cultuur. 

Het Amsterdamse Volksoperahuis speelde “De Tweede Stem”. Het verhaal van Herman en Greet (elke gelijkenis met Gert en Hermien berust op louter toeval). Een stel dat levensliederen zingt, in de reli-pop verstrikt raakt, dankzij hun manager emplooi vindt in België en waar het uiteindelijk heel slecht mee afloopt.

Wat een droefenis, wat een droefenis. Maar wat een prachtig verhaal en wat een geweldige acteurs. Het onderwerp zou kunnen uitnodigen tot platvloersheid of camp. Maar daar is bij het Volksoperahuis geen sprake van. De vier zangers/acteurs vinden steeds de juiste toon en de juiste spanning om het hoge niveau anderhalf uur vast te houden. En het is vooral ook heel humoristisch. Door de steeds wisselende scènes voel je je in de zaal inderdaad het publiek van een achteraftent in Brasschaat of van een verlopen karaokebar in het Vlaamse niemandsland. Ik wil deze voorstelling graag van harte aanbevelen.

O ja en als je aan het eind ervan helemaal in de put zit vanwege al die droefenis dan heeft het Volksoperahuis een verrassing. In vijf minuten wordt het podium omgetoverd in een discotheek waar je samen met de acteurs tot diep in de nacht kunt dansen en uithuilen. Een geweldige vondst!










Namen (20)


Huis in 't Veld - directeur hypotheken bij 't Hooge Huys
Huis van -  leverancier telefoonbeantwoorders Barneveld
Hulpboer - boer
Hunger, Maik - eigenaar restaurant Augustusburg in Duitsland
Hut Henk - adjunctdirecteur stichting dak- en thuislozen Alkmaar
Janken Kim -  zangeres
Kaal, Edgar - kapper in ’s Heerenberg
Kam Jacqueline - kapster
Kapitein, mevrouw - voorlichtster militaire vliegbasis Gilze Rijen
Kapiteins - kapitein sleepboot
Kaptein - prases Leidse studentenzeilvereniging








Inburgeringscursus


Uit de Volkskrant van vanmorgen:

“Minister Verdonk voor Integratie mag niet alleen allochtonen verplichten tot het volgen van inburgeringscursussen. Om discriminatie te voorkomen, moet deze verplichting gelden voor alle inwoners van Nederland die minder dan acht jaar school hebben gevolgd.”

Mevrouw Jansen is 106 jaar en is opgespoord door een ambtenaar van Verdonk.

Dag mevrouw Jansen, ik ben ambtenaar van Vreemdelingenzaken. Ik wil even met u praten.

Kunt u iets harder praten, ik hoor niet meer zo goed.

IK BEN AMBTENAAR EN IK MOET IETS MET U BESPREKEN!!!! Hoeveel jaar bent u naar school geweest?

Naar school? Niet zo lang jongen. Dat was toen niet. Eens kijken, zeven jaar lagere school. Dat moet van 1904 tot 1911 zijn geweest.

Maar zeven jaar?? Ja, ja. . . dat dacht ik wel. Dan moet u naar een inburgeringscursus.

Een wat?

EEN INBURGERINGSCURSUS!!!

Wat is dat??

Dat u alles over onze maatschappij moet leren. Dat moet als je minder dan acht jaar onderwijs hebt genoten?

Genoten? Ik heb niet zoveel genoten jongen. Op m’n twaalfde ben ik in het huishouden gaan werken bij de familie De Beaufort, mijn vader was daar koetsier. Ik heb er nog een mooi getuigschrift van. Toen ik twintig was ben ik getrouwd. Mijn man had een boerderijtje. Ik heb hem altijd meegeholpen. Op m’n veertigste had ik negen kinderen. Twee heb ik er moeten afgeven in de crisistijd. Ik heb twee oorlogen meegemaakt. Er was niet zo veel te genieten, jongeman. Nou ja, we zijn een keer naar de revue van Snip en Snap geweest toen we 40 jaar getrouwd waren. 't Was een cadeautje van de kinderen. Drie dagen later overleed m'n man. Hartstilstand. 't Was een goeie man. Bertus. Van de kinderen leven alleen mijn twee jongste zonen nog. D'r was weinig te genieten meneer.

Maar u moet toch een inburgeringscursus doen.

Van wie moet dat?

Van minister Verdonk.

Wie??

VERDONK!! DE MINISTER!!

Minister-president Cort van der Linden, meneer. Die ken ik wel. In de eerste wereldoorlog kwam hij vaak op het kasteel. Bij meneer De Beaufort. Dat was een heer, meneer. Hij bracht altijd chocolaatjes mee voor het personeel van meneer, meneer.

Heeft u eigenlijk een naam meneer of bent u alleen maar ambtenaar.

Ik heet Pietersen.

Oh, meneer Pietersen. Vroeger stelden de mensen zich altijd voor als ze bij iemand op bezoek kwamen.

Uhhm, jawel, maar ik dacht . . .

U dacht natuurlijk: dat kan dat ouwe mens toch niet onthouden. . .

Nou nee. . . Sorry hoor mevrouwtje.

Mevrouwtje? Ik had je overgrootmoeder kunnen zijn meneer. En ik heb heus wel gezien dat je al drie koekjes van de schaal hebt genomen zonder te vragen. Ik ben wel een beetje doof, maar niet blind. . . .


