In den beginne...
1972. Geen zin meer in school, via vader een baantje gekregen als fotografisch zetter bij de Barneveldse Krant. Plotseling was ik de collega van onaanraakbare journalisten wier naam ik alleen kende als aureooltjes boven voor mij ondoorgrondelijke verslagen van de cooperatieve uitvaarvereniging "De Laatste Eer", de meenteraadsvergadering of een interview met een melkboer die na veertig jaar zeulen van deur naar deur gehuldigd werd door zijn gluiperige klanten, die steeds minder bij hem en steeds meer bij de supermarkt kochten. Mijn blik werd voortdurend getrokken door de mannen achter het glas: journalisten met lange haren, die in en uit liepen, terug van of op weg naar de plaatsen waar het gebeurde. Daar begon mijn droom. Thuis spelde ik ondertussen alle kranten en tijdschriften die ik van mijn karige loontje kon kopen, want ik had door dat je veel kon leren door anderen te lezen. Te meer ik las van mannen als Harry van Wijnen, Rudie van Meurs en Jan Blokker, te meer ik tot de ontdekking kwam dat die stroom kopij die ik dagelijks onder handen kreeg hier en daar voor verbetering vatbaar was. Voorzichtig begon ik met het aanpassen van de artikeltjes die door de plaatselijke correspondenten op de achterkant van sigarendozen en suikerbuilen waren aangeleverd en die de journalisten wegens belangrijker zaken maar al te graag aan hun aandacht hadden laten ontsnappen. Overmoedig geworden door het uitblijven van de gevreesde reprimande knalde ik er stiekum op eigen kosten een LOI-cursus journalistiek tegenaan. Per keer leerde ik meer uit de maandelijks toegestuurde lessen en heel voorzichtig verlegde ik mijn illegale activiteiten op de zetterij van de correspondentenberichten, naar de stukjes van de leerling-journalisten en uiteindelijk vergreep ik mij, schichtig in het rond kijkend, soms aan de artikelen van de gevestigde orde. Na twee jaar begon het op te vallen. Ik werd via de chef-zetterij ontboden op het kantoor van de hoofdredacteur. Hij had gemerkt dat ik een dubbelleven leidde. Had ik journalistieke aspiraties? “Ja meneer. “ Zo Zo. Hij kon nog wel een vliegende correspondent gebruiken (later is vliegende vertaald in free en correspondent in lancer). Wilde ik niet eens proberen zelf een verslagje te schrijven.? “Ja meneer, heel graag.” Ik zou er nog van horen. Een week later zat ik voor het front van de voltallige redactie om mijn eerste opdracht in ontvangst te nemen. De volgende dag toen de krant gezakt was en de journalisten ter redactie terugkeerden om de wereldproblemen van Barneveld en wijde omgeving te bespreken, werd ik wederom ontboden. Ik had me nog nooit zo klein gevoeld. De hoofdredacteur keek me aan en zei: “Je hebt talent.”
Ik verstond het verkeerd. “Als je wilt kun je vliegende correspondent worden.”, meende ik te horen. “Dat betekent dat je een paar keer in de week naar vergaderingen moet.” “Dat is dan afgesproken, wij begeleiden je en als er over een tijdje een plek vrij komt voor een leerling journalist en je hebt genoeg geleerd, dan zullen we eens kijken of dat iets voor jou is. O ja, je krijgt elf cent per regel. Nou je hoort wel wanneer je weer iets moet doen.” Ik hoefde niet, maar ik heb toch een kwartier op de WC gezeten om het tot me door te laten dringen: ik word vliegende correspondent, misschien wel leerling journalist en wie weet - veel later - redacteur.... Nu, dertig jaar, drie kranten , duizenden verslagen, reportages, commentaren, analyses en een omroep verder denk ik wel eens, waarom heb ik niet gewoon mijn school afgemaakt.