(lees meer)








Losse eindjes


Een jaar of tien geleden was ik met enkele collega’s op een beurs in Parijs om ons overdag te verlekkeren aan de nieuwste radiosnufjes en 's avonds aan Parijs. We kregen daar een demonstratie, die wij op dat moment als een wonder beschouwden. Een verslaggever belde met een mobiele telefoon rechtstreeks in een radio-uitzending.

We hadden een uur nodig om daarvan bij te komen. We dachten dat we het zelf niet meer zouden meemaken. Dat viel dus mee, want nu snappen we al jaren niet hoe we ooit verslag on the spot hebben kunnen doen zonder.
’t Heeft ook wel iets spannends zo’n verslaggever met een mobieltje die live vertelt hoe hoog de vlammen uit het dak slaan.

Vanmorgen las ik dat is gisteravond een enorme piek was in het mobiele telefoonverkeer. Mensen belden elkaar massaal op dat Prins Bernhard was overleden. SMS'sjes vlogen heen en weer. De Prins is dood was de boodschap.

Het artikel gaat verder: "Andere hoogtepunten noteerde KPN de afgelopen tijd onder andere rond de dood van Theo Van Gogh, de geboorte van prinses Amalia en meestal ook bij wedstrijden van Oranje. De doelpunten zijn dan vaak te volgen via de bel- en berichtpieken."

Laatst gebeurde er ook iets degelijks in de trein.  Van A naar B passeerden we in achttien minuten tijd twee stations. Bij elk station belde een meisje in mijn coupe op om aan iemand te vertellen waar ze was en hoe laat ze in B zou arriveren. Zulke gesprekken hoor je vaak. Mensen die vertellen waar ze zijn, wat ze op dat moment doen en wat ze zien. Verder niks. Ik vraag me wel eens af waarom ze dat doen. Als iemand weet dat jij om 17.35 uur in B aankomt en de trein rijdt op tijd dan hoef je toch niet om de tien minuten te vertellen waar je bent.

Waarom doet iemand dat? Waarom wil iemand voortdurend laten weten waar hij of zij is?
Vandaag kwamen opeens alle losse eindjes in mijn hoofd bij elkaar: ze spelen allemaal radioverslaggevertje. . .

P.S: u kunt mij inhuren als schabbelende mobielebelfilosoof. Of om gewoon een beetje te ouwehoeren op een saai verjaardagsfeestje. Of om het gras te maaien. U ziet maar. . .

(lees meer)








Prins Bernhard


De oude vos heeft eindelijk het hoofd in de schoot gelegd. Prins Bernhard is waarschijnlijk de man van wie de necrologien het langst klaar hebben gelegen. De afgelopen jaren heeft hij het journaille vaak op scherp gezet door op de rand van de afgrond te gaan staan. Maar telkens als alle verloven ter redactie waren ingetrokken verliet Bernhard met opgeheven hoofd het ziekenhuis. Tot vandaag.

De komende dagen zullen alle bekende verhalen over de prins herhaald worden. We zullen niets horen of lezen wat we niet al eerder gehoord en gelezen hebben. Alleen columnisten zullen met hun persoonlijke noot nog kunnen boeien.

Ik heb geen persoonlijke herinneringen aan Prins Bernhard. Ik heb ‘m een paar keer van afstand gezien, maar ik ken hem alleen uit de verhalen. Ik mocht ‘m wel. Hij deed iets wat ik niet altijd durf: zijn leven leiden zonder zich iets aan te trekken van zijn criticasters.








Huub



Het was een hard gelag, die uitslag van de verkiezing bestemuzikalenederlanderallertijden. Dat Barry Hay gewonnen heeft, daar kan ik mee leven. Maar dat de door mij geadoreerde Huub van der Lubbe op de laatste plaats is geëindigd kan ik niet verkroppen. Als ik in de put zit zet ik een DVD van De Dijk op en dan komt het goed. Om de ernst van de adoratie maar even aan te geven.

En nu is Huub van der Lubbe als laatste geëindigd in de verkiezing bestemuzikalenederlanderallertijden. Normaal gesproken negeer ik dit soort verkiezingen.Maar dit kan ik niet over m’n kant laten gaan. Oké, ik zou Van der Lubbe ook niet op de eerste plaats hebben gezet als het gaat om muzikaliteit. Maar voor mij is hij wel de allerbeste Nederlandse tekstdichter die ik ken en daarom zou hij op die algemene lijst best wat hoger hebben mogen eindigen.

Als klein eerbetoon:

“De nacht valt in duizend stukken”

op de dansvloer van het leven
met een tango voor de boeg
kan het zomaar heftig stormen
ook als niemand er om vroeg

De stad ligt uitgevloerd als na een avond slechte dope

Kom toch vrienden drinken, pak een stoel en schuif aan
Neem de draad op van de oeroude verhalen
Draai er mooi om heen met je sterkste stalen
We hebben hier nog even en dan weer een lange weg te gaan
We weten hoe het afloopt, dus zeg hoe je het wil
We gaan iedereen graag op zijn woord geloven
Waarheid komt van binnen uit en niet van boven
En als iedereen zijn mond houdt dan blijft het hier zo stil

robbie is vertrokken want robbie die zat stuk
met het halve apparaat achter hem aan
want hij kon niet tegen petten en hij zocht alleen geluk
hij is als stoker op een vrachtschip meegegaan





Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' XML: RSS Feed XML: Atom Feed